V.

V.Algemeen register der voornaamste onderwerpen.In dezen Koran behandelde, en de noten des betreffende.De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.AAalmoes (De)II,211,255,265–269,273–275;III,86,128;V,15;IX,60,68,99, n. 100;XXX,38;LVII,7,10,17;LVIII,13,14;LXIII,10;LXIV,16,17.Aalmoezen, zieAl Walid Ebn Okba.—Ziestraf.Aanbidders van het kalf, zieGod.Aanbidding,XXXII, bl.445, n.—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren,IV,117, n.—Der sterren, zieSterren.—Van God, vooral ’s Vrijdags, zieMozes.—ZieAdam.Aanbiddingsplaats,X,87.Aangezicht tot God wenden,II,106, n. Ziewenden.Aanleiding tot het maken van het gouden kalf,VII,134, n.Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz.II,168, n.Aanslag op Mahomet,XIII,14, n.—ZieKoreïshieten.Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran,V,15, n.Aantal der vrouwen,IV,3.—ZieMoslem.Aanvangletters,II,1,VII,1.—XIII,1.—XIX,1.XXX,1.Aanvoerders der ongeloovigen,VII,46.AardbevingXXII,1, n.—Op den jongsten dag,XCIX,1.Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent,XVI,15, n.—In twee dagen geschapen,XLI,8.—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen,XLVI,2.—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.Aardsch paradijs,II,33, n.Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders,XLVI,16.Abd’ Allah Ebn Obba,XXIV,34, n.Abd’ Allah Ebn Salam,XLVI,3, n.Abel en Kaïn,V,30.Aboe Bekr,XXIV,22, n.—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed,XLVI,14, n.—ZieAbd’ Alrahman.Aboe Jahl.LXXV,31, n.XCVI7, n. en10, n.—Mahomets vijand,XXII,8, n. Verstoot een wees,CVII,2, n.Aboe Kobeis, zieAbraham.Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand,CXI,1.—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets,CXI,4, n.Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka,CV, bl.627, n.Abraham,II,120,124–130,134;III,30;IV,57,161;VI,162;IX,71;XI,72:XIV, bl.282, n.;XV,51;XVI,121;XXIX,15,23en volg;XXXVIII,45;XLIII,25;LIII,38;LVII,26;LX,4;LXXXVII,19.—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd,II,118,119.—Wat hem met Nimrod gebeurde,260.—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman,III,60.—Zijn verblijf te Mekka,91.—Hij is Gods vriend,IV,124.—Hij bidt slechts God aan,VI74–84.—Hij tracht zijnen vader te bekeeren,IX,115;XIX,43.—Hij bidt voor zijn geslacht,XIV,38–42.—Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin,XXI,59;XXXVII,81en volg.—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin,XXVI,69en volg.—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered,XXI,68,69.—Hij bouwt het heilige huis te Mekka,XXII,27.—Hij is gereed zijnen zoon te offeren,XXXVII,101en volg.—De engelen komen hem bezoeken,XI,72en volg.—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka,XXII,28, n.—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht,XXI,69, n.—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen,LX,4.—ZieNoach.—Zijn vader, zieAzer.Abrahams beproeving,II,118.—Gasten,LI,24en volg.—GebedXIV,38en volg.—Gebed na den dood zijns vaders,XXVI,86, n.—Huis,II,119.—Of Noachs afstammelingen,VI,84.—Offer van zijn zoon, zieBevel.—Vlucht naar Harran en Palestina,XIX,50, n.—Vraag omtrent de opwekking,II,262, n.Abtar, (kinderloos) zieMahomet.Achterblijvers,IX,119. ZieRegen.Ad, een Arabische stam,VI,6, n.—XXIX,39, n.—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is,VII,63;IX,71;XI,52;XXII,43;XXV,40;XXVI,123en volgXXIX,37;XXXVIII,11;XL,32;XLVI,20en volg;L,12;LI,41;LIII,51,LIV,18;LXXXIX,5.—Hunne stad door droogte geteisterd,XI,54. zieIrem.Adam,VII,10.—Vader van het menschelijk geslacht,II,28–35;III,30–52;XVII,63,72;XIX,59;XX,114–120.—Ontvangt een bevel,VII,18.—Hij ontvangt de aanbidding der engelen,XVIII,48.—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten,XX,114.—Ziestraf.Adams zonen,V,30.Adi Ebn Rabia, zieAboe-Jahl.Afdeeling der hel, zieHa’wiyet.Afdwalen van Gods voorschriften,V,54, n.Afgewikkelde rol,LII,3.Afgezanten van God, engelen,XXII,74.Afgod der oude Arabieren, zieEl Lat.—Afgod, zieDjibt.Afgoden,IV,40, n.—V,92, n.—VI,74,94, n.,137, n.—VII,124.—XVI,58,77.—Door de Arabieren aangebeden,IV,54.Afgodendienaar,LIII,35, n.Afgodendienaars,VI,22, n.,24.—XI,7, n.—XIII,31, n.Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen,II,107en volg.;XXV,3;XXVIII,62–74;LII,34–49.—Zij zijn onrein,IX,28.—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars,VI,137en volg.—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God,IX,114,115.—Men moet hen allen bestrijden,IX,36.Afgodendienende Arabieren,II,107, n.Afgodendienst,XVI,76.Afgoderij (De)II,187,214,220;VII,193,194;X,19.—Zij zal nooit vergeven worden,IV,51,116;VI,64, n.,82;X,29, n.;XXII,32.Afgodsbeelden,II,12, n.;VII,69, n.Afscheiding tusschen hel en paradijs, zieAl Araf.Afsnijden van handen en voeten,VII,121, n.Afstammelingen van Al Sameri,XX,97, n.Afstammelingen, zieAbraham.Afvalligheid,XVI,108.Afwending van eene vrouw,IV,128.Afzondering der verleiden,II,161.Afzonderlijke opsluiting van vrouwen,IV,38.Ahmed, een der namen van Mahomet,LXI,6.Aiè, mirakel,II,37, n.Ailah, eene stad aan de Roode zee,VII,163, n.Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd,XXIV,11.Ak Aldr,XCVII, bl.623, n.Akhnas Ebn Shoraik. zieHuichelarij.Alahkaf,XLVI, bl.526, n.Al-âkherat,II,3, n.Al Araf,VII, bl.189, n.—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs,VII,44, n. 46.Al Arem, wallen of dammen,XXXIV,15.Al As Ebn Wayel,XIX,80, n.Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.Alexander de Groote, zieDhoe’l Karnein,XVIII,82.Al Fâtehat,I, bl.69, n.Al Forkan, een der namen van den Koran,XXV, bl.393, n. 1.Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels,LXIX,1. n.Al Hodeibiya, zieMahomet.Al Hotama, een der namen van de hel.CIV,4, n.Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende,XXVII,84, n.Al Kârirât, zieAl Hakkat.Al Khedr,XVIII,64, n., 70, n.—ZieElias.AllahXX,7,14.—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woordenXIX,7, n.Almasher, Alharem (berg),II,194, n.Al Motafiat, ziePentapolis.Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijnXXII,3, n.Al Nodar, zieZingende.Al-Ozza, zieEl lat.Al Rakim, berg,XVIII,8.Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats,XXV,40, n.Al Sameri,XX,87en volg.—Zieafstammelingen.—ZieSamaritaan.Als het God behaagt,XVIII,23;LXVIII,17en volg.Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft,XXI,104.Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten,LXXIV,11, n,—Beteekenis van dien naam, 14, n.Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op,XLIX,6, n.Alwetendheid, zieGod.Al Zakkoem (boom),XVII,62, n.;XXXVII,60, n.Al Zamakhshari, zieAl Beidâwi.Al Zehir, een berg,VII,139, n.Ammar Ebn Yasa,XVI,108, n.Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen,CXIII, geheel.—ZieHonderd.Angaria,II,159, n.Ansars (De),IX,101.Antiochië, zieInwoners.Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte,L,37.—der ongeloovigen aan Mahomet,VI,105, n.Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in),V,65, n.Apen, zieSabbathschenders.Apostel, zieProfeet, Zendeling.Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk,LXXXI,9, n.—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken,XXII,72, n.—Kweeken hunne taal met veel zorg,XXVI,225, n.—Rekenen bij nachten en niet bij dagen,VII,138.—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden.XXXIII,4, n.—Gaan de achterzijde der huizen in,II,185.—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst,IX,98en volg.—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht,II,137.—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad,XXVIII,46.—Zij gaan niet ten strijde,XLVIII,11. ZieAfgodendienenden.—ZieOngeloovigen.—Zieonwetenden.Arafat, een berg,II. 194.Arkbewoners, zieRedding.Ark, waarin de Godheid woont,II249.Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid,XLIII,53, n.Armen onder de ongeloovigen,VII,47, n.—Kenteekenen daarvan,II,274.—Willen Mahomets godsdienst omhelzen,VI,52, n.Aäron, broeder van Mozes,IV,161;VI,84;VII,138;X,76;XIX,29, n.;XX,31,73,92;XXI,49;XXIII,47;XXV,37;XXVI,12;XXVIII,34;XXXVII,114.Asaf, de kenner der schriften,XXVII,40, n.Asia, vrouw van Pharao,LXVI,12, n.Asram,XVIII,81, n.Atoom,IV,44.Aüoub, zieJob.Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed,XX,130, n.Avondgebed der Mahomedanen,XI,116, n.Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegevenVI,74, n.

V.Algemeen register der voornaamste onderwerpen.In dezen Koran behandelde, en de noten des betreffende.De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.AAalmoes (De)II,211,255,265–269,273–275;III,86,128;V,15;IX,60,68,99, n. 100;XXX,38;LVII,7,10,17;LVIII,13,14;LXIII,10;LXIV,16,17.Aalmoezen, zieAl Walid Ebn Okba.—Ziestraf.Aanbidders van het kalf, zieGod.Aanbidding,XXXII, bl.445, n.—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren,IV,117, n.—Der sterren, zieSterren.—Van God, vooral ’s Vrijdags, zieMozes.—ZieAdam.Aanbiddingsplaats,X,87.Aangezicht tot God wenden,II,106, n. Ziewenden.Aanleiding tot het maken van het gouden kalf,VII,134, n.Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz.II,168, n.Aanslag op Mahomet,XIII,14, n.—ZieKoreïshieten.Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran,V,15, n.Aantal der vrouwen,IV,3.—ZieMoslem.Aanvangletters,II,1,VII,1.—XIII,1.—XIX,1.XXX,1.Aanvoerders der ongeloovigen,VII,46.AardbevingXXII,1, n.—Op den jongsten dag,XCIX,1.Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent,XVI,15, n.—In twee dagen geschapen,XLI,8.—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen,XLVI,2.—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.Aardsch paradijs,II,33, n.Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders,XLVI,16.Abd’ Allah Ebn Obba,XXIV,34, n.Abd’ Allah Ebn Salam,XLVI,3, n.Abel en Kaïn,V,30.Aboe Bekr,XXIV,22, n.—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed,XLVI,14, n.—ZieAbd’ Alrahman.Aboe Jahl.LXXV,31, n.XCVI7, n. en10, n.—Mahomets vijand,XXII,8, n. Verstoot een wees,CVII,2, n.Aboe Kobeis, zieAbraham.Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand,CXI,1.—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets,CXI,4, n.Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka,CV, bl.627, n.Abraham,II,120,124–130,134;III,30;IV,57,161;VI,162;IX,71;XI,72:XIV, bl.282, n.;XV,51;XVI,121;XXIX,15,23en volg;XXXVIII,45;XLIII,25;LIII,38;LVII,26;LX,4;LXXXVII,19.—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd,II,118,119.—Wat hem met Nimrod gebeurde,260.—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman,III,60.—Zijn verblijf te Mekka,91.—Hij is Gods vriend,IV,124.—Hij bidt slechts God aan,VI74–84.—Hij tracht zijnen vader te bekeeren,IX,115;XIX,43.—Hij bidt voor zijn geslacht,XIV,38–42.—Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin,XXI,59;XXXVII,81en volg.—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin,XXVI,69en volg.—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered,XXI,68,69.—Hij bouwt het heilige huis te Mekka,XXII,27.—Hij is gereed zijnen zoon te offeren,XXXVII,101en volg.—De engelen komen hem bezoeken,XI,72en volg.—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka,XXII,28, n.—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht,XXI,69, n.—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen,LX,4.—ZieNoach.—Zijn vader, zieAzer.Abrahams beproeving,II,118.—Gasten,LI,24en volg.—GebedXIV,38en volg.—Gebed na den dood zijns vaders,XXVI,86, n.—Huis,II,119.—Of Noachs afstammelingen,VI,84.—Offer van zijn zoon, zieBevel.—Vlucht naar Harran en Palestina,XIX,50, n.—Vraag omtrent de opwekking,II,262, n.Abtar, (kinderloos) zieMahomet.Achterblijvers,IX,119. ZieRegen.Ad, een Arabische stam,VI,6, n.—XXIX,39, n.—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is,VII,63;IX,71;XI,52;XXII,43;XXV,40;XXVI,123en volgXXIX,37;XXXVIII,11;XL,32;XLVI,20en volg;L,12;LI,41;LIII,51,LIV,18;LXXXIX,5.—Hunne stad door droogte geteisterd,XI,54. zieIrem.Adam,VII,10.—Vader van het menschelijk geslacht,II,28–35;III,30–52;XVII,63,72;XIX,59;XX,114–120.—Ontvangt een bevel,VII,18.—Hij ontvangt de aanbidding der engelen,XVIII,48.—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten,XX,114.—Ziestraf.Adams zonen,V,30.Adi Ebn Rabia, zieAboe-Jahl.Afdeeling der hel, zieHa’wiyet.Afdwalen van Gods voorschriften,V,54, n.Afgewikkelde rol,LII,3.Afgezanten van God, engelen,XXII,74.Afgod der oude Arabieren, zieEl Lat.—Afgod, zieDjibt.Afgoden,IV,40, n.—V,92, n.—VI,74,94, n.,137, n.—VII,124.—XVI,58,77.—Door de Arabieren aangebeden,IV,54.Afgodendienaar,LIII,35, n.Afgodendienaars,VI,22, n.,24.—XI,7, n.—XIII,31, n.Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen,II,107en volg.;XXV,3;XXVIII,62–74;LII,34–49.—Zij zijn onrein,IX,28.—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars,VI,137en volg.—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God,IX,114,115.—Men moet hen allen bestrijden,IX,36.Afgodendienende Arabieren,II,107, n.Afgodendienst,XVI,76.Afgoderij (De)II,187,214,220;VII,193,194;X,19.—Zij zal nooit vergeven worden,IV,51,116;VI,64, n.,82;X,29, n.;XXII,32.Afgodsbeelden,II,12, n.;VII,69, n.Afscheiding tusschen hel en paradijs, zieAl Araf.Afsnijden van handen en voeten,VII,121, n.Afstammelingen van Al Sameri,XX,97, n.Afstammelingen, zieAbraham.Afvalligheid,XVI,108.Afwending van eene vrouw,IV,128.Afzondering der verleiden,II,161.Afzonderlijke opsluiting van vrouwen,IV,38.Ahmed, een der namen van Mahomet,LXI,6.Aiè, mirakel,II,37, n.Ailah, eene stad aan de Roode zee,VII,163, n.Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd,XXIV,11.Ak Aldr,XCVII, bl.623, n.Akhnas Ebn Shoraik. zieHuichelarij.Alahkaf,XLVI, bl.526, n.Al-âkherat,II,3, n.Al Araf,VII, bl.189, n.—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs,VII,44, n. 46.Al Arem, wallen of dammen,XXXIV,15.Al As Ebn Wayel,XIX,80, n.Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.Alexander de Groote, zieDhoe’l Karnein,XVIII,82.Al Fâtehat,I, bl.69, n.Al Forkan, een der namen van den Koran,XXV, bl.393, n. 1.Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels,LXIX,1. n.Al Hodeibiya, zieMahomet.Al Hotama, een der namen van de hel.CIV,4, n.Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende,XXVII,84, n.Al Kârirât, zieAl Hakkat.Al Khedr,XVIII,64, n., 70, n.—ZieElias.AllahXX,7,14.—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woordenXIX,7, n.Almasher, Alharem (berg),II,194, n.Al Motafiat, ziePentapolis.Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijnXXII,3, n.Al Nodar, zieZingende.Al-Ozza, zieEl lat.Al Rakim, berg,XVIII,8.Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats,XXV,40, n.Al Sameri,XX,87en volg.—Zieafstammelingen.—ZieSamaritaan.Als het God behaagt,XVIII,23;LXVIII,17en volg.Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft,XXI,104.Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten,LXXIV,11, n,—Beteekenis van dien naam, 14, n.Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op,XLIX,6, n.Alwetendheid, zieGod.Al Zakkoem (boom),XVII,62, n.;XXXVII,60, n.Al Zamakhshari, zieAl Beidâwi.Al Zehir, een berg,VII,139, n.Ammar Ebn Yasa,XVI,108, n.Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen,CXIII, geheel.—ZieHonderd.Angaria,II,159, n.Ansars (De),IX,101.Antiochië, zieInwoners.Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte,L,37.—der ongeloovigen aan Mahomet,VI,105, n.Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in),V,65, n.Apen, zieSabbathschenders.Apostel, zieProfeet, Zendeling.Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk,LXXXI,9, n.—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken,XXII,72, n.—Kweeken hunne taal met veel zorg,XXVI,225, n.—Rekenen bij nachten en niet bij dagen,VII,138.—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden.XXXIII,4, n.—Gaan de achterzijde der huizen in,II,185.—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst,IX,98en volg.—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht,II,137.—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad,XXVIII,46.—Zij gaan niet ten strijde,XLVIII,11. ZieAfgodendienenden.—ZieOngeloovigen.—Zieonwetenden.Arafat, een berg,II. 194.Arkbewoners, zieRedding.Ark, waarin de Godheid woont,II249.Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid,XLIII,53, n.Armen onder de ongeloovigen,VII,47, n.—Kenteekenen daarvan,II,274.—Willen Mahomets godsdienst omhelzen,VI,52, n.Aäron, broeder van Mozes,IV,161;VI,84;VII,138;X,76;XIX,29, n.;XX,31,73,92;XXI,49;XXIII,47;XXV,37;XXVI,12;XXVIII,34;XXXVII,114.Asaf, de kenner der schriften,XXVII,40, n.Asia, vrouw van Pharao,LXVI,12, n.Asram,XVIII,81, n.Atoom,IV,44.Aüoub, zieJob.Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed,XX,130, n.Avondgebed der Mahomedanen,XI,116, n.Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegevenVI,74, n.

De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.

AAalmoes (De)II,211,255,265–269,273–275;III,86,128;V,15;IX,60,68,99, n. 100;XXX,38;LVII,7,10,17;LVIII,13,14;LXIII,10;LXIV,16,17.Aalmoezen, zieAl Walid Ebn Okba.—Ziestraf.Aanbidders van het kalf, zieGod.Aanbidding,XXXII, bl.445, n.—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren,IV,117, n.—Der sterren, zieSterren.—Van God, vooral ’s Vrijdags, zieMozes.—ZieAdam.Aanbiddingsplaats,X,87.Aangezicht tot God wenden,II,106, n. Ziewenden.Aanleiding tot het maken van het gouden kalf,VII,134, n.Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz.II,168, n.Aanslag op Mahomet,XIII,14, n.—ZieKoreïshieten.Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran,V,15, n.Aantal der vrouwen,IV,3.—ZieMoslem.Aanvangletters,II,1,VII,1.—XIII,1.—XIX,1.XXX,1.Aanvoerders der ongeloovigen,VII,46.AardbevingXXII,1, n.—Op den jongsten dag,XCIX,1.Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent,XVI,15, n.—In twee dagen geschapen,XLI,8.—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen,XLVI,2.—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.Aardsch paradijs,II,33, n.Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders,XLVI,16.Abd’ Allah Ebn Obba,XXIV,34, n.Abd’ Allah Ebn Salam,XLVI,3, n.Abel en Kaïn,V,30.Aboe Bekr,XXIV,22, n.—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed,XLVI,14, n.—ZieAbd’ Alrahman.Aboe Jahl.LXXV,31, n.XCVI7, n. en10, n.—Mahomets vijand,XXII,8, n. Verstoot een wees,CVII,2, n.Aboe Kobeis, zieAbraham.Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand,CXI,1.—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets,CXI,4, n.Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka,CV, bl.627, n.Abraham,II,120,124–130,134;III,30;IV,57,161;VI,162;IX,71;XI,72:XIV, bl.282, n.;XV,51;XVI,121;XXIX,15,23en volg;XXXVIII,45;XLIII,25;LIII,38;LVII,26;LX,4;LXXXVII,19.—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd,II,118,119.—Wat hem met Nimrod gebeurde,260.—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman,III,60.—Zijn verblijf te Mekka,91.—Hij is Gods vriend,IV,124.—Hij bidt slechts God aan,VI74–84.—Hij tracht zijnen vader te bekeeren,IX,115;XIX,43.—Hij bidt voor zijn geslacht,XIV,38–42.—Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin,XXI,59;XXXVII,81en volg.—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin,XXVI,69en volg.—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered,XXI,68,69.—Hij bouwt het heilige huis te Mekka,XXII,27.—Hij is gereed zijnen zoon te offeren,XXXVII,101en volg.—De engelen komen hem bezoeken,XI,72en volg.—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka,XXII,28, n.—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht,XXI,69, n.—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen,LX,4.—ZieNoach.—Zijn vader, zieAzer.Abrahams beproeving,II,118.—Gasten,LI,24en volg.—GebedXIV,38en volg.—Gebed na den dood zijns vaders,XXVI,86, n.—Huis,II,119.—Of Noachs afstammelingen,VI,84.—Offer van zijn zoon, zieBevel.—Vlucht naar Harran en Palestina,XIX,50, n.—Vraag omtrent de opwekking,II,262, n.Abtar, (kinderloos) zieMahomet.Achterblijvers,IX,119. ZieRegen.Ad, een Arabische stam,VI,6, n.—XXIX,39, n.—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is,VII,63;IX,71;XI,52;XXII,43;XXV,40;XXVI,123en volgXXIX,37;XXXVIII,11;XL,32;XLVI,20en volg;L,12;LI,41;LIII,51,LIV,18;LXXXIX,5.—Hunne stad door droogte geteisterd,XI,54. zieIrem.Adam,VII,10.—Vader van het menschelijk geslacht,II,28–35;III,30–52;XVII,63,72;XIX,59;XX,114–120.—Ontvangt een bevel,VII,18.—Hij ontvangt de aanbidding der engelen,XVIII,48.—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten,XX,114.—Ziestraf.Adams zonen,V,30.Adi Ebn Rabia, zieAboe-Jahl.Afdeeling der hel, zieHa’wiyet.Afdwalen van Gods voorschriften,V,54, n.Afgewikkelde rol,LII,3.Afgezanten van God, engelen,XXII,74.Afgod der oude Arabieren, zieEl Lat.—Afgod, zieDjibt.Afgoden,IV,40, n.—V,92, n.—VI,74,94, n.,137, n.—VII,124.—XVI,58,77.—Door de Arabieren aangebeden,IV,54.Afgodendienaar,LIII,35, n.Afgodendienaars,VI,22, n.,24.—XI,7, n.—XIII,31, n.Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen,II,107en volg.;XXV,3;XXVIII,62–74;LII,34–49.—Zij zijn onrein,IX,28.—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars,VI,137en volg.—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God,IX,114,115.—Men moet hen allen bestrijden,IX,36.Afgodendienende Arabieren,II,107, n.Afgodendienst,XVI,76.Afgoderij (De)II,187,214,220;VII,193,194;X,19.—Zij zal nooit vergeven worden,IV,51,116;VI,64, n.,82;X,29, n.;XXII,32.Afgodsbeelden,II,12, n.;VII,69, n.Afscheiding tusschen hel en paradijs, zieAl Araf.Afsnijden van handen en voeten,VII,121, n.Afstammelingen van Al Sameri,XX,97, n.Afstammelingen, zieAbraham.Afvalligheid,XVI,108.Afwending van eene vrouw,IV,128.Afzondering der verleiden,II,161.Afzonderlijke opsluiting van vrouwen,IV,38.Ahmed, een der namen van Mahomet,LXI,6.Aiè, mirakel,II,37, n.Ailah, eene stad aan de Roode zee,VII,163, n.Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd,XXIV,11.Ak Aldr,XCVII, bl.623, n.Akhnas Ebn Shoraik. zieHuichelarij.Alahkaf,XLVI, bl.526, n.Al-âkherat,II,3, n.Al Araf,VII, bl.189, n.—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs,VII,44, n. 46.Al Arem, wallen of dammen,XXXIV,15.Al As Ebn Wayel,XIX,80, n.Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.Alexander de Groote, zieDhoe’l Karnein,XVIII,82.Al Fâtehat,I, bl.69, n.Al Forkan, een der namen van den Koran,XXV, bl.393, n. 1.Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels,LXIX,1. n.Al Hodeibiya, zieMahomet.Al Hotama, een der namen van de hel.CIV,4, n.Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende,XXVII,84, n.Al Kârirât, zieAl Hakkat.Al Khedr,XVIII,64, n., 70, n.—ZieElias.AllahXX,7,14.—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woordenXIX,7, n.Almasher, Alharem (berg),II,194, n.Al Motafiat, ziePentapolis.Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijnXXII,3, n.Al Nodar, zieZingende.Al-Ozza, zieEl lat.Al Rakim, berg,XVIII,8.Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats,XXV,40, n.Al Sameri,XX,87en volg.—Zieafstammelingen.—ZieSamaritaan.Als het God behaagt,XVIII,23;LXVIII,17en volg.Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft,XXI,104.Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten,LXXIV,11, n,—Beteekenis van dien naam, 14, n.Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op,XLIX,6, n.Alwetendheid, zieGod.Al Zakkoem (boom),XVII,62, n.;XXXVII,60, n.Al Zamakhshari, zieAl Beidâwi.Al Zehir, een berg,VII,139, n.Ammar Ebn Yasa,XVI,108, n.Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen,CXIII, geheel.—ZieHonderd.Angaria,II,159, n.Ansars (De),IX,101.Antiochië, zieInwoners.Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte,L,37.—der ongeloovigen aan Mahomet,VI,105, n.Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in),V,65, n.Apen, zieSabbathschenders.Apostel, zieProfeet, Zendeling.Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk,LXXXI,9, n.—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken,XXII,72, n.—Kweeken hunne taal met veel zorg,XXVI,225, n.—Rekenen bij nachten en niet bij dagen,VII,138.—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden.XXXIII,4, n.—Gaan de achterzijde der huizen in,II,185.—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst,IX,98en volg.—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht,II,137.—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad,XXVIII,46.—Zij gaan niet ten strijde,XLVIII,11. ZieAfgodendienenden.—ZieOngeloovigen.—Zieonwetenden.Arafat, een berg,II. 194.Arkbewoners, zieRedding.Ark, waarin de Godheid woont,II249.Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid,XLIII,53, n.Armen onder de ongeloovigen,VII,47, n.—Kenteekenen daarvan,II,274.—Willen Mahomets godsdienst omhelzen,VI,52, n.Aäron, broeder van Mozes,IV,161;VI,84;VII,138;X,76;XIX,29, n.;XX,31,73,92;XXI,49;XXIII,47;XXV,37;XXVI,12;XXVIII,34;XXXVII,114.Asaf, de kenner der schriften,XXVII,40, n.Asia, vrouw van Pharao,LXVI,12, n.Asram,XVIII,81, n.Atoom,IV,44.Aüoub, zieJob.Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed,XX,130, n.Avondgebed der Mahomedanen,XI,116, n.Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegevenVI,74, n.

A

Aalmoes (De)II,211,255,265–269,273–275;III,86,128;V,15;IX,60,68,99, n. 100;XXX,38;LVII,7,10,17;LVIII,13,14;LXIII,10;LXIV,16,17.Aalmoezen, zieAl Walid Ebn Okba.—Ziestraf.Aanbidders van het kalf, zieGod.Aanbidding,XXXII, bl.445, n.—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren,IV,117, n.—Der sterren, zieSterren.—Van God, vooral ’s Vrijdags, zieMozes.—ZieAdam.Aanbiddingsplaats,X,87.Aangezicht tot God wenden,II,106, n. Ziewenden.Aanleiding tot het maken van het gouden kalf,VII,134, n.Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz.II,168, n.Aanslag op Mahomet,XIII,14, n.—ZieKoreïshieten.Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran,V,15, n.Aantal der vrouwen,IV,3.—ZieMoslem.Aanvangletters,II,1,VII,1.—XIII,1.—XIX,1.XXX,1.Aanvoerders der ongeloovigen,VII,46.AardbevingXXII,1, n.—Op den jongsten dag,XCIX,1.Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent,XVI,15, n.—In twee dagen geschapen,XLI,8.—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen,XLVI,2.—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.Aardsch paradijs,II,33, n.Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders,XLVI,16.Abd’ Allah Ebn Obba,XXIV,34, n.Abd’ Allah Ebn Salam,XLVI,3, n.Abel en Kaïn,V,30.Aboe Bekr,XXIV,22, n.—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed,XLVI,14, n.—ZieAbd’ Alrahman.Aboe Jahl.LXXV,31, n.XCVI7, n. en10, n.—Mahomets vijand,XXII,8, n. Verstoot een wees,CVII,2, n.Aboe Kobeis, zieAbraham.Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand,CXI,1.—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets,CXI,4, n.Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka,CV, bl.627, n.Abraham,II,120,124–130,134;III,30;IV,57,161;VI,162;IX,71;XI,72:XIV, bl.282, n.;XV,51;XVI,121;XXIX,15,23en volg;XXXVIII,45;XLIII,25;LIII,38;LVII,26;LX,4;LXXXVII,19.—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd,II,118,119.—Wat hem met Nimrod gebeurde,260.—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman,III,60.—Zijn verblijf te Mekka,91.—Hij is Gods vriend,IV,124.—Hij bidt slechts God aan,VI74–84.—Hij tracht zijnen vader te bekeeren,IX,115;XIX,43.—Hij bidt voor zijn geslacht,XIV,38–42.—Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin,XXI,59;XXXVII,81en volg.—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin,XXVI,69en volg.—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered,XXI,68,69.—Hij bouwt het heilige huis te Mekka,XXII,27.—Hij is gereed zijnen zoon te offeren,XXXVII,101en volg.—De engelen komen hem bezoeken,XI,72en volg.—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka,XXII,28, n.—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht,XXI,69, n.—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen,LX,4.—ZieNoach.—Zijn vader, zieAzer.Abrahams beproeving,II,118.—Gasten,LI,24en volg.—GebedXIV,38en volg.—Gebed na den dood zijns vaders,XXVI,86, n.—Huis,II,119.—Of Noachs afstammelingen,VI,84.—Offer van zijn zoon, zieBevel.—Vlucht naar Harran en Palestina,XIX,50, n.—Vraag omtrent de opwekking,II,262, n.Abtar, (kinderloos) zieMahomet.Achterblijvers,IX,119. ZieRegen.Ad, een Arabische stam,VI,6, n.—XXIX,39, n.—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is,VII,63;IX,71;XI,52;XXII,43;XXV,40;XXVI,123en volgXXIX,37;XXXVIII,11;XL,32;XLVI,20en volg;L,12;LI,41;LIII,51,LIV,18;LXXXIX,5.—Hunne stad door droogte geteisterd,XI,54. zieIrem.Adam,VII,10.—Vader van het menschelijk geslacht,II,28–35;III,30–52;XVII,63,72;XIX,59;XX,114–120.—Ontvangt een bevel,VII,18.—Hij ontvangt de aanbidding der engelen,XVIII,48.—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten,XX,114.—Ziestraf.Adams zonen,V,30.Adi Ebn Rabia, zieAboe-Jahl.Afdeeling der hel, zieHa’wiyet.Afdwalen van Gods voorschriften,V,54, n.Afgewikkelde rol,LII,3.Afgezanten van God, engelen,XXII,74.Afgod der oude Arabieren, zieEl Lat.—Afgod, zieDjibt.Afgoden,IV,40, n.—V,92, n.—VI,74,94, n.,137, n.—VII,124.—XVI,58,77.—Door de Arabieren aangebeden,IV,54.Afgodendienaar,LIII,35, n.Afgodendienaars,VI,22, n.,24.—XI,7, n.—XIII,31, n.Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen,II,107en volg.;XXV,3;XXVIII,62–74;LII,34–49.—Zij zijn onrein,IX,28.—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars,VI,137en volg.—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God,IX,114,115.—Men moet hen allen bestrijden,IX,36.Afgodendienende Arabieren,II,107, n.Afgodendienst,XVI,76.Afgoderij (De)II,187,214,220;VII,193,194;X,19.—Zij zal nooit vergeven worden,IV,51,116;VI,64, n.,82;X,29, n.;XXII,32.Afgodsbeelden,II,12, n.;VII,69, n.Afscheiding tusschen hel en paradijs, zieAl Araf.Afsnijden van handen en voeten,VII,121, n.Afstammelingen van Al Sameri,XX,97, n.Afstammelingen, zieAbraham.Afvalligheid,XVI,108.Afwending van eene vrouw,IV,128.Afzondering der verleiden,II,161.Afzonderlijke opsluiting van vrouwen,IV,38.Ahmed, een der namen van Mahomet,LXI,6.Aiè, mirakel,II,37, n.Ailah, eene stad aan de Roode zee,VII,163, n.Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd,XXIV,11.Ak Aldr,XCVII, bl.623, n.Akhnas Ebn Shoraik. zieHuichelarij.Alahkaf,XLVI, bl.526, n.Al-âkherat,II,3, n.Al Araf,VII, bl.189, n.—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs,VII,44, n. 46.Al Arem, wallen of dammen,XXXIV,15.Al As Ebn Wayel,XIX,80, n.Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.Alexander de Groote, zieDhoe’l Karnein,XVIII,82.Al Fâtehat,I, bl.69, n.Al Forkan, een der namen van den Koran,XXV, bl.393, n. 1.Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels,LXIX,1. n.Al Hodeibiya, zieMahomet.Al Hotama, een der namen van de hel.CIV,4, n.Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende,XXVII,84, n.Al Kârirât, zieAl Hakkat.Al Khedr,XVIII,64, n., 70, n.—ZieElias.AllahXX,7,14.—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woordenXIX,7, n.Almasher, Alharem (berg),II,194, n.Al Motafiat, ziePentapolis.Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijnXXII,3, n.Al Nodar, zieZingende.Al-Ozza, zieEl lat.Al Rakim, berg,XVIII,8.Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats,XXV,40, n.Al Sameri,XX,87en volg.—Zieafstammelingen.—ZieSamaritaan.Als het God behaagt,XVIII,23;LXVIII,17en volg.Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft,XXI,104.Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten,LXXIV,11, n,—Beteekenis van dien naam, 14, n.Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op,XLIX,6, n.Alwetendheid, zieGod.Al Zakkoem (boom),XVII,62, n.;XXXVII,60, n.Al Zamakhshari, zieAl Beidâwi.Al Zehir, een berg,VII,139, n.Ammar Ebn Yasa,XVI,108, n.Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen,CXIII, geheel.—ZieHonderd.Angaria,II,159, n.Ansars (De),IX,101.Antiochië, zieInwoners.Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte,L,37.—der ongeloovigen aan Mahomet,VI,105, n.Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in),V,65, n.Apen, zieSabbathschenders.Apostel, zieProfeet, Zendeling.Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk,LXXXI,9, n.—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken,XXII,72, n.—Kweeken hunne taal met veel zorg,XXVI,225, n.—Rekenen bij nachten en niet bij dagen,VII,138.—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden.XXXIII,4, n.—Gaan de achterzijde der huizen in,II,185.—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst,IX,98en volg.—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht,II,137.—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad,XXVIII,46.—Zij gaan niet ten strijde,XLVIII,11. ZieAfgodendienenden.—ZieOngeloovigen.—Zieonwetenden.Arafat, een berg,II. 194.Arkbewoners, zieRedding.Ark, waarin de Godheid woont,II249.Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid,XLIII,53, n.Armen onder de ongeloovigen,VII,47, n.—Kenteekenen daarvan,II,274.—Willen Mahomets godsdienst omhelzen,VI,52, n.Aäron, broeder van Mozes,IV,161;VI,84;VII,138;X,76;XIX,29, n.;XX,31,73,92;XXI,49;XXIII,47;XXV,37;XXVI,12;XXVIII,34;XXXVII,114.Asaf, de kenner der schriften,XXVII,40, n.Asia, vrouw van Pharao,LXVI,12, n.Asram,XVIII,81, n.Atoom,IV,44.Aüoub, zieJob.Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed,XX,130, n.Avondgebed der Mahomedanen,XI,116, n.Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegevenVI,74, n.

Aalmoes (De)II,211,255,265–269,273–275;III,86,128;V,15;IX,60,68,99, n. 100;XXX,38;LVII,7,10,17;LVIII,13,14;LXIII,10;LXIV,16,17.

Aalmoezen, zieAl Walid Ebn Okba.—Ziestraf.

Aanbidders van het kalf, zieGod.

Aanbidding,XXXII, bl.445, n.—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren,IV,117, n.—Der sterren, zieSterren.—Van God, vooral ’s Vrijdags, zieMozes.—ZieAdam.

Aanbiddingsplaats,X,87.

Aangezicht tot God wenden,II,106, n. Ziewenden.

Aanleiding tot het maken van het gouden kalf,VII,134, n.

Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz.II,168, n.

Aanslag op Mahomet,XIII,14, n.—ZieKoreïshieten.

Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran,V,15, n.

Aantal der vrouwen,IV,3.—ZieMoslem.

Aanvangletters,II,1,VII,1.—XIII,1.—XIX,1.XXX,1.

Aanvoerders der ongeloovigen,VII,46.

AardbevingXXII,1, n.—Op den jongsten dag,XCIX,1.

Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent,XVI,15, n.—In twee dagen geschapen,XLI,8.—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen,XLVI,2.—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.

Aardsch paradijs,II,33, n.

Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders,XLVI,16.

Abd’ Allah Ebn Obba,XXIV,34, n.

Abd’ Allah Ebn Salam,XLVI,3, n.

Abel en Kaïn,V,30.

Aboe Bekr,XXIV,22, n.—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed,XLVI,14, n.—ZieAbd’ Alrahman.

Aboe Jahl.LXXV,31, n.XCVI7, n. en10, n.—Mahomets vijand,XXII,8, n. Verstoot een wees,CVII,2, n.

Aboe Kobeis, zieAbraham.

Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand,CXI,1.—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets,CXI,4, n.

Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka,CV, bl.627, n.

Abraham,II,120,124–130,134;III,30;IV,57,161;VI,162;IX,71;XI,72:XIV, bl.282, n.;XV,51;XVI,121;XXIX,15,23en volg;XXXVIII,45;XLIII,25;LIII,38;LVII,26;LX,4;LXXXVII,19.—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd,II,118,119.—Wat hem met Nimrod gebeurde,260.—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman,III,60.—Zijn verblijf te Mekka,91.—Hij is Gods vriend,IV,124.—Hij bidt slechts God aan,VI74–84.—Hij tracht zijnen vader te bekeeren,IX,115;XIX,43.—Hij bidt voor zijn geslacht,XIV,38–42.—Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin,XXI,59;XXXVII,81en volg.—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin,XXVI,69en volg.—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered,XXI,68,69.—Hij bouwt het heilige huis te Mekka,XXII,27.—Hij is gereed zijnen zoon te offeren,XXXVII,101en volg.—De engelen komen hem bezoeken,XI,72en volg.—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka,XXII,28, n.—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht,XXI,69, n.—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen,LX,4.—ZieNoach.—Zijn vader, zieAzer.

Abrahams beproeving,II,118.—Gasten,LI,24en volg.—GebedXIV,38en volg.—Gebed na den dood zijns vaders,XXVI,86, n.—Huis,II,119.—Of Noachs afstammelingen,VI,84.—Offer van zijn zoon, zieBevel.—Vlucht naar Harran en Palestina,XIX,50, n.—Vraag omtrent de opwekking,II,262, n.

Abtar, (kinderloos) zieMahomet.

Achterblijvers,IX,119. ZieRegen.

Ad, een Arabische stam,VI,6, n.—XXIX,39, n.—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is,VII,63;IX,71;XI,52;XXII,43;XXV,40;XXVI,123en volgXXIX,37;XXXVIII,11;XL,32;XLVI,20en volg;L,12;LI,41;LIII,51,LIV,18;LXXXIX,5.—Hunne stad door droogte geteisterd,XI,54. zieIrem.

Adam,VII,10.—Vader van het menschelijk geslacht,II,28–35;III,30–52;XVII,63,72;XIX,59;XX,114–120.—Ontvangt een bevel,VII,18.—Hij ontvangt de aanbidding der engelen,XVIII,48.—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten,XX,114.—Ziestraf.

Adams zonen,V,30.

Adi Ebn Rabia, zieAboe-Jahl.

Afdeeling der hel, zieHa’wiyet.

Afdwalen van Gods voorschriften,V,54, n.

Afgewikkelde rol,LII,3.

Afgezanten van God, engelen,XXII,74.

Afgod der oude Arabieren, zieEl Lat.—Afgod, zieDjibt.

Afgoden,IV,40, n.—V,92, n.—VI,74,94, n.,137, n.—VII,124.—XVI,58,77.—Door de Arabieren aangebeden,IV,54.

Afgodendienaar,LIII,35, n.

Afgodendienaars,VI,22, n.,24.—XI,7, n.—XIII,31, n.

Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen,II,107en volg.;XXV,3;XXVIII,62–74;LII,34–49.—Zij zijn onrein,IX,28.—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars,VI,137en volg.—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God,IX,114,115.—Men moet hen allen bestrijden,IX,36.

Afgodendienende Arabieren,II,107, n.

Afgodendienst,XVI,76.

Afgoderij (De)II,187,214,220;VII,193,194;X,19.—Zij zal nooit vergeven worden,IV,51,116;VI,64, n.,82;X,29, n.;XXII,32.

Afgodsbeelden,II,12, n.;VII,69, n.

Afscheiding tusschen hel en paradijs, zieAl Araf.

Afsnijden van handen en voeten,VII,121, n.

Afstammelingen van Al Sameri,XX,97, n.

Afstammelingen, zieAbraham.

Afvalligheid,XVI,108.

Afwending van eene vrouw,IV,128.

Afzondering der verleiden,II,161.

Afzonderlijke opsluiting van vrouwen,IV,38.

Ahmed, een der namen van Mahomet,LXI,6.

Aiè, mirakel,II,37, n.

Ailah, eene stad aan de Roode zee,VII,163, n.

Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd,XXIV,11.

Ak Aldr,XCVII, bl.623, n.

Akhnas Ebn Shoraik. zieHuichelarij.

Alahkaf,XLVI, bl.526, n.

Al-âkherat,II,3, n.

Al Araf,VII, bl.189, n.—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs,VII,44, n. 46.

Al Arem, wallen of dammen,XXXIV,15.

Al As Ebn Wayel,XIX,80, n.

Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.

Alexander de Groote, zieDhoe’l Karnein,XVIII,82.

Al Fâtehat,I, bl.69, n.

Al Forkan, een der namen van den Koran,XXV, bl.393, n. 1.

Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels,LXIX,1. n.

Al Hodeibiya, zieMahomet.

Al Hotama, een der namen van de hel.CIV,4, n.

Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende,XXVII,84, n.

Al Kârirât, zieAl Hakkat.

Al Khedr,XVIII,64, n., 70, n.—ZieElias.

AllahXX,7,14.—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woordenXIX,7, n.

Almasher, Alharem (berg),II,194, n.

Al Motafiat, ziePentapolis.

Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijnXXII,3, n.

Al Nodar, zieZingende.

Al-Ozza, zieEl lat.

Al Rakim, berg,XVIII,8.

Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats,XXV,40, n.

Al Sameri,XX,87en volg.—Zieafstammelingen.—ZieSamaritaan.

Als het God behaagt,XVIII,23;LXVIII,17en volg.

Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft,XXI,104.

Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten,LXXIV,11, n,—Beteekenis van dien naam, 14, n.

Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op,XLIX,6, n.

Alwetendheid, zieGod.

Al Zakkoem (boom),XVII,62, n.;XXXVII,60, n.

Al Zamakhshari, zieAl Beidâwi.

Al Zehir, een berg,VII,139, n.

Ammar Ebn Yasa,XVI,108, n.

Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen,CXIII, geheel.—ZieHonderd.

Angaria,II,159, n.

Ansars (De),IX,101.

Antiochië, zieInwoners.

Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte,L,37.—der ongeloovigen aan Mahomet,VI,105, n.

Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in),V,65, n.

Apen, zieSabbathschenders.

Apostel, zieProfeet, Zendeling.

Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk,LXXXI,9, n.—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken,XXII,72, n.—Kweeken hunne taal met veel zorg,XXVI,225, n.—Rekenen bij nachten en niet bij dagen,VII,138.—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden.XXXIII,4, n.—Gaan de achterzijde der huizen in,II,185.—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst,IX,98en volg.—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht,II,137.—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad,XXVIII,46.—Zij gaan niet ten strijde,XLVIII,11. ZieAfgodendienenden.—ZieOngeloovigen.—Zieonwetenden.

Arafat, een berg,II. 194.

Arkbewoners, zieRedding.

Ark, waarin de Godheid woont,II249.

Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid,XLIII,53, n.

Armen onder de ongeloovigen,VII,47, n.—Kenteekenen daarvan,II,274.—Willen Mahomets godsdienst omhelzen,VI,52, n.

Aäron, broeder van Mozes,IV,161;VI,84;VII,138;X,76;XIX,29, n.;XX,31,73,92;XXI,49;XXIII,47;XXV,37;XXVI,12;XXVIII,34;XXXVII,114.

Asaf, de kenner der schriften,XXVII,40, n.

Asia, vrouw van Pharao,LXVI,12, n.

Asram,XVIII,81, n.

Atoom,IV,44.

Aüoub, zieJob.

Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed,XX,130, n.

Avondgebed der Mahomedanen,XI,116, n.

Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegevenVI,74, n.


Back to IndexNext