HOOFDSTUK XII.Het gerucht ging, dat de kommando’s van Pretoria, Vrijheid en Utrecht onmiddellijk zouden oprukken naar Dundee, om generaal Symons, die zich ginds had verschanst, te verdrijven of in te sluiten, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich de familie Wessels bevond, rechts zou aanhouden, om de spoorlijn tusschen Ladysmith en Glencoe op te breken, en een sterke stelling in te nemen in de passen van den Waschbankberg.Kees en Karel vlasten geweldig op een spoedige ontmoeting met den vijand, en verzochten hun vader, bij een dier naar Dundee oprukkende kommando’s, bij welke zich trouwens heel wat familieleden en kennissen der Wessels’ bevonden, te worden overgeplaatst. Na eenige aarzeling gaf de oude Wessels zijn toestemming, en daar ook de bevelvoerende veldkornet, die hierover te beslissen had, zijn bewilliging gaf, trokken Kees en Karel met het Vrijheid-kommando op naar Dundee, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich o. a. Gijs Wessels met zijn beide zonen Louis en Danie bevonden, midden in den nacht oprukte naar Elandslaagte.Het was koud dien nacht, en er veegde een ijzige wind over het gebergte. Danie reed naast zijn vader; hij was in een langen regenjas gedoken, en bibberde van de koude. Midden in den tocht werd de weg versperd door een ammunitiewagen, waarvaneen achterwiel was vastgeloopen, en eerst toen het gebrek was verholpen, kon de tocht worden voortgezet. Toen de zon opging, werd halt gehouden, en de kommandant gaf bevel, om af te zadelen. De paarden werden gekniehalsterd, schildwachten uitgezet, en de moede ruiters vleiden zich, in hun kombaarzen gehuld, lang uit op den grond.Danie was spoedig in diepen slaap, doch de oude Wessels voelde geen behoefte om te rusten, en zette zich op een klipsteen naast zijn zoon. Hij had er op dit oogenblik toch weer spijt van, dat hij zijn jongen had meegenomen, want hij was niet sterk, en zijn bleek gelaat verried reeds de ongewone vermoeienissen van den veldtocht. Hij had het hoofd gelegd op een zadel, maar de bezorgde vader vond het zadel te hard, trok zijn overjas uit, en schoof dien opgerold in de plaats van het zadel.De zon rees nu op boven de heuvelen, en viel warm en koesterend op het slapende kommando.Die warmte en de rust deden Danie goed; er kwam weer wat kleur op zijn bleek gelaat. Doch nu klonk de korte, doordringende stoot van een hoorn: het sein, om op te zadelen, en de marsch werd hervat, totdat de koppen der Biggarsbergen zichtbaar werden.Generaal Kock zond eenige patrouilles uit, om die passen te verkennen, doch er werd geen vijand ontdekt, en men passeerde onbelemmerd de enge, gevaarlijke passen. Er werd niet dan de noodzakelijkste rust genomen, en de tocht werd voortgezet, totdat de avond viel, en regen en duisternis tot stilstand dwongen.Het was een treurige nacht. Er kon geen vuur worden aangelegd, daar er aan geen brandhout was te komen, en tenten waren er niet, daar de ossenwagens, die den legertros vormden, onmogelijk het kommando konden bijhouden. De paarden hadden het slecht, want de velden waren dor en kaal, maar de manschappen hadden het nog slechter, en wierpen zich in den kouden, stroomenden regen zwijgend neder op den doorweekten grond.Danie leed veel in dezen nacht, maar hij hield zich dapper, en elken keer, dat de medelijdende blik van zijn vader op hem rustte, kwam er een kleine glimlach op zijn gelaat, alsof hij wilde zeggen: „Stil maar, ’t zal wel gaan.”Louis kon er uitstekend tegen; hij had een ijzersterk gestel,rolde zich in zijn regenmantel, en sliep als een os. Doch de meeste Boeren konden niet slapen; zij stonden op uit hun modderbedden, en drentelden mismoedig op en neer om warm te worden. Barend volgde hun voorbeeld, rekte de stramme leden en schreeuwde met een gebiedende stem: „Aannemen—een grokje, maar een beetje straf als je blieft,” waarop zijn makkers in spijt van hun treurigen toestand toch in een luiden schaterlach uitbarstten.Het was nog nacht, toen in alle stilte werd opgezadeld, en in den voormiddag werd de omtrek van Elandslaagte bereikt.De voorhoede van Kock’s leger had reeds den dag te voren Elandslaagte bereikt, de spoorlijn op verscheiden plaatsen opgebroken, en een Engelschen proviandtrein bemachtigd.Het werd een heerlijke dag; de zon straalde aan den wolkeloozen hemel; onze verkleumde Boeren konden hun hart ophalen aan spijs en drank, en uitrusten van de ontberingen.Zoo gaat het immers in den oorlog. Hij is vol buitensporigheden, wisselvalligheden en tegenstrijdigheden. Men zal vier en twintig uur onafgebroken in het zadel moeten zitten, om dan weer zestien uur aan één stuk te kunnen uitslapen; men zal vandaag al zijn bezittingen willen geven voor één dronk water, en morgen een vijandelijk convooi machtig worden, en de champagne, bestemd voor de Engelsche officieren, drinken als water; den eenen dag zal men met de honden vechten om een afgekloven been, om den volgenden dag de fijne blikjes ingemaakte zalm op te peuzelen, te Dundee buitgemaakt. Gebrek en overdaad, armoede en rijkdom, ontbering en genot—nooit en nergens wisselen zij elkander veelvuldiger en plotselinger af dan op het oorlogsveld.Voor onzen Barend vooral leek nu alles weer enkel voorspoed en zonneschijn.Hij had een geduchten honger meegebracht naar Elandslaagte, en hij had den neus in den wind gestoken als een jagershond, die het wild ruikt. En hij had een fijne neus, die Barend, dat Blikoortje! De jacht had nog geen twintig minuten geduurd, of hij zat reeds bij eenige gulhartige Hollanders aan het maal, kloof de gebraden schapenribbetjes, dronk het schuimende gerstebier, en vermaakte het geheele gezelschap door zijn koddige, wonderlijke invallen.Toen zijn maag goed gevuld was, verliet hij zijn vriendelijke gastheeren, om zijn maats, de familie Wessels, te zoeken. Hij stak de handen in zijn zak, floot een vroolijk deuntje, zat een kat na, die hem nooit kwaad had gedaan, en ontmoette de vrienden aan den voet van een hoogen heuvel.Zij hadden een vuur aangelegd, een keteltje opgehangen en koffie gezet, terwijl op den grond, dicht bij het vuur, een zakje lag met biltong en harde beschuit, door tante Sannie gebakken.Baas Wessels was in opgeruimde stemming; Danie at met smaak de harde beschuit, en Louis, die reeds gegeten had, lag lang uitgestrekt te slapen, terwijl Pluto hem tot kussen diende.„Zoo Barend—hoe heb je ’t gehad?” vraagde baas Wessels; „we hebben nog wat over in den knapzak voor jou, vent!”„Dank je wel,” antwoordde Barend met waardigheid; „ik ben aan de gebraden schapeboutjes geweest.”„Dan heb je ’t nog beter dan wij,” lachte Danie, „kun je ons ook niet aan zoo’n schapeboutje helpen?”„Aan een schapeboutje niet, maar aan een gebraden haantje—ja, dat zou gaan,” meende Barend.„Toon je kunsten dan maar eens,” zeide Danie.„Goed,” antwoordde Barend, en den hoogen heuvel beklimmend, aan welks voet de familie gekampeerd was, plaatste hij de holle hand voor den mond, en begon het kikeriki van den haan met werkelijk meesterlijke kunstvaardigheid na te bootsen.Maar er volgde geen antwoord.Toen draaide hij zich om, en kraaide in de tegenovergestelde richting.„Hoe staat het er bij?” riep Danie van beneden.„’t Is klaar, kerel!” riep Barend triomfantelijk terug; „ik hoor hem al.”Inderdaad hoorde men uit de verte het kraaien van een haan, en Danie snelde met Barend in die richting weg.„Daar is het!” zeide Barend, toen zij, na verscheiden heuvelruggen te zijn overgeklouterd, dicht bij een kleine beek een oude boerenwoning ontdekten.Het hek stond open; zij liepen het erf op naar de huisdeur.Het geheel maakte een verlaten en diep treurigen indruk. Bij het hondehok lag een ketting met een halsband, doch de hond was weg; achter het huis stond een kar met een gebroken as,en op den nok van het rieten dak zaten een paar eenzame duiven nieuwsgierig te kijken.Barend opende de huisdeur; zij was ongegrendeld. Beiden stapten het voorhuis in.De sintels glommen nog in den haard: een bewijs, dat de bewoners zoo pas waren gevlucht, doch dat het een overhaaste vlucht was geweest, kon men aan alles merken. De vloer was bedekt met oude vodden, afgedragen schoenen en weggeworpen papieren. Een oude stoel met ingetrapte zitting en gebroken sporten stond in een hoek, en tusschen het verstrooide bedstroo lagen scherven aardewerk.De spiegel lag weggeworpen bij den haard; het glas was gebroken. Bij het afnemen van den muur was dit ongeluk waarschijnlijk gebeurd, en het loonde nu de moeite niet meer, om den spiegel mee te nemen. Zoo was hij dan maar achtergebleven.Een kat sloop het voorhuis door, keek de vreemdelingen aan met schuwen, angstigen blik, en vluchtte naar buiten. Barend echter dacht er dezen keer niet aan, om het arme dier na te jagen; hij haastte zich met Danie weer naar buiten, om aan dit tooneel van wanorde, verwoesting en verlatenheid den rug te kunnen keeren.Beiden begaven zich naar het kippenhok, dat tegen een lagen zijmuur van het huis was gebouwd, doch het hok was leeg. Slechts stond er een gebarsten aarden pan in met eenig drabbig water, terwijl op den grond eenige handvollen gerstekorrels lagen rondgestrooid.Barend keek nu achter het huis, waar hij den gezochten haan met langzame schreden over den mesthoop zag loopen.„Nu zal ik een meesterschot doen,” zeide Barend, nam het geweer van den schouder, en joeg den haan een kogel door den kop. Het dier buitelde nog eenige keeren om, sloeg de vleugels wijd uit en bleef met strakke pooten liggen.Gijs Wessels keek toch verwonderd op, toen hij Barend met den buit in de hand zag naderen. De haan werd snel geplukt, geslacht, en aan het spit boven het vuur gebraden.Dat was nog eens een maaltijd!Danie had in geen veertien dagen zoo lekker gesmuld!
HOOFDSTUK XII.Het gerucht ging, dat de kommando’s van Pretoria, Vrijheid en Utrecht onmiddellijk zouden oprukken naar Dundee, om generaal Symons, die zich ginds had verschanst, te verdrijven of in te sluiten, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich de familie Wessels bevond, rechts zou aanhouden, om de spoorlijn tusschen Ladysmith en Glencoe op te breken, en een sterke stelling in te nemen in de passen van den Waschbankberg.Kees en Karel vlasten geweldig op een spoedige ontmoeting met den vijand, en verzochten hun vader, bij een dier naar Dundee oprukkende kommando’s, bij welke zich trouwens heel wat familieleden en kennissen der Wessels’ bevonden, te worden overgeplaatst. Na eenige aarzeling gaf de oude Wessels zijn toestemming, en daar ook de bevelvoerende veldkornet, die hierover te beslissen had, zijn bewilliging gaf, trokken Kees en Karel met het Vrijheid-kommando op naar Dundee, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich o. a. Gijs Wessels met zijn beide zonen Louis en Danie bevonden, midden in den nacht oprukte naar Elandslaagte.Het was koud dien nacht, en er veegde een ijzige wind over het gebergte. Danie reed naast zijn vader; hij was in een langen regenjas gedoken, en bibberde van de koude. Midden in den tocht werd de weg versperd door een ammunitiewagen, waarvaneen achterwiel was vastgeloopen, en eerst toen het gebrek was verholpen, kon de tocht worden voortgezet. Toen de zon opging, werd halt gehouden, en de kommandant gaf bevel, om af te zadelen. De paarden werden gekniehalsterd, schildwachten uitgezet, en de moede ruiters vleiden zich, in hun kombaarzen gehuld, lang uit op den grond.Danie was spoedig in diepen slaap, doch de oude Wessels voelde geen behoefte om te rusten, en zette zich op een klipsteen naast zijn zoon. Hij had er op dit oogenblik toch weer spijt van, dat hij zijn jongen had meegenomen, want hij was niet sterk, en zijn bleek gelaat verried reeds de ongewone vermoeienissen van den veldtocht. Hij had het hoofd gelegd op een zadel, maar de bezorgde vader vond het zadel te hard, trok zijn overjas uit, en schoof dien opgerold in de plaats van het zadel.De zon rees nu op boven de heuvelen, en viel warm en koesterend op het slapende kommando.Die warmte en de rust deden Danie goed; er kwam weer wat kleur op zijn bleek gelaat. Doch nu klonk de korte, doordringende stoot van een hoorn: het sein, om op te zadelen, en de marsch werd hervat, totdat de koppen der Biggarsbergen zichtbaar werden.Generaal Kock zond eenige patrouilles uit, om die passen te verkennen, doch er werd geen vijand ontdekt, en men passeerde onbelemmerd de enge, gevaarlijke passen. Er werd niet dan de noodzakelijkste rust genomen, en de tocht werd voortgezet, totdat de avond viel, en regen en duisternis tot stilstand dwongen.Het was een treurige nacht. Er kon geen vuur worden aangelegd, daar er aan geen brandhout was te komen, en tenten waren er niet, daar de ossenwagens, die den legertros vormden, onmogelijk het kommando konden bijhouden. De paarden hadden het slecht, want de velden waren dor en kaal, maar de manschappen hadden het nog slechter, en wierpen zich in den kouden, stroomenden regen zwijgend neder op den doorweekten grond.Danie leed veel in dezen nacht, maar hij hield zich dapper, en elken keer, dat de medelijdende blik van zijn vader op hem rustte, kwam er een kleine glimlach op zijn gelaat, alsof hij wilde zeggen: „Stil maar, ’t zal wel gaan.”Louis kon er uitstekend tegen; hij had een ijzersterk gestel,rolde zich in zijn regenmantel, en sliep als een os. Doch de meeste Boeren konden niet slapen; zij stonden op uit hun modderbedden, en drentelden mismoedig op en neer om warm te worden. Barend volgde hun voorbeeld, rekte de stramme leden en schreeuwde met een gebiedende stem: „Aannemen—een grokje, maar een beetje straf als je blieft,” waarop zijn makkers in spijt van hun treurigen toestand toch in een luiden schaterlach uitbarstten.Het was nog nacht, toen in alle stilte werd opgezadeld, en in den voormiddag werd de omtrek van Elandslaagte bereikt.De voorhoede van Kock’s leger had reeds den dag te voren Elandslaagte bereikt, de spoorlijn op verscheiden plaatsen opgebroken, en een Engelschen proviandtrein bemachtigd.Het werd een heerlijke dag; de zon straalde aan den wolkeloozen hemel; onze verkleumde Boeren konden hun hart ophalen aan spijs en drank, en uitrusten van de ontberingen.Zoo gaat het immers in den oorlog. Hij is vol buitensporigheden, wisselvalligheden en tegenstrijdigheden. Men zal vier en twintig uur onafgebroken in het zadel moeten zitten, om dan weer zestien uur aan één stuk te kunnen uitslapen; men zal vandaag al zijn bezittingen willen geven voor één dronk water, en morgen een vijandelijk convooi machtig worden, en de champagne, bestemd voor de Engelsche officieren, drinken als water; den eenen dag zal men met de honden vechten om een afgekloven been, om den volgenden dag de fijne blikjes ingemaakte zalm op te peuzelen, te Dundee buitgemaakt. Gebrek en overdaad, armoede en rijkdom, ontbering en genot—nooit en nergens wisselen zij elkander veelvuldiger en plotselinger af dan op het oorlogsveld.Voor onzen Barend vooral leek nu alles weer enkel voorspoed en zonneschijn.Hij had een geduchten honger meegebracht naar Elandslaagte, en hij had den neus in den wind gestoken als een jagershond, die het wild ruikt. En hij had een fijne neus, die Barend, dat Blikoortje! De jacht had nog geen twintig minuten geduurd, of hij zat reeds bij eenige gulhartige Hollanders aan het maal, kloof de gebraden schapenribbetjes, dronk het schuimende gerstebier, en vermaakte het geheele gezelschap door zijn koddige, wonderlijke invallen.Toen zijn maag goed gevuld was, verliet hij zijn vriendelijke gastheeren, om zijn maats, de familie Wessels, te zoeken. Hij stak de handen in zijn zak, floot een vroolijk deuntje, zat een kat na, die hem nooit kwaad had gedaan, en ontmoette de vrienden aan den voet van een hoogen heuvel.Zij hadden een vuur aangelegd, een keteltje opgehangen en koffie gezet, terwijl op den grond, dicht bij het vuur, een zakje lag met biltong en harde beschuit, door tante Sannie gebakken.Baas Wessels was in opgeruimde stemming; Danie at met smaak de harde beschuit, en Louis, die reeds gegeten had, lag lang uitgestrekt te slapen, terwijl Pluto hem tot kussen diende.„Zoo Barend—hoe heb je ’t gehad?” vraagde baas Wessels; „we hebben nog wat over in den knapzak voor jou, vent!”„Dank je wel,” antwoordde Barend met waardigheid; „ik ben aan de gebraden schapeboutjes geweest.”„Dan heb je ’t nog beter dan wij,” lachte Danie, „kun je ons ook niet aan zoo’n schapeboutje helpen?”„Aan een schapeboutje niet, maar aan een gebraden haantje—ja, dat zou gaan,” meende Barend.„Toon je kunsten dan maar eens,” zeide Danie.„Goed,” antwoordde Barend, en den hoogen heuvel beklimmend, aan welks voet de familie gekampeerd was, plaatste hij de holle hand voor den mond, en begon het kikeriki van den haan met werkelijk meesterlijke kunstvaardigheid na te bootsen.Maar er volgde geen antwoord.Toen draaide hij zich om, en kraaide in de tegenovergestelde richting.„Hoe staat het er bij?” riep Danie van beneden.„’t Is klaar, kerel!” riep Barend triomfantelijk terug; „ik hoor hem al.”Inderdaad hoorde men uit de verte het kraaien van een haan, en Danie snelde met Barend in die richting weg.„Daar is het!” zeide Barend, toen zij, na verscheiden heuvelruggen te zijn overgeklouterd, dicht bij een kleine beek een oude boerenwoning ontdekten.Het hek stond open; zij liepen het erf op naar de huisdeur.Het geheel maakte een verlaten en diep treurigen indruk. Bij het hondehok lag een ketting met een halsband, doch de hond was weg; achter het huis stond een kar met een gebroken as,en op den nok van het rieten dak zaten een paar eenzame duiven nieuwsgierig te kijken.Barend opende de huisdeur; zij was ongegrendeld. Beiden stapten het voorhuis in.De sintels glommen nog in den haard: een bewijs, dat de bewoners zoo pas waren gevlucht, doch dat het een overhaaste vlucht was geweest, kon men aan alles merken. De vloer was bedekt met oude vodden, afgedragen schoenen en weggeworpen papieren. Een oude stoel met ingetrapte zitting en gebroken sporten stond in een hoek, en tusschen het verstrooide bedstroo lagen scherven aardewerk.De spiegel lag weggeworpen bij den haard; het glas was gebroken. Bij het afnemen van den muur was dit ongeluk waarschijnlijk gebeurd, en het loonde nu de moeite niet meer, om den spiegel mee te nemen. Zoo was hij dan maar achtergebleven.Een kat sloop het voorhuis door, keek de vreemdelingen aan met schuwen, angstigen blik, en vluchtte naar buiten. Barend echter dacht er dezen keer niet aan, om het arme dier na te jagen; hij haastte zich met Danie weer naar buiten, om aan dit tooneel van wanorde, verwoesting en verlatenheid den rug te kunnen keeren.Beiden begaven zich naar het kippenhok, dat tegen een lagen zijmuur van het huis was gebouwd, doch het hok was leeg. Slechts stond er een gebarsten aarden pan in met eenig drabbig water, terwijl op den grond eenige handvollen gerstekorrels lagen rondgestrooid.Barend keek nu achter het huis, waar hij den gezochten haan met langzame schreden over den mesthoop zag loopen.„Nu zal ik een meesterschot doen,” zeide Barend, nam het geweer van den schouder, en joeg den haan een kogel door den kop. Het dier buitelde nog eenige keeren om, sloeg de vleugels wijd uit en bleef met strakke pooten liggen.Gijs Wessels keek toch verwonderd op, toen hij Barend met den buit in de hand zag naderen. De haan werd snel geplukt, geslacht, en aan het spit boven het vuur gebraden.Dat was nog eens een maaltijd!Danie had in geen veertien dagen zoo lekker gesmuld!
HOOFDSTUK XII.
Het gerucht ging, dat de kommando’s van Pretoria, Vrijheid en Utrecht onmiddellijk zouden oprukken naar Dundee, om generaal Symons, die zich ginds had verschanst, te verdrijven of in te sluiten, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich de familie Wessels bevond, rechts zou aanhouden, om de spoorlijn tusschen Ladysmith en Glencoe op te breken, en een sterke stelling in te nemen in de passen van den Waschbankberg.Kees en Karel vlasten geweldig op een spoedige ontmoeting met den vijand, en verzochten hun vader, bij een dier naar Dundee oprukkende kommando’s, bij welke zich trouwens heel wat familieleden en kennissen der Wessels’ bevonden, te worden overgeplaatst. Na eenige aarzeling gaf de oude Wessels zijn toestemming, en daar ook de bevelvoerende veldkornet, die hierover te beslissen had, zijn bewilliging gaf, trokken Kees en Karel met het Vrijheid-kommando op naar Dundee, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich o. a. Gijs Wessels met zijn beide zonen Louis en Danie bevonden, midden in den nacht oprukte naar Elandslaagte.Het was koud dien nacht, en er veegde een ijzige wind over het gebergte. Danie reed naast zijn vader; hij was in een langen regenjas gedoken, en bibberde van de koude. Midden in den tocht werd de weg versperd door een ammunitiewagen, waarvaneen achterwiel was vastgeloopen, en eerst toen het gebrek was verholpen, kon de tocht worden voortgezet. Toen de zon opging, werd halt gehouden, en de kommandant gaf bevel, om af te zadelen. De paarden werden gekniehalsterd, schildwachten uitgezet, en de moede ruiters vleiden zich, in hun kombaarzen gehuld, lang uit op den grond.Danie was spoedig in diepen slaap, doch de oude Wessels voelde geen behoefte om te rusten, en zette zich op een klipsteen naast zijn zoon. Hij had er op dit oogenblik toch weer spijt van, dat hij zijn jongen had meegenomen, want hij was niet sterk, en zijn bleek gelaat verried reeds de ongewone vermoeienissen van den veldtocht. Hij had het hoofd gelegd op een zadel, maar de bezorgde vader vond het zadel te hard, trok zijn overjas uit, en schoof dien opgerold in de plaats van het zadel.De zon rees nu op boven de heuvelen, en viel warm en koesterend op het slapende kommando.Die warmte en de rust deden Danie goed; er kwam weer wat kleur op zijn bleek gelaat. Doch nu klonk de korte, doordringende stoot van een hoorn: het sein, om op te zadelen, en de marsch werd hervat, totdat de koppen der Biggarsbergen zichtbaar werden.Generaal Kock zond eenige patrouilles uit, om die passen te verkennen, doch er werd geen vijand ontdekt, en men passeerde onbelemmerd de enge, gevaarlijke passen. Er werd niet dan de noodzakelijkste rust genomen, en de tocht werd voortgezet, totdat de avond viel, en regen en duisternis tot stilstand dwongen.Het was een treurige nacht. Er kon geen vuur worden aangelegd, daar er aan geen brandhout was te komen, en tenten waren er niet, daar de ossenwagens, die den legertros vormden, onmogelijk het kommando konden bijhouden. De paarden hadden het slecht, want de velden waren dor en kaal, maar de manschappen hadden het nog slechter, en wierpen zich in den kouden, stroomenden regen zwijgend neder op den doorweekten grond.Danie leed veel in dezen nacht, maar hij hield zich dapper, en elken keer, dat de medelijdende blik van zijn vader op hem rustte, kwam er een kleine glimlach op zijn gelaat, alsof hij wilde zeggen: „Stil maar, ’t zal wel gaan.”Louis kon er uitstekend tegen; hij had een ijzersterk gestel,rolde zich in zijn regenmantel, en sliep als een os. Doch de meeste Boeren konden niet slapen; zij stonden op uit hun modderbedden, en drentelden mismoedig op en neer om warm te worden. Barend volgde hun voorbeeld, rekte de stramme leden en schreeuwde met een gebiedende stem: „Aannemen—een grokje, maar een beetje straf als je blieft,” waarop zijn makkers in spijt van hun treurigen toestand toch in een luiden schaterlach uitbarstten.Het was nog nacht, toen in alle stilte werd opgezadeld, en in den voormiddag werd de omtrek van Elandslaagte bereikt.De voorhoede van Kock’s leger had reeds den dag te voren Elandslaagte bereikt, de spoorlijn op verscheiden plaatsen opgebroken, en een Engelschen proviandtrein bemachtigd.Het werd een heerlijke dag; de zon straalde aan den wolkeloozen hemel; onze verkleumde Boeren konden hun hart ophalen aan spijs en drank, en uitrusten van de ontberingen.Zoo gaat het immers in den oorlog. Hij is vol buitensporigheden, wisselvalligheden en tegenstrijdigheden. Men zal vier en twintig uur onafgebroken in het zadel moeten zitten, om dan weer zestien uur aan één stuk te kunnen uitslapen; men zal vandaag al zijn bezittingen willen geven voor één dronk water, en morgen een vijandelijk convooi machtig worden, en de champagne, bestemd voor de Engelsche officieren, drinken als water; den eenen dag zal men met de honden vechten om een afgekloven been, om den volgenden dag de fijne blikjes ingemaakte zalm op te peuzelen, te Dundee buitgemaakt. Gebrek en overdaad, armoede en rijkdom, ontbering en genot—nooit en nergens wisselen zij elkander veelvuldiger en plotselinger af dan op het oorlogsveld.Voor onzen Barend vooral leek nu alles weer enkel voorspoed en zonneschijn.Hij had een geduchten honger meegebracht naar Elandslaagte, en hij had den neus in den wind gestoken als een jagershond, die het wild ruikt. En hij had een fijne neus, die Barend, dat Blikoortje! De jacht had nog geen twintig minuten geduurd, of hij zat reeds bij eenige gulhartige Hollanders aan het maal, kloof de gebraden schapenribbetjes, dronk het schuimende gerstebier, en vermaakte het geheele gezelschap door zijn koddige, wonderlijke invallen.Toen zijn maag goed gevuld was, verliet hij zijn vriendelijke gastheeren, om zijn maats, de familie Wessels, te zoeken. Hij stak de handen in zijn zak, floot een vroolijk deuntje, zat een kat na, die hem nooit kwaad had gedaan, en ontmoette de vrienden aan den voet van een hoogen heuvel.Zij hadden een vuur aangelegd, een keteltje opgehangen en koffie gezet, terwijl op den grond, dicht bij het vuur, een zakje lag met biltong en harde beschuit, door tante Sannie gebakken.Baas Wessels was in opgeruimde stemming; Danie at met smaak de harde beschuit, en Louis, die reeds gegeten had, lag lang uitgestrekt te slapen, terwijl Pluto hem tot kussen diende.„Zoo Barend—hoe heb je ’t gehad?” vraagde baas Wessels; „we hebben nog wat over in den knapzak voor jou, vent!”„Dank je wel,” antwoordde Barend met waardigheid; „ik ben aan de gebraden schapeboutjes geweest.”„Dan heb je ’t nog beter dan wij,” lachte Danie, „kun je ons ook niet aan zoo’n schapeboutje helpen?”„Aan een schapeboutje niet, maar aan een gebraden haantje—ja, dat zou gaan,” meende Barend.„Toon je kunsten dan maar eens,” zeide Danie.„Goed,” antwoordde Barend, en den hoogen heuvel beklimmend, aan welks voet de familie gekampeerd was, plaatste hij de holle hand voor den mond, en begon het kikeriki van den haan met werkelijk meesterlijke kunstvaardigheid na te bootsen.Maar er volgde geen antwoord.Toen draaide hij zich om, en kraaide in de tegenovergestelde richting.„Hoe staat het er bij?” riep Danie van beneden.„’t Is klaar, kerel!” riep Barend triomfantelijk terug; „ik hoor hem al.”Inderdaad hoorde men uit de verte het kraaien van een haan, en Danie snelde met Barend in die richting weg.„Daar is het!” zeide Barend, toen zij, na verscheiden heuvelruggen te zijn overgeklouterd, dicht bij een kleine beek een oude boerenwoning ontdekten.Het hek stond open; zij liepen het erf op naar de huisdeur.Het geheel maakte een verlaten en diep treurigen indruk. Bij het hondehok lag een ketting met een halsband, doch de hond was weg; achter het huis stond een kar met een gebroken as,en op den nok van het rieten dak zaten een paar eenzame duiven nieuwsgierig te kijken.Barend opende de huisdeur; zij was ongegrendeld. Beiden stapten het voorhuis in.De sintels glommen nog in den haard: een bewijs, dat de bewoners zoo pas waren gevlucht, doch dat het een overhaaste vlucht was geweest, kon men aan alles merken. De vloer was bedekt met oude vodden, afgedragen schoenen en weggeworpen papieren. Een oude stoel met ingetrapte zitting en gebroken sporten stond in een hoek, en tusschen het verstrooide bedstroo lagen scherven aardewerk.De spiegel lag weggeworpen bij den haard; het glas was gebroken. Bij het afnemen van den muur was dit ongeluk waarschijnlijk gebeurd, en het loonde nu de moeite niet meer, om den spiegel mee te nemen. Zoo was hij dan maar achtergebleven.Een kat sloop het voorhuis door, keek de vreemdelingen aan met schuwen, angstigen blik, en vluchtte naar buiten. Barend echter dacht er dezen keer niet aan, om het arme dier na te jagen; hij haastte zich met Danie weer naar buiten, om aan dit tooneel van wanorde, verwoesting en verlatenheid den rug te kunnen keeren.Beiden begaven zich naar het kippenhok, dat tegen een lagen zijmuur van het huis was gebouwd, doch het hok was leeg. Slechts stond er een gebarsten aarden pan in met eenig drabbig water, terwijl op den grond eenige handvollen gerstekorrels lagen rondgestrooid.Barend keek nu achter het huis, waar hij den gezochten haan met langzame schreden over den mesthoop zag loopen.„Nu zal ik een meesterschot doen,” zeide Barend, nam het geweer van den schouder, en joeg den haan een kogel door den kop. Het dier buitelde nog eenige keeren om, sloeg de vleugels wijd uit en bleef met strakke pooten liggen.Gijs Wessels keek toch verwonderd op, toen hij Barend met den buit in de hand zag naderen. De haan werd snel geplukt, geslacht, en aan het spit boven het vuur gebraden.Dat was nog eens een maaltijd!Danie had in geen veertien dagen zoo lekker gesmuld!
Het gerucht ging, dat de kommando’s van Pretoria, Vrijheid en Utrecht onmiddellijk zouden oprukken naar Dundee, om generaal Symons, die zich ginds had verschanst, te verdrijven of in te sluiten, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich de familie Wessels bevond, rechts zou aanhouden, om de spoorlijn tusschen Ladysmith en Glencoe op te breken, en een sterke stelling in te nemen in de passen van den Waschbankberg.
Kees en Karel vlasten geweldig op een spoedige ontmoeting met den vijand, en verzochten hun vader, bij een dier naar Dundee oprukkende kommando’s, bij welke zich trouwens heel wat familieleden en kennissen der Wessels’ bevonden, te worden overgeplaatst. Na eenige aarzeling gaf de oude Wessels zijn toestemming, en daar ook de bevelvoerende veldkornet, die hierover te beslissen had, zijn bewilliging gaf, trokken Kees en Karel met het Vrijheid-kommando op naar Dundee, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich o. a. Gijs Wessels met zijn beide zonen Louis en Danie bevonden, midden in den nacht oprukte naar Elandslaagte.
Het was koud dien nacht, en er veegde een ijzige wind over het gebergte. Danie reed naast zijn vader; hij was in een langen regenjas gedoken, en bibberde van de koude. Midden in den tocht werd de weg versperd door een ammunitiewagen, waarvaneen achterwiel was vastgeloopen, en eerst toen het gebrek was verholpen, kon de tocht worden voortgezet. Toen de zon opging, werd halt gehouden, en de kommandant gaf bevel, om af te zadelen. De paarden werden gekniehalsterd, schildwachten uitgezet, en de moede ruiters vleiden zich, in hun kombaarzen gehuld, lang uit op den grond.
Danie was spoedig in diepen slaap, doch de oude Wessels voelde geen behoefte om te rusten, en zette zich op een klipsteen naast zijn zoon. Hij had er op dit oogenblik toch weer spijt van, dat hij zijn jongen had meegenomen, want hij was niet sterk, en zijn bleek gelaat verried reeds de ongewone vermoeienissen van den veldtocht. Hij had het hoofd gelegd op een zadel, maar de bezorgde vader vond het zadel te hard, trok zijn overjas uit, en schoof dien opgerold in de plaats van het zadel.
De zon rees nu op boven de heuvelen, en viel warm en koesterend op het slapende kommando.
Die warmte en de rust deden Danie goed; er kwam weer wat kleur op zijn bleek gelaat. Doch nu klonk de korte, doordringende stoot van een hoorn: het sein, om op te zadelen, en de marsch werd hervat, totdat de koppen der Biggarsbergen zichtbaar werden.
Generaal Kock zond eenige patrouilles uit, om die passen te verkennen, doch er werd geen vijand ontdekt, en men passeerde onbelemmerd de enge, gevaarlijke passen. Er werd niet dan de noodzakelijkste rust genomen, en de tocht werd voortgezet, totdat de avond viel, en regen en duisternis tot stilstand dwongen.
Het was een treurige nacht. Er kon geen vuur worden aangelegd, daar er aan geen brandhout was te komen, en tenten waren er niet, daar de ossenwagens, die den legertros vormden, onmogelijk het kommando konden bijhouden. De paarden hadden het slecht, want de velden waren dor en kaal, maar de manschappen hadden het nog slechter, en wierpen zich in den kouden, stroomenden regen zwijgend neder op den doorweekten grond.
Danie leed veel in dezen nacht, maar hij hield zich dapper, en elken keer, dat de medelijdende blik van zijn vader op hem rustte, kwam er een kleine glimlach op zijn gelaat, alsof hij wilde zeggen: „Stil maar, ’t zal wel gaan.”
Louis kon er uitstekend tegen; hij had een ijzersterk gestel,rolde zich in zijn regenmantel, en sliep als een os. Doch de meeste Boeren konden niet slapen; zij stonden op uit hun modderbedden, en drentelden mismoedig op en neer om warm te worden. Barend volgde hun voorbeeld, rekte de stramme leden en schreeuwde met een gebiedende stem: „Aannemen—een grokje, maar een beetje straf als je blieft,” waarop zijn makkers in spijt van hun treurigen toestand toch in een luiden schaterlach uitbarstten.
Het was nog nacht, toen in alle stilte werd opgezadeld, en in den voormiddag werd de omtrek van Elandslaagte bereikt.
De voorhoede van Kock’s leger had reeds den dag te voren Elandslaagte bereikt, de spoorlijn op verscheiden plaatsen opgebroken, en een Engelschen proviandtrein bemachtigd.
Het werd een heerlijke dag; de zon straalde aan den wolkeloozen hemel; onze verkleumde Boeren konden hun hart ophalen aan spijs en drank, en uitrusten van de ontberingen.
Zoo gaat het immers in den oorlog. Hij is vol buitensporigheden, wisselvalligheden en tegenstrijdigheden. Men zal vier en twintig uur onafgebroken in het zadel moeten zitten, om dan weer zestien uur aan één stuk te kunnen uitslapen; men zal vandaag al zijn bezittingen willen geven voor één dronk water, en morgen een vijandelijk convooi machtig worden, en de champagne, bestemd voor de Engelsche officieren, drinken als water; den eenen dag zal men met de honden vechten om een afgekloven been, om den volgenden dag de fijne blikjes ingemaakte zalm op te peuzelen, te Dundee buitgemaakt. Gebrek en overdaad, armoede en rijkdom, ontbering en genot—nooit en nergens wisselen zij elkander veelvuldiger en plotselinger af dan op het oorlogsveld.
Voor onzen Barend vooral leek nu alles weer enkel voorspoed en zonneschijn.
Hij had een geduchten honger meegebracht naar Elandslaagte, en hij had den neus in den wind gestoken als een jagershond, die het wild ruikt. En hij had een fijne neus, die Barend, dat Blikoortje! De jacht had nog geen twintig minuten geduurd, of hij zat reeds bij eenige gulhartige Hollanders aan het maal, kloof de gebraden schapenribbetjes, dronk het schuimende gerstebier, en vermaakte het geheele gezelschap door zijn koddige, wonderlijke invallen.
Toen zijn maag goed gevuld was, verliet hij zijn vriendelijke gastheeren, om zijn maats, de familie Wessels, te zoeken. Hij stak de handen in zijn zak, floot een vroolijk deuntje, zat een kat na, die hem nooit kwaad had gedaan, en ontmoette de vrienden aan den voet van een hoogen heuvel.
Zij hadden een vuur aangelegd, een keteltje opgehangen en koffie gezet, terwijl op den grond, dicht bij het vuur, een zakje lag met biltong en harde beschuit, door tante Sannie gebakken.
Baas Wessels was in opgeruimde stemming; Danie at met smaak de harde beschuit, en Louis, die reeds gegeten had, lag lang uitgestrekt te slapen, terwijl Pluto hem tot kussen diende.
„Zoo Barend—hoe heb je ’t gehad?” vraagde baas Wessels; „we hebben nog wat over in den knapzak voor jou, vent!”
„Dank je wel,” antwoordde Barend met waardigheid; „ik ben aan de gebraden schapeboutjes geweest.”
„Dan heb je ’t nog beter dan wij,” lachte Danie, „kun je ons ook niet aan zoo’n schapeboutje helpen?”
„Aan een schapeboutje niet, maar aan een gebraden haantje—ja, dat zou gaan,” meende Barend.
„Toon je kunsten dan maar eens,” zeide Danie.
„Goed,” antwoordde Barend, en den hoogen heuvel beklimmend, aan welks voet de familie gekampeerd was, plaatste hij de holle hand voor den mond, en begon het kikeriki van den haan met werkelijk meesterlijke kunstvaardigheid na te bootsen.
Maar er volgde geen antwoord.
Toen draaide hij zich om, en kraaide in de tegenovergestelde richting.
„Hoe staat het er bij?” riep Danie van beneden.
„’t Is klaar, kerel!” riep Barend triomfantelijk terug; „ik hoor hem al.”
Inderdaad hoorde men uit de verte het kraaien van een haan, en Danie snelde met Barend in die richting weg.
„Daar is het!” zeide Barend, toen zij, na verscheiden heuvelruggen te zijn overgeklouterd, dicht bij een kleine beek een oude boerenwoning ontdekten.
Het hek stond open; zij liepen het erf op naar de huisdeur.
Het geheel maakte een verlaten en diep treurigen indruk. Bij het hondehok lag een ketting met een halsband, doch de hond was weg; achter het huis stond een kar met een gebroken as,en op den nok van het rieten dak zaten een paar eenzame duiven nieuwsgierig te kijken.
Barend opende de huisdeur; zij was ongegrendeld. Beiden stapten het voorhuis in.
De sintels glommen nog in den haard: een bewijs, dat de bewoners zoo pas waren gevlucht, doch dat het een overhaaste vlucht was geweest, kon men aan alles merken. De vloer was bedekt met oude vodden, afgedragen schoenen en weggeworpen papieren. Een oude stoel met ingetrapte zitting en gebroken sporten stond in een hoek, en tusschen het verstrooide bedstroo lagen scherven aardewerk.
De spiegel lag weggeworpen bij den haard; het glas was gebroken. Bij het afnemen van den muur was dit ongeluk waarschijnlijk gebeurd, en het loonde nu de moeite niet meer, om den spiegel mee te nemen. Zoo was hij dan maar achtergebleven.
Een kat sloop het voorhuis door, keek de vreemdelingen aan met schuwen, angstigen blik, en vluchtte naar buiten. Barend echter dacht er dezen keer niet aan, om het arme dier na te jagen; hij haastte zich met Danie weer naar buiten, om aan dit tooneel van wanorde, verwoesting en verlatenheid den rug te kunnen keeren.
Beiden begaven zich naar het kippenhok, dat tegen een lagen zijmuur van het huis was gebouwd, doch het hok was leeg. Slechts stond er een gebarsten aarden pan in met eenig drabbig water, terwijl op den grond eenige handvollen gerstekorrels lagen rondgestrooid.
Barend keek nu achter het huis, waar hij den gezochten haan met langzame schreden over den mesthoop zag loopen.
„Nu zal ik een meesterschot doen,” zeide Barend, nam het geweer van den schouder, en joeg den haan een kogel door den kop. Het dier buitelde nog eenige keeren om, sloeg de vleugels wijd uit en bleef met strakke pooten liggen.
Gijs Wessels keek toch verwonderd op, toen hij Barend met den buit in de hand zag naderen. De haan werd snel geplukt, geslacht, en aan het spit boven het vuur gebraden.
Dat was nog eens een maaltijd!
Danie had in geen veertien dagen zoo lekker gesmuld!