Vijf en Zestigste Hoofdstuk.De Echtscheiding.Geopenbaard teMedina—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haardan op den bepaalden tijd weg1, en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen.2.En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten daggelooften God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht.3.En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld.4.Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn2. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken.5.Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen.6.Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar nietongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon3, en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen.7.Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen.8.Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding.9.Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang.10.God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd.11.O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt.12.Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder4, opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.1Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zieHoofdstuk II, vers 228).Al Beidâwiveronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegenEbn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. VolgensSavaryheeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.2ZieHoofdstuk II, vers 232.3Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zieHoofdstuk II, vers 233).4En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.Zes en Zestigste Hoofdstuk.Het Verbod.Geopenbaard teMedina.—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund,daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen1. God is vergevensgezind en barmhartig2.God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs.3.Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde2, en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt.4.Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, enGabriëlen de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers3.5.Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden.6.O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waaroveronvermurwbareen vreeselijke engelen4zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden.7.O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebtgedaan5.8.O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden6, en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig.9.O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning.10.God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw vanNoachen de vrouw vanLotvoor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden7. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God8, en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan.11.God stelde ook de vrouw vanPharaoals een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij vanPharaoen zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen.12.EnMaria, de dochter vanImram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen9, en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was10.1Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, hadMahometonderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aanHafsatoekwam, metMariade Coptedoor, die hem doorMokawkas, gouverneur vanEgypte, was gezonden. Dit gedrag belgdeHafsazeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al metMariate breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel,Mahometvan zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten.Salewaarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr.Prideaux.2Hafsaverhaalde de gebeurtenis aanAïsha, eene andere vrouw vanMahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond.MahometverweetHafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aanAïshaverhaald te hebben.Hafsawas verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waaropMahometantwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag vanAïshaomtrent hem gemerkt.3Deze plaats is tegenHafsaenAïshagericht.4ZieHoofdstuk LXXIV, vers 30.5Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.6ZieHoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.7Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw vanNoachtrachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw vanLotspande samen met de mannen vanSodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bijLotden nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo’ddin, al Zamakhshari).8Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd vanMahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.9ZieHoofdstuk XIX, vers 17, enz.10Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten:Asia, de vrouw vanPharao, Maria, de dochter vanImram, Khaddah, de dochter vanKhowaileid(de eerste vrouw van den profeet) enFatima, de dochter vanMahomet.Zeven en Zestigste Hoofdstuk.Het Koninkrijk1.Geopenbaard teMekka.—30 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig;2.Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind.3.Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt?4.Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren.5.Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden2, voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt.6.En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen.7.Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel3, en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen).8.Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant?9.Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling.10.En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord.11.En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven!12.Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen.13.Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten.14.Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende?15.Hij is het, die de aarde voor u geëffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewektworden om tot hem terug te keeren.16.Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds.17.Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was.18.Ook zij die vóór u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn!19.Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen.20.Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind.21.Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid.22.Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt4.23.Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij!24.Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden.25.Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt?26.Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen.27.Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt.28.Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen?29.Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert.30.Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?1Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ookde Reddingofde Bevrijdinggenoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.2ZieHoofdstuk XV, vers 17.3ZieHoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).4De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.Acht en Zestigste Hoofdstuk.De Pen.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Noen1. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.2.Gij, oMahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.3.Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;4.Want gij hebt een verheven karakter2.5.Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.6.Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.7.Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.8.Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.9.Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen3.10.Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.11.Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.12.Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.13.De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.14.Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.15.Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.16.Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.17.Waarlijk, wij hebben de bewoners vanMekkabeproefd4, zooals wij vroeger de eigenaars vanden tuin beproefden5, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.18.En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.19.En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.20.En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.21.En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:22.Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.23.Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:24.Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.25.En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.26.Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.27.(Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd6(de vruchten daarvan te plukken).28.De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?29.Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.30.En zij begonnen elkander te laken.31.En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.32.Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.33.Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.34.Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.35.Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?36.Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?37.Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.38.Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?39.Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?40.Vraag hun wie van hen dit waarborgt.41.Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.42.Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden7, en zij zullen opgeroepen wordenom te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn8.43.Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zijzullendoor de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.44.Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.45.Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.46.Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.47.Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af9?48.Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was10.49.Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.50.Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.51.Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.52.Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.1Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woordNoenbeduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van eeninktkokeren eenvisch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,Al Beidâwi,Yahya).2Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vóór u aangedaan (Al Beidâwi).3Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.4Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zieHoofdstuk XXIII, vers 79.5Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Dezelfde uitdrukking wordt inHoofdstuk LVI, vers 66gebruikt.7Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strengeen vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.8Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.9ZieHoofdstuk IV, vers 38.10Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooalsJonaswas. ZieHoofdstuk XXI, vers 87.Negen en Zestigste Hoofdstuk.De onvermijdelijke Dag.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De onvermijdelijke dag1!2.Wat is de onvermijdelijke dag?3.En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is?4.De stammen venThamoedenAdloochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrikzal treffen2.5.MaarThamoedwerd verdelgd door een vreeselijk onweder.6.EnAdwerd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet.7.Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen3.8.En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef.9.OokPharaoen zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden4, waren schuldig aan zonde.10.En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding.11.Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark,12.Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren.13.En als de trompet eens zal klinken.14.Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden.15.Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen.16.De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen.17.En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn5en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen.18.Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn.19.En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek.20.Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven.21.Hij zal een genoegelijk leven leiden.22.In een verheven tuin.23.Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn.24.Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden.25.Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen!26.En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was!27.O had de dood een einde aan mij gemaakt!28.Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld.29.En mijne macht is voor mij verdwenen.30.En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem,31.En werpt hem in de hel om verbrand te worden.32.Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen633.Omdat hij niet in den grooten God geloofde.34.En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden.35.Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.36.Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.37.Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.38.Ik zweer7bij datgene wat gij ziet.39.En datgene wat gij niet ziet.40.Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.41.En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!42.Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!43.Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.44.IndienMahometiets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.45.Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.46En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.47.En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.48.Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.49.En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrogbeschuldigen.50.Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;51.Want het is de zekere waarheid.52.Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.1Het oorspronkelijke woordal Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.2In het Arabischal Kâriràtof de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.3ZieHoofdstuk LIV, vers 20.4ZijndeSodomenGomorrah. ZieHoofdstuk IX, vers 71noot.5Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.6Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.7Ik wil niet zweren. ZieHoofdstuk LVI, vers 74.
Vijf en Zestigste Hoofdstuk.De Echtscheiding.Geopenbaard teMedina—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haardan op den bepaalden tijd weg1, en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen.2.En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten daggelooften God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht.3.En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld.4.Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn2. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken.5.Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen.6.Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar nietongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon3, en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen.7.Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen.8.Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding.9.Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang.10.God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd.11.O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt.12.Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder4, opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.1Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zieHoofdstuk II, vers 228).Al Beidâwiveronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegenEbn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. VolgensSavaryheeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.2ZieHoofdstuk II, vers 232.3Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zieHoofdstuk II, vers 233).4En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.Zes en Zestigste Hoofdstuk.Het Verbod.Geopenbaard teMedina.—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund,daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen1. God is vergevensgezind en barmhartig2.God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs.3.Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde2, en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt.4.Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, enGabriëlen de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers3.5.Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden.6.O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waaroveronvermurwbareen vreeselijke engelen4zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden.7.O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebtgedaan5.8.O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden6, en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig.9.O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning.10.God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw vanNoachen de vrouw vanLotvoor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden7. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God8, en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan.11.God stelde ook de vrouw vanPharaoals een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij vanPharaoen zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen.12.EnMaria, de dochter vanImram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen9, en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was10.1Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, hadMahometonderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aanHafsatoekwam, metMariade Coptedoor, die hem doorMokawkas, gouverneur vanEgypte, was gezonden. Dit gedrag belgdeHafsazeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al metMariate breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel,Mahometvan zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten.Salewaarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr.Prideaux.2Hafsaverhaalde de gebeurtenis aanAïsha, eene andere vrouw vanMahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond.MahometverweetHafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aanAïshaverhaald te hebben.Hafsawas verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waaropMahometantwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag vanAïshaomtrent hem gemerkt.3Deze plaats is tegenHafsaenAïshagericht.4ZieHoofdstuk LXXIV, vers 30.5Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.6ZieHoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.7Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw vanNoachtrachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw vanLotspande samen met de mannen vanSodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bijLotden nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo’ddin, al Zamakhshari).8Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd vanMahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.9ZieHoofdstuk XIX, vers 17, enz.10Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten:Asia, de vrouw vanPharao, Maria, de dochter vanImram, Khaddah, de dochter vanKhowaileid(de eerste vrouw van den profeet) enFatima, de dochter vanMahomet.Zeven en Zestigste Hoofdstuk.Het Koninkrijk1.Geopenbaard teMekka.—30 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig;2.Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind.3.Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt?4.Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren.5.Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden2, voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt.6.En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen.7.Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel3, en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen).8.Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant?9.Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling.10.En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord.11.En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven!12.Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen.13.Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten.14.Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende?15.Hij is het, die de aarde voor u geëffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewektworden om tot hem terug te keeren.16.Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds.17.Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was.18.Ook zij die vóór u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn!19.Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen.20.Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind.21.Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid.22.Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt4.23.Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij!24.Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden.25.Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt?26.Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen.27.Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt.28.Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen?29.Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert.30.Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?1Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ookde Reddingofde Bevrijdinggenoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.2ZieHoofdstuk XV, vers 17.3ZieHoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).4De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.Acht en Zestigste Hoofdstuk.De Pen.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Noen1. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.2.Gij, oMahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.3.Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;4.Want gij hebt een verheven karakter2.5.Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.6.Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.7.Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.8.Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.9.Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen3.10.Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.11.Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.12.Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.13.De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.14.Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.15.Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.16.Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.17.Waarlijk, wij hebben de bewoners vanMekkabeproefd4, zooals wij vroeger de eigenaars vanden tuin beproefden5, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.18.En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.19.En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.20.En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.21.En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:22.Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.23.Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:24.Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.25.En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.26.Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.27.(Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd6(de vruchten daarvan te plukken).28.De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?29.Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.30.En zij begonnen elkander te laken.31.En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.32.Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.33.Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.34.Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.35.Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?36.Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?37.Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.38.Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?39.Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?40.Vraag hun wie van hen dit waarborgt.41.Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.42.Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden7, en zij zullen opgeroepen wordenom te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn8.43.Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zijzullendoor de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.44.Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.45.Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.46.Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.47.Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af9?48.Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was10.49.Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.50.Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.51.Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.52.Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.1Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woordNoenbeduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van eeninktkokeren eenvisch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,Al Beidâwi,Yahya).2Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vóór u aangedaan (Al Beidâwi).3Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.4Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zieHoofdstuk XXIII, vers 79.5Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Dezelfde uitdrukking wordt inHoofdstuk LVI, vers 66gebruikt.7Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strengeen vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.8Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.9ZieHoofdstuk IV, vers 38.10Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooalsJonaswas. ZieHoofdstuk XXI, vers 87.Negen en Zestigste Hoofdstuk.De onvermijdelijke Dag.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De onvermijdelijke dag1!2.Wat is de onvermijdelijke dag?3.En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is?4.De stammen venThamoedenAdloochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrikzal treffen2.5.MaarThamoedwerd verdelgd door een vreeselijk onweder.6.EnAdwerd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet.7.Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen3.8.En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef.9.OokPharaoen zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden4, waren schuldig aan zonde.10.En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding.11.Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark,12.Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren.13.En als de trompet eens zal klinken.14.Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden.15.Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen.16.De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen.17.En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn5en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen.18.Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn.19.En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek.20.Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven.21.Hij zal een genoegelijk leven leiden.22.In een verheven tuin.23.Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn.24.Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden.25.Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen!26.En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was!27.O had de dood een einde aan mij gemaakt!28.Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld.29.En mijne macht is voor mij verdwenen.30.En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem,31.En werpt hem in de hel om verbrand te worden.32.Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen633.Omdat hij niet in den grooten God geloofde.34.En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden.35.Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.36.Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.37.Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.38.Ik zweer7bij datgene wat gij ziet.39.En datgene wat gij niet ziet.40.Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.41.En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!42.Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!43.Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.44.IndienMahometiets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.45.Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.46En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.47.En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.48.Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.49.En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrogbeschuldigen.50.Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;51.Want het is de zekere waarheid.52.Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.1Het oorspronkelijke woordal Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.2In het Arabischal Kâriràtof de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.3ZieHoofdstuk LIV, vers 20.4ZijndeSodomenGomorrah. ZieHoofdstuk IX, vers 71noot.5Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.6Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.7Ik wil niet zweren. ZieHoofdstuk LVI, vers 74.
Vijf en Zestigste Hoofdstuk.De Echtscheiding.Geopenbaard teMedina—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haardan op den bepaalden tijd weg1, en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen.2.En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten daggelooften God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht.3.En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld.4.Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn2. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken.5.Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen.6.Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar nietongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon3, en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen.7.Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen.8.Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding.9.Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang.10.God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd.11.O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt.12.Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder4, opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.1Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zieHoofdstuk II, vers 228).Al Beidâwiveronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegenEbn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. VolgensSavaryheeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.2ZieHoofdstuk II, vers 232.3Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zieHoofdstuk II, vers 233).4En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
Vijf en Zestigste Hoofdstuk.De Echtscheiding.Geopenbaard teMedina—12 verzen.
Geopenbaard teMedina—12 verzen.
Geopenbaard teMedina—12 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haardan op den bepaalden tijd weg1, en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen.2.En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten daggelooften God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht.3.En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld.4.Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn2. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken.5.Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen.6.Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar nietongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon3, en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen.7.Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen.8.Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding.9.Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang.10.God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd.11.O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt.12.Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder4, opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haardan op den bepaalden tijd weg1, en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen.2.En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten daggelooften God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht.3.En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld.4.Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn2. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken.5.Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen.6.Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar nietongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon3, en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen.7.Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen.8.Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding.9.Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang.10.God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd.11.O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt.12.Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder4, opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.
1Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zieHoofdstuk II, vers 228).Al Beidâwiveronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegenEbn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. VolgensSavaryheeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.2ZieHoofdstuk II, vers 232.3Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zieHoofdstuk II, vers 233).4En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
1Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zieHoofdstuk II, vers 228).Al Beidâwiveronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegenEbn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. VolgensSavaryheeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.
2ZieHoofdstuk II, vers 232.
3Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zieHoofdstuk II, vers 233).
4En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
Zes en Zestigste Hoofdstuk.Het Verbod.Geopenbaard teMedina.—12 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund,daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen1. God is vergevensgezind en barmhartig2.God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs.3.Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde2, en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt.4.Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, enGabriëlen de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers3.5.Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden.6.O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waaroveronvermurwbareen vreeselijke engelen4zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden.7.O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebtgedaan5.8.O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden6, en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig.9.O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning.10.God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw vanNoachen de vrouw vanLotvoor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden7. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God8, en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan.11.God stelde ook de vrouw vanPharaoals een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij vanPharaoen zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen.12.EnMaria, de dochter vanImram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen9, en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was10.1Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, hadMahometonderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aanHafsatoekwam, metMariade Coptedoor, die hem doorMokawkas, gouverneur vanEgypte, was gezonden. Dit gedrag belgdeHafsazeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al metMariate breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel,Mahometvan zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten.Salewaarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr.Prideaux.2Hafsaverhaalde de gebeurtenis aanAïsha, eene andere vrouw vanMahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond.MahometverweetHafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aanAïshaverhaald te hebben.Hafsawas verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waaropMahometantwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag vanAïshaomtrent hem gemerkt.3Deze plaats is tegenHafsaenAïshagericht.4ZieHoofdstuk LXXIV, vers 30.5Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.6ZieHoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.7Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw vanNoachtrachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw vanLotspande samen met de mannen vanSodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bijLotden nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo’ddin, al Zamakhshari).8Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd vanMahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.9ZieHoofdstuk XIX, vers 17, enz.10Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten:Asia, de vrouw vanPharao, Maria, de dochter vanImram, Khaddah, de dochter vanKhowaileid(de eerste vrouw van den profeet) enFatima, de dochter vanMahomet.
Zes en Zestigste Hoofdstuk.Het Verbod.Geopenbaard teMedina.—12 verzen.
Geopenbaard teMedina.—12 verzen.
Geopenbaard teMedina.—12 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund,daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen1. God is vergevensgezind en barmhartig2.God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs.3.Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde2, en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt.4.Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, enGabriëlen de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers3.5.Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden.6.O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waaroveronvermurwbareen vreeselijke engelen4zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden.7.O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebtgedaan5.8.O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden6, en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig.9.O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning.10.God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw vanNoachen de vrouw vanLotvoor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden7. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God8, en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan.11.God stelde ook de vrouw vanPharaoals een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij vanPharaoen zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen.12.EnMaria, de dochter vanImram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen9, en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was10.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund,daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen1. God is vergevensgezind en barmhartig2.God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs.3.Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde2, en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt.4.Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, enGabriëlen de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers3.5.Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden.6.O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waaroveronvermurwbareen vreeselijke engelen4zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden.7.O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebtgedaan5.8.O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden6, en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig.9.O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning.10.God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw vanNoachen de vrouw vanLotvoor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden7. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God8, en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan.11.God stelde ook de vrouw vanPharaoals een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij vanPharaoen zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen.12.EnMaria, de dochter vanImram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen9, en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was10.
1Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, hadMahometonderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aanHafsatoekwam, metMariade Coptedoor, die hem doorMokawkas, gouverneur vanEgypte, was gezonden. Dit gedrag belgdeHafsazeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al metMariate breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel,Mahometvan zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten.Salewaarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr.Prideaux.2Hafsaverhaalde de gebeurtenis aanAïsha, eene andere vrouw vanMahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond.MahometverweetHafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aanAïshaverhaald te hebben.Hafsawas verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waaropMahometantwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag vanAïshaomtrent hem gemerkt.3Deze plaats is tegenHafsaenAïshagericht.4ZieHoofdstuk LXXIV, vers 30.5Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.6ZieHoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.7Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw vanNoachtrachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw vanLotspande samen met de mannen vanSodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bijLotden nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo’ddin, al Zamakhshari).8Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd vanMahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.9ZieHoofdstuk XIX, vers 17, enz.10Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten:Asia, de vrouw vanPharao, Maria, de dochter vanImram, Khaddah, de dochter vanKhowaileid(de eerste vrouw van den profeet) enFatima, de dochter vanMahomet.
1Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, hadMahometonderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aanHafsatoekwam, metMariade Coptedoor, die hem doorMokawkas, gouverneur vanEgypte, was gezonden. Dit gedrag belgdeHafsazeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al metMariate breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel,Mahometvan zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten.Salewaarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr.Prideaux.
2Hafsaverhaalde de gebeurtenis aanAïsha, eene andere vrouw vanMahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond.MahometverweetHafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aanAïshaverhaald te hebben.Hafsawas verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waaropMahometantwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag vanAïshaomtrent hem gemerkt.
3Deze plaats is tegenHafsaenAïshagericht.
4ZieHoofdstuk LXXIV, vers 30.
5Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.
6ZieHoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.
7Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw vanNoachtrachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw vanLotspande samen met de mannen vanSodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bijLotden nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo’ddin, al Zamakhshari).
8Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd vanMahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.
9ZieHoofdstuk XIX, vers 17, enz.
10Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten:Asia, de vrouw vanPharao, Maria, de dochter vanImram, Khaddah, de dochter vanKhowaileid(de eerste vrouw van den profeet) enFatima, de dochter vanMahomet.
Zeven en Zestigste Hoofdstuk.Het Koninkrijk1.Geopenbaard teMekka.—30 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig;2.Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind.3.Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt?4.Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren.5.Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden2, voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt.6.En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen.7.Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel3, en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen).8.Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant?9.Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling.10.En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord.11.En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven!12.Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen.13.Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten.14.Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende?15.Hij is het, die de aarde voor u geëffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewektworden om tot hem terug te keeren.16.Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds.17.Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was.18.Ook zij die vóór u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn!19.Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen.20.Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind.21.Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid.22.Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt4.23.Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij!24.Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden.25.Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt?26.Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen.27.Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt.28.Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen?29.Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert.30.Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?1Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ookde Reddingofde Bevrijdinggenoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.2ZieHoofdstuk XV, vers 17.3ZieHoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).4De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.
Zeven en Zestigste Hoofdstuk.Het Koninkrijk1.Geopenbaard teMekka.—30 verzen.
Geopenbaard teMekka.—30 verzen.
Geopenbaard teMekka.—30 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig;2.Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind.3.Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt?4.Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren.5.Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden2, voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt.6.En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen.7.Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel3, en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen).8.Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant?9.Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling.10.En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord.11.En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven!12.Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen.13.Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten.14.Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende?15.Hij is het, die de aarde voor u geëffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewektworden om tot hem terug te keeren.16.Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds.17.Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was.18.Ook zij die vóór u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn!19.Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen.20.Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind.21.Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid.22.Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt4.23.Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij!24.Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden.25.Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt?26.Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen.27.Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt.28.Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen?29.Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert.30.Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig;2.Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind.3.Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt?4.Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren.5.Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden2, voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt.6.En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen.7.Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel3, en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen).8.Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant?9.Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling.10.En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord.11.En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven!12.Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen.13.Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten.14.Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende?15.Hij is het, die de aarde voor u geëffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewektworden om tot hem terug te keeren.16.Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds.17.Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was.18.Ook zij die vóór u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn!19.Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen.20.Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind.21.Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid.22.Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt4.23.Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij!24.Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden.25.Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt?26.Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen.27.Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt.28.Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen?29.Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert.30.Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?
1Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ookde Reddingofde Bevrijdinggenoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.2ZieHoofdstuk XV, vers 17.3ZieHoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).4De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.
1Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ookde Reddingofde Bevrijdinggenoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.
2ZieHoofdstuk XV, vers 17.
3ZieHoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).
4De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.
Acht en Zestigste Hoofdstuk.De Pen.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Noen1. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.2.Gij, oMahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.3.Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;4.Want gij hebt een verheven karakter2.5.Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.6.Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.7.Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.8.Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.9.Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen3.10.Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.11.Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.12.Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.13.De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.14.Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.15.Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.16.Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.17.Waarlijk, wij hebben de bewoners vanMekkabeproefd4, zooals wij vroeger de eigenaars vanden tuin beproefden5, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.18.En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.19.En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.20.En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.21.En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:22.Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.23.Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:24.Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.25.En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.26.Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.27.(Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd6(de vruchten daarvan te plukken).28.De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?29.Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.30.En zij begonnen elkander te laken.31.En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.32.Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.33.Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.34.Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.35.Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?36.Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?37.Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.38.Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?39.Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?40.Vraag hun wie van hen dit waarborgt.41.Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.42.Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden7, en zij zullen opgeroepen wordenom te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn8.43.Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zijzullendoor de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.44.Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.45.Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.46.Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.47.Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af9?48.Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was10.49.Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.50.Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.51.Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.52.Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.1Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woordNoenbeduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van eeninktkokeren eenvisch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,Al Beidâwi,Yahya).2Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vóór u aangedaan (Al Beidâwi).3Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.4Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zieHoofdstuk XXIII, vers 79.5Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Dezelfde uitdrukking wordt inHoofdstuk LVI, vers 66gebruikt.7Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strengeen vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.8Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.9ZieHoofdstuk IV, vers 38.10Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooalsJonaswas. ZieHoofdstuk XXI, vers 87.
Acht en Zestigste Hoofdstuk.De Pen.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Noen1. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.2.Gij, oMahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.3.Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;4.Want gij hebt een verheven karakter2.5.Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.6.Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.7.Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.8.Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.9.Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen3.10.Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.11.Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.12.Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.13.De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.14.Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.15.Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.16.Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.17.Waarlijk, wij hebben de bewoners vanMekkabeproefd4, zooals wij vroeger de eigenaars vanden tuin beproefden5, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.18.En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.19.En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.20.En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.21.En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:22.Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.23.Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:24.Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.25.En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.26.Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.27.(Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd6(de vruchten daarvan te plukken).28.De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?29.Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.30.En zij begonnen elkander te laken.31.En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.32.Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.33.Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.34.Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.35.Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?36.Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?37.Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.38.Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?39.Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?40.Vraag hun wie van hen dit waarborgt.41.Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.42.Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden7, en zij zullen opgeroepen wordenom te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn8.43.Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zijzullendoor de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.44.Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.45.Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.46.Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.47.Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af9?48.Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was10.49.Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.50.Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.51.Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.52.Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Noen1. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.2.Gij, oMahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.3.Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;4.Want gij hebt een verheven karakter2.5.Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.6.Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.7.Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.8.Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.9.Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen3.10.Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.11.Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.12.Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.13.De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.14.Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.15.Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.16.Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.17.Waarlijk, wij hebben de bewoners vanMekkabeproefd4, zooals wij vroeger de eigenaars vanden tuin beproefden5, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.18.En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.19.En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.20.En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.21.En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:22.Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.23.Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:24.Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.25.En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.26.Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.27.(Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd6(de vruchten daarvan te plukken).28.De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?29.Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.30.En zij begonnen elkander te laken.31.En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.32.Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.33.Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.34.Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.35.Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?36.Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?37.Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.38.Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?39.Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?40.Vraag hun wie van hen dit waarborgt.41.Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.42.Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden7, en zij zullen opgeroepen wordenom te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn8.43.Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zijzullendoor de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.44.Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.45.Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.46.Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.47.Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af9?48.Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was10.49.Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.50.Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.51.Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.52.Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.
1Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woordNoenbeduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van eeninktkokeren eenvisch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,Al Beidâwi,Yahya).2Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vóór u aangedaan (Al Beidâwi).3Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.4Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zieHoofdstuk XXIII, vers 79.5Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Dezelfde uitdrukking wordt inHoofdstuk LVI, vers 66gebruikt.7Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strengeen vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.8Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.9ZieHoofdstuk IV, vers 38.10Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooalsJonaswas. ZieHoofdstuk XXI, vers 87.
1Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woordNoenbeduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van eeninktkokeren eenvisch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,Al Beidâwi,Yahya).
2Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vóór u aangedaan (Al Beidâwi).
3Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.
4Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zieHoofdstuk XXIII, vers 79.
5Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
6Dezelfde uitdrukking wordt inHoofdstuk LVI, vers 66gebruikt.
7Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strengeen vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.
8Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.
9ZieHoofdstuk IV, vers 38.
10Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooalsJonaswas. ZieHoofdstuk XXI, vers 87.
Negen en Zestigste Hoofdstuk.De onvermijdelijke Dag.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De onvermijdelijke dag1!2.Wat is de onvermijdelijke dag?3.En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is?4.De stammen venThamoedenAdloochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrikzal treffen2.5.MaarThamoedwerd verdelgd door een vreeselijk onweder.6.EnAdwerd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet.7.Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen3.8.En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef.9.OokPharaoen zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden4, waren schuldig aan zonde.10.En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding.11.Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark,12.Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren.13.En als de trompet eens zal klinken.14.Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden.15.Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen.16.De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen.17.En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn5en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen.18.Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn.19.En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek.20.Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven.21.Hij zal een genoegelijk leven leiden.22.In een verheven tuin.23.Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn.24.Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden.25.Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen!26.En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was!27.O had de dood een einde aan mij gemaakt!28.Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld.29.En mijne macht is voor mij verdwenen.30.En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem,31.En werpt hem in de hel om verbrand te worden.32.Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen633.Omdat hij niet in den grooten God geloofde.34.En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden.35.Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.36.Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.37.Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.38.Ik zweer7bij datgene wat gij ziet.39.En datgene wat gij niet ziet.40.Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.41.En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!42.Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!43.Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.44.IndienMahometiets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.45.Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.46En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.47.En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.48.Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.49.En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrogbeschuldigen.50.Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;51.Want het is de zekere waarheid.52.Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.1Het oorspronkelijke woordal Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.2In het Arabischal Kâriràtof de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.3ZieHoofdstuk LIV, vers 20.4ZijndeSodomenGomorrah. ZieHoofdstuk IX, vers 71noot.5Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.6Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.7Ik wil niet zweren. ZieHoofdstuk LVI, vers 74.
Negen en Zestigste Hoofdstuk.De onvermijdelijke Dag.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De onvermijdelijke dag1!2.Wat is de onvermijdelijke dag?3.En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is?4.De stammen venThamoedenAdloochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrikzal treffen2.5.MaarThamoedwerd verdelgd door een vreeselijk onweder.6.EnAdwerd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet.7.Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen3.8.En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef.9.OokPharaoen zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden4, waren schuldig aan zonde.10.En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding.11.Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark,12.Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren.13.En als de trompet eens zal klinken.14.Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden.15.Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen.16.De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen.17.En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn5en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen.18.Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn.19.En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek.20.Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven.21.Hij zal een genoegelijk leven leiden.22.In een verheven tuin.23.Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn.24.Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden.25.Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen!26.En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was!27.O had de dood een einde aan mij gemaakt!28.Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld.29.En mijne macht is voor mij verdwenen.30.En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem,31.En werpt hem in de hel om verbrand te worden.32.Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen633.Omdat hij niet in den grooten God geloofde.34.En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden.35.Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.36.Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.37.Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.38.Ik zweer7bij datgene wat gij ziet.39.En datgene wat gij niet ziet.40.Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.41.En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!42.Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!43.Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.44.IndienMahometiets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.45.Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.46En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.47.En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.48.Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.49.En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrogbeschuldigen.50.Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;51.Want het is de zekere waarheid.52.Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.De onvermijdelijke dag1!2.Wat is de onvermijdelijke dag?3.En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is?4.De stammen venThamoedenAdloochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrikzal treffen2.5.MaarThamoedwerd verdelgd door een vreeselijk onweder.6.EnAdwerd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet.7.Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen3.8.En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef.9.OokPharaoen zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden4, waren schuldig aan zonde.10.En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding.11.Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark,12.Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren.13.En als de trompet eens zal klinken.14.Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden.15.Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen.16.De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen.17.En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn5en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen.18.Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn.19.En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek.20.Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven.21.Hij zal een genoegelijk leven leiden.22.In een verheven tuin.23.Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn.24.Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden.25.Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen!26.En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was!27.O had de dood een einde aan mij gemaakt!28.Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld.29.En mijne macht is voor mij verdwenen.30.En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem,31.En werpt hem in de hel om verbrand te worden.32.Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen633.Omdat hij niet in den grooten God geloofde.34.En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden.35.Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.36.Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.37.Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.38.Ik zweer7bij datgene wat gij ziet.39.En datgene wat gij niet ziet.40.Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.41.En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!42.Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!43.Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.44.IndienMahometiets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.45.Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.46En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.47.En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.48.Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.49.En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrogbeschuldigen.50.Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;51.Want het is de zekere waarheid.52.Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.
1Het oorspronkelijke woordal Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.2In het Arabischal Kâriràtof de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.3ZieHoofdstuk LIV, vers 20.4ZijndeSodomenGomorrah. ZieHoofdstuk IX, vers 71noot.5Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.6Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.7Ik wil niet zweren. ZieHoofdstuk LVI, vers 74.
1Het oorspronkelijke woordal Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.
2In het Arabischal Kâriràtof de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.
3ZieHoofdstuk LIV, vers 20.
4ZijndeSodomenGomorrah. ZieHoofdstuk IX, vers 71noot.
5Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.
6Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.
7Ik wil niet zweren. ZieHoofdstuk LVI, vers 74.