Zeventiende Hoofdstuk.De nachtelijke Reis1.Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden tempel vanMekkanaar den meer verwijderden tempel vanJeruzalem3heeft overgebracht, waarvan wij den omtrekhebben gezegend, om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet alles.2.En wij gaven aanMozeshet boek der wet en bepaalden dat die tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest.3.O gij, nakomelingen van hen, welke wij metNoachin de ark hebben bewaard4! waarlijk, hij was een dankbare dienaar.4.En wij verklaarden opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende: Gij zult zekerlijk tweemaal5op de aarde kwaad bedrijven, en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen.5.En toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht begiftigd, tegen u af6; zij drongen in de binnenste vertrekken uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld.6.Daarna gaven wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen7en wij schonken u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een talrijker volk.7.Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde bedreigd,tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te bedroeven8en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden veroverd.8.Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn; maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen wij mede terugkeeren en u kastijden9; en wij hebben de hel tot gevangenis voor de ongeloovigen bestemd.9.Waarlijk deze Koran leidt op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen.10.Die goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen ontvangen.11.Want hun, die niet in het volgende leven gelooven, hebben wij eene gestrenge straf bereid.12.De mensch bidt voor het kwade zooals hij voor het goede bidt10, want de mensch is haastig11.13.Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit, en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene duidelijke uitlegging verklaard.14.Het noodlot12van iederen mensch hebben wij om zijn hals bevestigd13, en op den dag der opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden.15.Lees uw boek, (zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene voldoende rekening tegen u opmaken.16.Hij die op den rechten weg zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel, met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te waarschuwen.17.En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten, gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar.18.En hoe vele geslachten hebben wij sedertNoachdoen ondergaan! want uw Heer kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren.19.Hem die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande en beroofd van alle genade.20.Maar hij die het volgende leven kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn.21.Wij verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods gaven zullen niemand worden geweigerd.22.Gedenk hoe wij sommigen hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het volgende leven zal belangrijker zijn in gradenvan eer en van grootere uitnemendheid.23.Plaats geen anderen God naast den waren God; want gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt.24.Uw Heer heeft u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den ouderdom met u bereiken14. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen.25.Wees nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein was.26.God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig zijt.27.Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot hem terugkeeren.28.Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt15, en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen niet roekeloos.29.Want de roekeloozen zijn broederen des duivels16, en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer.30.Maar indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt17, spreek dan ten minste met zachtheid tot hen.31.Laat uwe hand niet aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze18, opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht wordet.32.Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren.33.Doodt uwe kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen: waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden19.34.Vrees het overspel; want het is zonde en eene slechte weg.35.Dood nimmer de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene rechtvaardige zaak mocht zijn20; en wij hebben den naastbestaandevan hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening te vragen21; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden, of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt ondersteund22.36.En bemoei u niet met het vermogen van den wees, behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte23heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend.37.En geef volle maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt24.38.En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt25; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den jongsten dag worden onderzocht.39.Wandel niet trotsch op aarde; want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk worden.40.Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht van uwen Heer.41.Deze voorschriften maken een deel uit van de wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en vernederd wordet.42.Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken, en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen26? Door dit uit te spreken zegt gij eene godslastering.43.Wij hebben verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt, opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten.44.Zeg tot de afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen den bezitter van dentroon te smeden27.45.God behoede; en ver, zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken!46.De zeven hemelen loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging niet. Hij is genadig en barmhartig.47.Als gij den Koran leest, plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven gelooven, een donkeren sluier.48.En wij bedekken hunne harten, opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor.49.En indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer28melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de leer zijner eenheid.50.Wij weten wel met welk doel zij hooren, als zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken, en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts een betooverden man.51.Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden.52.Zij zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden,zullen wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan?53.Antwoord: Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat, volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende: Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij.54.Op dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen, terwijl gij zijn lof verkondigt29en het zal u toeschijnen, als waart gij daar slechts korten tijd verbleven30.55.Zeg tot mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken, opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen, en Satan is een verklaarde vijand der menschen.56.Uw Heer kent u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen31; en wij hebben u niet gezondenom hun bewaarder te wezen.57.Uw Heer kent alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gavenDavidde psalmen32.58.Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren.59.Zij, welke gij aanroept33, begeeren zelven nader met hunnen Heer te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen; zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf van uw Heer is vreeselijk.60.Er is geene stad, welke wij niet vóór den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer eeuwige besluiten opgeschreven.61.Niets had ons verhinderd, u met wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog hebben beschuldigd. Wij gaven den stam vanThamoedop zijn verzoek, zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede34, en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te boezemen.62.Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald35, hetwelk wij u toonden, en ook den boom36, dien wij in den Koran hebben gevloekt, alleen toteene aanleiding van twist voor de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts met meer weerspannigheid doen zondigen.63.En gedenk, toen wij tot de engelen zeiden: AanbidtAdam, en zij baden hem allen aan, behalveEblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei hebt geschapen?64.En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien, een klein getal uitgezonderd.65.God antwoordde: Vertrek; ik geef u uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen: waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden37.66.En lok door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften, (doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen).67.Wat mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem stellen.68.Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u.69.Als u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden terug; want de mensch is ondankbaar38.70.Zijt gij dus zeker dat hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen.71.Of zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan verdedigen.72.En wij hebben de kinderen vanAdammet onderscheidene bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen.73.Op een zekeren dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden39te worden geoordeeld,en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen en geen haar zal hun gekrenkt worden40.74.En wie in dit leven blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen.75.Het scheelde slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht, u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij u als hunnen vriend hebben beschouwd.76.En indien wij u niet hadden bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins tot hen over te hellen.77.Dan zouden wij u zekerlijk de straf des levens en de straf des doods41hebben doen ondervinden, en gij zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen.78.De ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten, om u daaruit te verdrijven42; maar dan zouden zij daarin niet dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven43.79.Dit is de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij hebben gevolgd.80.Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon44, bij de eerste duisternis van den nacht45en het gebed van den ochtendstond46: want het gebed van denochtendstond geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven47.81.En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle plaats oproepen48.82.En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan49en verleen mij eene ondersteunende macht voor u.83.En zeg: de waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd om te ontvlieden.84.Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten.85.Als wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt hij aan onze barmhartigheid.86.Ieder handelt naar zijne eigene wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg wordt geleid.87.Zij zullen u ondervragen omtrent den geest50, antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer51; maar er zijn slechts weinigen onder udie kennis hebben52.88.Indien het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard53. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin tegen ons zou hebben bijgestaan.89.Tenzij door de genade van uwen Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot.90.Zeg: Waarlijk; indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van hen den ander zou ondersteunen.91.En wij hebben in dezen Koran den menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven, maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die te ontvangen.92.Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij een waterstraal voor ons uit de aarde doetopspringen.93.Of indien gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het midden rivieren in overvloed doet ontspringen.94.Of indien gij een deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen doet verschijnen, om borg voor u te blijven.95.Of dat gij een huis van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen54, tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt afgevaardigd.96.En niets verhindert de menschen te gelooven, als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God een mensch als zijn gezant nedergezonden?97.Antwoord: Indien de engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben nedergezonden.98.Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij en u; want hij kent en ziet zijne dienaren.99.Wie door God geleid wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen.100.Dit zal hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn, zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan?101.Zien zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen een beperkten tijd bepaald55: dit is ontwijfelbaar; maar de goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof.102.Zeg: Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten56; want de mensch is begeerlijk.103.Wij gaven vroeger aanMozesde macht om negen duidelijke teekens te toonen57. En vraag de kinderenIsraëlsnopens het verhaal vanMozes, toen hij tot hen kwam enPharaotot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, oMozes! door eene betoovering beheerscht zijt.104.Mozesantwoordde: Gij weet wel, dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, oPharao! een verloren man zijt.105.Daarom wildePharaohen uit het land drijven, maar wij deden hem verdrinken, en allen die met hem waren.106.En wij zeiden na zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder; en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot aankondigen van bedreigingen.107.Wij hebben den Koran gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden, naar gelang de gelegenheid dit vereischte.108.Zeg:Hetzij gij al of niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden, zij vallen op hunne aangezichten58en aanbidden, zeggende: Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk vervuld!109.Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid.110.Zeg: Roep God aan, of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen59: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte stem60, maar volg een middenweg tusschen deze beiden.111.Zeg: Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.1De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen Israëls.2Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen metvers 75.3Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naarMekkawerd teruggebracht. Deze reis vanMahometnaar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr.Prideaux,life of Mohammed(p. 43, enz.)Morhan,Mohammedanism explained(vol. 2) enAbu’lfeda(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr.Prideauxen van andere schrijvers voorkomen.Mahometzou namelijk door den engelGabriëldoor de hemelen zijn gevoerd op een lastdier,Borakgenaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering vanMoawiyah, een vanMehometsopvolgers, aan (ZieVit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naarJeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dathij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beidâwi).4De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.5Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden vanJesaiah(Al Beidâwi) en het gevangen nemen vanJeremiah(Jallalo’ddin); hunne tweede zonde was het dooden vanZachariasenJohannesden Dooper, en hun verzinnen datJezusdood was (Jallalo’ddin).6Deze warenJalutofGoliathmet zijne strijdmacht (Jallalo’ddin,Yahya), ofSennacherib, de Assyriër, of welNebuchadnezar, die door de Oostersche schrijversBakhtnasrwerd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naamGudarsofRaham) de beheerder vanBabylononderLohorasp, koning vanPerzië(Al Zamakhsari,Al Beidâwi), dieJeruzaleminnam en den tempel verwoestte.7Door David toe te staan,Goliathte dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger vanSennacherib, of door dat God in het hart vanBahman, den zoon vanIsfandyar, toen hij zijn grootvaderLohoraspopvolgde, het denkbeeld legde, aanKireshofCyrus, toen beheerder vanBabylonte bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide vanDaniël; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die doorBaktnasrin het land waren gelaten (Al Zamakhsari,Al Beidâwi).8Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat vanBakhunasrwasYahya,Jallalo’ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen vanGudarz(met wien zijAntiochus Epiphanesschijnen te bedoelen, een der opvolgers vanAlexanderteBabylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de redendaarvanvroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien,zeidehij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed vanJohanneswas, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: “oJohannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven”, waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beidâwi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoeltMahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoestingvanJeruzalemdoor de Romeinen.9En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zijMahometverwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam vanKoreidhauitroeide, en de opperhoofden van die vanAl Nadirdoodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beidâwi).10Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.11Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoonAdamis, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard:Mahometgaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw,Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door hetjammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo’ddin).12Letterlijk “de vogel” welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.13Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.14Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.15Ditis: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.16Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldigaanbuitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beidâwi).17Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.18Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beidâwi).19ZieHoofdst. VI, vers 141en 152 enHoofdst. LXXXI, vers 8en 9.20De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beidâwi).21Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, óf den moordenaar het leven te benemen, óf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zieHoofdstuk II, vers 173–175).22Sommigen passen het voornaamwoordhijop den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (ZieAl Beidâwi).23ZieHoofdstuk IV, vers 2en 5–12.24Of voordeeliger in het einde (Al Beidâwi,Al Zamakshari).25Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beidâwi,Al Zamakshari).26ZieHoofdstuk XVI, vers 59.27Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.28Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.29Al Beidâwizegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!30Zijnde: in uwe graven of in de wereld.31Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beidâwi).32Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarinMahometen zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. ZieMarracciin Alc.p. 28 enz.,Prid.Life of Moh.p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29.Al Beidâwi).33Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.34ZieHoofdstuk VII, vers 71.35Het is algemeen aangenomen, datMahometsreis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis vanAboe Bekrwaarbij de waarheid er van verklaard werd. (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 89 en noot t. a. pl.PrideauxLife of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dienMahometteal Hodeibiyahad, waarin hij zijne intrede teMekkascheen te doen (zieHoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin vanOmmeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beidâwi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers teMedinazijn geopenbaard.36Dieal Zakkumwordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (ZieHoofdstuk XXXVII, vers 60–64.) VolgensSavaryis de Zakkum een doornachtige boom, die inArabiëgroeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was dezeslechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, datMahomethem in de hel plaatste.37ZieHoofdstuk II, vers 32, enHoofdstuk VII, vers 26, enz.38ZieHoofdstuk X, vers 23volg.39Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderenweder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beidâwi).40Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.41Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beidâwi).42De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het teMekkawerd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de Koreïshieten aanMahomettoedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hemMekkate doen verlaten (Al Beidâwi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers teMedinawerd geopenbaard.43Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der Koreïshieten teBedren volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden vanKoreidhaenal Nadir. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).44Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.45De tijd van het laatste avondgebed.46Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtendstond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.47Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beidâwi).48Overeenkomstig eene overlevering vanAbn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beidâwi).49Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat vanBileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordtMahomette zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek vanMekkaen een goede ontvangst teMedina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij vanMekkavluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht teMekkaen een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).50Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engelGabriëlof op de goddelijke openbaring (Al Beidâwi).51Zijnde door het woordKun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden denKoreïshietenverzochten,Mahomette vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en vanDhoe’lkarnein(zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijkeen profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beidâwi).52Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beidâwi).53Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiën als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.54Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.55Wat het leven of wat de opstanding betreft.56Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.57Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den bergSinaïboven de kinderen Israëls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van denNijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, dieMozesaan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, doorMahometzelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de Israëlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de Israëliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beidâwi).58Letterlijk: op hunne kinnen.59Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, datMahometzeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (ZieHoofdstuk VII, vers 179).60Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
Zeventiende Hoofdstuk.De nachtelijke Reis1.Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden tempel vanMekkanaar den meer verwijderden tempel vanJeruzalem3heeft overgebracht, waarvan wij den omtrekhebben gezegend, om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet alles.2.En wij gaven aanMozeshet boek der wet en bepaalden dat die tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest.3.O gij, nakomelingen van hen, welke wij metNoachin de ark hebben bewaard4! waarlijk, hij was een dankbare dienaar.4.En wij verklaarden opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende: Gij zult zekerlijk tweemaal5op de aarde kwaad bedrijven, en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen.5.En toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht begiftigd, tegen u af6; zij drongen in de binnenste vertrekken uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld.6.Daarna gaven wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen7en wij schonken u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een talrijker volk.7.Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde bedreigd,tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te bedroeven8en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden veroverd.8.Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn; maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen wij mede terugkeeren en u kastijden9; en wij hebben de hel tot gevangenis voor de ongeloovigen bestemd.9.Waarlijk deze Koran leidt op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen.10.Die goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen ontvangen.11.Want hun, die niet in het volgende leven gelooven, hebben wij eene gestrenge straf bereid.12.De mensch bidt voor het kwade zooals hij voor het goede bidt10, want de mensch is haastig11.13.Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit, en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene duidelijke uitlegging verklaard.14.Het noodlot12van iederen mensch hebben wij om zijn hals bevestigd13, en op den dag der opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden.15.Lees uw boek, (zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene voldoende rekening tegen u opmaken.16.Hij die op den rechten weg zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel, met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te waarschuwen.17.En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten, gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar.18.En hoe vele geslachten hebben wij sedertNoachdoen ondergaan! want uw Heer kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren.19.Hem die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande en beroofd van alle genade.20.Maar hij die het volgende leven kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn.21.Wij verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods gaven zullen niemand worden geweigerd.22.Gedenk hoe wij sommigen hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het volgende leven zal belangrijker zijn in gradenvan eer en van grootere uitnemendheid.23.Plaats geen anderen God naast den waren God; want gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt.24.Uw Heer heeft u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den ouderdom met u bereiken14. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen.25.Wees nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein was.26.God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig zijt.27.Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot hem terugkeeren.28.Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt15, en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen niet roekeloos.29.Want de roekeloozen zijn broederen des duivels16, en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer.30.Maar indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt17, spreek dan ten minste met zachtheid tot hen.31.Laat uwe hand niet aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze18, opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht wordet.32.Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren.33.Doodt uwe kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen: waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden19.34.Vrees het overspel; want het is zonde en eene slechte weg.35.Dood nimmer de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene rechtvaardige zaak mocht zijn20; en wij hebben den naastbestaandevan hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening te vragen21; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden, of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt ondersteund22.36.En bemoei u niet met het vermogen van den wees, behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte23heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend.37.En geef volle maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt24.38.En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt25; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den jongsten dag worden onderzocht.39.Wandel niet trotsch op aarde; want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk worden.40.Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht van uwen Heer.41.Deze voorschriften maken een deel uit van de wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en vernederd wordet.42.Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken, en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen26? Door dit uit te spreken zegt gij eene godslastering.43.Wij hebben verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt, opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten.44.Zeg tot de afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen den bezitter van dentroon te smeden27.45.God behoede; en ver, zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken!46.De zeven hemelen loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging niet. Hij is genadig en barmhartig.47.Als gij den Koran leest, plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven gelooven, een donkeren sluier.48.En wij bedekken hunne harten, opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor.49.En indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer28melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de leer zijner eenheid.50.Wij weten wel met welk doel zij hooren, als zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken, en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts een betooverden man.51.Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden.52.Zij zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden,zullen wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan?53.Antwoord: Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat, volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende: Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij.54.Op dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen, terwijl gij zijn lof verkondigt29en het zal u toeschijnen, als waart gij daar slechts korten tijd verbleven30.55.Zeg tot mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken, opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen, en Satan is een verklaarde vijand der menschen.56.Uw Heer kent u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen31; en wij hebben u niet gezondenom hun bewaarder te wezen.57.Uw Heer kent alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gavenDavidde psalmen32.58.Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren.59.Zij, welke gij aanroept33, begeeren zelven nader met hunnen Heer te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen; zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf van uw Heer is vreeselijk.60.Er is geene stad, welke wij niet vóór den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer eeuwige besluiten opgeschreven.61.Niets had ons verhinderd, u met wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog hebben beschuldigd. Wij gaven den stam vanThamoedop zijn verzoek, zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede34, en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te boezemen.62.Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald35, hetwelk wij u toonden, en ook den boom36, dien wij in den Koran hebben gevloekt, alleen toteene aanleiding van twist voor de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts met meer weerspannigheid doen zondigen.63.En gedenk, toen wij tot de engelen zeiden: AanbidtAdam, en zij baden hem allen aan, behalveEblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei hebt geschapen?64.En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien, een klein getal uitgezonderd.65.God antwoordde: Vertrek; ik geef u uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen: waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden37.66.En lok door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften, (doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen).67.Wat mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem stellen.68.Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u.69.Als u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden terug; want de mensch is ondankbaar38.70.Zijt gij dus zeker dat hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen.71.Of zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan verdedigen.72.En wij hebben de kinderen vanAdammet onderscheidene bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen.73.Op een zekeren dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden39te worden geoordeeld,en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen en geen haar zal hun gekrenkt worden40.74.En wie in dit leven blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen.75.Het scheelde slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht, u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij u als hunnen vriend hebben beschouwd.76.En indien wij u niet hadden bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins tot hen over te hellen.77.Dan zouden wij u zekerlijk de straf des levens en de straf des doods41hebben doen ondervinden, en gij zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen.78.De ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten, om u daaruit te verdrijven42; maar dan zouden zij daarin niet dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven43.79.Dit is de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij hebben gevolgd.80.Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon44, bij de eerste duisternis van den nacht45en het gebed van den ochtendstond46: want het gebed van denochtendstond geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven47.81.En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle plaats oproepen48.82.En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan49en verleen mij eene ondersteunende macht voor u.83.En zeg: de waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd om te ontvlieden.84.Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten.85.Als wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt hij aan onze barmhartigheid.86.Ieder handelt naar zijne eigene wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg wordt geleid.87.Zij zullen u ondervragen omtrent den geest50, antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer51; maar er zijn slechts weinigen onder udie kennis hebben52.88.Indien het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard53. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin tegen ons zou hebben bijgestaan.89.Tenzij door de genade van uwen Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot.90.Zeg: Waarlijk; indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van hen den ander zou ondersteunen.91.En wij hebben in dezen Koran den menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven, maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die te ontvangen.92.Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij een waterstraal voor ons uit de aarde doetopspringen.93.Of indien gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het midden rivieren in overvloed doet ontspringen.94.Of indien gij een deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen doet verschijnen, om borg voor u te blijven.95.Of dat gij een huis van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen54, tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt afgevaardigd.96.En niets verhindert de menschen te gelooven, als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God een mensch als zijn gezant nedergezonden?97.Antwoord: Indien de engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben nedergezonden.98.Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij en u; want hij kent en ziet zijne dienaren.99.Wie door God geleid wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen.100.Dit zal hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn, zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan?101.Zien zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen een beperkten tijd bepaald55: dit is ontwijfelbaar; maar de goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof.102.Zeg: Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten56; want de mensch is begeerlijk.103.Wij gaven vroeger aanMozesde macht om negen duidelijke teekens te toonen57. En vraag de kinderenIsraëlsnopens het verhaal vanMozes, toen hij tot hen kwam enPharaotot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, oMozes! door eene betoovering beheerscht zijt.104.Mozesantwoordde: Gij weet wel, dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, oPharao! een verloren man zijt.105.Daarom wildePharaohen uit het land drijven, maar wij deden hem verdrinken, en allen die met hem waren.106.En wij zeiden na zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder; en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot aankondigen van bedreigingen.107.Wij hebben den Koran gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden, naar gelang de gelegenheid dit vereischte.108.Zeg:Hetzij gij al of niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden, zij vallen op hunne aangezichten58en aanbidden, zeggende: Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk vervuld!109.Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid.110.Zeg: Roep God aan, of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen59: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte stem60, maar volg een middenweg tusschen deze beiden.111.Zeg: Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.1De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen Israëls.2Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen metvers 75.3Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naarMekkawerd teruggebracht. Deze reis vanMahometnaar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr.Prideaux,life of Mohammed(p. 43, enz.)Morhan,Mohammedanism explained(vol. 2) enAbu’lfeda(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr.Prideauxen van andere schrijvers voorkomen.Mahometzou namelijk door den engelGabriëldoor de hemelen zijn gevoerd op een lastdier,Borakgenaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering vanMoawiyah, een vanMehometsopvolgers, aan (ZieVit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naarJeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dathij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beidâwi).4De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.5Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden vanJesaiah(Al Beidâwi) en het gevangen nemen vanJeremiah(Jallalo’ddin); hunne tweede zonde was het dooden vanZachariasenJohannesden Dooper, en hun verzinnen datJezusdood was (Jallalo’ddin).6Deze warenJalutofGoliathmet zijne strijdmacht (Jallalo’ddin,Yahya), ofSennacherib, de Assyriër, of welNebuchadnezar, die door de Oostersche schrijversBakhtnasrwerd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naamGudarsofRaham) de beheerder vanBabylononderLohorasp, koning vanPerzië(Al Zamakhsari,Al Beidâwi), dieJeruzaleminnam en den tempel verwoestte.7Door David toe te staan,Goliathte dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger vanSennacherib, of door dat God in het hart vanBahman, den zoon vanIsfandyar, toen hij zijn grootvaderLohoraspopvolgde, het denkbeeld legde, aanKireshofCyrus, toen beheerder vanBabylonte bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide vanDaniël; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die doorBaktnasrin het land waren gelaten (Al Zamakhsari,Al Beidâwi).8Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat vanBakhunasrwasYahya,Jallalo’ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen vanGudarz(met wien zijAntiochus Epiphanesschijnen te bedoelen, een der opvolgers vanAlexanderteBabylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de redendaarvanvroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien,zeidehij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed vanJohanneswas, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: “oJohannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven”, waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beidâwi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoeltMahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoestingvanJeruzalemdoor de Romeinen.9En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zijMahometverwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam vanKoreidhauitroeide, en de opperhoofden van die vanAl Nadirdoodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beidâwi).10Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.11Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoonAdamis, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard:Mahometgaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw,Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door hetjammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo’ddin).12Letterlijk “de vogel” welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.13Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.14Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.15Ditis: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.16Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldigaanbuitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beidâwi).17Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.18Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beidâwi).19ZieHoofdst. VI, vers 141en 152 enHoofdst. LXXXI, vers 8en 9.20De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beidâwi).21Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, óf den moordenaar het leven te benemen, óf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zieHoofdstuk II, vers 173–175).22Sommigen passen het voornaamwoordhijop den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (ZieAl Beidâwi).23ZieHoofdstuk IV, vers 2en 5–12.24Of voordeeliger in het einde (Al Beidâwi,Al Zamakshari).25Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beidâwi,Al Zamakshari).26ZieHoofdstuk XVI, vers 59.27Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.28Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.29Al Beidâwizegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!30Zijnde: in uwe graven of in de wereld.31Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beidâwi).32Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarinMahometen zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. ZieMarracciin Alc.p. 28 enz.,Prid.Life of Moh.p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29.Al Beidâwi).33Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.34ZieHoofdstuk VII, vers 71.35Het is algemeen aangenomen, datMahometsreis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis vanAboe Bekrwaarbij de waarheid er van verklaard werd. (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 89 en noot t. a. pl.PrideauxLife of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dienMahometteal Hodeibiyahad, waarin hij zijne intrede teMekkascheen te doen (zieHoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin vanOmmeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beidâwi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers teMedinazijn geopenbaard.36Dieal Zakkumwordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (ZieHoofdstuk XXXVII, vers 60–64.) VolgensSavaryis de Zakkum een doornachtige boom, die inArabiëgroeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was dezeslechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, datMahomethem in de hel plaatste.37ZieHoofdstuk II, vers 32, enHoofdstuk VII, vers 26, enz.38ZieHoofdstuk X, vers 23volg.39Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderenweder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beidâwi).40Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.41Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beidâwi).42De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het teMekkawerd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de Koreïshieten aanMahomettoedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hemMekkate doen verlaten (Al Beidâwi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers teMedinawerd geopenbaard.43Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der Koreïshieten teBedren volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden vanKoreidhaenal Nadir. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).44Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.45De tijd van het laatste avondgebed.46Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtendstond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.47Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beidâwi).48Overeenkomstig eene overlevering vanAbn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beidâwi).49Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat vanBileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordtMahomette zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek vanMekkaen een goede ontvangst teMedina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij vanMekkavluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht teMekkaen een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).50Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engelGabriëlof op de goddelijke openbaring (Al Beidâwi).51Zijnde door het woordKun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden denKoreïshietenverzochten,Mahomette vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en vanDhoe’lkarnein(zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijkeen profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beidâwi).52Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beidâwi).53Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiën als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.54Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.55Wat het leven of wat de opstanding betreft.56Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.57Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den bergSinaïboven de kinderen Israëls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van denNijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, dieMozesaan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, doorMahometzelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de Israëlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de Israëliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beidâwi).58Letterlijk: op hunne kinnen.59Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, datMahometzeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (ZieHoofdstuk VII, vers 179).60Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
Zeventiende Hoofdstuk.De nachtelijke Reis1.Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden tempel vanMekkanaar den meer verwijderden tempel vanJeruzalem3heeft overgebracht, waarvan wij den omtrekhebben gezegend, om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet alles.2.En wij gaven aanMozeshet boek der wet en bepaalden dat die tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest.3.O gij, nakomelingen van hen, welke wij metNoachin de ark hebben bewaard4! waarlijk, hij was een dankbare dienaar.4.En wij verklaarden opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende: Gij zult zekerlijk tweemaal5op de aarde kwaad bedrijven, en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen.5.En toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht begiftigd, tegen u af6; zij drongen in de binnenste vertrekken uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld.6.Daarna gaven wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen7en wij schonken u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een talrijker volk.7.Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde bedreigd,tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te bedroeven8en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden veroverd.8.Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn; maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen wij mede terugkeeren en u kastijden9; en wij hebben de hel tot gevangenis voor de ongeloovigen bestemd.9.Waarlijk deze Koran leidt op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen.10.Die goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen ontvangen.11.Want hun, die niet in het volgende leven gelooven, hebben wij eene gestrenge straf bereid.12.De mensch bidt voor het kwade zooals hij voor het goede bidt10, want de mensch is haastig11.13.Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit, en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene duidelijke uitlegging verklaard.14.Het noodlot12van iederen mensch hebben wij om zijn hals bevestigd13, en op den dag der opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden.15.Lees uw boek, (zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene voldoende rekening tegen u opmaken.16.Hij die op den rechten weg zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel, met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te waarschuwen.17.En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten, gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar.18.En hoe vele geslachten hebben wij sedertNoachdoen ondergaan! want uw Heer kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren.19.Hem die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande en beroofd van alle genade.20.Maar hij die het volgende leven kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn.21.Wij verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods gaven zullen niemand worden geweigerd.22.Gedenk hoe wij sommigen hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het volgende leven zal belangrijker zijn in gradenvan eer en van grootere uitnemendheid.23.Plaats geen anderen God naast den waren God; want gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt.24.Uw Heer heeft u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den ouderdom met u bereiken14. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen.25.Wees nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein was.26.God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig zijt.27.Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot hem terugkeeren.28.Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt15, en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen niet roekeloos.29.Want de roekeloozen zijn broederen des duivels16, en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer.30.Maar indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt17, spreek dan ten minste met zachtheid tot hen.31.Laat uwe hand niet aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze18, opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht wordet.32.Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren.33.Doodt uwe kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen: waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden19.34.Vrees het overspel; want het is zonde en eene slechte weg.35.Dood nimmer de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene rechtvaardige zaak mocht zijn20; en wij hebben den naastbestaandevan hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening te vragen21; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden, of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt ondersteund22.36.En bemoei u niet met het vermogen van den wees, behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte23heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend.37.En geef volle maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt24.38.En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt25; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den jongsten dag worden onderzocht.39.Wandel niet trotsch op aarde; want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk worden.40.Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht van uwen Heer.41.Deze voorschriften maken een deel uit van de wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en vernederd wordet.42.Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken, en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen26? Door dit uit te spreken zegt gij eene godslastering.43.Wij hebben verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt, opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten.44.Zeg tot de afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen den bezitter van dentroon te smeden27.45.God behoede; en ver, zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken!46.De zeven hemelen loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging niet. Hij is genadig en barmhartig.47.Als gij den Koran leest, plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven gelooven, een donkeren sluier.48.En wij bedekken hunne harten, opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor.49.En indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer28melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de leer zijner eenheid.50.Wij weten wel met welk doel zij hooren, als zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken, en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts een betooverden man.51.Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden.52.Zij zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden,zullen wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan?53.Antwoord: Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat, volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende: Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij.54.Op dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen, terwijl gij zijn lof verkondigt29en het zal u toeschijnen, als waart gij daar slechts korten tijd verbleven30.55.Zeg tot mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken, opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen, en Satan is een verklaarde vijand der menschen.56.Uw Heer kent u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen31; en wij hebben u niet gezondenom hun bewaarder te wezen.57.Uw Heer kent alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gavenDavidde psalmen32.58.Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren.59.Zij, welke gij aanroept33, begeeren zelven nader met hunnen Heer te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen; zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf van uw Heer is vreeselijk.60.Er is geene stad, welke wij niet vóór den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer eeuwige besluiten opgeschreven.61.Niets had ons verhinderd, u met wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog hebben beschuldigd. Wij gaven den stam vanThamoedop zijn verzoek, zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede34, en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te boezemen.62.Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald35, hetwelk wij u toonden, en ook den boom36, dien wij in den Koran hebben gevloekt, alleen toteene aanleiding van twist voor de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts met meer weerspannigheid doen zondigen.63.En gedenk, toen wij tot de engelen zeiden: AanbidtAdam, en zij baden hem allen aan, behalveEblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei hebt geschapen?64.En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien, een klein getal uitgezonderd.65.God antwoordde: Vertrek; ik geef u uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen: waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden37.66.En lok door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften, (doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen).67.Wat mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem stellen.68.Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u.69.Als u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden terug; want de mensch is ondankbaar38.70.Zijt gij dus zeker dat hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen.71.Of zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan verdedigen.72.En wij hebben de kinderen vanAdammet onderscheidene bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen.73.Op een zekeren dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden39te worden geoordeeld,en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen en geen haar zal hun gekrenkt worden40.74.En wie in dit leven blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen.75.Het scheelde slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht, u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij u als hunnen vriend hebben beschouwd.76.En indien wij u niet hadden bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins tot hen over te hellen.77.Dan zouden wij u zekerlijk de straf des levens en de straf des doods41hebben doen ondervinden, en gij zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen.78.De ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten, om u daaruit te verdrijven42; maar dan zouden zij daarin niet dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven43.79.Dit is de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij hebben gevolgd.80.Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon44, bij de eerste duisternis van den nacht45en het gebed van den ochtendstond46: want het gebed van denochtendstond geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven47.81.En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle plaats oproepen48.82.En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan49en verleen mij eene ondersteunende macht voor u.83.En zeg: de waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd om te ontvlieden.84.Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten.85.Als wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt hij aan onze barmhartigheid.86.Ieder handelt naar zijne eigene wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg wordt geleid.87.Zij zullen u ondervragen omtrent den geest50, antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer51; maar er zijn slechts weinigen onder udie kennis hebben52.88.Indien het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard53. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin tegen ons zou hebben bijgestaan.89.Tenzij door de genade van uwen Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot.90.Zeg: Waarlijk; indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van hen den ander zou ondersteunen.91.En wij hebben in dezen Koran den menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven, maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die te ontvangen.92.Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij een waterstraal voor ons uit de aarde doetopspringen.93.Of indien gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het midden rivieren in overvloed doet ontspringen.94.Of indien gij een deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen doet verschijnen, om borg voor u te blijven.95.Of dat gij een huis van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen54, tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt afgevaardigd.96.En niets verhindert de menschen te gelooven, als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God een mensch als zijn gezant nedergezonden?97.Antwoord: Indien de engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben nedergezonden.98.Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij en u; want hij kent en ziet zijne dienaren.99.Wie door God geleid wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen.100.Dit zal hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn, zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan?101.Zien zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen een beperkten tijd bepaald55: dit is ontwijfelbaar; maar de goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof.102.Zeg: Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten56; want de mensch is begeerlijk.103.Wij gaven vroeger aanMozesde macht om negen duidelijke teekens te toonen57. En vraag de kinderenIsraëlsnopens het verhaal vanMozes, toen hij tot hen kwam enPharaotot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, oMozes! door eene betoovering beheerscht zijt.104.Mozesantwoordde: Gij weet wel, dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, oPharao! een verloren man zijt.105.Daarom wildePharaohen uit het land drijven, maar wij deden hem verdrinken, en allen die met hem waren.106.En wij zeiden na zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder; en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot aankondigen van bedreigingen.107.Wij hebben den Koran gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden, naar gelang de gelegenheid dit vereischte.108.Zeg:Hetzij gij al of niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden, zij vallen op hunne aangezichten58en aanbidden, zeggende: Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk vervuld!109.Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid.110.Zeg: Roep God aan, of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen59: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte stem60, maar volg een middenweg tusschen deze beiden.111.Zeg: Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.1De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen Israëls.2Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen metvers 75.3Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naarMekkawerd teruggebracht. Deze reis vanMahometnaar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr.Prideaux,life of Mohammed(p. 43, enz.)Morhan,Mohammedanism explained(vol. 2) enAbu’lfeda(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr.Prideauxen van andere schrijvers voorkomen.Mahometzou namelijk door den engelGabriëldoor de hemelen zijn gevoerd op een lastdier,Borakgenaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering vanMoawiyah, een vanMehometsopvolgers, aan (ZieVit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naarJeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dathij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beidâwi).4De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.5Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden vanJesaiah(Al Beidâwi) en het gevangen nemen vanJeremiah(Jallalo’ddin); hunne tweede zonde was het dooden vanZachariasenJohannesden Dooper, en hun verzinnen datJezusdood was (Jallalo’ddin).6Deze warenJalutofGoliathmet zijne strijdmacht (Jallalo’ddin,Yahya), ofSennacherib, de Assyriër, of welNebuchadnezar, die door de Oostersche schrijversBakhtnasrwerd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naamGudarsofRaham) de beheerder vanBabylononderLohorasp, koning vanPerzië(Al Zamakhsari,Al Beidâwi), dieJeruzaleminnam en den tempel verwoestte.7Door David toe te staan,Goliathte dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger vanSennacherib, of door dat God in het hart vanBahman, den zoon vanIsfandyar, toen hij zijn grootvaderLohoraspopvolgde, het denkbeeld legde, aanKireshofCyrus, toen beheerder vanBabylonte bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide vanDaniël; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die doorBaktnasrin het land waren gelaten (Al Zamakhsari,Al Beidâwi).8Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat vanBakhunasrwasYahya,Jallalo’ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen vanGudarz(met wien zijAntiochus Epiphanesschijnen te bedoelen, een der opvolgers vanAlexanderteBabylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de redendaarvanvroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien,zeidehij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed vanJohanneswas, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: “oJohannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven”, waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beidâwi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoeltMahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoestingvanJeruzalemdoor de Romeinen.9En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zijMahometverwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam vanKoreidhauitroeide, en de opperhoofden van die vanAl Nadirdoodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beidâwi).10Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.11Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoonAdamis, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard:Mahometgaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw,Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door hetjammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo’ddin).12Letterlijk “de vogel” welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.13Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.14Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.15Ditis: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.16Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldigaanbuitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beidâwi).17Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.18Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beidâwi).19ZieHoofdst. VI, vers 141en 152 enHoofdst. LXXXI, vers 8en 9.20De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beidâwi).21Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, óf den moordenaar het leven te benemen, óf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zieHoofdstuk II, vers 173–175).22Sommigen passen het voornaamwoordhijop den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (ZieAl Beidâwi).23ZieHoofdstuk IV, vers 2en 5–12.24Of voordeeliger in het einde (Al Beidâwi,Al Zamakshari).25Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beidâwi,Al Zamakshari).26ZieHoofdstuk XVI, vers 59.27Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.28Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.29Al Beidâwizegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!30Zijnde: in uwe graven of in de wereld.31Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beidâwi).32Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarinMahometen zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. ZieMarracciin Alc.p. 28 enz.,Prid.Life of Moh.p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29.Al Beidâwi).33Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.34ZieHoofdstuk VII, vers 71.35Het is algemeen aangenomen, datMahometsreis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis vanAboe Bekrwaarbij de waarheid er van verklaard werd. (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 89 en noot t. a. pl.PrideauxLife of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dienMahometteal Hodeibiyahad, waarin hij zijne intrede teMekkascheen te doen (zieHoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin vanOmmeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beidâwi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers teMedinazijn geopenbaard.36Dieal Zakkumwordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (ZieHoofdstuk XXXVII, vers 60–64.) VolgensSavaryis de Zakkum een doornachtige boom, die inArabiëgroeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was dezeslechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, datMahomethem in de hel plaatste.37ZieHoofdstuk II, vers 32, enHoofdstuk VII, vers 26, enz.38ZieHoofdstuk X, vers 23volg.39Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderenweder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beidâwi).40Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.41Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beidâwi).42De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het teMekkawerd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de Koreïshieten aanMahomettoedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hemMekkate doen verlaten (Al Beidâwi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers teMedinawerd geopenbaard.43Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der Koreïshieten teBedren volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden vanKoreidhaenal Nadir. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).44Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.45De tijd van het laatste avondgebed.46Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtendstond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.47Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beidâwi).48Overeenkomstig eene overlevering vanAbn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beidâwi).49Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat vanBileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordtMahomette zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek vanMekkaen een goede ontvangst teMedina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij vanMekkavluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht teMekkaen een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).50Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engelGabriëlof op de goddelijke openbaring (Al Beidâwi).51Zijnde door het woordKun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden denKoreïshietenverzochten,Mahomette vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en vanDhoe’lkarnein(zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijkeen profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beidâwi).52Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beidâwi).53Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiën als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.54Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.55Wat het leven of wat de opstanding betreft.56Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.57Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den bergSinaïboven de kinderen Israëls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van denNijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, dieMozesaan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, doorMahometzelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de Israëlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de Israëliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beidâwi).58Letterlijk: op hunne kinnen.59Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, datMahometzeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (ZieHoofdstuk VII, vers 179).60Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
Zeventiende Hoofdstuk.De nachtelijke Reis1.Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.
Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.
Geopenbaard teMekka2.—111 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden tempel vanMekkanaar den meer verwijderden tempel vanJeruzalem3heeft overgebracht, waarvan wij den omtrekhebben gezegend, om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet alles.2.En wij gaven aanMozeshet boek der wet en bepaalden dat die tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest.3.O gij, nakomelingen van hen, welke wij metNoachin de ark hebben bewaard4! waarlijk, hij was een dankbare dienaar.4.En wij verklaarden opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende: Gij zult zekerlijk tweemaal5op de aarde kwaad bedrijven, en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen.5.En toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht begiftigd, tegen u af6; zij drongen in de binnenste vertrekken uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld.6.Daarna gaven wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen7en wij schonken u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een talrijker volk.7.Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde bedreigd,tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te bedroeven8en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden veroverd.8.Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn; maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen wij mede terugkeeren en u kastijden9; en wij hebben de hel tot gevangenis voor de ongeloovigen bestemd.9.Waarlijk deze Koran leidt op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen.10.Die goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen ontvangen.11.Want hun, die niet in het volgende leven gelooven, hebben wij eene gestrenge straf bereid.12.De mensch bidt voor het kwade zooals hij voor het goede bidt10, want de mensch is haastig11.13.Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit, en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene duidelijke uitlegging verklaard.14.Het noodlot12van iederen mensch hebben wij om zijn hals bevestigd13, en op den dag der opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden.15.Lees uw boek, (zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene voldoende rekening tegen u opmaken.16.Hij die op den rechten weg zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel, met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te waarschuwen.17.En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten, gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar.18.En hoe vele geslachten hebben wij sedertNoachdoen ondergaan! want uw Heer kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren.19.Hem die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande en beroofd van alle genade.20.Maar hij die het volgende leven kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn.21.Wij verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods gaven zullen niemand worden geweigerd.22.Gedenk hoe wij sommigen hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het volgende leven zal belangrijker zijn in gradenvan eer en van grootere uitnemendheid.23.Plaats geen anderen God naast den waren God; want gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt.24.Uw Heer heeft u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den ouderdom met u bereiken14. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen.25.Wees nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein was.26.God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig zijt.27.Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot hem terugkeeren.28.Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt15, en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen niet roekeloos.29.Want de roekeloozen zijn broederen des duivels16, en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer.30.Maar indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt17, spreek dan ten minste met zachtheid tot hen.31.Laat uwe hand niet aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze18, opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht wordet.32.Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren.33.Doodt uwe kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen: waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden19.34.Vrees het overspel; want het is zonde en eene slechte weg.35.Dood nimmer de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene rechtvaardige zaak mocht zijn20; en wij hebben den naastbestaandevan hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening te vragen21; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden, of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt ondersteund22.36.En bemoei u niet met het vermogen van den wees, behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte23heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend.37.En geef volle maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt24.38.En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt25; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den jongsten dag worden onderzocht.39.Wandel niet trotsch op aarde; want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk worden.40.Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht van uwen Heer.41.Deze voorschriften maken een deel uit van de wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en vernederd wordet.42.Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken, en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen26? Door dit uit te spreken zegt gij eene godslastering.43.Wij hebben verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt, opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten.44.Zeg tot de afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen den bezitter van dentroon te smeden27.45.God behoede; en ver, zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken!46.De zeven hemelen loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging niet. Hij is genadig en barmhartig.47.Als gij den Koran leest, plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven gelooven, een donkeren sluier.48.En wij bedekken hunne harten, opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor.49.En indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer28melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de leer zijner eenheid.50.Wij weten wel met welk doel zij hooren, als zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken, en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts een betooverden man.51.Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden.52.Zij zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden,zullen wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan?53.Antwoord: Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat, volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende: Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij.54.Op dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen, terwijl gij zijn lof verkondigt29en het zal u toeschijnen, als waart gij daar slechts korten tijd verbleven30.55.Zeg tot mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken, opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen, en Satan is een verklaarde vijand der menschen.56.Uw Heer kent u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen31; en wij hebben u niet gezondenom hun bewaarder te wezen.57.Uw Heer kent alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gavenDavidde psalmen32.58.Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren.59.Zij, welke gij aanroept33, begeeren zelven nader met hunnen Heer te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen; zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf van uw Heer is vreeselijk.60.Er is geene stad, welke wij niet vóór den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer eeuwige besluiten opgeschreven.61.Niets had ons verhinderd, u met wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog hebben beschuldigd. Wij gaven den stam vanThamoedop zijn verzoek, zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede34, en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te boezemen.62.Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald35, hetwelk wij u toonden, en ook den boom36, dien wij in den Koran hebben gevloekt, alleen toteene aanleiding van twist voor de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts met meer weerspannigheid doen zondigen.63.En gedenk, toen wij tot de engelen zeiden: AanbidtAdam, en zij baden hem allen aan, behalveEblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei hebt geschapen?64.En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien, een klein getal uitgezonderd.65.God antwoordde: Vertrek; ik geef u uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen: waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden37.66.En lok door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften, (doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen).67.Wat mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem stellen.68.Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u.69.Als u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden terug; want de mensch is ondankbaar38.70.Zijt gij dus zeker dat hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen.71.Of zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan verdedigen.72.En wij hebben de kinderen vanAdammet onderscheidene bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen.73.Op een zekeren dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden39te worden geoordeeld,en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen en geen haar zal hun gekrenkt worden40.74.En wie in dit leven blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen.75.Het scheelde slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht, u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij u als hunnen vriend hebben beschouwd.76.En indien wij u niet hadden bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins tot hen over te hellen.77.Dan zouden wij u zekerlijk de straf des levens en de straf des doods41hebben doen ondervinden, en gij zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen.78.De ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten, om u daaruit te verdrijven42; maar dan zouden zij daarin niet dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven43.79.Dit is de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij hebben gevolgd.80.Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon44, bij de eerste duisternis van den nacht45en het gebed van den ochtendstond46: want het gebed van denochtendstond geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven47.81.En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle plaats oproepen48.82.En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan49en verleen mij eene ondersteunende macht voor u.83.En zeg: de waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd om te ontvlieden.84.Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten.85.Als wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt hij aan onze barmhartigheid.86.Ieder handelt naar zijne eigene wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg wordt geleid.87.Zij zullen u ondervragen omtrent den geest50, antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer51; maar er zijn slechts weinigen onder udie kennis hebben52.88.Indien het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard53. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin tegen ons zou hebben bijgestaan.89.Tenzij door de genade van uwen Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot.90.Zeg: Waarlijk; indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van hen den ander zou ondersteunen.91.En wij hebben in dezen Koran den menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven, maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die te ontvangen.92.Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij een waterstraal voor ons uit de aarde doetopspringen.93.Of indien gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het midden rivieren in overvloed doet ontspringen.94.Of indien gij een deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen doet verschijnen, om borg voor u te blijven.95.Of dat gij een huis van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen54, tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt afgevaardigd.96.En niets verhindert de menschen te gelooven, als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God een mensch als zijn gezant nedergezonden?97.Antwoord: Indien de engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben nedergezonden.98.Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij en u; want hij kent en ziet zijne dienaren.99.Wie door God geleid wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen.100.Dit zal hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn, zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan?101.Zien zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen een beperkten tijd bepaald55: dit is ontwijfelbaar; maar de goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof.102.Zeg: Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten56; want de mensch is begeerlijk.103.Wij gaven vroeger aanMozesde macht om negen duidelijke teekens te toonen57. En vraag de kinderenIsraëlsnopens het verhaal vanMozes, toen hij tot hen kwam enPharaotot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, oMozes! door eene betoovering beheerscht zijt.104.Mozesantwoordde: Gij weet wel, dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, oPharao! een verloren man zijt.105.Daarom wildePharaohen uit het land drijven, maar wij deden hem verdrinken, en allen die met hem waren.106.En wij zeiden na zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder; en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot aankondigen van bedreigingen.107.Wij hebben den Koran gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden, naar gelang de gelegenheid dit vereischte.108.Zeg:Hetzij gij al of niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden, zij vallen op hunne aangezichten58en aanbidden, zeggende: Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk vervuld!109.Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid.110.Zeg: Roep God aan, of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen59: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte stem60, maar volg een middenweg tusschen deze beiden.111.Zeg: Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden tempel vanMekkanaar den meer verwijderden tempel vanJeruzalem3heeft overgebracht, waarvan wij den omtrekhebben gezegend, om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet alles.2.En wij gaven aanMozeshet boek der wet en bepaalden dat die tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest.3.O gij, nakomelingen van hen, welke wij metNoachin de ark hebben bewaard4! waarlijk, hij was een dankbare dienaar.4.En wij verklaarden opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende: Gij zult zekerlijk tweemaal5op de aarde kwaad bedrijven, en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen.5.En toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht begiftigd, tegen u af6; zij drongen in de binnenste vertrekken uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld.6.Daarna gaven wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen7en wij schonken u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een talrijker volk.7.Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde bedreigd,tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te bedroeven8en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden veroverd.8.Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn; maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen wij mede terugkeeren en u kastijden9; en wij hebben de hel tot gevangenis voor de ongeloovigen bestemd.9.Waarlijk deze Koran leidt op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen.10.Die goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen ontvangen.11.Want hun, die niet in het volgende leven gelooven, hebben wij eene gestrenge straf bereid.12.De mensch bidt voor het kwade zooals hij voor het goede bidt10, want de mensch is haastig11.13.Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit, en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene duidelijke uitlegging verklaard.14.Het noodlot12van iederen mensch hebben wij om zijn hals bevestigd13, en op den dag der opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden.15.Lees uw boek, (zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene voldoende rekening tegen u opmaken.16.Hij die op den rechten weg zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel, met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te waarschuwen.17.En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten, gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar.18.En hoe vele geslachten hebben wij sedertNoachdoen ondergaan! want uw Heer kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren.19.Hem die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande en beroofd van alle genade.20.Maar hij die het volgende leven kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn.21.Wij verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods gaven zullen niemand worden geweigerd.22.Gedenk hoe wij sommigen hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het volgende leven zal belangrijker zijn in gradenvan eer en van grootere uitnemendheid.23.Plaats geen anderen God naast den waren God; want gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt.24.Uw Heer heeft u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den ouderdom met u bereiken14. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen.25.Wees nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein was.26.God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig zijt.27.Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot hem terugkeeren.28.Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt15, en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen niet roekeloos.29.Want de roekeloozen zijn broederen des duivels16, en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer.30.Maar indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt17, spreek dan ten minste met zachtheid tot hen.31.Laat uwe hand niet aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze18, opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht wordet.32.Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren.33.Doodt uwe kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen: waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden19.34.Vrees het overspel; want het is zonde en eene slechte weg.35.Dood nimmer de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene rechtvaardige zaak mocht zijn20; en wij hebben den naastbestaandevan hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening te vragen21; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden, of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt ondersteund22.36.En bemoei u niet met het vermogen van den wees, behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte23heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend.37.En geef volle maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt24.38.En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt25; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den jongsten dag worden onderzocht.39.Wandel niet trotsch op aarde; want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk worden.40.Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht van uwen Heer.41.Deze voorschriften maken een deel uit van de wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en vernederd wordet.42.Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken, en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen26? Door dit uit te spreken zegt gij eene godslastering.43.Wij hebben verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt, opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten.44.Zeg tot de afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen den bezitter van dentroon te smeden27.45.God behoede; en ver, zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken!46.De zeven hemelen loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging niet. Hij is genadig en barmhartig.47.Als gij den Koran leest, plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven gelooven, een donkeren sluier.48.En wij bedekken hunne harten, opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor.49.En indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer28melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de leer zijner eenheid.50.Wij weten wel met welk doel zij hooren, als zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken, en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts een betooverden man.51.Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden.52.Zij zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden,zullen wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan?53.Antwoord: Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat, volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende: Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij.54.Op dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen, terwijl gij zijn lof verkondigt29en het zal u toeschijnen, als waart gij daar slechts korten tijd verbleven30.55.Zeg tot mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken, opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen, en Satan is een verklaarde vijand der menschen.56.Uw Heer kent u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen31; en wij hebben u niet gezondenom hun bewaarder te wezen.57.Uw Heer kent alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gavenDavidde psalmen32.58.Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren.59.Zij, welke gij aanroept33, begeeren zelven nader met hunnen Heer te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen; zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf van uw Heer is vreeselijk.60.Er is geene stad, welke wij niet vóór den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer eeuwige besluiten opgeschreven.61.Niets had ons verhinderd, u met wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog hebben beschuldigd. Wij gaven den stam vanThamoedop zijn verzoek, zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede34, en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te boezemen.62.Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald35, hetwelk wij u toonden, en ook den boom36, dien wij in den Koran hebben gevloekt, alleen toteene aanleiding van twist voor de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts met meer weerspannigheid doen zondigen.63.En gedenk, toen wij tot de engelen zeiden: AanbidtAdam, en zij baden hem allen aan, behalveEblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei hebt geschapen?64.En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien, een klein getal uitgezonderd.65.God antwoordde: Vertrek; ik geef u uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen: waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden37.66.En lok door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften, (doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen).67.Wat mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem stellen.68.Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u.69.Als u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden terug; want de mensch is ondankbaar38.70.Zijt gij dus zeker dat hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen.71.Of zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan verdedigen.72.En wij hebben de kinderen vanAdammet onderscheidene bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen.73.Op een zekeren dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden39te worden geoordeeld,en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen en geen haar zal hun gekrenkt worden40.74.En wie in dit leven blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen.75.Het scheelde slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht, u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij u als hunnen vriend hebben beschouwd.76.En indien wij u niet hadden bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins tot hen over te hellen.77.Dan zouden wij u zekerlijk de straf des levens en de straf des doods41hebben doen ondervinden, en gij zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen.78.De ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten, om u daaruit te verdrijven42; maar dan zouden zij daarin niet dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven43.79.Dit is de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij hebben gevolgd.80.Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon44, bij de eerste duisternis van den nacht45en het gebed van den ochtendstond46: want het gebed van denochtendstond geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven47.81.En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle plaats oproepen48.82.En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan49en verleen mij eene ondersteunende macht voor u.83.En zeg: de waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd om te ontvlieden.84.Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten.85.Als wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt hij aan onze barmhartigheid.86.Ieder handelt naar zijne eigene wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg wordt geleid.87.Zij zullen u ondervragen omtrent den geest50, antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer51; maar er zijn slechts weinigen onder udie kennis hebben52.88.Indien het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard53. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin tegen ons zou hebben bijgestaan.89.Tenzij door de genade van uwen Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot.90.Zeg: Waarlijk; indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van hen den ander zou ondersteunen.91.En wij hebben in dezen Koran den menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven, maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die te ontvangen.92.Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij een waterstraal voor ons uit de aarde doetopspringen.93.Of indien gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het midden rivieren in overvloed doet ontspringen.94.Of indien gij een deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen doet verschijnen, om borg voor u te blijven.95.Of dat gij een huis van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen54, tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt afgevaardigd.96.En niets verhindert de menschen te gelooven, als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God een mensch als zijn gezant nedergezonden?97.Antwoord: Indien de engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben nedergezonden.98.Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij en u; want hij kent en ziet zijne dienaren.99.Wie door God geleid wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen.100.Dit zal hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn, zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan?101.Zien zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen een beperkten tijd bepaald55: dit is ontwijfelbaar; maar de goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof.102.Zeg: Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten56; want de mensch is begeerlijk.103.Wij gaven vroeger aanMozesde macht om negen duidelijke teekens te toonen57. En vraag de kinderenIsraëlsnopens het verhaal vanMozes, toen hij tot hen kwam enPharaotot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, oMozes! door eene betoovering beheerscht zijt.104.Mozesantwoordde: Gij weet wel, dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, oPharao! een verloren man zijt.105.Daarom wildePharaohen uit het land drijven, maar wij deden hem verdrinken, en allen die met hem waren.106.En wij zeiden na zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder; en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot aankondigen van bedreigingen.107.Wij hebben den Koran gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden, naar gelang de gelegenheid dit vereischte.108.Zeg:Hetzij gij al of niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden, zij vallen op hunne aangezichten58en aanbidden, zeggende: Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk vervuld!109.Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid.110.Zeg: Roep God aan, of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen59: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte stem60, maar volg een middenweg tusschen deze beiden.111.Zeg: Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.
1De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen Israëls.2Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen metvers 75.3Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naarMekkawerd teruggebracht. Deze reis vanMahometnaar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr.Prideaux,life of Mohammed(p. 43, enz.)Morhan,Mohammedanism explained(vol. 2) enAbu’lfeda(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr.Prideauxen van andere schrijvers voorkomen.Mahometzou namelijk door den engelGabriëldoor de hemelen zijn gevoerd op een lastdier,Borakgenaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering vanMoawiyah, een vanMehometsopvolgers, aan (ZieVit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naarJeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dathij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beidâwi).4De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.5Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden vanJesaiah(Al Beidâwi) en het gevangen nemen vanJeremiah(Jallalo’ddin); hunne tweede zonde was het dooden vanZachariasenJohannesden Dooper, en hun verzinnen datJezusdood was (Jallalo’ddin).6Deze warenJalutofGoliathmet zijne strijdmacht (Jallalo’ddin,Yahya), ofSennacherib, de Assyriër, of welNebuchadnezar, die door de Oostersche schrijversBakhtnasrwerd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naamGudarsofRaham) de beheerder vanBabylononderLohorasp, koning vanPerzië(Al Zamakhsari,Al Beidâwi), dieJeruzaleminnam en den tempel verwoestte.7Door David toe te staan,Goliathte dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger vanSennacherib, of door dat God in het hart vanBahman, den zoon vanIsfandyar, toen hij zijn grootvaderLohoraspopvolgde, het denkbeeld legde, aanKireshofCyrus, toen beheerder vanBabylonte bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide vanDaniël; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die doorBaktnasrin het land waren gelaten (Al Zamakhsari,Al Beidâwi).8Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat vanBakhunasrwasYahya,Jallalo’ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen vanGudarz(met wien zijAntiochus Epiphanesschijnen te bedoelen, een der opvolgers vanAlexanderteBabylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de redendaarvanvroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien,zeidehij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed vanJohanneswas, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: “oJohannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven”, waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beidâwi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoeltMahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoestingvanJeruzalemdoor de Romeinen.9En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zijMahometverwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam vanKoreidhauitroeide, en de opperhoofden van die vanAl Nadirdoodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beidâwi).10Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.11Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoonAdamis, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard:Mahometgaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw,Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door hetjammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo’ddin).12Letterlijk “de vogel” welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.13Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.14Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.15Ditis: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.16Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldigaanbuitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beidâwi).17Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.18Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beidâwi).19ZieHoofdst. VI, vers 141en 152 enHoofdst. LXXXI, vers 8en 9.20De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beidâwi).21Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, óf den moordenaar het leven te benemen, óf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zieHoofdstuk II, vers 173–175).22Sommigen passen het voornaamwoordhijop den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (ZieAl Beidâwi).23ZieHoofdstuk IV, vers 2en 5–12.24Of voordeeliger in het einde (Al Beidâwi,Al Zamakshari).25Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beidâwi,Al Zamakshari).26ZieHoofdstuk XVI, vers 59.27Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.28Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.29Al Beidâwizegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!30Zijnde: in uwe graven of in de wereld.31Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beidâwi).32Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarinMahometen zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. ZieMarracciin Alc.p. 28 enz.,Prid.Life of Moh.p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29.Al Beidâwi).33Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.34ZieHoofdstuk VII, vers 71.35Het is algemeen aangenomen, datMahometsreis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis vanAboe Bekrwaarbij de waarheid er van verklaard werd. (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 89 en noot t. a. pl.PrideauxLife of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dienMahometteal Hodeibiyahad, waarin hij zijne intrede teMekkascheen te doen (zieHoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin vanOmmeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beidâwi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers teMedinazijn geopenbaard.36Dieal Zakkumwordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (ZieHoofdstuk XXXVII, vers 60–64.) VolgensSavaryis de Zakkum een doornachtige boom, die inArabiëgroeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was dezeslechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, datMahomethem in de hel plaatste.37ZieHoofdstuk II, vers 32, enHoofdstuk VII, vers 26, enz.38ZieHoofdstuk X, vers 23volg.39Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderenweder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beidâwi).40Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.41Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beidâwi).42De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het teMekkawerd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de Koreïshieten aanMahomettoedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hemMekkate doen verlaten (Al Beidâwi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers teMedinawerd geopenbaard.43Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der Koreïshieten teBedren volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden vanKoreidhaenal Nadir. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).44Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.45De tijd van het laatste avondgebed.46Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtendstond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.47Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beidâwi).48Overeenkomstig eene overlevering vanAbn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beidâwi).49Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat vanBileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordtMahomette zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek vanMekkaen een goede ontvangst teMedina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij vanMekkavluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht teMekkaen een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).50Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engelGabriëlof op de goddelijke openbaring (Al Beidâwi).51Zijnde door het woordKun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden denKoreïshietenverzochten,Mahomette vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en vanDhoe’lkarnein(zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijkeen profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beidâwi).52Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beidâwi).53Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiën als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.54Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.55Wat het leven of wat de opstanding betreft.56Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.57Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den bergSinaïboven de kinderen Israëls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van denNijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, dieMozesaan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, doorMahometzelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de Israëlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de Israëliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beidâwi).58Letterlijk: op hunne kinnen.59Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, datMahometzeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (ZieHoofdstuk VII, vers 179).60Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
1De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen Israëls.
2Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen metvers 75.
3Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naarMekkawerd teruggebracht. Deze reis vanMahometnaar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr.Prideaux,life of Mohammed(p. 43, enz.)Morhan,Mohammedanism explained(vol. 2) enAbu’lfeda(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr.Prideauxen van andere schrijvers voorkomen.Mahometzou namelijk door den engelGabriëldoor de hemelen zijn gevoerd op een lastdier,Borakgenaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering vanMoawiyah, een vanMehometsopvolgers, aan (ZieVit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naarJeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dathij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beidâwi).
4De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.
5Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden vanJesaiah(Al Beidâwi) en het gevangen nemen vanJeremiah(Jallalo’ddin); hunne tweede zonde was het dooden vanZachariasenJohannesden Dooper, en hun verzinnen datJezusdood was (Jallalo’ddin).
6Deze warenJalutofGoliathmet zijne strijdmacht (Jallalo’ddin,Yahya), ofSennacherib, de Assyriër, of welNebuchadnezar, die door de Oostersche schrijversBakhtnasrwerd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naamGudarsofRaham) de beheerder vanBabylononderLohorasp, koning vanPerzië(Al Zamakhsari,Al Beidâwi), dieJeruzaleminnam en den tempel verwoestte.
7Door David toe te staan,Goliathte dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger vanSennacherib, of door dat God in het hart vanBahman, den zoon vanIsfandyar, toen hij zijn grootvaderLohoraspopvolgde, het denkbeeld legde, aanKireshofCyrus, toen beheerder vanBabylonte bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide vanDaniël; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die doorBaktnasrin het land waren gelaten (Al Zamakhsari,Al Beidâwi).
8Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat vanBakhunasrwasYahya,Jallalo’ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen vanGudarz(met wien zijAntiochus Epiphanesschijnen te bedoelen, een der opvolgers vanAlexanderteBabylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de redendaarvanvroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien,zeidehij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed vanJohanneswas, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: “oJohannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven”, waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beidâwi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoeltMahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoestingvanJeruzalemdoor de Romeinen.
9En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zijMahometverwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam vanKoreidhauitroeide, en de opperhoofden van die vanAl Nadirdoodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beidâwi).
10Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.
11Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoonAdamis, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard:Mahometgaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw,Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door hetjammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo’ddin).
12Letterlijk “de vogel” welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.
13Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.
14Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.
15Ditis: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.
16Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldigaanbuitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beidâwi).
17Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.
18Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beidâwi).
19ZieHoofdst. VI, vers 141en 152 enHoofdst. LXXXI, vers 8en 9.
20De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beidâwi).
21Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, óf den moordenaar het leven te benemen, óf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zieHoofdstuk II, vers 173–175).
22Sommigen passen het voornaamwoordhijop den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (ZieAl Beidâwi).
23ZieHoofdstuk IV, vers 2en 5–12.
24Of voordeeliger in het einde (Al Beidâwi,Al Zamakshari).
25Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beidâwi,Al Zamakshari).
26ZieHoofdstuk XVI, vers 59.
27Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.
28Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.
29Al Beidâwizegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!
30Zijnde: in uwe graven of in de wereld.
31Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beidâwi).
32Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarinMahometen zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. ZieMarracciin Alc.p. 28 enz.,Prid.Life of Moh.p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29.Al Beidâwi).
33Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.
34ZieHoofdstuk VII, vers 71.
35Het is algemeen aangenomen, datMahometsreis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis vanAboe Bekrwaarbij de waarheid er van verklaard werd. (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 89 en noot t. a. pl.PrideauxLife of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dienMahometteal Hodeibiyahad, waarin hij zijne intrede teMekkascheen te doen (zieHoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin vanOmmeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beidâwi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers teMedinazijn geopenbaard.
36Dieal Zakkumwordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (ZieHoofdstuk XXXVII, vers 60–64.) VolgensSavaryis de Zakkum een doornachtige boom, die inArabiëgroeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was dezeslechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, datMahomethem in de hel plaatste.
37ZieHoofdstuk II, vers 32, enHoofdstuk VII, vers 26, enz.
38ZieHoofdstuk X, vers 23volg.
39Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderenweder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beidâwi).
40Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.
41Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beidâwi).
42De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het teMekkawerd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de Koreïshieten aanMahomettoedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hemMekkate doen verlaten (Al Beidâwi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers teMedinawerd geopenbaard.
43Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der Koreïshieten teBedren volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden vanKoreidhaenal Nadir. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
44Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.
45De tijd van het laatste avondgebed.
46Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtendstond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.
47Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beidâwi).
48Overeenkomstig eene overlevering vanAbn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beidâwi).
49Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat vanBileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordtMahomette zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek vanMekkaen een goede ontvangst teMedina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij vanMekkavluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht teMekkaen een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
50Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engelGabriëlof op de goddelijke openbaring (Al Beidâwi).
51Zijnde door het woordKun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden denKoreïshietenverzochten,Mahomette vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en vanDhoe’lkarnein(zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijkeen profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beidâwi).
52Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beidâwi).
53Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiën als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.
54Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.
55Wat het leven of wat de opstanding betreft.
56Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.
57Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den bergSinaïboven de kinderen Israëls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van denNijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, dieMozesaan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, doorMahometzelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de Israëlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de Israëliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beidâwi).
58Letterlijk: op hunne kinnen.
59Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, datMahometzeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (ZieHoofdstuk VII, vers 179).
60Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.