Vier en Twintigste Hoofdstuk.

Vier en Twintigste Hoofdstuk.Het Licht1.Geopenbaard teMedina.—64 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekensgeopenbaard, opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn.2.Den overspeler en de overspelige zult gij elk honderd zweepslagen geven2. En laat geen medelijden nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren3, indien gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware geloovigen getuigen hunner straf zijn4.3.De overspeler zal geen andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren geloovigenverboden5.4.Zij die eerbare vrouwen van overspel beschuldigen6, en geene vier getuigen tot staving van het feit kunnen aanwijzen7zullen met vier en tachtig zweepslagen worden gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij zijn ellendige misleiders.5.Behalve zij, die naderhand berouw zullen toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig wezen.6.Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen, zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken.7.En bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij een leugenaar is.8.En de vrouw zal niet gestraft worden, indien zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is.9.En de vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen de man verklaard heeft, waar zij8.10.Indien het niet ware dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen.11.Wat degenen onder u betreft, die de leugen omtrentAïsha9hebben openbaar gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de onrechtvaardigheidwaaraan hij schuldig zal zijn10, en degeen hunner die getracht heeft haar te verzwaren11, zal eene gestrenge straf ondergaan.12.Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen?13.Hebben zij vier getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van God.14.Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet, terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was.15.Zeidet gij, toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God beware! Dit is eene groote lastering.16.God heeft u gewaarschuwd, opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren, indien gij ware geloovige zijt.17.En God verklaart u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.18.Waarlijk, zij die er genoegen in scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden, zullen eene pijnlijke straf ondergaan.19.Zoowel in deze wereld als in de volgende. God weet, maar gij weet niets.20.Indien God niet lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld.21.O ware geloovigen! volgt de stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt, aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet alles.22.Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren dat God uvergaf12? En God is genadig en barmhartig.23.Zij die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan13.24.Eens zullen hunne eigen tongen getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens hetgeen zij hebben bedreven.25.Op dien dag zal God hun hunne juiste schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid is.26.De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid; zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen.27.O ware geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen, dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen.28.En indien gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt: Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn14, en God is bekend met hetgeen gij doet.29.Gij zult geene misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt15. Daar moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.30.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat zij doen.31.En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet ontdekken16, behalve wat daarvan noodzakelijkzichtbaar wordt17, en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen18en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten19of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen harer broeders, of de zonen harer zusters20of hunne vrouwen21of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten22, of hare mannelijke dienstboden, die geenevrouwen noodig hebben23of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden24. En weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig moogt zijn.32.Huwt de onverbondenen onder u25, en verbindt, die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken; want God is goed en wijs.33.En laat degenen, die door hunne armoede geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven26u zijne vrijheid bij geschrifte27vraagt, geef hem die dan, indien gij hem die waardig oordeelt28, en geef van Gods rijkdommen welke u zijn geschonken29. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden, indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang30.34.Thans hebben wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen31, en eene vermaning voor de godvruchtigen.35.God is het licht van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is32. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is een licht met een licht33. God zal door dit licht leiden wie hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God kent alle dingen.36.In de huizen waarvan God de oprichting heeft veroorloofd34, opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht, verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds.37.Die noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der menschen zullen worden verward;38.Opdat God hen zou mogen beloonen, overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht, en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen; want God beschenkt zonder maat wie hembehaagt.39.Maar wat de ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene vlakte35die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God met zich36, die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is snel in het opmaken derrekening;40.Of als de duisternis, verspreid over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen, waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis; de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden?41.Hebt gij niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet wat zij doen.42.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde, en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren.43.Ziet gij niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen, waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te benemen.44.God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft ieder dier van water geschapen37; het eene kruipt op den buik, terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig.45.Nu hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem behaagt op den rechten weg.46.De huichelaars zeggen: Wij gelooven in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een deel hunner af en zijn geene ware geloovigen.47.En als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen richten, dan verwijdertzich een deel hunner.48.Maar indien het recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem hebben onderworpen.49.Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen38.50.De woorden der ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen, om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen; en zij zijn het die voorspoed zullen genieten.51.Zij die God en zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten.52.Zij zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg: Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met hetgeen gij doet.53.Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant, maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen; men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden; maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking.54.God beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten, dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen39, en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen.55.Neemt het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat gij genade moogt verwerven.56.Denk niet dat de ongeloovige Gods voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn!57.O ware geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen40; namelijk vóór het ochtendgebed41, als gij des middagsuwe kleederen aflegt42en na het avondgebed43. Dit zijn drie tijdstippen voor u, waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen, noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.58.En als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen, op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.59.Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen, zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen44; maar indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God hoort en ziet alles.60.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet45, of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijkeet46.61.En als gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig47, u in Gods naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan.62.Waarlijk, zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd48, zich niet verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk, zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen, voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor hen van God49; want God is barmhartig en genadig.63.Laat het noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder elkander noemdet50. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het volgende leven worde opgelegd.64.Behoort niet alles wat in den hemel en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt, en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.1Deze titel is ontleend aanvers 35van dit hoofdstuk.2Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig deSonna, met steeniging moet worden gestraft (ZieHoofdstuk IV, vers 19en 28).3Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten.Mahometstond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: IndienFatima, de dochter vanMahometsteelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beidâwi).4Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat één toereikend is. (Al Beidâwi).5De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armereMâhojerinsof uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemeldeMâhojerinsbetreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.6Het Arabische woordmohsinatbeteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen.Aboe Hanifawas van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7ZieHoofdstuk IV, vers 9.8Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.9Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. ToenMahometin het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam vanMostalekondernam, nam hij zijne vrouwAïshamet zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver vanMedinawaren, trok het leger des nachts verder.Aïshasteeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde.Aïsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch,Safwan Ebnal Moatteidaar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekteAïshazich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan.Aïshanam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid vanAïshaen haar terugkeer metSafwanbekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd.Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al BokhariinSonna,Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookAbu’lf.Vit Moh. p. 82 etc.GagnierVie de Moh. lib.4 c 7, en ook blz.47van dit werk).10De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren:Abd’allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegenMahomettot het uiterste dreef),Zeid Ebn Refâa,Hassan Ebn Thabet,Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon vanAbd’almotallebenHamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat.Abd’allahwerd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu’lfeda.Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, datHassanenMestabblind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beidâwi).11Zijnde:Abd’allah Ebn Obbadie de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.12Deze plaats werd geopenbaard met het oog opAboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aanMestabzou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een armeMahâjerof uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochterAïshate belasteren. ToenMahomethem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aanMestabuit te betalen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).13Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde vanEbn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging vanAïshauitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beidâwi).14Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.15Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.16Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meerbijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.17Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.18En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. InEgyptehullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haarMahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.19Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.20Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beidâwi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieën bevindt (Jallalo’ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beidâwi).21Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).22Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.23Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya, enz.)24Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeetJesajahsterk gegispt (Jes.III; 16, 18).25Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.26Van beiderlei kunne.27Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.28Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.29Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beidâwi).30Het schijnt datAbd’allah Ebn Obbazes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwongdoor prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bijMahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).31Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging vanAïsha, hetwelk op dat vanJozefen vanMariagelijkt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk inSyrië, waar de beste olijven voorkomen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).33Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieën en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.34Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeën, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: vanMekka,MedinaenJeruzalem(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).35Het Arabische woordSerâbbeteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (VideQ. Curt.de rebus Alex. lib. VII, etGol. enin Alfrag. p. 111. I.et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).36Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.37Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met “water” het woord “zaad” wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.38Deze plaats werd geopenbaard omBashirden huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich totCaab Ebn al Ashrafbegaf, terwijl de JoodMahometsbeslissing inriep (ZieHoofdstuk IV, vers 63en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard omMogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij metAlihad, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beidâwi).39Zijnde: Zooals hij met de Israëlieten ten aanzien der Kanaänieten deed.40Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.41Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.42Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.43Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven.Al Beidâwivoegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.44Zie vers31van dit hoofdstuk.45Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd vanMahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.46Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen derAnsars, die als zij een gast hadden, niet anders dan inzijngezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)47Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstigAl Beidâwi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegtJallalo’ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.48Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.49Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beidâwi.).50Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.

Vier en Twintigste Hoofdstuk.Het Licht1.Geopenbaard teMedina.—64 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekensgeopenbaard, opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn.2.Den overspeler en de overspelige zult gij elk honderd zweepslagen geven2. En laat geen medelijden nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren3, indien gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware geloovigen getuigen hunner straf zijn4.3.De overspeler zal geen andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren geloovigenverboden5.4.Zij die eerbare vrouwen van overspel beschuldigen6, en geene vier getuigen tot staving van het feit kunnen aanwijzen7zullen met vier en tachtig zweepslagen worden gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij zijn ellendige misleiders.5.Behalve zij, die naderhand berouw zullen toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig wezen.6.Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen, zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken.7.En bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij een leugenaar is.8.En de vrouw zal niet gestraft worden, indien zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is.9.En de vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen de man verklaard heeft, waar zij8.10.Indien het niet ware dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen.11.Wat degenen onder u betreft, die de leugen omtrentAïsha9hebben openbaar gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de onrechtvaardigheidwaaraan hij schuldig zal zijn10, en degeen hunner die getracht heeft haar te verzwaren11, zal eene gestrenge straf ondergaan.12.Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen?13.Hebben zij vier getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van God.14.Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet, terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was.15.Zeidet gij, toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God beware! Dit is eene groote lastering.16.God heeft u gewaarschuwd, opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren, indien gij ware geloovige zijt.17.En God verklaart u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.18.Waarlijk, zij die er genoegen in scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden, zullen eene pijnlijke straf ondergaan.19.Zoowel in deze wereld als in de volgende. God weet, maar gij weet niets.20.Indien God niet lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld.21.O ware geloovigen! volgt de stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt, aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet alles.22.Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren dat God uvergaf12? En God is genadig en barmhartig.23.Zij die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan13.24.Eens zullen hunne eigen tongen getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens hetgeen zij hebben bedreven.25.Op dien dag zal God hun hunne juiste schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid is.26.De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid; zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen.27.O ware geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen, dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen.28.En indien gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt: Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn14, en God is bekend met hetgeen gij doet.29.Gij zult geene misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt15. Daar moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.30.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat zij doen.31.En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet ontdekken16, behalve wat daarvan noodzakelijkzichtbaar wordt17, en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen18en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten19of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen harer broeders, of de zonen harer zusters20of hunne vrouwen21of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten22, of hare mannelijke dienstboden, die geenevrouwen noodig hebben23of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden24. En weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig moogt zijn.32.Huwt de onverbondenen onder u25, en verbindt, die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken; want God is goed en wijs.33.En laat degenen, die door hunne armoede geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven26u zijne vrijheid bij geschrifte27vraagt, geef hem die dan, indien gij hem die waardig oordeelt28, en geef van Gods rijkdommen welke u zijn geschonken29. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden, indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang30.34.Thans hebben wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen31, en eene vermaning voor de godvruchtigen.35.God is het licht van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is32. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is een licht met een licht33. God zal door dit licht leiden wie hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God kent alle dingen.36.In de huizen waarvan God de oprichting heeft veroorloofd34, opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht, verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds.37.Die noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der menschen zullen worden verward;38.Opdat God hen zou mogen beloonen, overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht, en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen; want God beschenkt zonder maat wie hembehaagt.39.Maar wat de ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene vlakte35die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God met zich36, die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is snel in het opmaken derrekening;40.Of als de duisternis, verspreid over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen, waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis; de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden?41.Hebt gij niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet wat zij doen.42.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde, en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren.43.Ziet gij niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen, waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te benemen.44.God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft ieder dier van water geschapen37; het eene kruipt op den buik, terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig.45.Nu hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem behaagt op den rechten weg.46.De huichelaars zeggen: Wij gelooven in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een deel hunner af en zijn geene ware geloovigen.47.En als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen richten, dan verwijdertzich een deel hunner.48.Maar indien het recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem hebben onderworpen.49.Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen38.50.De woorden der ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen, om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen; en zij zijn het die voorspoed zullen genieten.51.Zij die God en zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten.52.Zij zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg: Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met hetgeen gij doet.53.Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant, maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen; men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden; maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking.54.God beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten, dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen39, en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen.55.Neemt het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat gij genade moogt verwerven.56.Denk niet dat de ongeloovige Gods voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn!57.O ware geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen40; namelijk vóór het ochtendgebed41, als gij des middagsuwe kleederen aflegt42en na het avondgebed43. Dit zijn drie tijdstippen voor u, waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen, noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.58.En als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen, op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.59.Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen, zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen44; maar indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God hoort en ziet alles.60.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet45, of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijkeet46.61.En als gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig47, u in Gods naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan.62.Waarlijk, zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd48, zich niet verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk, zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen, voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor hen van God49; want God is barmhartig en genadig.63.Laat het noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder elkander noemdet50. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het volgende leven worde opgelegd.64.Behoort niet alles wat in den hemel en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt, en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.1Deze titel is ontleend aanvers 35van dit hoofdstuk.2Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig deSonna, met steeniging moet worden gestraft (ZieHoofdstuk IV, vers 19en 28).3Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten.Mahometstond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: IndienFatima, de dochter vanMahometsteelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beidâwi).4Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat één toereikend is. (Al Beidâwi).5De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armereMâhojerinsof uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemeldeMâhojerinsbetreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.6Het Arabische woordmohsinatbeteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen.Aboe Hanifawas van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7ZieHoofdstuk IV, vers 9.8Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.9Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. ToenMahometin het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam vanMostalekondernam, nam hij zijne vrouwAïshamet zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver vanMedinawaren, trok het leger des nachts verder.Aïshasteeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde.Aïsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch,Safwan Ebnal Moatteidaar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekteAïshazich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan.Aïshanam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid vanAïshaen haar terugkeer metSafwanbekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd.Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al BokhariinSonna,Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookAbu’lf.Vit Moh. p. 82 etc.GagnierVie de Moh. lib.4 c 7, en ook blz.47van dit werk).10De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren:Abd’allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegenMahomettot het uiterste dreef),Zeid Ebn Refâa,Hassan Ebn Thabet,Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon vanAbd’almotallebenHamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat.Abd’allahwerd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu’lfeda.Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, datHassanenMestabblind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beidâwi).11Zijnde:Abd’allah Ebn Obbadie de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.12Deze plaats werd geopenbaard met het oog opAboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aanMestabzou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een armeMahâjerof uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochterAïshate belasteren. ToenMahomethem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aanMestabuit te betalen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).13Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde vanEbn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging vanAïshauitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beidâwi).14Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.15Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.16Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meerbijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.17Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.18En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. InEgyptehullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haarMahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.19Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.20Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beidâwi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieën bevindt (Jallalo’ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beidâwi).21Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).22Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.23Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya, enz.)24Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeetJesajahsterk gegispt (Jes.III; 16, 18).25Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.26Van beiderlei kunne.27Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.28Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.29Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beidâwi).30Het schijnt datAbd’allah Ebn Obbazes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwongdoor prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bijMahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).31Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging vanAïsha, hetwelk op dat vanJozefen vanMariagelijkt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk inSyrië, waar de beste olijven voorkomen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).33Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieën en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.34Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeën, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: vanMekka,MedinaenJeruzalem(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).35Het Arabische woordSerâbbeteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (VideQ. Curt.de rebus Alex. lib. VII, etGol. enin Alfrag. p. 111. I.et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).36Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.37Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met “water” het woord “zaad” wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.38Deze plaats werd geopenbaard omBashirden huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich totCaab Ebn al Ashrafbegaf, terwijl de JoodMahometsbeslissing inriep (ZieHoofdstuk IV, vers 63en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard omMogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij metAlihad, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beidâwi).39Zijnde: Zooals hij met de Israëlieten ten aanzien der Kanaänieten deed.40Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.41Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.42Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.43Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven.Al Beidâwivoegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.44Zie vers31van dit hoofdstuk.45Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd vanMahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.46Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen derAnsars, die als zij een gast hadden, niet anders dan inzijngezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)47Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstigAl Beidâwi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegtJallalo’ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.48Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.49Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beidâwi.).50Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.

Vier en Twintigste Hoofdstuk.Het Licht1.Geopenbaard teMedina.—64 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekensgeopenbaard, opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn.2.Den overspeler en de overspelige zult gij elk honderd zweepslagen geven2. En laat geen medelijden nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren3, indien gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware geloovigen getuigen hunner straf zijn4.3.De overspeler zal geen andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren geloovigenverboden5.4.Zij die eerbare vrouwen van overspel beschuldigen6, en geene vier getuigen tot staving van het feit kunnen aanwijzen7zullen met vier en tachtig zweepslagen worden gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij zijn ellendige misleiders.5.Behalve zij, die naderhand berouw zullen toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig wezen.6.Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen, zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken.7.En bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij een leugenaar is.8.En de vrouw zal niet gestraft worden, indien zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is.9.En de vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen de man verklaard heeft, waar zij8.10.Indien het niet ware dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen.11.Wat degenen onder u betreft, die de leugen omtrentAïsha9hebben openbaar gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de onrechtvaardigheidwaaraan hij schuldig zal zijn10, en degeen hunner die getracht heeft haar te verzwaren11, zal eene gestrenge straf ondergaan.12.Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen?13.Hebben zij vier getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van God.14.Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet, terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was.15.Zeidet gij, toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God beware! Dit is eene groote lastering.16.God heeft u gewaarschuwd, opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren, indien gij ware geloovige zijt.17.En God verklaart u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.18.Waarlijk, zij die er genoegen in scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden, zullen eene pijnlijke straf ondergaan.19.Zoowel in deze wereld als in de volgende. God weet, maar gij weet niets.20.Indien God niet lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld.21.O ware geloovigen! volgt de stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt, aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet alles.22.Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren dat God uvergaf12? En God is genadig en barmhartig.23.Zij die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan13.24.Eens zullen hunne eigen tongen getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens hetgeen zij hebben bedreven.25.Op dien dag zal God hun hunne juiste schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid is.26.De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid; zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen.27.O ware geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen, dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen.28.En indien gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt: Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn14, en God is bekend met hetgeen gij doet.29.Gij zult geene misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt15. Daar moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.30.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat zij doen.31.En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet ontdekken16, behalve wat daarvan noodzakelijkzichtbaar wordt17, en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen18en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten19of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen harer broeders, of de zonen harer zusters20of hunne vrouwen21of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten22, of hare mannelijke dienstboden, die geenevrouwen noodig hebben23of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden24. En weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig moogt zijn.32.Huwt de onverbondenen onder u25, en verbindt, die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken; want God is goed en wijs.33.En laat degenen, die door hunne armoede geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven26u zijne vrijheid bij geschrifte27vraagt, geef hem die dan, indien gij hem die waardig oordeelt28, en geef van Gods rijkdommen welke u zijn geschonken29. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden, indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang30.34.Thans hebben wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen31, en eene vermaning voor de godvruchtigen.35.God is het licht van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is32. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is een licht met een licht33. God zal door dit licht leiden wie hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God kent alle dingen.36.In de huizen waarvan God de oprichting heeft veroorloofd34, opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht, verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds.37.Die noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der menschen zullen worden verward;38.Opdat God hen zou mogen beloonen, overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht, en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen; want God beschenkt zonder maat wie hembehaagt.39.Maar wat de ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene vlakte35die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God met zich36, die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is snel in het opmaken derrekening;40.Of als de duisternis, verspreid over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen, waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis; de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden?41.Hebt gij niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet wat zij doen.42.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde, en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren.43.Ziet gij niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen, waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te benemen.44.God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft ieder dier van water geschapen37; het eene kruipt op den buik, terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig.45.Nu hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem behaagt op den rechten weg.46.De huichelaars zeggen: Wij gelooven in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een deel hunner af en zijn geene ware geloovigen.47.En als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen richten, dan verwijdertzich een deel hunner.48.Maar indien het recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem hebben onderworpen.49.Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen38.50.De woorden der ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen, om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen; en zij zijn het die voorspoed zullen genieten.51.Zij die God en zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten.52.Zij zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg: Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met hetgeen gij doet.53.Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant, maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen; men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden; maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking.54.God beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten, dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen39, en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen.55.Neemt het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat gij genade moogt verwerven.56.Denk niet dat de ongeloovige Gods voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn!57.O ware geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen40; namelijk vóór het ochtendgebed41, als gij des middagsuwe kleederen aflegt42en na het avondgebed43. Dit zijn drie tijdstippen voor u, waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen, noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.58.En als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen, op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.59.Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen, zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen44; maar indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God hoort en ziet alles.60.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet45, of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijkeet46.61.En als gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig47, u in Gods naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan.62.Waarlijk, zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd48, zich niet verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk, zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen, voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor hen van God49; want God is barmhartig en genadig.63.Laat het noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder elkander noemdet50. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het volgende leven worde opgelegd.64.Behoort niet alles wat in den hemel en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt, en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.1Deze titel is ontleend aanvers 35van dit hoofdstuk.2Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig deSonna, met steeniging moet worden gestraft (ZieHoofdstuk IV, vers 19en 28).3Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten.Mahometstond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: IndienFatima, de dochter vanMahometsteelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beidâwi).4Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat één toereikend is. (Al Beidâwi).5De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armereMâhojerinsof uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemeldeMâhojerinsbetreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.6Het Arabische woordmohsinatbeteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen.Aboe Hanifawas van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7ZieHoofdstuk IV, vers 9.8Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.9Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. ToenMahometin het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam vanMostalekondernam, nam hij zijne vrouwAïshamet zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver vanMedinawaren, trok het leger des nachts verder.Aïshasteeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde.Aïsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch,Safwan Ebnal Moatteidaar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekteAïshazich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan.Aïshanam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid vanAïshaen haar terugkeer metSafwanbekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd.Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al BokhariinSonna,Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookAbu’lf.Vit Moh. p. 82 etc.GagnierVie de Moh. lib.4 c 7, en ook blz.47van dit werk).10De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren:Abd’allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegenMahomettot het uiterste dreef),Zeid Ebn Refâa,Hassan Ebn Thabet,Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon vanAbd’almotallebenHamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat.Abd’allahwerd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu’lfeda.Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, datHassanenMestabblind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beidâwi).11Zijnde:Abd’allah Ebn Obbadie de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.12Deze plaats werd geopenbaard met het oog opAboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aanMestabzou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een armeMahâjerof uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochterAïshate belasteren. ToenMahomethem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aanMestabuit te betalen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).13Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde vanEbn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging vanAïshauitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beidâwi).14Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.15Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.16Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meerbijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.17Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.18En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. InEgyptehullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haarMahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.19Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.20Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beidâwi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieën bevindt (Jallalo’ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beidâwi).21Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).22Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.23Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya, enz.)24Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeetJesajahsterk gegispt (Jes.III; 16, 18).25Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.26Van beiderlei kunne.27Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.28Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.29Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beidâwi).30Het schijnt datAbd’allah Ebn Obbazes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwongdoor prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bijMahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).31Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging vanAïsha, hetwelk op dat vanJozefen vanMariagelijkt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk inSyrië, waar de beste olijven voorkomen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).33Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieën en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.34Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeën, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: vanMekka,MedinaenJeruzalem(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).35Het Arabische woordSerâbbeteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (VideQ. Curt.de rebus Alex. lib. VII, etGol. enin Alfrag. p. 111. I.et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).36Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.37Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met “water” het woord “zaad” wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.38Deze plaats werd geopenbaard omBashirden huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich totCaab Ebn al Ashrafbegaf, terwijl de JoodMahometsbeslissing inriep (ZieHoofdstuk IV, vers 63en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard omMogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij metAlihad, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beidâwi).39Zijnde: Zooals hij met de Israëlieten ten aanzien der Kanaänieten deed.40Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.41Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.42Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.43Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven.Al Beidâwivoegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.44Zie vers31van dit hoofdstuk.45Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd vanMahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.46Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen derAnsars, die als zij een gast hadden, niet anders dan inzijngezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)47Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstigAl Beidâwi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegtJallalo’ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.48Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.49Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beidâwi.).50Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.

Vier en Twintigste Hoofdstuk.Het Licht1.Geopenbaard teMedina.—64 verzen.

Geopenbaard teMedina.—64 verzen.

Geopenbaard teMedina.—64 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekensgeopenbaard, opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn.2.Den overspeler en de overspelige zult gij elk honderd zweepslagen geven2. En laat geen medelijden nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren3, indien gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware geloovigen getuigen hunner straf zijn4.3.De overspeler zal geen andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren geloovigenverboden5.4.Zij die eerbare vrouwen van overspel beschuldigen6, en geene vier getuigen tot staving van het feit kunnen aanwijzen7zullen met vier en tachtig zweepslagen worden gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij zijn ellendige misleiders.5.Behalve zij, die naderhand berouw zullen toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig wezen.6.Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen, zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken.7.En bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij een leugenaar is.8.En de vrouw zal niet gestraft worden, indien zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is.9.En de vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen de man verklaard heeft, waar zij8.10.Indien het niet ware dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen.11.Wat degenen onder u betreft, die de leugen omtrentAïsha9hebben openbaar gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de onrechtvaardigheidwaaraan hij schuldig zal zijn10, en degeen hunner die getracht heeft haar te verzwaren11, zal eene gestrenge straf ondergaan.12.Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen?13.Hebben zij vier getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van God.14.Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet, terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was.15.Zeidet gij, toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God beware! Dit is eene groote lastering.16.God heeft u gewaarschuwd, opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren, indien gij ware geloovige zijt.17.En God verklaart u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.18.Waarlijk, zij die er genoegen in scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden, zullen eene pijnlijke straf ondergaan.19.Zoowel in deze wereld als in de volgende. God weet, maar gij weet niets.20.Indien God niet lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld.21.O ware geloovigen! volgt de stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt, aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet alles.22.Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren dat God uvergaf12? En God is genadig en barmhartig.23.Zij die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan13.24.Eens zullen hunne eigen tongen getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens hetgeen zij hebben bedreven.25.Op dien dag zal God hun hunne juiste schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid is.26.De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid; zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen.27.O ware geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen, dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen.28.En indien gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt: Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn14, en God is bekend met hetgeen gij doet.29.Gij zult geene misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt15. Daar moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.30.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat zij doen.31.En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet ontdekken16, behalve wat daarvan noodzakelijkzichtbaar wordt17, en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen18en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten19of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen harer broeders, of de zonen harer zusters20of hunne vrouwen21of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten22, of hare mannelijke dienstboden, die geenevrouwen noodig hebben23of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden24. En weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig moogt zijn.32.Huwt de onverbondenen onder u25, en verbindt, die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken; want God is goed en wijs.33.En laat degenen, die door hunne armoede geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven26u zijne vrijheid bij geschrifte27vraagt, geef hem die dan, indien gij hem die waardig oordeelt28, en geef van Gods rijkdommen welke u zijn geschonken29. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden, indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang30.34.Thans hebben wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen31, en eene vermaning voor de godvruchtigen.35.God is het licht van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is32. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is een licht met een licht33. God zal door dit licht leiden wie hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God kent alle dingen.36.In de huizen waarvan God de oprichting heeft veroorloofd34, opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht, verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds.37.Die noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der menschen zullen worden verward;38.Opdat God hen zou mogen beloonen, overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht, en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen; want God beschenkt zonder maat wie hembehaagt.39.Maar wat de ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene vlakte35die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God met zich36, die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is snel in het opmaken derrekening;40.Of als de duisternis, verspreid over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen, waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis; de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden?41.Hebt gij niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet wat zij doen.42.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde, en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren.43.Ziet gij niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen, waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te benemen.44.God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft ieder dier van water geschapen37; het eene kruipt op den buik, terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig.45.Nu hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem behaagt op den rechten weg.46.De huichelaars zeggen: Wij gelooven in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een deel hunner af en zijn geene ware geloovigen.47.En als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen richten, dan verwijdertzich een deel hunner.48.Maar indien het recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem hebben onderworpen.49.Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen38.50.De woorden der ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen, om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen; en zij zijn het die voorspoed zullen genieten.51.Zij die God en zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten.52.Zij zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg: Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met hetgeen gij doet.53.Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant, maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen; men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden; maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking.54.God beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten, dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen39, en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen.55.Neemt het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat gij genade moogt verwerven.56.Denk niet dat de ongeloovige Gods voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn!57.O ware geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen40; namelijk vóór het ochtendgebed41, als gij des middagsuwe kleederen aflegt42en na het avondgebed43. Dit zijn drie tijdstippen voor u, waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen, noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.58.En als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen, op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.59.Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen, zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen44; maar indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God hoort en ziet alles.60.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet45, of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijkeet46.61.En als gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig47, u in Gods naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan.62.Waarlijk, zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd48, zich niet verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk, zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen, voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor hen van God49; want God is barmhartig en genadig.63.Laat het noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder elkander noemdet50. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het volgende leven worde opgelegd.64.Behoort niet alles wat in den hemel en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt, en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekensgeopenbaard, opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn.2.Den overspeler en de overspelige zult gij elk honderd zweepslagen geven2. En laat geen medelijden nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren3, indien gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware geloovigen getuigen hunner straf zijn4.3.De overspeler zal geen andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren geloovigenverboden5.4.Zij die eerbare vrouwen van overspel beschuldigen6, en geene vier getuigen tot staving van het feit kunnen aanwijzen7zullen met vier en tachtig zweepslagen worden gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij zijn ellendige misleiders.5.Behalve zij, die naderhand berouw zullen toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig wezen.6.Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen, zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken.7.En bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij een leugenaar is.8.En de vrouw zal niet gestraft worden, indien zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is.9.En de vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen de man verklaard heeft, waar zij8.10.Indien het niet ware dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen.11.Wat degenen onder u betreft, die de leugen omtrentAïsha9hebben openbaar gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de onrechtvaardigheidwaaraan hij schuldig zal zijn10, en degeen hunner die getracht heeft haar te verzwaren11, zal eene gestrenge straf ondergaan.12.Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen?13.Hebben zij vier getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van God.14.Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet, terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was.15.Zeidet gij, toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God beware! Dit is eene groote lastering.16.God heeft u gewaarschuwd, opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren, indien gij ware geloovige zijt.17.En God verklaart u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.18.Waarlijk, zij die er genoegen in scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden, zullen eene pijnlijke straf ondergaan.19.Zoowel in deze wereld als in de volgende. God weet, maar gij weet niets.20.Indien God niet lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld.21.O ware geloovigen! volgt de stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt, aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet alles.22.Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren dat God uvergaf12? En God is genadig en barmhartig.23.Zij die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan13.24.Eens zullen hunne eigen tongen getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens hetgeen zij hebben bedreven.25.Op dien dag zal God hun hunne juiste schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid is.26.De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid; zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen.27.O ware geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen, dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen.28.En indien gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt: Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn14, en God is bekend met hetgeen gij doet.29.Gij zult geene misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt15. Daar moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.30.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat zij doen.31.En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet ontdekken16, behalve wat daarvan noodzakelijkzichtbaar wordt17, en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen18en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten19of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen harer broeders, of de zonen harer zusters20of hunne vrouwen21of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten22, of hare mannelijke dienstboden, die geenevrouwen noodig hebben23of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden24. En weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig moogt zijn.32.Huwt de onverbondenen onder u25, en verbindt, die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken; want God is goed en wijs.33.En laat degenen, die door hunne armoede geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven26u zijne vrijheid bij geschrifte27vraagt, geef hem die dan, indien gij hem die waardig oordeelt28, en geef van Gods rijkdommen welke u zijn geschonken29. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden, indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang30.34.Thans hebben wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen31, en eene vermaning voor de godvruchtigen.35.God is het licht van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is32. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is een licht met een licht33. God zal door dit licht leiden wie hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God kent alle dingen.36.In de huizen waarvan God de oprichting heeft veroorloofd34, opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht, verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds.37.Die noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der menschen zullen worden verward;38.Opdat God hen zou mogen beloonen, overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht, en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen; want God beschenkt zonder maat wie hembehaagt.39.Maar wat de ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene vlakte35die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God met zich36, die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is snel in het opmaken derrekening;40.Of als de duisternis, verspreid over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen, waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis; de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden?41.Hebt gij niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet wat zij doen.42.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde, en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren.43.Ziet gij niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen, waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te benemen.44.God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft ieder dier van water geschapen37; het eene kruipt op den buik, terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig.45.Nu hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem behaagt op den rechten weg.46.De huichelaars zeggen: Wij gelooven in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een deel hunner af en zijn geene ware geloovigen.47.En als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen richten, dan verwijdertzich een deel hunner.48.Maar indien het recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem hebben onderworpen.49.Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen38.50.De woorden der ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen, om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen; en zij zijn het die voorspoed zullen genieten.51.Zij die God en zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten.52.Zij zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg: Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met hetgeen gij doet.53.Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant, maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen; men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden; maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking.54.God beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten, dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen39, en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen.55.Neemt het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat gij genade moogt verwerven.56.Denk niet dat de ongeloovige Gods voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn!57.O ware geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen40; namelijk vóór het ochtendgebed41, als gij des middagsuwe kleederen aflegt42en na het avondgebed43. Dit zijn drie tijdstippen voor u, waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen, noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.58.En als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen, op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs.59.Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen, zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen44; maar indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God hoort en ziet alles.60.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet45, of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijkeet46.61.En als gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig47, u in Gods naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan.62.Waarlijk, zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd48, zich niet verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk, zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen, voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor hen van God49; want God is barmhartig en genadig.63.Laat het noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder elkander noemdet50. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het volgende leven worde opgelegd.64.Behoort niet alles wat in den hemel en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt, en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.

1Deze titel is ontleend aanvers 35van dit hoofdstuk.2Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig deSonna, met steeniging moet worden gestraft (ZieHoofdstuk IV, vers 19en 28).3Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten.Mahometstond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: IndienFatima, de dochter vanMahometsteelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beidâwi).4Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat één toereikend is. (Al Beidâwi).5De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armereMâhojerinsof uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemeldeMâhojerinsbetreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.6Het Arabische woordmohsinatbeteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen.Aboe Hanifawas van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7ZieHoofdstuk IV, vers 9.8Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.9Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. ToenMahometin het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam vanMostalekondernam, nam hij zijne vrouwAïshamet zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver vanMedinawaren, trok het leger des nachts verder.Aïshasteeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde.Aïsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch,Safwan Ebnal Moatteidaar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekteAïshazich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan.Aïshanam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid vanAïshaen haar terugkeer metSafwanbekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd.Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al BokhariinSonna,Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookAbu’lf.Vit Moh. p. 82 etc.GagnierVie de Moh. lib.4 c 7, en ook blz.47van dit werk).10De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren:Abd’allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegenMahomettot het uiterste dreef),Zeid Ebn Refâa,Hassan Ebn Thabet,Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon vanAbd’almotallebenHamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat.Abd’allahwerd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu’lfeda.Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, datHassanenMestabblind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beidâwi).11Zijnde:Abd’allah Ebn Obbadie de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.12Deze plaats werd geopenbaard met het oog opAboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aanMestabzou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een armeMahâjerof uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochterAïshate belasteren. ToenMahomethem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aanMestabuit te betalen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).13Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde vanEbn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging vanAïshauitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beidâwi).14Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.15Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.16Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meerbijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.17Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.18En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. InEgyptehullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haarMahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.19Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.20Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beidâwi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieën bevindt (Jallalo’ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beidâwi).21Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).22Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.23Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya, enz.)24Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeetJesajahsterk gegispt (Jes.III; 16, 18).25Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.26Van beiderlei kunne.27Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.28Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.29Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beidâwi).30Het schijnt datAbd’allah Ebn Obbazes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwongdoor prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bijMahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).31Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging vanAïsha, hetwelk op dat vanJozefen vanMariagelijkt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk inSyrië, waar de beste olijven voorkomen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).33Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieën en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.34Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeën, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: vanMekka,MedinaenJeruzalem(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).35Het Arabische woordSerâbbeteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (VideQ. Curt.de rebus Alex. lib. VII, etGol. enin Alfrag. p. 111. I.et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).36Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.37Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met “water” het woord “zaad” wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.38Deze plaats werd geopenbaard omBashirden huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich totCaab Ebn al Ashrafbegaf, terwijl de JoodMahometsbeslissing inriep (ZieHoofdstuk IV, vers 63en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard omMogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij metAlihad, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beidâwi).39Zijnde: Zooals hij met de Israëlieten ten aanzien der Kanaänieten deed.40Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.41Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.42Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.43Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven.Al Beidâwivoegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.44Zie vers31van dit hoofdstuk.45Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd vanMahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.46Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen derAnsars, die als zij een gast hadden, niet anders dan inzijngezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)47Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstigAl Beidâwi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegtJallalo’ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.48Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.49Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beidâwi.).50Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.

1Deze titel is ontleend aanvers 35van dit hoofdstuk.

2Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig deSonna, met steeniging moet worden gestraft (ZieHoofdstuk IV, vers 19en 28).

3Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten.Mahometstond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: IndienFatima, de dochter vanMahometsteelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beidâwi).

4Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat één toereikend is. (Al Beidâwi).

5De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armereMâhojerinsof uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemeldeMâhojerinsbetreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.

6Het Arabische woordmohsinatbeteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen.Aboe Hanifawas van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

7ZieHoofdstuk IV, vers 9.

8Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.

9Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. ToenMahometin het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam vanMostalekondernam, nam hij zijne vrouwAïshamet zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver vanMedinawaren, trok het leger des nachts verder.Aïshasteeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde.Aïsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch,Safwan Ebnal Moatteidaar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekteAïshazich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan.Aïshanam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid vanAïshaen haar terugkeer metSafwanbekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd.Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al BokhariinSonna,Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookAbu’lf.Vit Moh. p. 82 etc.GagnierVie de Moh. lib.4 c 7, en ook blz.47van dit werk).

10De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren:Abd’allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegenMahomettot het uiterste dreef),Zeid Ebn Refâa,Hassan Ebn Thabet,Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon vanAbd’almotallebenHamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat.Abd’allahwerd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu’lfeda.Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, datHassanenMestabblind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beidâwi).

11Zijnde:Abd’allah Ebn Obbadie de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.

12Deze plaats werd geopenbaard met het oog opAboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aanMestabzou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een armeMahâjerof uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochterAïshate belasteren. ToenMahomethem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aanMestabuit te betalen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

13Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde vanEbn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging vanAïshauitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beidâwi).

14Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.

15Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.

16Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meerbijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.

17Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.

18En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. InEgyptehullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haarMahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.

19Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.

20Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beidâwi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieën bevindt (Jallalo’ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beidâwi).

21Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

22Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.

23Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya, enz.)

24Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeetJesajahsterk gegispt (Jes.III; 16, 18).

25Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.

26Van beiderlei kunne.

27Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.

28Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.

29Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beidâwi).

30Het schijnt datAbd’allah Ebn Obbazes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwongdoor prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bijMahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

31Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging vanAïsha, hetwelk op dat vanJozefen vanMariagelijkt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

32Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk inSyrië, waar de beste olijven voorkomen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

33Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieën en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.

34Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeën, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: vanMekka,MedinaenJeruzalem(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

35Het Arabische woordSerâbbeteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (VideQ. Curt.de rebus Alex. lib. VII, etGol. enin Alfrag. p. 111. I.et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).

36Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.

37Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met “water” het woord “zaad” wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.

38Deze plaats werd geopenbaard omBashirden huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich totCaab Ebn al Ashrafbegaf, terwijl de JoodMahometsbeslissing inriep (ZieHoofdstuk IV, vers 63en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard omMogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij metAlihad, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beidâwi).

39Zijnde: Zooals hij met de Israëlieten ten aanzien der Kanaänieten deed.

40Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.

41Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.

42Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.

43Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven.Al Beidâwivoegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.

44Zie vers31van dit hoofdstuk.

45Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd vanMahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.

46Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen derAnsars, die als zij een gast hadden, niet anders dan inzijngezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)

47Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstigAl Beidâwi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegtJallalo’ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.

48Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.

49Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beidâwi.).

50Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.


Back to IndexNext