Vier en Dertigste Hoofdstuk.Saba1.Geopenbaard teMekka.—54 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,1.Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs en alwetend.2.Hij kent alles wat de aarde binnentreedt2, en alles wat daaruit komt3, en alles wat van den hemel nederdaalt4, en alles wat daarheen opstijgt5. Hij is barmhartig en vergevensgezind.3.De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek zijner besluiten.4.Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene eervolle belooning ontvangen.5.Maar zij, die trachten onze teekenen krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling ontvangen.6.Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek, hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den glorierijken en loffelijken weg leidt.7.De ongeloovigen zeggen tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren, dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij als een nieuw schepsel zult opstaan?8.Hij heeft eene leugen nopens Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling vervallen.9.Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt, zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert.10.Wij schonken vroeger aanDavidvan onze uitnemende gaven en zeiden: Obergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook de vogels zich daarbij te voegen6.En wij maakten het ijzer zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders7, en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! want ik zie wat gij doet.11.En wij onderwierpen den wind aanSalomo8; des ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien9. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen proeven.12.Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen en standbeelden10, en groote schotels, als vischvijvers11, en ketels, die vaststonden op hunne treeften12en wij zeiden: Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! en wees dankbaar; want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar.13.Toenwij hadden besloten, datSalomozou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood, behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde13. En toen zijn lijk nederviel, begrepende geniussen volkomen, dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in die vernederende straf waren gebleven14.14.De afstammelingen vanSaba15hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand16. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer, en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig Heer.15.Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen weshalve wij de overstrooming van deal Arem17tegen hen zonden; en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die bittere vruchten voortbrachten, tamarissen18en eenige kleine vruchten van den lotusboom.16.Dit gaven wij hun als vergelding, omdat zij ondankbaar waren. Wordtiemand zoo vergolden, behalve de ondankbare?17.En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke wij gezegend hebben19, (bloeiende bij elkander gelegen steden) en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er door des nachts en des daags, in zekerheid.18.Maar zij zeiden! O Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing20. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.19.EnEblisvond, dan zijne meening omtrent hen, waar was21. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen22.20.Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw Heer merkt alle dingen op.21.Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde, noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan, noch is een van hen helper daarbij.22.In zijne tegenwoordigheid zal geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem, aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te treden23. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten zal zijn weggenomen24, en zij tot elkander zullen zeggen: Wat zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is de verhevene, de groote God.23.Zeg: Wie voorziet u van voedsel van den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling.24.Zeg: Gijzult niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan, noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben bedreven.25.Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is de Rechter25, de Alwetende.26.Zeg: Toon mij hen, welke gij als deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige, de wijze God.27.Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.28.En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld, indien gij de waarheid spreekt?29.Antwoord: U is eene bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch verhaasten zal.30.De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze werd geopenbaard26. Indien gij het slechts kondet zien, als de onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der aarde zeggen:27Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen zijn geweest.31.De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van.32.En de zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij zullen hun berouw verbergen28, nadat zij de straf zullen hebben gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen zij hebben verricht?33.Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan uwe zending.34.En de bewoners vanMekkazeiden ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij; niet wij zullen hiernamaals worden gestraft.35.Antwoord: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagten spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der menschen weet dit niet.36.Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs wonen.37.Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te maken, zullen aan de straf worden overgeleverd.38.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven en hij voorziet het best van voedsel.39.Op een zekeren dag zal hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen zeggen! Bidden deze u aan?40.En de engelen zullen antwoorden: God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen (duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen.41.Op dien dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur, dat gij als eene leugen, verwerpt.42Als hun onze duidelijke teekenen worden voorgelezen, zeggen zij van u, oMahomet: Dit is slechts een man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene duidelijke tooverij.43.Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben wij vóór u hun een waarschuwer gezonden.44.Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding.45.Zeg: Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor God staat, of afzonderlijk29; overweeg dan ernstig, en gij zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makkerMahometheerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te waarschuwen.46.Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van uvoor mijne prediking30). Het is u overgelaten31, al of niet te geven32. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige van alle dingen.47.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen.48.Zeg: De waarheid is gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren.49.Zeg: indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen, wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren en nabij hen die hem aanbidden.50.Indien gij het kondt zien als de ongeloovigen zullen beven33, en geene schuilplaats vinden en van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen34.51.En zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van zulk eene afgelegen plaats ontvangen35?52.Nu zij hem te voren geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij er zoo ver af waren?53.En eene afscheiding zal geplaatst worden tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren.54.Zooals het reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen, omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.1Van het volk vanSabawordt melding gemaakt in het14e vers.2Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.3Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.4Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.5Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beidâwi).6ZieHoofdstuk XXI. vers 79.7Zie ibid. vers 80.8ZieHoofdstuk XXI, vers 81.9Zij zeggen dat deze fontein teYamanwas en drie dagen in de maand vloeide (Al Beidâwi Jallalo’ddin).10Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.12Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen vanYamangehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo’ddin).13Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, datDavid, die de grondslagen van den tempel vanJeruzalemhad gelegd, welke in plaats van den tabernakel vanMozeszou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoonSalomooverliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. Vóór het gebouw geheel voleindigd was, voeldeSalomozijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, datSalomozou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezenwaardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vóór die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (IKoningenVI : 7).14Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel vanSalomogebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.15Sabawas de zoon vanYashhab, den zoon vanYarab, den zoon vanKhatan, wiens nakomelingen inYamanwoonden in de stadMareb, ookSabagenaamd, en op omstreeks drie dagreizen vanSanaagelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkigArabiëen de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den HeerFresnel, voorkomende in hetJournal Asiatique.16Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beidâwi).17De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woordal Aremop, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stadSabavormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.Al Beidâwiveronderstelt, dat deze wal het werk der koninginBalkiswas, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had naChr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening vanSale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van deSacy, zou men het in de tweede eeuw naChr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naarl’Histoire des ArabesvanCaussin de Perceval3 vols, 1849.18Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (TamarixofTamariscus).19Zijnde de steden vanSyrië.20Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden alsSaba(Al Beidâwi. ZieGol.note in Alfrag., p. 87).21Hetzij zijne meening omtrent de Sabbeïsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val vanAdam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (ZieHoofdstuk II, vers 28en volgende verzen,Hoofdstuk VII, vers 10en volgende enHoofdstuk XV, vers 33en volgende).22Die van de algemeene vernietiging werden gered.23ZieHoofdstuk XIX, vers 90.24Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.25Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, iselfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.26Men zegt dat den ongeloovigen bewoners vanMekka, toen zij de Joden en Christenen omtrentMahometszending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze èn in het Oude Testament èn in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beidâwi).27ZieHoofdstuk XIV, vers 24, noot.28ZieHoofdstuk X, vers 55noot.29Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beidâwi).30NadatMahometin de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.31Savaryvertaalt dit: Behoudt uwe giften.32ZieHoofdstuk XXV, vers 59.33Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag vanBedr(Al Beidâwi).34Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte vanBedrtot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beidâwi).35Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.Vijf en Dertigste Hoofdstuk.De Engelen, of de Schepper.1Geopenbaard teMekka—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier paren vleugels2. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem behaagt; want God is almachtig.2.De genade welke God rijkelijk aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden; wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken, en hij is de Machtige, de Wijze.3.O Menschen! herdenkt Gods gunst omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid?4.Indien zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen terugkeeren.5.O menschen! waarlijk de belofte van God is waar, laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de verleider u omtrent God verblinden.6.Satan is een vijand van u; houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts uit, om bewoners der hel te wezen.7.Voor hen die niet gelooven, is daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt.8.Maar voor hen die gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote belooning bereid.9.Zal dus hij wien slechte daden als goed werden bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem, die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk, God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem behaagt. Laat dus uwe ziel, oMahomet! zich niet door zuchten verteren, wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen.10.God is het, die de winden zendt, en wolkenop doet rijzen: wij drijven die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat die dood was. Zoo zal de opstanding wezen.11.Wie ooit uitnemendheid begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat hen betreft, die zondige listen uitdenken3, zij zullen eene gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel gemaakt worden.12.God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad4, en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God.13.De twee zeeën5kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch, zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter6. Toch eet gij visch uit beide7en haalt gij er versierselen uit8om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen, opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen.14.Hij doet den nacht aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen, en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs de macht niet over het vlies van eene dadelpit.15.Indien gij hen aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd, en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend is.16.O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich zelven en hij moet geprezen worden.17.Indien het hem behaagt, kan hij u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.18.Dit zal voor God niet moeielijk wezen.19.Eene beladen ziel zal den last van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt, al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen, die hunnen Heer in het geheim vreezen enstandvastig in het gebed zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den jongsten dag voor God worden verzameld.20.De blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de koele schaduw en de verzengende wind.21.Evenmin zullen de levenden en de dooden gelijk gesteld worden9.God zal degenen doen hooren die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne graven bevinden10. Gij zijt slechts een prediker.22.Inderdaad, wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd.23.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften11en met het voorlichtendeboek.1224.Daarna kastijdde ik hen die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak!25.Ziet gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor vruchten van verschillende kleuren13voortbrengen. Ook op de bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren14, en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren, en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd, waarlijk, God is machtig en vergevensgezind.26.Waarlijk, die Gods boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk, hopen op een goed dat niet zal verloren gaan.27.God zal hun het loon ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren te vergeven, en hunne pogingen te beloonen.28.Datgene wat wij u van het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en aanschouwt zijne dienaren.29.En wij hebben het boek van den Koran als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons werden uitgekozen.30.Er is menigeen onderhen, die zijne eigen ziel beleedigt15, en er is een ander van hen die den middenweg houdt16, en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen.31.En zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk, onze Heer is gereed de zondaren te vergeven.32.Hij heeft ons, door zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur, waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken.33.Maar voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond.34.En zij zullen overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier, en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd zou wezen; en is de prediker17niet tot u gekomen?35.Proeft dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper hebben.36.Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.37.Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen.38.Zeg: Wat denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij, welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen doen elkander slechts bedriegelijke beloften.39.Waarlijk, God schoort de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is genadig en barmhartig.40.De Koreïshieten hebben met een plechtigen eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen, zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu een prediker tothen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de waarheid in hen vermeerderd.41.Evenals hunne verwaandheid op aarde en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf, waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij zult geene verandering in Gods bevel opmerken.42.Gij zult geenerlei wijziging in Gods weg vinden.43.Zijn zij niet over de aarde gegaan, en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde; want hij is wijs en machtig.44.Indien God de menschen strafte naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot een bepaalden tijd.45.En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk, dan zal God zijne dienaren beschouwen.1Beide woorden komen in het eerste vers voor:Zamakhsharizegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.2Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken.Gabriëlwordt gezegd aanMahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beidâwi).3Zooals de Koreïshieten nopensMahometdeden.4ZieHoofdstuk XXII, vers 5.5Het woordbahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals deNijl, deTigerenz.6Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. ZieHoofdstuk XXV, vers 55.7ZieHoofdstuk XVI, vers 14.8Zooals paarlen en koraal.9Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.10Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.11Zooals de boeken aanAbrahamen aan de andere profeten voorMozesgegeven.12Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.13Dat is: van verschillende soorten. ZieHoofdstuk XVI, vers 13.14Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beidâwi). BijSavaryvolgt: de raaf is zwart.15Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.16Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.17Mahomet.
Vier en Dertigste Hoofdstuk.Saba1.Geopenbaard teMekka.—54 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,1.Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs en alwetend.2.Hij kent alles wat de aarde binnentreedt2, en alles wat daaruit komt3, en alles wat van den hemel nederdaalt4, en alles wat daarheen opstijgt5. Hij is barmhartig en vergevensgezind.3.De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek zijner besluiten.4.Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene eervolle belooning ontvangen.5.Maar zij, die trachten onze teekenen krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling ontvangen.6.Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek, hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den glorierijken en loffelijken weg leidt.7.De ongeloovigen zeggen tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren, dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij als een nieuw schepsel zult opstaan?8.Hij heeft eene leugen nopens Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling vervallen.9.Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt, zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert.10.Wij schonken vroeger aanDavidvan onze uitnemende gaven en zeiden: Obergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook de vogels zich daarbij te voegen6.En wij maakten het ijzer zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders7, en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! want ik zie wat gij doet.11.En wij onderwierpen den wind aanSalomo8; des ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien9. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen proeven.12.Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen en standbeelden10, en groote schotels, als vischvijvers11, en ketels, die vaststonden op hunne treeften12en wij zeiden: Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! en wees dankbaar; want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar.13.Toenwij hadden besloten, datSalomozou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood, behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde13. En toen zijn lijk nederviel, begrepende geniussen volkomen, dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in die vernederende straf waren gebleven14.14.De afstammelingen vanSaba15hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand16. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer, en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig Heer.15.Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen weshalve wij de overstrooming van deal Arem17tegen hen zonden; en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die bittere vruchten voortbrachten, tamarissen18en eenige kleine vruchten van den lotusboom.16.Dit gaven wij hun als vergelding, omdat zij ondankbaar waren. Wordtiemand zoo vergolden, behalve de ondankbare?17.En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke wij gezegend hebben19, (bloeiende bij elkander gelegen steden) en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er door des nachts en des daags, in zekerheid.18.Maar zij zeiden! O Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing20. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.19.EnEblisvond, dan zijne meening omtrent hen, waar was21. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen22.20.Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw Heer merkt alle dingen op.21.Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde, noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan, noch is een van hen helper daarbij.22.In zijne tegenwoordigheid zal geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem, aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te treden23. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten zal zijn weggenomen24, en zij tot elkander zullen zeggen: Wat zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is de verhevene, de groote God.23.Zeg: Wie voorziet u van voedsel van den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling.24.Zeg: Gijzult niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan, noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben bedreven.25.Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is de Rechter25, de Alwetende.26.Zeg: Toon mij hen, welke gij als deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige, de wijze God.27.Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.28.En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld, indien gij de waarheid spreekt?29.Antwoord: U is eene bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch verhaasten zal.30.De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze werd geopenbaard26. Indien gij het slechts kondet zien, als de onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der aarde zeggen:27Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen zijn geweest.31.De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van.32.En de zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij zullen hun berouw verbergen28, nadat zij de straf zullen hebben gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen zij hebben verricht?33.Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan uwe zending.34.En de bewoners vanMekkazeiden ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij; niet wij zullen hiernamaals worden gestraft.35.Antwoord: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagten spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der menschen weet dit niet.36.Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs wonen.37.Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te maken, zullen aan de straf worden overgeleverd.38.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven en hij voorziet het best van voedsel.39.Op een zekeren dag zal hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen zeggen! Bidden deze u aan?40.En de engelen zullen antwoorden: God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen (duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen.41.Op dien dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur, dat gij als eene leugen, verwerpt.42Als hun onze duidelijke teekenen worden voorgelezen, zeggen zij van u, oMahomet: Dit is slechts een man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene duidelijke tooverij.43.Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben wij vóór u hun een waarschuwer gezonden.44.Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding.45.Zeg: Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor God staat, of afzonderlijk29; overweeg dan ernstig, en gij zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makkerMahometheerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te waarschuwen.46.Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van uvoor mijne prediking30). Het is u overgelaten31, al of niet te geven32. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige van alle dingen.47.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen.48.Zeg: De waarheid is gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren.49.Zeg: indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen, wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren en nabij hen die hem aanbidden.50.Indien gij het kondt zien als de ongeloovigen zullen beven33, en geene schuilplaats vinden en van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen34.51.En zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van zulk eene afgelegen plaats ontvangen35?52.Nu zij hem te voren geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij er zoo ver af waren?53.En eene afscheiding zal geplaatst worden tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren.54.Zooals het reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen, omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.1Van het volk vanSabawordt melding gemaakt in het14e vers.2Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.3Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.4Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.5Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beidâwi).6ZieHoofdstuk XXI. vers 79.7Zie ibid. vers 80.8ZieHoofdstuk XXI, vers 81.9Zij zeggen dat deze fontein teYamanwas en drie dagen in de maand vloeide (Al Beidâwi Jallalo’ddin).10Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.12Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen vanYamangehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo’ddin).13Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, datDavid, die de grondslagen van den tempel vanJeruzalemhad gelegd, welke in plaats van den tabernakel vanMozeszou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoonSalomooverliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. Vóór het gebouw geheel voleindigd was, voeldeSalomozijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, datSalomozou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezenwaardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vóór die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (IKoningenVI : 7).14Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel vanSalomogebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.15Sabawas de zoon vanYashhab, den zoon vanYarab, den zoon vanKhatan, wiens nakomelingen inYamanwoonden in de stadMareb, ookSabagenaamd, en op omstreeks drie dagreizen vanSanaagelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkigArabiëen de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den HeerFresnel, voorkomende in hetJournal Asiatique.16Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beidâwi).17De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woordal Aremop, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stadSabavormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.Al Beidâwiveronderstelt, dat deze wal het werk der koninginBalkiswas, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had naChr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening vanSale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van deSacy, zou men het in de tweede eeuw naChr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naarl’Histoire des ArabesvanCaussin de Perceval3 vols, 1849.18Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (TamarixofTamariscus).19Zijnde de steden vanSyrië.20Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden alsSaba(Al Beidâwi. ZieGol.note in Alfrag., p. 87).21Hetzij zijne meening omtrent de Sabbeïsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val vanAdam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (ZieHoofdstuk II, vers 28en volgende verzen,Hoofdstuk VII, vers 10en volgende enHoofdstuk XV, vers 33en volgende).22Die van de algemeene vernietiging werden gered.23ZieHoofdstuk XIX, vers 90.24Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.25Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, iselfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.26Men zegt dat den ongeloovigen bewoners vanMekka, toen zij de Joden en Christenen omtrentMahometszending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze èn in het Oude Testament èn in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beidâwi).27ZieHoofdstuk XIV, vers 24, noot.28ZieHoofdstuk X, vers 55noot.29Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beidâwi).30NadatMahometin de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.31Savaryvertaalt dit: Behoudt uwe giften.32ZieHoofdstuk XXV, vers 59.33Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag vanBedr(Al Beidâwi).34Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte vanBedrtot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beidâwi).35Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.Vijf en Dertigste Hoofdstuk.De Engelen, of de Schepper.1Geopenbaard teMekka—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier paren vleugels2. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem behaagt; want God is almachtig.2.De genade welke God rijkelijk aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden; wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken, en hij is de Machtige, de Wijze.3.O Menschen! herdenkt Gods gunst omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid?4.Indien zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen terugkeeren.5.O menschen! waarlijk de belofte van God is waar, laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de verleider u omtrent God verblinden.6.Satan is een vijand van u; houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts uit, om bewoners der hel te wezen.7.Voor hen die niet gelooven, is daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt.8.Maar voor hen die gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote belooning bereid.9.Zal dus hij wien slechte daden als goed werden bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem, die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk, God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem behaagt. Laat dus uwe ziel, oMahomet! zich niet door zuchten verteren, wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen.10.God is het, die de winden zendt, en wolkenop doet rijzen: wij drijven die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat die dood was. Zoo zal de opstanding wezen.11.Wie ooit uitnemendheid begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat hen betreft, die zondige listen uitdenken3, zij zullen eene gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel gemaakt worden.12.God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad4, en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God.13.De twee zeeën5kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch, zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter6. Toch eet gij visch uit beide7en haalt gij er versierselen uit8om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen, opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen.14.Hij doet den nacht aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen, en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs de macht niet over het vlies van eene dadelpit.15.Indien gij hen aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd, en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend is.16.O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich zelven en hij moet geprezen worden.17.Indien het hem behaagt, kan hij u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.18.Dit zal voor God niet moeielijk wezen.19.Eene beladen ziel zal den last van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt, al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen, die hunnen Heer in het geheim vreezen enstandvastig in het gebed zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den jongsten dag voor God worden verzameld.20.De blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de koele schaduw en de verzengende wind.21.Evenmin zullen de levenden en de dooden gelijk gesteld worden9.God zal degenen doen hooren die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne graven bevinden10. Gij zijt slechts een prediker.22.Inderdaad, wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd.23.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften11en met het voorlichtendeboek.1224.Daarna kastijdde ik hen die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak!25.Ziet gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor vruchten van verschillende kleuren13voortbrengen. Ook op de bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren14, en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren, en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd, waarlijk, God is machtig en vergevensgezind.26.Waarlijk, die Gods boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk, hopen op een goed dat niet zal verloren gaan.27.God zal hun het loon ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren te vergeven, en hunne pogingen te beloonen.28.Datgene wat wij u van het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en aanschouwt zijne dienaren.29.En wij hebben het boek van den Koran als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons werden uitgekozen.30.Er is menigeen onderhen, die zijne eigen ziel beleedigt15, en er is een ander van hen die den middenweg houdt16, en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen.31.En zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk, onze Heer is gereed de zondaren te vergeven.32.Hij heeft ons, door zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur, waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken.33.Maar voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond.34.En zij zullen overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier, en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd zou wezen; en is de prediker17niet tot u gekomen?35.Proeft dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper hebben.36.Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.37.Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen.38.Zeg: Wat denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij, welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen doen elkander slechts bedriegelijke beloften.39.Waarlijk, God schoort de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is genadig en barmhartig.40.De Koreïshieten hebben met een plechtigen eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen, zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu een prediker tothen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de waarheid in hen vermeerderd.41.Evenals hunne verwaandheid op aarde en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf, waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij zult geene verandering in Gods bevel opmerken.42.Gij zult geenerlei wijziging in Gods weg vinden.43.Zijn zij niet over de aarde gegaan, en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde; want hij is wijs en machtig.44.Indien God de menschen strafte naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot een bepaalden tijd.45.En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk, dan zal God zijne dienaren beschouwen.1Beide woorden komen in het eerste vers voor:Zamakhsharizegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.2Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken.Gabriëlwordt gezegd aanMahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beidâwi).3Zooals de Koreïshieten nopensMahometdeden.4ZieHoofdstuk XXII, vers 5.5Het woordbahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals deNijl, deTigerenz.6Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. ZieHoofdstuk XXV, vers 55.7ZieHoofdstuk XVI, vers 14.8Zooals paarlen en koraal.9Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.10Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.11Zooals de boeken aanAbrahamen aan de andere profeten voorMozesgegeven.12Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.13Dat is: van verschillende soorten. ZieHoofdstuk XVI, vers 13.14Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beidâwi). BijSavaryvolgt: de raaf is zwart.15Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.16Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.17Mahomet.
Vier en Dertigste Hoofdstuk.Saba1.Geopenbaard teMekka.—54 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,1.Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs en alwetend.2.Hij kent alles wat de aarde binnentreedt2, en alles wat daaruit komt3, en alles wat van den hemel nederdaalt4, en alles wat daarheen opstijgt5. Hij is barmhartig en vergevensgezind.3.De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek zijner besluiten.4.Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene eervolle belooning ontvangen.5.Maar zij, die trachten onze teekenen krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling ontvangen.6.Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek, hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den glorierijken en loffelijken weg leidt.7.De ongeloovigen zeggen tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren, dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij als een nieuw schepsel zult opstaan?8.Hij heeft eene leugen nopens Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling vervallen.9.Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt, zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert.10.Wij schonken vroeger aanDavidvan onze uitnemende gaven en zeiden: Obergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook de vogels zich daarbij te voegen6.En wij maakten het ijzer zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders7, en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! want ik zie wat gij doet.11.En wij onderwierpen den wind aanSalomo8; des ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien9. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen proeven.12.Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen en standbeelden10, en groote schotels, als vischvijvers11, en ketels, die vaststonden op hunne treeften12en wij zeiden: Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! en wees dankbaar; want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar.13.Toenwij hadden besloten, datSalomozou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood, behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde13. En toen zijn lijk nederviel, begrepende geniussen volkomen, dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in die vernederende straf waren gebleven14.14.De afstammelingen vanSaba15hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand16. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer, en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig Heer.15.Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen weshalve wij de overstrooming van deal Arem17tegen hen zonden; en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die bittere vruchten voortbrachten, tamarissen18en eenige kleine vruchten van den lotusboom.16.Dit gaven wij hun als vergelding, omdat zij ondankbaar waren. Wordtiemand zoo vergolden, behalve de ondankbare?17.En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke wij gezegend hebben19, (bloeiende bij elkander gelegen steden) en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er door des nachts en des daags, in zekerheid.18.Maar zij zeiden! O Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing20. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.19.EnEblisvond, dan zijne meening omtrent hen, waar was21. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen22.20.Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw Heer merkt alle dingen op.21.Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde, noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan, noch is een van hen helper daarbij.22.In zijne tegenwoordigheid zal geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem, aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te treden23. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten zal zijn weggenomen24, en zij tot elkander zullen zeggen: Wat zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is de verhevene, de groote God.23.Zeg: Wie voorziet u van voedsel van den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling.24.Zeg: Gijzult niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan, noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben bedreven.25.Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is de Rechter25, de Alwetende.26.Zeg: Toon mij hen, welke gij als deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige, de wijze God.27.Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.28.En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld, indien gij de waarheid spreekt?29.Antwoord: U is eene bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch verhaasten zal.30.De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze werd geopenbaard26. Indien gij het slechts kondet zien, als de onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der aarde zeggen:27Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen zijn geweest.31.De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van.32.En de zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij zullen hun berouw verbergen28, nadat zij de straf zullen hebben gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen zij hebben verricht?33.Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan uwe zending.34.En de bewoners vanMekkazeiden ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij; niet wij zullen hiernamaals worden gestraft.35.Antwoord: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagten spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der menschen weet dit niet.36.Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs wonen.37.Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te maken, zullen aan de straf worden overgeleverd.38.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven en hij voorziet het best van voedsel.39.Op een zekeren dag zal hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen zeggen! Bidden deze u aan?40.En de engelen zullen antwoorden: God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen (duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen.41.Op dien dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur, dat gij als eene leugen, verwerpt.42Als hun onze duidelijke teekenen worden voorgelezen, zeggen zij van u, oMahomet: Dit is slechts een man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene duidelijke tooverij.43.Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben wij vóór u hun een waarschuwer gezonden.44.Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding.45.Zeg: Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor God staat, of afzonderlijk29; overweeg dan ernstig, en gij zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makkerMahometheerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te waarschuwen.46.Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van uvoor mijne prediking30). Het is u overgelaten31, al of niet te geven32. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige van alle dingen.47.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen.48.Zeg: De waarheid is gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren.49.Zeg: indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen, wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren en nabij hen die hem aanbidden.50.Indien gij het kondt zien als de ongeloovigen zullen beven33, en geene schuilplaats vinden en van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen34.51.En zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van zulk eene afgelegen plaats ontvangen35?52.Nu zij hem te voren geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij er zoo ver af waren?53.En eene afscheiding zal geplaatst worden tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren.54.Zooals het reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen, omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.1Van het volk vanSabawordt melding gemaakt in het14e vers.2Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.3Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.4Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.5Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beidâwi).6ZieHoofdstuk XXI. vers 79.7Zie ibid. vers 80.8ZieHoofdstuk XXI, vers 81.9Zij zeggen dat deze fontein teYamanwas en drie dagen in de maand vloeide (Al Beidâwi Jallalo’ddin).10Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.12Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen vanYamangehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo’ddin).13Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, datDavid, die de grondslagen van den tempel vanJeruzalemhad gelegd, welke in plaats van den tabernakel vanMozeszou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoonSalomooverliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. Vóór het gebouw geheel voleindigd was, voeldeSalomozijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, datSalomozou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezenwaardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vóór die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (IKoningenVI : 7).14Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel vanSalomogebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.15Sabawas de zoon vanYashhab, den zoon vanYarab, den zoon vanKhatan, wiens nakomelingen inYamanwoonden in de stadMareb, ookSabagenaamd, en op omstreeks drie dagreizen vanSanaagelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkigArabiëen de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den HeerFresnel, voorkomende in hetJournal Asiatique.16Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beidâwi).17De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woordal Aremop, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stadSabavormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.Al Beidâwiveronderstelt, dat deze wal het werk der koninginBalkiswas, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had naChr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening vanSale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van deSacy, zou men het in de tweede eeuw naChr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naarl’Histoire des ArabesvanCaussin de Perceval3 vols, 1849.18Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (TamarixofTamariscus).19Zijnde de steden vanSyrië.20Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden alsSaba(Al Beidâwi. ZieGol.note in Alfrag., p. 87).21Hetzij zijne meening omtrent de Sabbeïsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val vanAdam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (ZieHoofdstuk II, vers 28en volgende verzen,Hoofdstuk VII, vers 10en volgende enHoofdstuk XV, vers 33en volgende).22Die van de algemeene vernietiging werden gered.23ZieHoofdstuk XIX, vers 90.24Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.25Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, iselfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.26Men zegt dat den ongeloovigen bewoners vanMekka, toen zij de Joden en Christenen omtrentMahometszending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze èn in het Oude Testament èn in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beidâwi).27ZieHoofdstuk XIV, vers 24, noot.28ZieHoofdstuk X, vers 55noot.29Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beidâwi).30NadatMahometin de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.31Savaryvertaalt dit: Behoudt uwe giften.32ZieHoofdstuk XXV, vers 59.33Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag vanBedr(Al Beidâwi).34Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte vanBedrtot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beidâwi).35Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.
Vier en Dertigste Hoofdstuk.Saba1.Geopenbaard teMekka.—54 verzen.
Geopenbaard teMekka.—54 verzen.
Geopenbaard teMekka.—54 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,1.Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs en alwetend.2.Hij kent alles wat de aarde binnentreedt2, en alles wat daaruit komt3, en alles wat van den hemel nederdaalt4, en alles wat daarheen opstijgt5. Hij is barmhartig en vergevensgezind.3.De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek zijner besluiten.4.Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene eervolle belooning ontvangen.5.Maar zij, die trachten onze teekenen krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling ontvangen.6.Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek, hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den glorierijken en loffelijken weg leidt.7.De ongeloovigen zeggen tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren, dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij als een nieuw schepsel zult opstaan?8.Hij heeft eene leugen nopens Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling vervallen.9.Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt, zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert.10.Wij schonken vroeger aanDavidvan onze uitnemende gaven en zeiden: Obergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook de vogels zich daarbij te voegen6.En wij maakten het ijzer zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders7, en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! want ik zie wat gij doet.11.En wij onderwierpen den wind aanSalomo8; des ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien9. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen proeven.12.Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen en standbeelden10, en groote schotels, als vischvijvers11, en ketels, die vaststonden op hunne treeften12en wij zeiden: Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! en wees dankbaar; want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar.13.Toenwij hadden besloten, datSalomozou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood, behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde13. En toen zijn lijk nederviel, begrepende geniussen volkomen, dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in die vernederende straf waren gebleven14.14.De afstammelingen vanSaba15hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand16. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer, en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig Heer.15.Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen weshalve wij de overstrooming van deal Arem17tegen hen zonden; en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die bittere vruchten voortbrachten, tamarissen18en eenige kleine vruchten van den lotusboom.16.Dit gaven wij hun als vergelding, omdat zij ondankbaar waren. Wordtiemand zoo vergolden, behalve de ondankbare?17.En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke wij gezegend hebben19, (bloeiende bij elkander gelegen steden) en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er door des nachts en des daags, in zekerheid.18.Maar zij zeiden! O Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing20. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.19.EnEblisvond, dan zijne meening omtrent hen, waar was21. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen22.20.Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw Heer merkt alle dingen op.21.Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde, noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan, noch is een van hen helper daarbij.22.In zijne tegenwoordigheid zal geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem, aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te treden23. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten zal zijn weggenomen24, en zij tot elkander zullen zeggen: Wat zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is de verhevene, de groote God.23.Zeg: Wie voorziet u van voedsel van den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling.24.Zeg: Gijzult niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan, noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben bedreven.25.Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is de Rechter25, de Alwetende.26.Zeg: Toon mij hen, welke gij als deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige, de wijze God.27.Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.28.En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld, indien gij de waarheid spreekt?29.Antwoord: U is eene bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch verhaasten zal.30.De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze werd geopenbaard26. Indien gij het slechts kondet zien, als de onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der aarde zeggen:27Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen zijn geweest.31.De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van.32.En de zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij zullen hun berouw verbergen28, nadat zij de straf zullen hebben gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen zij hebben verricht?33.Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan uwe zending.34.En de bewoners vanMekkazeiden ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij; niet wij zullen hiernamaals worden gestraft.35.Antwoord: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagten spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der menschen weet dit niet.36.Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs wonen.37.Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te maken, zullen aan de straf worden overgeleverd.38.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven en hij voorziet het best van voedsel.39.Op een zekeren dag zal hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen zeggen! Bidden deze u aan?40.En de engelen zullen antwoorden: God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen (duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen.41.Op dien dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur, dat gij als eene leugen, verwerpt.42Als hun onze duidelijke teekenen worden voorgelezen, zeggen zij van u, oMahomet: Dit is slechts een man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene duidelijke tooverij.43.Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben wij vóór u hun een waarschuwer gezonden.44.Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding.45.Zeg: Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor God staat, of afzonderlijk29; overweeg dan ernstig, en gij zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makkerMahometheerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te waarschuwen.46.Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van uvoor mijne prediking30). Het is u overgelaten31, al of niet te geven32. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige van alle dingen.47.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen.48.Zeg: De waarheid is gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren.49.Zeg: indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen, wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren en nabij hen die hem aanbidden.50.Indien gij het kondt zien als de ongeloovigen zullen beven33, en geene schuilplaats vinden en van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen34.51.En zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van zulk eene afgelegen plaats ontvangen35?52.Nu zij hem te voren geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij er zoo ver af waren?53.En eene afscheiding zal geplaatst worden tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren.54.Zooals het reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen, omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,
1.Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs en alwetend.2.Hij kent alles wat de aarde binnentreedt2, en alles wat daaruit komt3, en alles wat van den hemel nederdaalt4, en alles wat daarheen opstijgt5. Hij is barmhartig en vergevensgezind.3.De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek zijner besluiten.4.Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene eervolle belooning ontvangen.5.Maar zij, die trachten onze teekenen krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling ontvangen.6.Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek, hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den glorierijken en loffelijken weg leidt.7.De ongeloovigen zeggen tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren, dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij als een nieuw schepsel zult opstaan?8.Hij heeft eene leugen nopens Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling vervallen.9.Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt, zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert.10.Wij schonken vroeger aanDavidvan onze uitnemende gaven en zeiden: Obergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook de vogels zich daarbij te voegen6.En wij maakten het ijzer zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders7, en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! want ik zie wat gij doet.11.En wij onderwierpen den wind aanSalomo8; des ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien9. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen proeven.12.Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen en standbeelden10, en groote schotels, als vischvijvers11, en ketels, die vaststonden op hunne treeften12en wij zeiden: Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin vanDavid! en wees dankbaar; want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar.13.Toenwij hadden besloten, datSalomozou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood, behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde13. En toen zijn lijk nederviel, begrepende geniussen volkomen, dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in die vernederende straf waren gebleven14.14.De afstammelingen vanSaba15hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand16. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer, en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig Heer.15.Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen weshalve wij de overstrooming van deal Arem17tegen hen zonden; en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die bittere vruchten voortbrachten, tamarissen18en eenige kleine vruchten van den lotusboom.16.Dit gaven wij hun als vergelding, omdat zij ondankbaar waren. Wordtiemand zoo vergolden, behalve de ondankbare?17.En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke wij gezegend hebben19, (bloeiende bij elkander gelegen steden) en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er door des nachts en des daags, in zekerheid.18.Maar zij zeiden! O Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing20. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.19.EnEblisvond, dan zijne meening omtrent hen, waar was21. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen22.20.Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw Heer merkt alle dingen op.21.Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde, noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan, noch is een van hen helper daarbij.22.In zijne tegenwoordigheid zal geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem, aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te treden23. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten zal zijn weggenomen24, en zij tot elkander zullen zeggen: Wat zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is de verhevene, de groote God.23.Zeg: Wie voorziet u van voedsel van den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling.24.Zeg: Gijzult niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan, noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben bedreven.25.Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is de Rechter25, de Alwetende.26.Zeg: Toon mij hen, welke gij als deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige, de wijze God.27.Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.28.En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld, indien gij de waarheid spreekt?29.Antwoord: U is eene bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch verhaasten zal.30.De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze werd geopenbaard26. Indien gij het slechts kondet zien, als de onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der aarde zeggen:27Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen zijn geweest.31.De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van.32.En de zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij zullen hun berouw verbergen28, nadat zij de straf zullen hebben gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen zij hebben verricht?33.Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan uwe zending.34.En de bewoners vanMekkazeiden ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij; niet wij zullen hiernamaals worden gestraft.35.Antwoord: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagten spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der menschen weet dit niet.36.Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs wonen.37.Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te maken, zullen aan de straf worden overgeleverd.38.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven en hij voorziet het best van voedsel.39.Op een zekeren dag zal hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen zeggen! Bidden deze u aan?40.En de engelen zullen antwoorden: God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen (duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen.41.Op dien dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur, dat gij als eene leugen, verwerpt.42Als hun onze duidelijke teekenen worden voorgelezen, zeggen zij van u, oMahomet: Dit is slechts een man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene duidelijke tooverij.43.Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben wij vóór u hun een waarschuwer gezonden.44.Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding.45.Zeg: Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor God staat, of afzonderlijk29; overweeg dan ernstig, en gij zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makkerMahometheerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te waarschuwen.46.Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van uvoor mijne prediking30). Het is u overgelaten31, al of niet te geven32. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige van alle dingen.47.Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen.48.Zeg: De waarheid is gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren.49.Zeg: indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen, wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren en nabij hen die hem aanbidden.50.Indien gij het kondt zien als de ongeloovigen zullen beven33, en geene schuilplaats vinden en van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen34.51.En zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van zulk eene afgelegen plaats ontvangen35?52.Nu zij hem te voren geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij er zoo ver af waren?53.En eene afscheiding zal geplaatst worden tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren.54.Zooals het reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen, omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.
1Van het volk vanSabawordt melding gemaakt in het14e vers.2Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.3Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.4Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.5Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beidâwi).6ZieHoofdstuk XXI. vers 79.7Zie ibid. vers 80.8ZieHoofdstuk XXI, vers 81.9Zij zeggen dat deze fontein teYamanwas en drie dagen in de maand vloeide (Al Beidâwi Jallalo’ddin).10Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.12Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen vanYamangehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo’ddin).13Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, datDavid, die de grondslagen van den tempel vanJeruzalemhad gelegd, welke in plaats van den tabernakel vanMozeszou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoonSalomooverliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. Vóór het gebouw geheel voleindigd was, voeldeSalomozijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, datSalomozou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezenwaardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vóór die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (IKoningenVI : 7).14Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel vanSalomogebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.15Sabawas de zoon vanYashhab, den zoon vanYarab, den zoon vanKhatan, wiens nakomelingen inYamanwoonden in de stadMareb, ookSabagenaamd, en op omstreeks drie dagreizen vanSanaagelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkigArabiëen de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den HeerFresnel, voorkomende in hetJournal Asiatique.16Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beidâwi).17De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woordal Aremop, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stadSabavormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.Al Beidâwiveronderstelt, dat deze wal het werk der koninginBalkiswas, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had naChr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening vanSale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van deSacy, zou men het in de tweede eeuw naChr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naarl’Histoire des ArabesvanCaussin de Perceval3 vols, 1849.18Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (TamarixofTamariscus).19Zijnde de steden vanSyrië.20Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden alsSaba(Al Beidâwi. ZieGol.note in Alfrag., p. 87).21Hetzij zijne meening omtrent de Sabbeïsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val vanAdam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (ZieHoofdstuk II, vers 28en volgende verzen,Hoofdstuk VII, vers 10en volgende enHoofdstuk XV, vers 33en volgende).22Die van de algemeene vernietiging werden gered.23ZieHoofdstuk XIX, vers 90.24Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.25Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, iselfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.26Men zegt dat den ongeloovigen bewoners vanMekka, toen zij de Joden en Christenen omtrentMahometszending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze èn in het Oude Testament èn in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beidâwi).27ZieHoofdstuk XIV, vers 24, noot.28ZieHoofdstuk X, vers 55noot.29Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beidâwi).30NadatMahometin de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.31Savaryvertaalt dit: Behoudt uwe giften.32ZieHoofdstuk XXV, vers 59.33Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag vanBedr(Al Beidâwi).34Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte vanBedrtot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beidâwi).35Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.
1Van het volk vanSabawordt melding gemaakt in het14e vers.
2Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.
3Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.
4Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.
5Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beidâwi).
6ZieHoofdstuk XXI. vers 79.
7Zie ibid. vers 80.
8ZieHoofdstuk XXI, vers 81.
9Zij zeggen dat deze fontein teYamanwas en drie dagen in de maand vloeide (Al Beidâwi Jallalo’ddin).
10Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
11Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.
12Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen vanYamangehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo’ddin).
13Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, datDavid, die de grondslagen van den tempel vanJeruzalemhad gelegd, welke in plaats van den tabernakel vanMozeszou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoonSalomooverliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. Vóór het gebouw geheel voleindigd was, voeldeSalomozijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, datSalomozou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezenwaardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vóór die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (IKoningenVI : 7).
14Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel vanSalomogebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.
15Sabawas de zoon vanYashhab, den zoon vanYarab, den zoon vanKhatan, wiens nakomelingen inYamanwoonden in de stadMareb, ookSabagenaamd, en op omstreeks drie dagreizen vanSanaagelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkigArabiëen de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den HeerFresnel, voorkomende in hetJournal Asiatique.
16Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beidâwi).
17De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woordal Aremop, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stadSabavormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.Al Beidâwiveronderstelt, dat deze wal het werk der koninginBalkiswas, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had naChr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening vanSale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van deSacy, zou men het in de tweede eeuw naChr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naarl’Histoire des ArabesvanCaussin de Perceval3 vols, 1849.
18Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (TamarixofTamariscus).
19Zijnde de steden vanSyrië.
20Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden alsSaba(Al Beidâwi. ZieGol.note in Alfrag., p. 87).
21Hetzij zijne meening omtrent de Sabbeïsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val vanAdam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (ZieHoofdstuk II, vers 28en volgende verzen,Hoofdstuk VII, vers 10en volgende enHoofdstuk XV, vers 33en volgende).
22Die van de algemeene vernietiging werden gered.
23ZieHoofdstuk XIX, vers 90.
24Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.
25Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, iselfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.
26Men zegt dat den ongeloovigen bewoners vanMekka, toen zij de Joden en Christenen omtrentMahometszending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze èn in het Oude Testament èn in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beidâwi).
27ZieHoofdstuk XIV, vers 24, noot.
28ZieHoofdstuk X, vers 55noot.
29Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beidâwi).
30NadatMahometin de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.
31Savaryvertaalt dit: Behoudt uwe giften.
32ZieHoofdstuk XXV, vers 59.
33Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag vanBedr(Al Beidâwi).
34Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte vanBedrtot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beidâwi).
35Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.
Vijf en Dertigste Hoofdstuk.De Engelen, of de Schepper.1Geopenbaard teMekka—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier paren vleugels2. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem behaagt; want God is almachtig.2.De genade welke God rijkelijk aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden; wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken, en hij is de Machtige, de Wijze.3.O Menschen! herdenkt Gods gunst omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid?4.Indien zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen terugkeeren.5.O menschen! waarlijk de belofte van God is waar, laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de verleider u omtrent God verblinden.6.Satan is een vijand van u; houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts uit, om bewoners der hel te wezen.7.Voor hen die niet gelooven, is daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt.8.Maar voor hen die gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote belooning bereid.9.Zal dus hij wien slechte daden als goed werden bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem, die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk, God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem behaagt. Laat dus uwe ziel, oMahomet! zich niet door zuchten verteren, wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen.10.God is het, die de winden zendt, en wolkenop doet rijzen: wij drijven die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat die dood was. Zoo zal de opstanding wezen.11.Wie ooit uitnemendheid begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat hen betreft, die zondige listen uitdenken3, zij zullen eene gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel gemaakt worden.12.God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad4, en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God.13.De twee zeeën5kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch, zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter6. Toch eet gij visch uit beide7en haalt gij er versierselen uit8om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen, opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen.14.Hij doet den nacht aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen, en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs de macht niet over het vlies van eene dadelpit.15.Indien gij hen aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd, en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend is.16.O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich zelven en hij moet geprezen worden.17.Indien het hem behaagt, kan hij u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.18.Dit zal voor God niet moeielijk wezen.19.Eene beladen ziel zal den last van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt, al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen, die hunnen Heer in het geheim vreezen enstandvastig in het gebed zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den jongsten dag voor God worden verzameld.20.De blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de koele schaduw en de verzengende wind.21.Evenmin zullen de levenden en de dooden gelijk gesteld worden9.God zal degenen doen hooren die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne graven bevinden10. Gij zijt slechts een prediker.22.Inderdaad, wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd.23.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften11en met het voorlichtendeboek.1224.Daarna kastijdde ik hen die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak!25.Ziet gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor vruchten van verschillende kleuren13voortbrengen. Ook op de bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren14, en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren, en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd, waarlijk, God is machtig en vergevensgezind.26.Waarlijk, die Gods boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk, hopen op een goed dat niet zal verloren gaan.27.God zal hun het loon ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren te vergeven, en hunne pogingen te beloonen.28.Datgene wat wij u van het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en aanschouwt zijne dienaren.29.En wij hebben het boek van den Koran als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons werden uitgekozen.30.Er is menigeen onderhen, die zijne eigen ziel beleedigt15, en er is een ander van hen die den middenweg houdt16, en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen.31.En zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk, onze Heer is gereed de zondaren te vergeven.32.Hij heeft ons, door zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur, waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken.33.Maar voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond.34.En zij zullen overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier, en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd zou wezen; en is de prediker17niet tot u gekomen?35.Proeft dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper hebben.36.Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.37.Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen.38.Zeg: Wat denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij, welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen doen elkander slechts bedriegelijke beloften.39.Waarlijk, God schoort de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is genadig en barmhartig.40.De Koreïshieten hebben met een plechtigen eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen, zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu een prediker tothen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de waarheid in hen vermeerderd.41.Evenals hunne verwaandheid op aarde en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf, waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij zult geene verandering in Gods bevel opmerken.42.Gij zult geenerlei wijziging in Gods weg vinden.43.Zijn zij niet over de aarde gegaan, en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde; want hij is wijs en machtig.44.Indien God de menschen strafte naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot een bepaalden tijd.45.En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk, dan zal God zijne dienaren beschouwen.1Beide woorden komen in het eerste vers voor:Zamakhsharizegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.2Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken.Gabriëlwordt gezegd aanMahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beidâwi).3Zooals de Koreïshieten nopensMahometdeden.4ZieHoofdstuk XXII, vers 5.5Het woordbahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals deNijl, deTigerenz.6Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. ZieHoofdstuk XXV, vers 55.7ZieHoofdstuk XVI, vers 14.8Zooals paarlen en koraal.9Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.10Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.11Zooals de boeken aanAbrahamen aan de andere profeten voorMozesgegeven.12Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.13Dat is: van verschillende soorten. ZieHoofdstuk XVI, vers 13.14Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beidâwi). BijSavaryvolgt: de raaf is zwart.15Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.16Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.17Mahomet.
Vijf en Dertigste Hoofdstuk.De Engelen, of de Schepper.1Geopenbaard teMekka—45 verzen.
Geopenbaard teMekka—45 verzen.
Geopenbaard teMekka—45 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier paren vleugels2. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem behaagt; want God is almachtig.2.De genade welke God rijkelijk aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden; wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken, en hij is de Machtige, de Wijze.3.O Menschen! herdenkt Gods gunst omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid?4.Indien zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen terugkeeren.5.O menschen! waarlijk de belofte van God is waar, laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de verleider u omtrent God verblinden.6.Satan is een vijand van u; houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts uit, om bewoners der hel te wezen.7.Voor hen die niet gelooven, is daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt.8.Maar voor hen die gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote belooning bereid.9.Zal dus hij wien slechte daden als goed werden bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem, die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk, God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem behaagt. Laat dus uwe ziel, oMahomet! zich niet door zuchten verteren, wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen.10.God is het, die de winden zendt, en wolkenop doet rijzen: wij drijven die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat die dood was. Zoo zal de opstanding wezen.11.Wie ooit uitnemendheid begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat hen betreft, die zondige listen uitdenken3, zij zullen eene gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel gemaakt worden.12.God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad4, en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God.13.De twee zeeën5kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch, zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter6. Toch eet gij visch uit beide7en haalt gij er versierselen uit8om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen, opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen.14.Hij doet den nacht aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen, en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs de macht niet over het vlies van eene dadelpit.15.Indien gij hen aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd, en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend is.16.O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich zelven en hij moet geprezen worden.17.Indien het hem behaagt, kan hij u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.18.Dit zal voor God niet moeielijk wezen.19.Eene beladen ziel zal den last van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt, al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen, die hunnen Heer in het geheim vreezen enstandvastig in het gebed zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den jongsten dag voor God worden verzameld.20.De blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de koele schaduw en de verzengende wind.21.Evenmin zullen de levenden en de dooden gelijk gesteld worden9.God zal degenen doen hooren die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne graven bevinden10. Gij zijt slechts een prediker.22.Inderdaad, wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd.23.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften11en met het voorlichtendeboek.1224.Daarna kastijdde ik hen die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak!25.Ziet gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor vruchten van verschillende kleuren13voortbrengen. Ook op de bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren14, en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren, en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd, waarlijk, God is machtig en vergevensgezind.26.Waarlijk, die Gods boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk, hopen op een goed dat niet zal verloren gaan.27.God zal hun het loon ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren te vergeven, en hunne pogingen te beloonen.28.Datgene wat wij u van het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en aanschouwt zijne dienaren.29.En wij hebben het boek van den Koran als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons werden uitgekozen.30.Er is menigeen onderhen, die zijne eigen ziel beleedigt15, en er is een ander van hen die den middenweg houdt16, en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen.31.En zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk, onze Heer is gereed de zondaren te vergeven.32.Hij heeft ons, door zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur, waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken.33.Maar voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond.34.En zij zullen overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier, en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd zou wezen; en is de prediker17niet tot u gekomen?35.Proeft dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper hebben.36.Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.37.Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen.38.Zeg: Wat denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij, welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen doen elkander slechts bedriegelijke beloften.39.Waarlijk, God schoort de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is genadig en barmhartig.40.De Koreïshieten hebben met een plechtigen eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen, zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu een prediker tothen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de waarheid in hen vermeerderd.41.Evenals hunne verwaandheid op aarde en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf, waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij zult geene verandering in Gods bevel opmerken.42.Gij zult geenerlei wijziging in Gods weg vinden.43.Zijn zij niet over de aarde gegaan, en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde; want hij is wijs en machtig.44.Indien God de menschen strafte naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot een bepaalden tijd.45.En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk, dan zal God zijne dienaren beschouwen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier paren vleugels2. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem behaagt; want God is almachtig.2.De genade welke God rijkelijk aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden; wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken, en hij is de Machtige, de Wijze.3.O Menschen! herdenkt Gods gunst omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid?4.Indien zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen terugkeeren.5.O menschen! waarlijk de belofte van God is waar, laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de verleider u omtrent God verblinden.6.Satan is een vijand van u; houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts uit, om bewoners der hel te wezen.7.Voor hen die niet gelooven, is daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt.8.Maar voor hen die gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote belooning bereid.9.Zal dus hij wien slechte daden als goed werden bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem, die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk, God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem behaagt. Laat dus uwe ziel, oMahomet! zich niet door zuchten verteren, wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen.10.God is het, die de winden zendt, en wolkenop doet rijzen: wij drijven die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat die dood was. Zoo zal de opstanding wezen.11.Wie ooit uitnemendheid begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat hen betreft, die zondige listen uitdenken3, zij zullen eene gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel gemaakt worden.12.God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad4, en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God.13.De twee zeeën5kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch, zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter6. Toch eet gij visch uit beide7en haalt gij er versierselen uit8om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen, opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen.14.Hij doet den nacht aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen, en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs de macht niet over het vlies van eene dadelpit.15.Indien gij hen aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd, en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend is.16.O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich zelven en hij moet geprezen worden.17.Indien het hem behaagt, kan hij u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.18.Dit zal voor God niet moeielijk wezen.19.Eene beladen ziel zal den last van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt, al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen, die hunnen Heer in het geheim vreezen enstandvastig in het gebed zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den jongsten dag voor God worden verzameld.20.De blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de koele schaduw en de verzengende wind.21.Evenmin zullen de levenden en de dooden gelijk gesteld worden9.God zal degenen doen hooren die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne graven bevinden10. Gij zijt slechts een prediker.22.Inderdaad, wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd.23.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften11en met het voorlichtendeboek.1224.Daarna kastijdde ik hen die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak!25.Ziet gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor vruchten van verschillende kleuren13voortbrengen. Ook op de bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren14, en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren, en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd, waarlijk, God is machtig en vergevensgezind.26.Waarlijk, die Gods boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk, hopen op een goed dat niet zal verloren gaan.27.God zal hun het loon ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren te vergeven, en hunne pogingen te beloonen.28.Datgene wat wij u van het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en aanschouwt zijne dienaren.29.En wij hebben het boek van den Koran als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons werden uitgekozen.30.Er is menigeen onderhen, die zijne eigen ziel beleedigt15, en er is een ander van hen die den middenweg houdt16, en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen.31.En zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk, onze Heer is gereed de zondaren te vergeven.32.Hij heeft ons, door zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur, waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken.33.Maar voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond.34.En zij zullen overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier, en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd zou wezen; en is de prediker17niet tot u gekomen?35.Proeft dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper hebben.36.Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.37.Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen.38.Zeg: Wat denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij, welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen doen elkander slechts bedriegelijke beloften.39.Waarlijk, God schoort de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is genadig en barmhartig.40.De Koreïshieten hebben met een plechtigen eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen, zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu een prediker tothen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de waarheid in hen vermeerderd.41.Evenals hunne verwaandheid op aarde en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf, waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij zult geene verandering in Gods bevel opmerken.42.Gij zult geenerlei wijziging in Gods weg vinden.43.Zijn zij niet over de aarde gegaan, en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde; want hij is wijs en machtig.44.Indien God de menschen strafte naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot een bepaalden tijd.45.En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk, dan zal God zijne dienaren beschouwen.
1Beide woorden komen in het eerste vers voor:Zamakhsharizegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.2Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken.Gabriëlwordt gezegd aanMahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beidâwi).3Zooals de Koreïshieten nopensMahometdeden.4ZieHoofdstuk XXII, vers 5.5Het woordbahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals deNijl, deTigerenz.6Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. ZieHoofdstuk XXV, vers 55.7ZieHoofdstuk XVI, vers 14.8Zooals paarlen en koraal.9Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.10Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.11Zooals de boeken aanAbrahamen aan de andere profeten voorMozesgegeven.12Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.13Dat is: van verschillende soorten. ZieHoofdstuk XVI, vers 13.14Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beidâwi). BijSavaryvolgt: de raaf is zwart.15Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.16Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.17Mahomet.
1Beide woorden komen in het eerste vers voor:Zamakhsharizegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.
2Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken.Gabriëlwordt gezegd aanMahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beidâwi).
3Zooals de Koreïshieten nopensMahometdeden.
4ZieHoofdstuk XXII, vers 5.
5Het woordbahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals deNijl, deTigerenz.
6Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. ZieHoofdstuk XXV, vers 55.
7ZieHoofdstuk XVI, vers 14.
8Zooals paarlen en koraal.
9Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.
10Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.
11Zooals de boeken aanAbrahamen aan de andere profeten voorMozesgegeven.
12Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.
13Dat is: van verschillende soorten. ZieHoofdstuk XVI, vers 13.
14Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beidâwi). BijSavaryvolgt: de raaf is zwart.
15Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.
16Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.
17Mahomet.