Vijf en Veertigste Hoofdstuk.

Vijf en Veertigste Hoofdstuk.De Nederknieling.1Geopenbaard teMekka.—36 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God.2.Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen.3.En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen.4.In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen.5.Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen?6.Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon.7.Die de teekens vanGod hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf.8.En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt.9.Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.10.Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt.11.Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn.12.Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen.13.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God2, ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben.14.Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren.15.Wij gaven den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiën.16.Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen.17.Later wezen wij u, oMahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn3.18.Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen.19.Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen.20.Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun levenen hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht.21.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.22.Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten?23.Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening.24.En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt.25.Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet.26.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen.27.En gij zult ieder volk geknield zien4. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht.28.Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan.29.Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn.30.Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren!31.En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid.32.Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen.33.Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden.34.Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder opaarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen.35.Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen.36.En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.1Deze naam is ontleend aanvers 27.2Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zieHoofdstuk XIV, vers 5noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog opOmar, die, gesmaad door iemand van den stam vanGhifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beidâwi).3Dat is, van de voornaamste Koreïshieten, die er bijMahometop aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.4Het oorspronkelijke woordommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.Zes en Veertigste Hoofdstuk.Alahkaf1.Geopenbaard teMekka.—35 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen God.2.Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid2, en voor een bepaald tijdperk3maar de ongeloovigen wenden zich af van de waarschuwing, welke hun is gegeven.3.Zeg: wat denkt gij? Toont mij, welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid zijt.4.Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij worden aangeroepen.5.Die, als de menschen bij elkander verzameld zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne aanbidding ondankbaar loochenen zullen?6.Als hun onze duidelijke teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid4, als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk.7.Zullen zij zeggen:Mahometheeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord: indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal, welke gij daaromtrentuitspreekt. Hij is een toereikende getuige tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig.8.Zeg: ik ben niet alleen onder de gezanten5; ik weet niet wat met mij, of met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer).9.Zeg: Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis af van zijne overeenstemming met de wet6en gelooft daarin, terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet.10.Maar zij die niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd7. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is eene overoude leugen.11.Het boek vanMozeswerd vóór den Koran geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen; en dit is een boek, waardoor het boek, vanMozeswordt bevestigd, en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de rechtvaardigen te brengen.12.Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en zij zullen niet bedroefd worden.13.Deze zullen de bewoners van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor hetgeen zij gedaan zullen hebben.14.Wij hebben den mensch geboden, zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig jaren en zegt:8. O Heer! spoor mij aan door uwe ingevingopdat ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen, naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig; want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem.15.Dit zijn zij, van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht, en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in deze wereld is gedaan.16.Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en niemand van hen is teruggekeerd9. Zijne ouders zullen Gods bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof; want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn slechts dwaze fabelen der ouden.17.Dit zal een zijn dergenen, wier vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan10.18.Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden behandeld.19.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid en omdat gij gezondigd hebt.20.Gedenk den broeder vanAd11, toen hij inAlahkaftot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk, ik vrees voor u de straf van den grooten dag.21.Zij antwoordden: Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien gij een waarachtig mensch zijt.22.Hij zeide: Waarlijk, de kennis van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God, en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk.23.En toen zij de voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijkeene wolk die de lucht doortrok, en naar hunnevalleiendreef, zeiden zij: Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt.Hoedantwoordde: Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is.24.Deze zal, op het bevel van den Heer, alles verwoesten12. En des ochtends was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden wij de zondaren.25.Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat als u geplaatst, o bewoners vanMekka! en wij hebben hun ooren, oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen, noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden bespot, kwam op hen neder.26.Wij verwoestten vroeger de steden, die rondom u waren13; en wij stelden haar onze teekenen op verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben.27.Waarom ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen, zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden uitgedacht.28.Gedenk, toen wij zekere geniussen14zich tot u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander: Geef gehoor, en toen het geëindigd was, keerden zij tot hun volk terug, predikende wat zij gehoord hadden.29.Zij zeiden: Ons volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den tijd vanMozeswerd geopenbaard15, bevestigende de schrift die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den rechten weg.30.Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf moge bevrijden.31.En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling verkeeren.32.Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en door de scheppingdaarvan niet vermoeid werd, in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want hij is almachtig.33.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd: Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij ongeloovigen waart.34.Verdraag, o profeet! de beleedigingen van uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast.35.Op den dag, waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden, zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?1Alahkafofal Ahkafis het meervoudig vanHekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincieHadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).2ZieHoofdstuk XXI, vers 16;Hoofdstuk XXXVIII, vers 26enz.3En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.4Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.5Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beidâwi).6Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de JoodAbd’allah Ebn Salemte zijn geweest, die verklaarde, datMahometde profeet was wiens komst doorMozeswas voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuigeMozeszelf was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toenAbd’allahden Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de Koreïshieten, daar de eerste volgelingen vanMahometvoor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen vanAmer,GhatfanenAsad, bij de bekeering van die vanJoheinah Mozeinah,AslamenGhifar(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking totAboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending vanMahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder deMohajerinals deAnsars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoonAbd’alrahmanen zijn kleinzoonAboe Atikomhelsdeneveneens dat geloof (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).9Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking totAbd’alrahman, den zoon vanAboe Bekrte zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beidâwi).10Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooalsAbd’alrahmandeed.11Zijnde de profeetHoed.12Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer vanHoedgeloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (ZieHoofdstuk VII, vers 70).13Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden vanSodomenGomorrah, enz.14Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen vanNisibinof vanYemen, of wel vanNiniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoordenMahomet, gedurende zijn verblijf teal Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei vanNakhiahden Koran lezen en geloofden in hem (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.Zeven en Veertigste Hoofdstuk.Mahomet1.Geopenbaard teMedina2—40 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden.2.Maar wat hen betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de openbaring gelooven, welke aanMahometwerd nedergezonden (want het is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden zuiveren, en hun hart ten goede neigen.3.Dit zal hij doen, omdat zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven, de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan de menschen voor:4.Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht; of bindt hen, opdat zij niet ontkomen.5.Daarna zult gij hen in vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog zal geëindigd zijn3. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand,wraak op hen kunnen nemen, maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken niet doen verloren gaan.6.Hij zal hen leiden en hun hart ten goede neigen.7.En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft verhaald.8.O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan, en uwen voet vast zetten.9.Maar wat de ongeloovigen betreft, laat hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken.10.Dit zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten.11.Reizen zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen, die vóór hen waren? God verdelgde hengeheel, en dezelfde ramp wacht de ongeloovigen.12.Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner hebben.13.Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen, binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen4; maar laat de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen.14.Hoevele steden waren machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen?15.Zal hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt?16.Dit is de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk, welkersmaaknooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor hen, die er van drinken.17.En rivieren van gezuiverden honing, en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben en vergiffenis van hunnenHeer vinden. Zal de mensch voor wien deze dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?18.Onder de ongeloovigen zijn sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan, al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven5; Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen.19.Maar wat hen betreft, die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben6.20.Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn reeds gekomen7, en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen?21.Weet dus, dat er geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden8, en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats hiernamaals.22.De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is9, naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken, wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen.23.En als de zaak (de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij de verbintenis met God nakomen.24.Zoudt gij dus gereed zijn geweest, indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te bevrijden10en de banden des bloeds te schenden?25.Dit zijn zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij verblind heeft.26, Overwegenzij dus den Koran niet aandachtig? Zijn er sloten op hun hart?27.Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden, nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven, en God zal hen eenigen tijd verdragen.28.Dit zal hen overkomen, omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen11. Maar God kent hunne geheimen.29.Hoe zal het dus met hen gesteld zijn, als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten en ruggen zullen slaan12?30.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn13.31.Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist, dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen?32.Indien het ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe daden.33.En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen, welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw gedrag onderzoeken.34.Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan.35.O ware geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt de uitwerking uwer daden niet.36.Waarlijk, hun, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven.37.Bezwijkt dus niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer werken niet ontrooven.38.Waarlijk, dit leven is slechts een spel en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van u.39.Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen uw gezant opwekken.40.Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie vrekkig iszal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk, maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen14.1Sommigen noemen dit hoofdstuk “Oorlog”, omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.2Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk teMekkawerd geopenbaard.3Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog vanBedrbetrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheidnoodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zieHoofdstuk VIII, vers 69en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beidâwi, ZieReland.Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).4Sommige afschriften hebbenkoetilu, in plaats vankatilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.5Zijnde de geleerden vanMahometsvolgelingen, zooalsEbn MasoedenEbn Abbas (Jallalo’ddin).6Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.7Zooals de zending vanMahomet, het splijten van de maan, en de rook, inHoofdstuk XLIV, vers 9vermeld.8HoewelMahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo’ddin).9Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.10Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.11Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet metMahometten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beidâwi).12Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.13Dit waren de stammen vanKoreidhaenal Nadirof zij die het leger der Koreïshieten teBedrvan leeftocht voorzagen (Al Beidâwi). ZieHoofdstuk VIII, vers 36.14Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, datMahomethier deAnsarsof de engelen op het oog heeft.

Vijf en Veertigste Hoofdstuk.De Nederknieling.1Geopenbaard teMekka.—36 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God.2.Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen.3.En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen.4.In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen.5.Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen?6.Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon.7.Die de teekens vanGod hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf.8.En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt.9.Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.10.Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt.11.Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn.12.Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen.13.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God2, ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben.14.Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren.15.Wij gaven den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiën.16.Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen.17.Later wezen wij u, oMahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn3.18.Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen.19.Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen.20.Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun levenen hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht.21.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.22.Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten?23.Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening.24.En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt.25.Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet.26.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen.27.En gij zult ieder volk geknield zien4. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht.28.Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan.29.Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn.30.Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren!31.En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid.32.Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen.33.Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden.34.Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder opaarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen.35.Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen.36.En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.1Deze naam is ontleend aanvers 27.2Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zieHoofdstuk XIV, vers 5noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog opOmar, die, gesmaad door iemand van den stam vanGhifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beidâwi).3Dat is, van de voornaamste Koreïshieten, die er bijMahometop aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.4Het oorspronkelijke woordommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.Zes en Veertigste Hoofdstuk.Alahkaf1.Geopenbaard teMekka.—35 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen God.2.Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid2, en voor een bepaald tijdperk3maar de ongeloovigen wenden zich af van de waarschuwing, welke hun is gegeven.3.Zeg: wat denkt gij? Toont mij, welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid zijt.4.Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij worden aangeroepen.5.Die, als de menschen bij elkander verzameld zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne aanbidding ondankbaar loochenen zullen?6.Als hun onze duidelijke teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid4, als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk.7.Zullen zij zeggen:Mahometheeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord: indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal, welke gij daaromtrentuitspreekt. Hij is een toereikende getuige tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig.8.Zeg: ik ben niet alleen onder de gezanten5; ik weet niet wat met mij, of met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer).9.Zeg: Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis af van zijne overeenstemming met de wet6en gelooft daarin, terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet.10.Maar zij die niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd7. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is eene overoude leugen.11.Het boek vanMozeswerd vóór den Koran geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen; en dit is een boek, waardoor het boek, vanMozeswordt bevestigd, en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de rechtvaardigen te brengen.12.Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en zij zullen niet bedroefd worden.13.Deze zullen de bewoners van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor hetgeen zij gedaan zullen hebben.14.Wij hebben den mensch geboden, zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig jaren en zegt:8. O Heer! spoor mij aan door uwe ingevingopdat ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen, naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig; want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem.15.Dit zijn zij, van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht, en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in deze wereld is gedaan.16.Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en niemand van hen is teruggekeerd9. Zijne ouders zullen Gods bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof; want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn slechts dwaze fabelen der ouden.17.Dit zal een zijn dergenen, wier vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan10.18.Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden behandeld.19.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid en omdat gij gezondigd hebt.20.Gedenk den broeder vanAd11, toen hij inAlahkaftot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk, ik vrees voor u de straf van den grooten dag.21.Zij antwoordden: Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien gij een waarachtig mensch zijt.22.Hij zeide: Waarlijk, de kennis van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God, en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk.23.En toen zij de voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijkeene wolk die de lucht doortrok, en naar hunnevalleiendreef, zeiden zij: Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt.Hoedantwoordde: Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is.24.Deze zal, op het bevel van den Heer, alles verwoesten12. En des ochtends was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden wij de zondaren.25.Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat als u geplaatst, o bewoners vanMekka! en wij hebben hun ooren, oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen, noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden bespot, kwam op hen neder.26.Wij verwoestten vroeger de steden, die rondom u waren13; en wij stelden haar onze teekenen op verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben.27.Waarom ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen, zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden uitgedacht.28.Gedenk, toen wij zekere geniussen14zich tot u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander: Geef gehoor, en toen het geëindigd was, keerden zij tot hun volk terug, predikende wat zij gehoord hadden.29.Zij zeiden: Ons volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den tijd vanMozeswerd geopenbaard15, bevestigende de schrift die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den rechten weg.30.Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf moge bevrijden.31.En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling verkeeren.32.Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en door de scheppingdaarvan niet vermoeid werd, in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want hij is almachtig.33.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd: Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij ongeloovigen waart.34.Verdraag, o profeet! de beleedigingen van uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast.35.Op den dag, waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden, zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?1Alahkafofal Ahkafis het meervoudig vanHekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincieHadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).2ZieHoofdstuk XXI, vers 16;Hoofdstuk XXXVIII, vers 26enz.3En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.4Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.5Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beidâwi).6Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de JoodAbd’allah Ebn Salemte zijn geweest, die verklaarde, datMahometde profeet was wiens komst doorMozeswas voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuigeMozeszelf was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toenAbd’allahden Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de Koreïshieten, daar de eerste volgelingen vanMahometvoor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen vanAmer,GhatfanenAsad, bij de bekeering van die vanJoheinah Mozeinah,AslamenGhifar(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking totAboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending vanMahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder deMohajerinals deAnsars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoonAbd’alrahmanen zijn kleinzoonAboe Atikomhelsdeneveneens dat geloof (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).9Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking totAbd’alrahman, den zoon vanAboe Bekrte zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beidâwi).10Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooalsAbd’alrahmandeed.11Zijnde de profeetHoed.12Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer vanHoedgeloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (ZieHoofdstuk VII, vers 70).13Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden vanSodomenGomorrah, enz.14Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen vanNisibinof vanYemen, of wel vanNiniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoordenMahomet, gedurende zijn verblijf teal Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei vanNakhiahden Koran lezen en geloofden in hem (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.Zeven en Veertigste Hoofdstuk.Mahomet1.Geopenbaard teMedina2—40 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden.2.Maar wat hen betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de openbaring gelooven, welke aanMahometwerd nedergezonden (want het is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden zuiveren, en hun hart ten goede neigen.3.Dit zal hij doen, omdat zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven, de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan de menschen voor:4.Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht; of bindt hen, opdat zij niet ontkomen.5.Daarna zult gij hen in vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog zal geëindigd zijn3. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand,wraak op hen kunnen nemen, maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken niet doen verloren gaan.6.Hij zal hen leiden en hun hart ten goede neigen.7.En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft verhaald.8.O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan, en uwen voet vast zetten.9.Maar wat de ongeloovigen betreft, laat hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken.10.Dit zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten.11.Reizen zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen, die vóór hen waren? God verdelgde hengeheel, en dezelfde ramp wacht de ongeloovigen.12.Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner hebben.13.Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen, binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen4; maar laat de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen.14.Hoevele steden waren machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen?15.Zal hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt?16.Dit is de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk, welkersmaaknooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor hen, die er van drinken.17.En rivieren van gezuiverden honing, en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben en vergiffenis van hunnenHeer vinden. Zal de mensch voor wien deze dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?18.Onder de ongeloovigen zijn sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan, al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven5; Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen.19.Maar wat hen betreft, die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben6.20.Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn reeds gekomen7, en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen?21.Weet dus, dat er geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden8, en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats hiernamaals.22.De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is9, naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken, wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen.23.En als de zaak (de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij de verbintenis met God nakomen.24.Zoudt gij dus gereed zijn geweest, indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te bevrijden10en de banden des bloeds te schenden?25.Dit zijn zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij verblind heeft.26, Overwegenzij dus den Koran niet aandachtig? Zijn er sloten op hun hart?27.Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden, nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven, en God zal hen eenigen tijd verdragen.28.Dit zal hen overkomen, omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen11. Maar God kent hunne geheimen.29.Hoe zal het dus met hen gesteld zijn, als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten en ruggen zullen slaan12?30.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn13.31.Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist, dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen?32.Indien het ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe daden.33.En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen, welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw gedrag onderzoeken.34.Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan.35.O ware geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt de uitwerking uwer daden niet.36.Waarlijk, hun, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven.37.Bezwijkt dus niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer werken niet ontrooven.38.Waarlijk, dit leven is slechts een spel en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van u.39.Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen uw gezant opwekken.40.Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie vrekkig iszal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk, maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen14.1Sommigen noemen dit hoofdstuk “Oorlog”, omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.2Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk teMekkawerd geopenbaard.3Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog vanBedrbetrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheidnoodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zieHoofdstuk VIII, vers 69en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beidâwi, ZieReland.Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).4Sommige afschriften hebbenkoetilu, in plaats vankatilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.5Zijnde de geleerden vanMahometsvolgelingen, zooalsEbn MasoedenEbn Abbas (Jallalo’ddin).6Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.7Zooals de zending vanMahomet, het splijten van de maan, en de rook, inHoofdstuk XLIV, vers 9vermeld.8HoewelMahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo’ddin).9Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.10Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.11Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet metMahometten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beidâwi).12Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.13Dit waren de stammen vanKoreidhaenal Nadirof zij die het leger der Koreïshieten teBedrvan leeftocht voorzagen (Al Beidâwi). ZieHoofdstuk VIII, vers 36.14Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, datMahomethier deAnsarsof de engelen op het oog heeft.

Vijf en Veertigste Hoofdstuk.De Nederknieling.1Geopenbaard teMekka.—36 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God.2.Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen.3.En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen.4.In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen.5.Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen?6.Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon.7.Die de teekens vanGod hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf.8.En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt.9.Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.10.Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt.11.Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn.12.Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen.13.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God2, ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben.14.Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren.15.Wij gaven den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiën.16.Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen.17.Later wezen wij u, oMahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn3.18.Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen.19.Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen.20.Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun levenen hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht.21.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.22.Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten?23.Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening.24.En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt.25.Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet.26.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen.27.En gij zult ieder volk geknield zien4. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht.28.Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan.29.Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn.30.Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren!31.En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid.32.Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen.33.Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden.34.Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder opaarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen.35.Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen.36.En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.1Deze naam is ontleend aanvers 27.2Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zieHoofdstuk XIV, vers 5noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog opOmar, die, gesmaad door iemand van den stam vanGhifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beidâwi).3Dat is, van de voornaamste Koreïshieten, die er bijMahometop aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.4Het oorspronkelijke woordommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.

Vijf en Veertigste Hoofdstuk.De Nederknieling.1Geopenbaard teMekka.—36 verzen.

Geopenbaard teMekka.—36 verzen.

Geopenbaard teMekka.—36 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God.2.Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen.3.En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen.4.In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen.5.Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen?6.Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon.7.Die de teekens vanGod hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf.8.En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt.9.Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.10.Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt.11.Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn.12.Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen.13.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God2, ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben.14.Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren.15.Wij gaven den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiën.16.Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen.17.Later wezen wij u, oMahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn3.18.Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen.19.Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen.20.Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun levenen hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht.21.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.22.Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten?23.Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening.24.En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt.25.Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet.26.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen.27.En gij zult ieder volk geknield zien4. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht.28.Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan.29.Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn.30.Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren!31.En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid.32.Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen.33.Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden.34.Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder opaarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen.35.Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen.36.En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God.2.Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen.3.En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen.4.In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen.5.Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen?6.Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon.7.Die de teekens vanGod hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf.8.En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt.9.Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.10.Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt.11.Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn.12.Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen.13.Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God2, ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben.14.Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren.15.Wij gaven den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiën.16.Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen.17.Later wezen wij u, oMahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn3.18.Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen.19.Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen.20.Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun levenen hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht.21.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.22.Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten?23.Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening.24.En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt.25.Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet.26.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen.27.En gij zult ieder volk geknield zien4. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht.28.Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan.29.Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn.30.Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren!31.En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid.32.Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen.33.Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden.34.Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder opaarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen.35.Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen.36.En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.

1Deze naam is ontleend aanvers 27.2Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zieHoofdstuk XIV, vers 5noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog opOmar, die, gesmaad door iemand van den stam vanGhifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beidâwi).3Dat is, van de voornaamste Koreïshieten, die er bijMahometop aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.4Het oorspronkelijke woordommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.

1Deze naam is ontleend aanvers 27.

2Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zieHoofdstuk XIV, vers 5noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog opOmar, die, gesmaad door iemand van den stam vanGhifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beidâwi).

3Dat is, van de voornaamste Koreïshieten, die er bijMahometop aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.

4Het oorspronkelijke woordommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.

Zes en Veertigste Hoofdstuk.Alahkaf1.Geopenbaard teMekka.—35 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen God.2.Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid2, en voor een bepaald tijdperk3maar de ongeloovigen wenden zich af van de waarschuwing, welke hun is gegeven.3.Zeg: wat denkt gij? Toont mij, welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid zijt.4.Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij worden aangeroepen.5.Die, als de menschen bij elkander verzameld zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne aanbidding ondankbaar loochenen zullen?6.Als hun onze duidelijke teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid4, als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk.7.Zullen zij zeggen:Mahometheeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord: indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal, welke gij daaromtrentuitspreekt. Hij is een toereikende getuige tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig.8.Zeg: ik ben niet alleen onder de gezanten5; ik weet niet wat met mij, of met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer).9.Zeg: Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis af van zijne overeenstemming met de wet6en gelooft daarin, terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet.10.Maar zij die niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd7. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is eene overoude leugen.11.Het boek vanMozeswerd vóór den Koran geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen; en dit is een boek, waardoor het boek, vanMozeswordt bevestigd, en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de rechtvaardigen te brengen.12.Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en zij zullen niet bedroefd worden.13.Deze zullen de bewoners van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor hetgeen zij gedaan zullen hebben.14.Wij hebben den mensch geboden, zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig jaren en zegt:8. O Heer! spoor mij aan door uwe ingevingopdat ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen, naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig; want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem.15.Dit zijn zij, van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht, en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in deze wereld is gedaan.16.Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en niemand van hen is teruggekeerd9. Zijne ouders zullen Gods bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof; want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn slechts dwaze fabelen der ouden.17.Dit zal een zijn dergenen, wier vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan10.18.Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden behandeld.19.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid en omdat gij gezondigd hebt.20.Gedenk den broeder vanAd11, toen hij inAlahkaftot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk, ik vrees voor u de straf van den grooten dag.21.Zij antwoordden: Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien gij een waarachtig mensch zijt.22.Hij zeide: Waarlijk, de kennis van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God, en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk.23.En toen zij de voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijkeene wolk die de lucht doortrok, en naar hunnevalleiendreef, zeiden zij: Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt.Hoedantwoordde: Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is.24.Deze zal, op het bevel van den Heer, alles verwoesten12. En des ochtends was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden wij de zondaren.25.Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat als u geplaatst, o bewoners vanMekka! en wij hebben hun ooren, oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen, noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden bespot, kwam op hen neder.26.Wij verwoestten vroeger de steden, die rondom u waren13; en wij stelden haar onze teekenen op verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben.27.Waarom ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen, zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden uitgedacht.28.Gedenk, toen wij zekere geniussen14zich tot u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander: Geef gehoor, en toen het geëindigd was, keerden zij tot hun volk terug, predikende wat zij gehoord hadden.29.Zij zeiden: Ons volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den tijd vanMozeswerd geopenbaard15, bevestigende de schrift die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den rechten weg.30.Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf moge bevrijden.31.En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling verkeeren.32.Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en door de scheppingdaarvan niet vermoeid werd, in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want hij is almachtig.33.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd: Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij ongeloovigen waart.34.Verdraag, o profeet! de beleedigingen van uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast.35.Op den dag, waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden, zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?1Alahkafofal Ahkafis het meervoudig vanHekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincieHadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).2ZieHoofdstuk XXI, vers 16;Hoofdstuk XXXVIII, vers 26enz.3En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.4Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.5Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beidâwi).6Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de JoodAbd’allah Ebn Salemte zijn geweest, die verklaarde, datMahometde profeet was wiens komst doorMozeswas voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuigeMozeszelf was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toenAbd’allahden Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de Koreïshieten, daar de eerste volgelingen vanMahometvoor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen vanAmer,GhatfanenAsad, bij de bekeering van die vanJoheinah Mozeinah,AslamenGhifar(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking totAboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending vanMahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder deMohajerinals deAnsars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoonAbd’alrahmanen zijn kleinzoonAboe Atikomhelsdeneveneens dat geloof (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).9Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking totAbd’alrahman, den zoon vanAboe Bekrte zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beidâwi).10Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooalsAbd’alrahmandeed.11Zijnde de profeetHoed.12Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer vanHoedgeloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (ZieHoofdstuk VII, vers 70).13Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden vanSodomenGomorrah, enz.14Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen vanNisibinof vanYemen, of wel vanNiniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoordenMahomet, gedurende zijn verblijf teal Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei vanNakhiahden Koran lezen en geloofden in hem (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.

Zes en Veertigste Hoofdstuk.Alahkaf1.Geopenbaard teMekka.—35 verzen.

Geopenbaard teMekka.—35 verzen.

Geopenbaard teMekka.—35 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen God.2.Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid2, en voor een bepaald tijdperk3maar de ongeloovigen wenden zich af van de waarschuwing, welke hun is gegeven.3.Zeg: wat denkt gij? Toont mij, welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid zijt.4.Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij worden aangeroepen.5.Die, als de menschen bij elkander verzameld zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne aanbidding ondankbaar loochenen zullen?6.Als hun onze duidelijke teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid4, als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk.7.Zullen zij zeggen:Mahometheeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord: indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal, welke gij daaromtrentuitspreekt. Hij is een toereikende getuige tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig.8.Zeg: ik ben niet alleen onder de gezanten5; ik weet niet wat met mij, of met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer).9.Zeg: Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis af van zijne overeenstemming met de wet6en gelooft daarin, terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet.10.Maar zij die niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd7. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is eene overoude leugen.11.Het boek vanMozeswerd vóór den Koran geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen; en dit is een boek, waardoor het boek, vanMozeswordt bevestigd, en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de rechtvaardigen te brengen.12.Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en zij zullen niet bedroefd worden.13.Deze zullen de bewoners van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor hetgeen zij gedaan zullen hebben.14.Wij hebben den mensch geboden, zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig jaren en zegt:8. O Heer! spoor mij aan door uwe ingevingopdat ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen, naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig; want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem.15.Dit zijn zij, van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht, en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in deze wereld is gedaan.16.Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en niemand van hen is teruggekeerd9. Zijne ouders zullen Gods bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof; want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn slechts dwaze fabelen der ouden.17.Dit zal een zijn dergenen, wier vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan10.18.Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden behandeld.19.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid en omdat gij gezondigd hebt.20.Gedenk den broeder vanAd11, toen hij inAlahkaftot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk, ik vrees voor u de straf van den grooten dag.21.Zij antwoordden: Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien gij een waarachtig mensch zijt.22.Hij zeide: Waarlijk, de kennis van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God, en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk.23.En toen zij de voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijkeene wolk die de lucht doortrok, en naar hunnevalleiendreef, zeiden zij: Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt.Hoedantwoordde: Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is.24.Deze zal, op het bevel van den Heer, alles verwoesten12. En des ochtends was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden wij de zondaren.25.Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat als u geplaatst, o bewoners vanMekka! en wij hebben hun ooren, oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen, noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden bespot, kwam op hen neder.26.Wij verwoestten vroeger de steden, die rondom u waren13; en wij stelden haar onze teekenen op verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben.27.Waarom ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen, zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden uitgedacht.28.Gedenk, toen wij zekere geniussen14zich tot u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander: Geef gehoor, en toen het geëindigd was, keerden zij tot hun volk terug, predikende wat zij gehoord hadden.29.Zij zeiden: Ons volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den tijd vanMozeswerd geopenbaard15, bevestigende de schrift die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den rechten weg.30.Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf moge bevrijden.31.En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling verkeeren.32.Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en door de scheppingdaarvan niet vermoeid werd, in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want hij is almachtig.33.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd: Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij ongeloovigen waart.34.Verdraag, o profeet! de beleedigingen van uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast.35.Op den dag, waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden, zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen God.2.Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid2, en voor een bepaald tijdperk3maar de ongeloovigen wenden zich af van de waarschuwing, welke hun is gegeven.3.Zeg: wat denkt gij? Toont mij, welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid zijt.4.Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij worden aangeroepen.5.Die, als de menschen bij elkander verzameld zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne aanbidding ondankbaar loochenen zullen?6.Als hun onze duidelijke teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid4, als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk.7.Zullen zij zeggen:Mahometheeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord: indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal, welke gij daaromtrentuitspreekt. Hij is een toereikende getuige tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig.8.Zeg: ik ben niet alleen onder de gezanten5; ik weet niet wat met mij, of met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer).9.Zeg: Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis af van zijne overeenstemming met de wet6en gelooft daarin, terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet.10.Maar zij die niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd7. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is eene overoude leugen.11.Het boek vanMozeswerd vóór den Koran geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen; en dit is een boek, waardoor het boek, vanMozeswordt bevestigd, en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de rechtvaardigen te brengen.12.Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en zij zullen niet bedroefd worden.13.Deze zullen de bewoners van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor hetgeen zij gedaan zullen hebben.14.Wij hebben den mensch geboden, zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig jaren en zegt:8. O Heer! spoor mij aan door uwe ingevingopdat ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen, naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig; want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem.15.Dit zijn zij, van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht, en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in deze wereld is gedaan.16.Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en niemand van hen is teruggekeerd9. Zijne ouders zullen Gods bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof; want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn slechts dwaze fabelen der ouden.17.Dit zal een zijn dergenen, wier vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan10.18.Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden behandeld.19.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid en omdat gij gezondigd hebt.20.Gedenk den broeder vanAd11, toen hij inAlahkaftot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk, ik vrees voor u de straf van den grooten dag.21.Zij antwoordden: Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien gij een waarachtig mensch zijt.22.Hij zeide: Waarlijk, de kennis van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God, en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk.23.En toen zij de voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijkeene wolk die de lucht doortrok, en naar hunnevalleiendreef, zeiden zij: Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt.Hoedantwoordde: Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is.24.Deze zal, op het bevel van den Heer, alles verwoesten12. En des ochtends was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden wij de zondaren.25.Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat als u geplaatst, o bewoners vanMekka! en wij hebben hun ooren, oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen, noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden bespot, kwam op hen neder.26.Wij verwoestten vroeger de steden, die rondom u waren13; en wij stelden haar onze teekenen op verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben.27.Waarom ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen, zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden uitgedacht.28.Gedenk, toen wij zekere geniussen14zich tot u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander: Geef gehoor, en toen het geëindigd was, keerden zij tot hun volk terug, predikende wat zij gehoord hadden.29.Zij zeiden: Ons volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den tijd vanMozeswerd geopenbaard15, bevestigende de schrift die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den rechten weg.30.Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf moge bevrijden.31.En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling verkeeren.32.Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en door de scheppingdaarvan niet vermoeid werd, in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want hij is almachtig.33.Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd: Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij ongeloovigen waart.34.Verdraag, o profeet! de beleedigingen van uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast.35.Op den dag, waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden, zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?

1Alahkafofal Ahkafis het meervoudig vanHekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincieHadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).2ZieHoofdstuk XXI, vers 16;Hoofdstuk XXXVIII, vers 26enz.3En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.4Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.5Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beidâwi).6Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de JoodAbd’allah Ebn Salemte zijn geweest, die verklaarde, datMahometde profeet was wiens komst doorMozeswas voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuigeMozeszelf was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).7Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toenAbd’allahden Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de Koreïshieten, daar de eerste volgelingen vanMahometvoor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen vanAmer,GhatfanenAsad, bij de bekeering van die vanJoheinah Mozeinah,AslamenGhifar(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking totAboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending vanMahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder deMohajerinals deAnsars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoonAbd’alrahmanen zijn kleinzoonAboe Atikomhelsdeneveneens dat geloof (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).9Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking totAbd’alrahman, den zoon vanAboe Bekrte zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beidâwi).10Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooalsAbd’alrahmandeed.11Zijnde de profeetHoed.12Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer vanHoedgeloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (ZieHoofdstuk VII, vers 70).13Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden vanSodomenGomorrah, enz.14Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen vanNisibinof vanYemen, of wel vanNiniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoordenMahomet, gedurende zijn verblijf teal Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei vanNakhiahden Koran lezen en geloofden in hem (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.

1Alahkafofal Ahkafis het meervoudig vanHekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincieHadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).

2ZieHoofdstuk XXI, vers 16;Hoofdstuk XXXVIII, vers 26enz.

3En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.

4Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.

5Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beidâwi).

6Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de JoodAbd’allah Ebn Salemte zijn geweest, die verklaarde, datMahometde profeet was wiens komst doorMozeswas voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuigeMozeszelf was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

7Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toenAbd’allahden Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de Koreïshieten, daar de eerste volgelingen vanMahometvoor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen vanAmer,GhatfanenAsad, bij de bekeering van die vanJoheinah Mozeinah,AslamenGhifar(Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

8Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking totAboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending vanMahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder deMohajerinals deAnsars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoonAbd’alrahmanen zijn kleinzoonAboe Atikomhelsdeneveneens dat geloof (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).

9Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking totAbd’alrahman, den zoon vanAboe Bekrte zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beidâwi).

10Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooalsAbd’alrahmandeed.

11Zijnde de profeetHoed.

12Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer vanHoedgeloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (ZieHoofdstuk VII, vers 70).

13Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden vanSodomenGomorrah, enz.

14Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen vanNisibinof vanYemen, of wel vanNiniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoordenMahomet, gedurende zijn verblijf teal Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei vanNakhiahden Koran lezen en geloofden in hem (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

15Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.

Zeven en Veertigste Hoofdstuk.Mahomet1.Geopenbaard teMedina2—40 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden.2.Maar wat hen betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de openbaring gelooven, welke aanMahometwerd nedergezonden (want het is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden zuiveren, en hun hart ten goede neigen.3.Dit zal hij doen, omdat zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven, de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan de menschen voor:4.Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht; of bindt hen, opdat zij niet ontkomen.5.Daarna zult gij hen in vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog zal geëindigd zijn3. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand,wraak op hen kunnen nemen, maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken niet doen verloren gaan.6.Hij zal hen leiden en hun hart ten goede neigen.7.En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft verhaald.8.O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan, en uwen voet vast zetten.9.Maar wat de ongeloovigen betreft, laat hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken.10.Dit zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten.11.Reizen zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen, die vóór hen waren? God verdelgde hengeheel, en dezelfde ramp wacht de ongeloovigen.12.Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner hebben.13.Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen, binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen4; maar laat de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen.14.Hoevele steden waren machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen?15.Zal hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt?16.Dit is de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk, welkersmaaknooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor hen, die er van drinken.17.En rivieren van gezuiverden honing, en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben en vergiffenis van hunnenHeer vinden. Zal de mensch voor wien deze dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?18.Onder de ongeloovigen zijn sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan, al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven5; Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen.19.Maar wat hen betreft, die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben6.20.Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn reeds gekomen7, en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen?21.Weet dus, dat er geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden8, en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats hiernamaals.22.De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is9, naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken, wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen.23.En als de zaak (de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij de verbintenis met God nakomen.24.Zoudt gij dus gereed zijn geweest, indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te bevrijden10en de banden des bloeds te schenden?25.Dit zijn zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij verblind heeft.26, Overwegenzij dus den Koran niet aandachtig? Zijn er sloten op hun hart?27.Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden, nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven, en God zal hen eenigen tijd verdragen.28.Dit zal hen overkomen, omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen11. Maar God kent hunne geheimen.29.Hoe zal het dus met hen gesteld zijn, als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten en ruggen zullen slaan12?30.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn13.31.Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist, dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen?32.Indien het ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe daden.33.En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen, welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw gedrag onderzoeken.34.Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan.35.O ware geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt de uitwerking uwer daden niet.36.Waarlijk, hun, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven.37.Bezwijkt dus niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer werken niet ontrooven.38.Waarlijk, dit leven is slechts een spel en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van u.39.Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen uw gezant opwekken.40.Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie vrekkig iszal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk, maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen14.1Sommigen noemen dit hoofdstuk “Oorlog”, omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.2Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk teMekkawerd geopenbaard.3Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog vanBedrbetrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheidnoodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zieHoofdstuk VIII, vers 69en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beidâwi, ZieReland.Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).4Sommige afschriften hebbenkoetilu, in plaats vankatilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.5Zijnde de geleerden vanMahometsvolgelingen, zooalsEbn MasoedenEbn Abbas (Jallalo’ddin).6Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.7Zooals de zending vanMahomet, het splijten van de maan, en de rook, inHoofdstuk XLIV, vers 9vermeld.8HoewelMahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo’ddin).9Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.10Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.11Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet metMahometten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beidâwi).12Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.13Dit waren de stammen vanKoreidhaenal Nadirof zij die het leger der Koreïshieten teBedrvan leeftocht voorzagen (Al Beidâwi). ZieHoofdstuk VIII, vers 36.14Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, datMahomethier deAnsarsof de engelen op het oog heeft.

Zeven en Veertigste Hoofdstuk.Mahomet1.Geopenbaard teMedina2—40 verzen.

Geopenbaard teMedina2—40 verzen.

Geopenbaard teMedina2—40 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden.2.Maar wat hen betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de openbaring gelooven, welke aanMahometwerd nedergezonden (want het is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden zuiveren, en hun hart ten goede neigen.3.Dit zal hij doen, omdat zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven, de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan de menschen voor:4.Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht; of bindt hen, opdat zij niet ontkomen.5.Daarna zult gij hen in vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog zal geëindigd zijn3. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand,wraak op hen kunnen nemen, maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken niet doen verloren gaan.6.Hij zal hen leiden en hun hart ten goede neigen.7.En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft verhaald.8.O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan, en uwen voet vast zetten.9.Maar wat de ongeloovigen betreft, laat hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken.10.Dit zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten.11.Reizen zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen, die vóór hen waren? God verdelgde hengeheel, en dezelfde ramp wacht de ongeloovigen.12.Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner hebben.13.Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen, binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen4; maar laat de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen.14.Hoevele steden waren machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen?15.Zal hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt?16.Dit is de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk, welkersmaaknooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor hen, die er van drinken.17.En rivieren van gezuiverden honing, en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben en vergiffenis van hunnenHeer vinden. Zal de mensch voor wien deze dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?18.Onder de ongeloovigen zijn sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan, al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven5; Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen.19.Maar wat hen betreft, die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben6.20.Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn reeds gekomen7, en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen?21.Weet dus, dat er geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden8, en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats hiernamaals.22.De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is9, naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken, wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen.23.En als de zaak (de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij de verbintenis met God nakomen.24.Zoudt gij dus gereed zijn geweest, indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te bevrijden10en de banden des bloeds te schenden?25.Dit zijn zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij verblind heeft.26, Overwegenzij dus den Koran niet aandachtig? Zijn er sloten op hun hart?27.Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden, nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven, en God zal hen eenigen tijd verdragen.28.Dit zal hen overkomen, omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen11. Maar God kent hunne geheimen.29.Hoe zal het dus met hen gesteld zijn, als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten en ruggen zullen slaan12?30.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn13.31.Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist, dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen?32.Indien het ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe daden.33.En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen, welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw gedrag onderzoeken.34.Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan.35.O ware geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt de uitwerking uwer daden niet.36.Waarlijk, hun, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven.37.Bezwijkt dus niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer werken niet ontrooven.38.Waarlijk, dit leven is slechts een spel en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van u.39.Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen uw gezant opwekken.40.Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie vrekkig iszal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk, maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen14.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden.2.Maar wat hen betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de openbaring gelooven, welke aanMahometwerd nedergezonden (want het is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden zuiveren, en hun hart ten goede neigen.3.Dit zal hij doen, omdat zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven, de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan de menschen voor:4.Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht; of bindt hen, opdat zij niet ontkomen.5.Daarna zult gij hen in vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog zal geëindigd zijn3. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand,wraak op hen kunnen nemen, maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken niet doen verloren gaan.6.Hij zal hen leiden en hun hart ten goede neigen.7.En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft verhaald.8.O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan, en uwen voet vast zetten.9.Maar wat de ongeloovigen betreft, laat hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken.10.Dit zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten.11.Reizen zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen, die vóór hen waren? God verdelgde hengeheel, en dezelfde ramp wacht de ongeloovigen.12.Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner hebben.13.Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen, binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen4; maar laat de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen.14.Hoevele steden waren machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen?15.Zal hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt?16.Dit is de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk, welkersmaaknooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor hen, die er van drinken.17.En rivieren van gezuiverden honing, en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben en vergiffenis van hunnenHeer vinden. Zal de mensch voor wien deze dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?18.Onder de ongeloovigen zijn sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan, al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven5; Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen.19.Maar wat hen betreft, die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben6.20.Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn reeds gekomen7, en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen?21.Weet dus, dat er geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden8, en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats hiernamaals.22.De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is9, naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken, wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen.23.En als de zaak (de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij de verbintenis met God nakomen.24.Zoudt gij dus gereed zijn geweest, indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te bevrijden10en de banden des bloeds te schenden?25.Dit zijn zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij verblind heeft.26, Overwegenzij dus den Koran niet aandachtig? Zijn er sloten op hun hart?27.Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden, nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven, en God zal hen eenigen tijd verdragen.28.Dit zal hen overkomen, omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen11. Maar God kent hunne geheimen.29.Hoe zal het dus met hen gesteld zijn, als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten en ruggen zullen slaan12?30.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn13.31.Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist, dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen?32.Indien het ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe daden.33.En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen, welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw gedrag onderzoeken.34.Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan.35.O ware geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt de uitwerking uwer daden niet.36.Waarlijk, hun, die niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven.37.Bezwijkt dus niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer werken niet ontrooven.38.Waarlijk, dit leven is slechts een spel en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van u.39.Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen uw gezant opwekken.40.Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie vrekkig iszal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk, maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen14.

1Sommigen noemen dit hoofdstuk “Oorlog”, omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.2Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk teMekkawerd geopenbaard.3Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog vanBedrbetrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheidnoodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zieHoofdstuk VIII, vers 69en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beidâwi, ZieReland.Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).4Sommige afschriften hebbenkoetilu, in plaats vankatilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.5Zijnde de geleerden vanMahometsvolgelingen, zooalsEbn MasoedenEbn Abbas (Jallalo’ddin).6Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.7Zooals de zending vanMahomet, het splijten van de maan, en de rook, inHoofdstuk XLIV, vers 9vermeld.8HoewelMahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo’ddin).9Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.10Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.11Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet metMahometten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beidâwi).12Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.13Dit waren de stammen vanKoreidhaenal Nadirof zij die het leger der Koreïshieten teBedrvan leeftocht voorzagen (Al Beidâwi). ZieHoofdstuk VIII, vers 36.14Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, datMahomethier deAnsarsof de engelen op het oog heeft.

1Sommigen noemen dit hoofdstuk “Oorlog”, omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.

2Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk teMekkawerd geopenbaard.

3Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog vanBedrbetrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheidnoodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zieHoofdstuk VIII, vers 69en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beidâwi, ZieReland.Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).

4Sommige afschriften hebbenkoetilu, in plaats vankatilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.

5Zijnde de geleerden vanMahometsvolgelingen, zooalsEbn MasoedenEbn Abbas (Jallalo’ddin).

6Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.

7Zooals de zending vanMahomet, het splijten van de maan, en de rook, inHoofdstuk XLIV, vers 9vermeld.

8HoewelMahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo’ddin).

9Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.

10Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.

11Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet metMahometten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beidâwi).

12Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.

13Dit waren de stammen vanKoreidhaenal Nadirof zij die het leger der Koreïshieten teBedrvan leeftocht voorzagen (Al Beidâwi). ZieHoofdstuk VIII, vers 36.

14Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, datMahomethier deAnsarsof de engelen op het oog heeft.


Back to IndexNext