HOOFDSTUK XV.De kleine majoor stond peinzend bij de twee dooden, toen hij de hooge gestalte van een slank en krachtig gebouwden lancier zag naderen.De lancier liep langzaam; hij scheen iets te zoeken.Telkens riep hij met gedempte stem: „Zoek, Pluto, zoek!” en in de nabijheid van den officier gekomen, liet het trouwe dier een lang, klagend gehuil hooren.In twee, drie sprongen was de lancier bij zijn hond—hij stond bij de twee dooden.Maar hij keek om, want er legde zich een hand op zijn schouder.„Louis Wessels!” zeide een stem, en er vloog een trek van groote onrust over het gelaat van den jongen jager, toen hij staarde in de strenge oogen van den kleinen majoor.Hij had dezen officier meer gezien—maar waar dan toch? Hij kon het zich niet meer herinneren—ja toch, nu wist hij ’t, in de woning van Arend Uys op dien noodlottigen namiddag.„Laat ik eerst van mijn vader en van mijn broeder afscheid nemen,” zeide hij bedaard.De majoor antwoordde niets; hij scheen even met het hoofd te knikken.Doch voor den jongen jager bestond, toen hij zich nederbukte naar de dooden, geen majoor, die hem gevangen kon nemen, en geen gevaar, dat hem kon deeren.Hij vleide zich neder aan de zijde van zijn vader en zijn broeder, en staarde hen aan, lang en innig, met oogen, verduisterd door tranen.Het was een aangrijpend beeld des vredes, daar voor hem.Ach, zij sliepen. Geen bitterheid des doods lag op hun gelaat; stille, zachte vrede zweefde over hun trekken.Er was immers ook niets verwonderlijks in. Gijs Wessels had het immers zoo dikwijls gezegd: „De Heere geeft het Zijn beminden als in den slaap,” en nu hadden zij het ontvangen als in den slaap. En die stille vrede, als een liefelijke glimlach zich uitbreidend over hun gelaat—wat kon het anders zijn dan de afstraling van die eeuwige en onnaspeurbare zaligheid, die hun zielen indronken bij het overschrijden van den gouden drempel der eeuwigheid!Het begon weer sterker, te regenen, en in de verte joegen de moordenaren, die tot het vijfde regiment lanciers behoorden, voorbij.De jonge jager nam een doek, en breidde hem uit boven de hoofden van Gijs Wessels en zijn zoon Danie. Hij deed het behoedzaam en voorzichtig, alsof hij bang was, dat zij wakker zouden worden, en levendig trad het tooneel weer voor zijn oogen, nog kort geleden, toen hij eveneens een doek over hen had heengespreid. Toen was het de zon geweest, die hen had kunnen hinderen in hun slaap, maar hij had den doek niet voorzichtig genoeg uitgelegd, want zij waren wakker geworden. Thans echter was het geen zon, die hem hinderde, maar de koude, fijne motregen, die hen in ’t gezicht sloeg.Zoo legde de jonge jager dan met de teedere bezorgdheid der liefde een doek over hun gelaat.Op eenigen afstand lag nog Danie’s hoed. Louis nam er de hanenveer af, de mooie zwarte hanenveer, die rood was gekleurd van het bloed.Hij was diep, diep bedroefd, de jonge jager, maar toch verwonderlijk kalm. Hij had andere lijken gezien op het slagveld: vuisten, die saamgenepen waren in den laatsten doodstrijd; gelaatstrekken, die vertrokken en verwrongen waren van duldelooze, namelooze pijn; oogen, die in den dood wijd opgesperd waren, alsof zij iets onnoembaar ontzettends zagen....En hier—bij zijn vader en zijn broeder—was van dit alles geen spoor te ontdekken; de dood had hier zijn verschrikkingen verloren; zij sliepen.Ach, het was voor den jongen jager toch een zoete troost.Hij rees nu overeind, en keek in het streng gelaat van den kleinen, zwijgenden majoor.„Ik gis, dat een vriendelijke hand mijn broeder in de armen van zijn vader heeft gelegd,” zeide hij.„Ikdeed het,” zeide de majoor; „het was het laatste verzoek, dat uw vader deed—het was immers uw vader?”Louis knikte; hij greep de hand van den zonderlingen man.„Ik ben u recht hartelijk dankbaar, Majoor!”Er lagen een paar spaden in de nabijheid, en eenige Kaffers, van lantaarnen voorzien, doorkruisten het slagveld.„Mag ik hen roepen, Majoor? Ik zou aan mijn vader en mijn broeder zoo gaarne een eerlijke begrafenis geven.”De majoor zelf riep de Kaffers, en Louis staarde zwijgend op hun handen, die snel het graf dolven.En in die stille rustplaats werden zij nu voorzichtig neergelegd: vader en zoon; Danie in de armen van den baas van Wonderfontein.De jonge jager stapelde er de harde klipsteenen boven.Nu waren de beminden veilig voor de gieren, die op de lijken azen, en voor het wild gedierte, dat de slagvelden schoffeert.Louis keek om.De kleine majoor was verdwenen; niemand, die hem nu herkende.Zoo was hij dan vrij, en sloeg, van zijn hond vergezeld, de richting naar het oosten in.Een krakende ossenwagen kwam hem voorbij, vol soldaten en gevangenen. De soldaten joelden en zongen, maar de gevangenen keken somber.Vóór op den ossenwagen, op een stroozak, met de handen en de voeten gekluisterd, zat Barend.De jonge jager herkende hem.„Ik heb hem nog gewaarschuwd,” zeide hij treurig, „en nu is het te laat.”Aan een wilgenboom had hij zijn paard vastgebonden; hij sprong in ’t zaâl, en gaf zijn hengst de sporen.Het rumoer van den strijd verstomde; slechts hier en daar werd nog een geweerschot gehoord.Plotseling schrikte de hengst, en de hond sloeg luid en driftig aan. De jonge jager greep in de teugels en hield halt.Aan zijn rechterzijde, bij een droogen sloot, zat een gewonde, die zijn handen smeekend omhoog strekte en riep: „Spaar mijn leven! Ik heb een vrouw met zeven kleine kinderen!”Toen sprong de jonge jager uit het zadel, en een vlammend rood bedekte zijn wangen. „Ik kàn dat moordenaarspak niet langer dragen,” steunde hij, en het uittrekkend, wierp hij den lanciersrok met den helm weg, zooals men den rok van een pestlijder zou wegwerpen.„Jij hebt geen nood,” zeide hij vol barmhartigheid tot den gewonde; „zie, ik ben je broeder.”Hij knielde bij hem neder, gaf hem eenige teugen uit develdflesch, en verbond zijn wonden.De arme huisvader echter vouwde zijn handen, ontblootte zijn hoofd en stamelde een vurig dankgebed tot Hem, Die hem had gered uit den ruischenden kuil.„Waar komt gij vandaan?” vraagde de jonge jager.„Uit den Vrijstaat, Neef. Wij waren met tachtig man bij uw kommando’s, doch ik ben het spoor van mijn maats kwijt geraakt.”„Zoudt gij zonder hulp op een paard kunnen rijden?”„Als ik er maar een had, Neef!”„Er zal er wel één zijn op te pikken,” meende Louis, en werkelijk was hij zoo gelukkig, een ronddwalend paard op te vangen.De wonden van onzen Vrijstater waren slechts vleeschwonden, en in matigen draf reed hij, door Louis in het zadel geholpen, naast dezen in noordoostelijke richting voort.Het was laat, toen zij midden in het veld een Kafferhut ontdekten, en hun paarden afzadelend, stapten zij de hut binnen.Er was geen sterveling te ontdekken, doch in een hoek der armoedige woning lagen eenige bossen stroo, die de jonge jager uitspreidde voor den doodvermoeiden kameraad, die spoedig in een rustigen, verkwikkenden slaap viel.Doch Louis kon niet slapen. De bloedige tooneelen van den verschrikkelijken dag, die achter hem lag, rezen op als vizioenen voor zijn overspannen geest; bloedige gestalten met handenwringende gebaren stondenvóórhem, en de stervenskreet der vluchtelingen ging onder in het gebrul van gelanste en gespoorde moordenaren.Doch allengs verbleekten die afschuwelijke gestalten; het gebrul verstomde, en liefelijke tafereelen doemden op.Hij stond weer bij de twee dooden. Zij rustten in elkanders armen en twee engelen stonden bij hen: de één aan het hoofdeinde, en de andere bij de voeten. En zij hadden hun vleugelenuitgespreid over deze dooden, opdat niemand hun ruste zou storen. Zij waren immers ook niet gestorven—neen, zij sliepen.....Maar ook dit vizioen verflauwde—de jonge jager zag niets meer—hij hoorde niets meer—hij viel in een diepen slaap, zonder droomen.
HOOFDSTUK XV.De kleine majoor stond peinzend bij de twee dooden, toen hij de hooge gestalte van een slank en krachtig gebouwden lancier zag naderen.De lancier liep langzaam; hij scheen iets te zoeken.Telkens riep hij met gedempte stem: „Zoek, Pluto, zoek!” en in de nabijheid van den officier gekomen, liet het trouwe dier een lang, klagend gehuil hooren.In twee, drie sprongen was de lancier bij zijn hond—hij stond bij de twee dooden.Maar hij keek om, want er legde zich een hand op zijn schouder.„Louis Wessels!” zeide een stem, en er vloog een trek van groote onrust over het gelaat van den jongen jager, toen hij staarde in de strenge oogen van den kleinen majoor.Hij had dezen officier meer gezien—maar waar dan toch? Hij kon het zich niet meer herinneren—ja toch, nu wist hij ’t, in de woning van Arend Uys op dien noodlottigen namiddag.„Laat ik eerst van mijn vader en van mijn broeder afscheid nemen,” zeide hij bedaard.De majoor antwoordde niets; hij scheen even met het hoofd te knikken.Doch voor den jongen jager bestond, toen hij zich nederbukte naar de dooden, geen majoor, die hem gevangen kon nemen, en geen gevaar, dat hem kon deeren.Hij vleide zich neder aan de zijde van zijn vader en zijn broeder, en staarde hen aan, lang en innig, met oogen, verduisterd door tranen.Het was een aangrijpend beeld des vredes, daar voor hem.Ach, zij sliepen. Geen bitterheid des doods lag op hun gelaat; stille, zachte vrede zweefde over hun trekken.Er was immers ook niets verwonderlijks in. Gijs Wessels had het immers zoo dikwijls gezegd: „De Heere geeft het Zijn beminden als in den slaap,” en nu hadden zij het ontvangen als in den slaap. En die stille vrede, als een liefelijke glimlach zich uitbreidend over hun gelaat—wat kon het anders zijn dan de afstraling van die eeuwige en onnaspeurbare zaligheid, die hun zielen indronken bij het overschrijden van den gouden drempel der eeuwigheid!Het begon weer sterker, te regenen, en in de verte joegen de moordenaren, die tot het vijfde regiment lanciers behoorden, voorbij.De jonge jager nam een doek, en breidde hem uit boven de hoofden van Gijs Wessels en zijn zoon Danie. Hij deed het behoedzaam en voorzichtig, alsof hij bang was, dat zij wakker zouden worden, en levendig trad het tooneel weer voor zijn oogen, nog kort geleden, toen hij eveneens een doek over hen had heengespreid. Toen was het de zon geweest, die hen had kunnen hinderen in hun slaap, maar hij had den doek niet voorzichtig genoeg uitgelegd, want zij waren wakker geworden. Thans echter was het geen zon, die hem hinderde, maar de koude, fijne motregen, die hen in ’t gezicht sloeg.Zoo legde de jonge jager dan met de teedere bezorgdheid der liefde een doek over hun gelaat.Op eenigen afstand lag nog Danie’s hoed. Louis nam er de hanenveer af, de mooie zwarte hanenveer, die rood was gekleurd van het bloed.Hij was diep, diep bedroefd, de jonge jager, maar toch verwonderlijk kalm. Hij had andere lijken gezien op het slagveld: vuisten, die saamgenepen waren in den laatsten doodstrijd; gelaatstrekken, die vertrokken en verwrongen waren van duldelooze, namelooze pijn; oogen, die in den dood wijd opgesperd waren, alsof zij iets onnoembaar ontzettends zagen....En hier—bij zijn vader en zijn broeder—was van dit alles geen spoor te ontdekken; de dood had hier zijn verschrikkingen verloren; zij sliepen.Ach, het was voor den jongen jager toch een zoete troost.Hij rees nu overeind, en keek in het streng gelaat van den kleinen, zwijgenden majoor.„Ik gis, dat een vriendelijke hand mijn broeder in de armen van zijn vader heeft gelegd,” zeide hij.„Ikdeed het,” zeide de majoor; „het was het laatste verzoek, dat uw vader deed—het was immers uw vader?”Louis knikte; hij greep de hand van den zonderlingen man.„Ik ben u recht hartelijk dankbaar, Majoor!”Er lagen een paar spaden in de nabijheid, en eenige Kaffers, van lantaarnen voorzien, doorkruisten het slagveld.„Mag ik hen roepen, Majoor? Ik zou aan mijn vader en mijn broeder zoo gaarne een eerlijke begrafenis geven.”De majoor zelf riep de Kaffers, en Louis staarde zwijgend op hun handen, die snel het graf dolven.En in die stille rustplaats werden zij nu voorzichtig neergelegd: vader en zoon; Danie in de armen van den baas van Wonderfontein.De jonge jager stapelde er de harde klipsteenen boven.Nu waren de beminden veilig voor de gieren, die op de lijken azen, en voor het wild gedierte, dat de slagvelden schoffeert.Louis keek om.De kleine majoor was verdwenen; niemand, die hem nu herkende.Zoo was hij dan vrij, en sloeg, van zijn hond vergezeld, de richting naar het oosten in.Een krakende ossenwagen kwam hem voorbij, vol soldaten en gevangenen. De soldaten joelden en zongen, maar de gevangenen keken somber.Vóór op den ossenwagen, op een stroozak, met de handen en de voeten gekluisterd, zat Barend.De jonge jager herkende hem.„Ik heb hem nog gewaarschuwd,” zeide hij treurig, „en nu is het te laat.”Aan een wilgenboom had hij zijn paard vastgebonden; hij sprong in ’t zaâl, en gaf zijn hengst de sporen.Het rumoer van den strijd verstomde; slechts hier en daar werd nog een geweerschot gehoord.Plotseling schrikte de hengst, en de hond sloeg luid en driftig aan. De jonge jager greep in de teugels en hield halt.Aan zijn rechterzijde, bij een droogen sloot, zat een gewonde, die zijn handen smeekend omhoog strekte en riep: „Spaar mijn leven! Ik heb een vrouw met zeven kleine kinderen!”Toen sprong de jonge jager uit het zadel, en een vlammend rood bedekte zijn wangen. „Ik kàn dat moordenaarspak niet langer dragen,” steunde hij, en het uittrekkend, wierp hij den lanciersrok met den helm weg, zooals men den rok van een pestlijder zou wegwerpen.„Jij hebt geen nood,” zeide hij vol barmhartigheid tot den gewonde; „zie, ik ben je broeder.”Hij knielde bij hem neder, gaf hem eenige teugen uit develdflesch, en verbond zijn wonden.De arme huisvader echter vouwde zijn handen, ontblootte zijn hoofd en stamelde een vurig dankgebed tot Hem, Die hem had gered uit den ruischenden kuil.„Waar komt gij vandaan?” vraagde de jonge jager.„Uit den Vrijstaat, Neef. Wij waren met tachtig man bij uw kommando’s, doch ik ben het spoor van mijn maats kwijt geraakt.”„Zoudt gij zonder hulp op een paard kunnen rijden?”„Als ik er maar een had, Neef!”„Er zal er wel één zijn op te pikken,” meende Louis, en werkelijk was hij zoo gelukkig, een ronddwalend paard op te vangen.De wonden van onzen Vrijstater waren slechts vleeschwonden, en in matigen draf reed hij, door Louis in het zadel geholpen, naast dezen in noordoostelijke richting voort.Het was laat, toen zij midden in het veld een Kafferhut ontdekten, en hun paarden afzadelend, stapten zij de hut binnen.Er was geen sterveling te ontdekken, doch in een hoek der armoedige woning lagen eenige bossen stroo, die de jonge jager uitspreidde voor den doodvermoeiden kameraad, die spoedig in een rustigen, verkwikkenden slaap viel.Doch Louis kon niet slapen. De bloedige tooneelen van den verschrikkelijken dag, die achter hem lag, rezen op als vizioenen voor zijn overspannen geest; bloedige gestalten met handenwringende gebaren stondenvóórhem, en de stervenskreet der vluchtelingen ging onder in het gebrul van gelanste en gespoorde moordenaren.Doch allengs verbleekten die afschuwelijke gestalten; het gebrul verstomde, en liefelijke tafereelen doemden op.Hij stond weer bij de twee dooden. Zij rustten in elkanders armen en twee engelen stonden bij hen: de één aan het hoofdeinde, en de andere bij de voeten. En zij hadden hun vleugelenuitgespreid over deze dooden, opdat niemand hun ruste zou storen. Zij waren immers ook niet gestorven—neen, zij sliepen.....Maar ook dit vizioen verflauwde—de jonge jager zag niets meer—hij hoorde niets meer—hij viel in een diepen slaap, zonder droomen.
HOOFDSTUK XV.
De kleine majoor stond peinzend bij de twee dooden, toen hij de hooge gestalte van een slank en krachtig gebouwden lancier zag naderen.De lancier liep langzaam; hij scheen iets te zoeken.Telkens riep hij met gedempte stem: „Zoek, Pluto, zoek!” en in de nabijheid van den officier gekomen, liet het trouwe dier een lang, klagend gehuil hooren.In twee, drie sprongen was de lancier bij zijn hond—hij stond bij de twee dooden.Maar hij keek om, want er legde zich een hand op zijn schouder.„Louis Wessels!” zeide een stem, en er vloog een trek van groote onrust over het gelaat van den jongen jager, toen hij staarde in de strenge oogen van den kleinen majoor.Hij had dezen officier meer gezien—maar waar dan toch? Hij kon het zich niet meer herinneren—ja toch, nu wist hij ’t, in de woning van Arend Uys op dien noodlottigen namiddag.„Laat ik eerst van mijn vader en van mijn broeder afscheid nemen,” zeide hij bedaard.De majoor antwoordde niets; hij scheen even met het hoofd te knikken.Doch voor den jongen jager bestond, toen hij zich nederbukte naar de dooden, geen majoor, die hem gevangen kon nemen, en geen gevaar, dat hem kon deeren.Hij vleide zich neder aan de zijde van zijn vader en zijn broeder, en staarde hen aan, lang en innig, met oogen, verduisterd door tranen.Het was een aangrijpend beeld des vredes, daar voor hem.Ach, zij sliepen. Geen bitterheid des doods lag op hun gelaat; stille, zachte vrede zweefde over hun trekken.Er was immers ook niets verwonderlijks in. Gijs Wessels had het immers zoo dikwijls gezegd: „De Heere geeft het Zijn beminden als in den slaap,” en nu hadden zij het ontvangen als in den slaap. En die stille vrede, als een liefelijke glimlach zich uitbreidend over hun gelaat—wat kon het anders zijn dan de afstraling van die eeuwige en onnaspeurbare zaligheid, die hun zielen indronken bij het overschrijden van den gouden drempel der eeuwigheid!Het begon weer sterker, te regenen, en in de verte joegen de moordenaren, die tot het vijfde regiment lanciers behoorden, voorbij.De jonge jager nam een doek, en breidde hem uit boven de hoofden van Gijs Wessels en zijn zoon Danie. Hij deed het behoedzaam en voorzichtig, alsof hij bang was, dat zij wakker zouden worden, en levendig trad het tooneel weer voor zijn oogen, nog kort geleden, toen hij eveneens een doek over hen had heengespreid. Toen was het de zon geweest, die hen had kunnen hinderen in hun slaap, maar hij had den doek niet voorzichtig genoeg uitgelegd, want zij waren wakker geworden. Thans echter was het geen zon, die hem hinderde, maar de koude, fijne motregen, die hen in ’t gezicht sloeg.Zoo legde de jonge jager dan met de teedere bezorgdheid der liefde een doek over hun gelaat.Op eenigen afstand lag nog Danie’s hoed. Louis nam er de hanenveer af, de mooie zwarte hanenveer, die rood was gekleurd van het bloed.Hij was diep, diep bedroefd, de jonge jager, maar toch verwonderlijk kalm. Hij had andere lijken gezien op het slagveld: vuisten, die saamgenepen waren in den laatsten doodstrijd; gelaatstrekken, die vertrokken en verwrongen waren van duldelooze, namelooze pijn; oogen, die in den dood wijd opgesperd waren, alsof zij iets onnoembaar ontzettends zagen....En hier—bij zijn vader en zijn broeder—was van dit alles geen spoor te ontdekken; de dood had hier zijn verschrikkingen verloren; zij sliepen.Ach, het was voor den jongen jager toch een zoete troost.Hij rees nu overeind, en keek in het streng gelaat van den kleinen, zwijgenden majoor.„Ik gis, dat een vriendelijke hand mijn broeder in de armen van zijn vader heeft gelegd,” zeide hij.„Ikdeed het,” zeide de majoor; „het was het laatste verzoek, dat uw vader deed—het was immers uw vader?”Louis knikte; hij greep de hand van den zonderlingen man.„Ik ben u recht hartelijk dankbaar, Majoor!”Er lagen een paar spaden in de nabijheid, en eenige Kaffers, van lantaarnen voorzien, doorkruisten het slagveld.„Mag ik hen roepen, Majoor? Ik zou aan mijn vader en mijn broeder zoo gaarne een eerlijke begrafenis geven.”De majoor zelf riep de Kaffers, en Louis staarde zwijgend op hun handen, die snel het graf dolven.En in die stille rustplaats werden zij nu voorzichtig neergelegd: vader en zoon; Danie in de armen van den baas van Wonderfontein.De jonge jager stapelde er de harde klipsteenen boven.Nu waren de beminden veilig voor de gieren, die op de lijken azen, en voor het wild gedierte, dat de slagvelden schoffeert.Louis keek om.De kleine majoor was verdwenen; niemand, die hem nu herkende.Zoo was hij dan vrij, en sloeg, van zijn hond vergezeld, de richting naar het oosten in.Een krakende ossenwagen kwam hem voorbij, vol soldaten en gevangenen. De soldaten joelden en zongen, maar de gevangenen keken somber.Vóór op den ossenwagen, op een stroozak, met de handen en de voeten gekluisterd, zat Barend.De jonge jager herkende hem.„Ik heb hem nog gewaarschuwd,” zeide hij treurig, „en nu is het te laat.”Aan een wilgenboom had hij zijn paard vastgebonden; hij sprong in ’t zaâl, en gaf zijn hengst de sporen.Het rumoer van den strijd verstomde; slechts hier en daar werd nog een geweerschot gehoord.Plotseling schrikte de hengst, en de hond sloeg luid en driftig aan. De jonge jager greep in de teugels en hield halt.Aan zijn rechterzijde, bij een droogen sloot, zat een gewonde, die zijn handen smeekend omhoog strekte en riep: „Spaar mijn leven! Ik heb een vrouw met zeven kleine kinderen!”Toen sprong de jonge jager uit het zadel, en een vlammend rood bedekte zijn wangen. „Ik kàn dat moordenaarspak niet langer dragen,” steunde hij, en het uittrekkend, wierp hij den lanciersrok met den helm weg, zooals men den rok van een pestlijder zou wegwerpen.„Jij hebt geen nood,” zeide hij vol barmhartigheid tot den gewonde; „zie, ik ben je broeder.”Hij knielde bij hem neder, gaf hem eenige teugen uit develdflesch, en verbond zijn wonden.De arme huisvader echter vouwde zijn handen, ontblootte zijn hoofd en stamelde een vurig dankgebed tot Hem, Die hem had gered uit den ruischenden kuil.„Waar komt gij vandaan?” vraagde de jonge jager.„Uit den Vrijstaat, Neef. Wij waren met tachtig man bij uw kommando’s, doch ik ben het spoor van mijn maats kwijt geraakt.”„Zoudt gij zonder hulp op een paard kunnen rijden?”„Als ik er maar een had, Neef!”„Er zal er wel één zijn op te pikken,” meende Louis, en werkelijk was hij zoo gelukkig, een ronddwalend paard op te vangen.De wonden van onzen Vrijstater waren slechts vleeschwonden, en in matigen draf reed hij, door Louis in het zadel geholpen, naast dezen in noordoostelijke richting voort.Het was laat, toen zij midden in het veld een Kafferhut ontdekten, en hun paarden afzadelend, stapten zij de hut binnen.Er was geen sterveling te ontdekken, doch in een hoek der armoedige woning lagen eenige bossen stroo, die de jonge jager uitspreidde voor den doodvermoeiden kameraad, die spoedig in een rustigen, verkwikkenden slaap viel.Doch Louis kon niet slapen. De bloedige tooneelen van den verschrikkelijken dag, die achter hem lag, rezen op als vizioenen voor zijn overspannen geest; bloedige gestalten met handenwringende gebaren stondenvóórhem, en de stervenskreet der vluchtelingen ging onder in het gebrul van gelanste en gespoorde moordenaren.Doch allengs verbleekten die afschuwelijke gestalten; het gebrul verstomde, en liefelijke tafereelen doemden op.Hij stond weer bij de twee dooden. Zij rustten in elkanders armen en twee engelen stonden bij hen: de één aan het hoofdeinde, en de andere bij de voeten. En zij hadden hun vleugelenuitgespreid over deze dooden, opdat niemand hun ruste zou storen. Zij waren immers ook niet gestorven—neen, zij sliepen.....Maar ook dit vizioen verflauwde—de jonge jager zag niets meer—hij hoorde niets meer—hij viel in een diepen slaap, zonder droomen.
De kleine majoor stond peinzend bij de twee dooden, toen hij de hooge gestalte van een slank en krachtig gebouwden lancier zag naderen.
De lancier liep langzaam; hij scheen iets te zoeken.
Telkens riep hij met gedempte stem: „Zoek, Pluto, zoek!” en in de nabijheid van den officier gekomen, liet het trouwe dier een lang, klagend gehuil hooren.
In twee, drie sprongen was de lancier bij zijn hond—hij stond bij de twee dooden.
Maar hij keek om, want er legde zich een hand op zijn schouder.
„Louis Wessels!” zeide een stem, en er vloog een trek van groote onrust over het gelaat van den jongen jager, toen hij staarde in de strenge oogen van den kleinen majoor.
Hij had dezen officier meer gezien—maar waar dan toch? Hij kon het zich niet meer herinneren—ja toch, nu wist hij ’t, in de woning van Arend Uys op dien noodlottigen namiddag.
„Laat ik eerst van mijn vader en van mijn broeder afscheid nemen,” zeide hij bedaard.
De majoor antwoordde niets; hij scheen even met het hoofd te knikken.
Doch voor den jongen jager bestond, toen hij zich nederbukte naar de dooden, geen majoor, die hem gevangen kon nemen, en geen gevaar, dat hem kon deeren.
Hij vleide zich neder aan de zijde van zijn vader en zijn broeder, en staarde hen aan, lang en innig, met oogen, verduisterd door tranen.
Het was een aangrijpend beeld des vredes, daar voor hem.
Ach, zij sliepen. Geen bitterheid des doods lag op hun gelaat; stille, zachte vrede zweefde over hun trekken.
Er was immers ook niets verwonderlijks in. Gijs Wessels had het immers zoo dikwijls gezegd: „De Heere geeft het Zijn beminden als in den slaap,” en nu hadden zij het ontvangen als in den slaap. En die stille vrede, als een liefelijke glimlach zich uitbreidend over hun gelaat—wat kon het anders zijn dan de afstraling van die eeuwige en onnaspeurbare zaligheid, die hun zielen indronken bij het overschrijden van den gouden drempel der eeuwigheid!
Het begon weer sterker, te regenen, en in de verte joegen de moordenaren, die tot het vijfde regiment lanciers behoorden, voorbij.
De jonge jager nam een doek, en breidde hem uit boven de hoofden van Gijs Wessels en zijn zoon Danie. Hij deed het behoedzaam en voorzichtig, alsof hij bang was, dat zij wakker zouden worden, en levendig trad het tooneel weer voor zijn oogen, nog kort geleden, toen hij eveneens een doek over hen had heengespreid. Toen was het de zon geweest, die hen had kunnen hinderen in hun slaap, maar hij had den doek niet voorzichtig genoeg uitgelegd, want zij waren wakker geworden. Thans echter was het geen zon, die hem hinderde, maar de koude, fijne motregen, die hen in ’t gezicht sloeg.
Zoo legde de jonge jager dan met de teedere bezorgdheid der liefde een doek over hun gelaat.
Op eenigen afstand lag nog Danie’s hoed. Louis nam er de hanenveer af, de mooie zwarte hanenveer, die rood was gekleurd van het bloed.
Hij was diep, diep bedroefd, de jonge jager, maar toch verwonderlijk kalm. Hij had andere lijken gezien op het slagveld: vuisten, die saamgenepen waren in den laatsten doodstrijd; gelaatstrekken, die vertrokken en verwrongen waren van duldelooze, namelooze pijn; oogen, die in den dood wijd opgesperd waren, alsof zij iets onnoembaar ontzettends zagen....
En hier—bij zijn vader en zijn broeder—was van dit alles geen spoor te ontdekken; de dood had hier zijn verschrikkingen verloren; zij sliepen.
Ach, het was voor den jongen jager toch een zoete troost.
Hij rees nu overeind, en keek in het streng gelaat van den kleinen, zwijgenden majoor.
„Ik gis, dat een vriendelijke hand mijn broeder in de armen van zijn vader heeft gelegd,” zeide hij.
„Ikdeed het,” zeide de majoor; „het was het laatste verzoek, dat uw vader deed—het was immers uw vader?”
Louis knikte; hij greep de hand van den zonderlingen man.
„Ik ben u recht hartelijk dankbaar, Majoor!”
Er lagen een paar spaden in de nabijheid, en eenige Kaffers, van lantaarnen voorzien, doorkruisten het slagveld.
„Mag ik hen roepen, Majoor? Ik zou aan mijn vader en mijn broeder zoo gaarne een eerlijke begrafenis geven.”
De majoor zelf riep de Kaffers, en Louis staarde zwijgend op hun handen, die snel het graf dolven.
En in die stille rustplaats werden zij nu voorzichtig neergelegd: vader en zoon; Danie in de armen van den baas van Wonderfontein.
De jonge jager stapelde er de harde klipsteenen boven.
Nu waren de beminden veilig voor de gieren, die op de lijken azen, en voor het wild gedierte, dat de slagvelden schoffeert.
Louis keek om.
De kleine majoor was verdwenen; niemand, die hem nu herkende.
Zoo was hij dan vrij, en sloeg, van zijn hond vergezeld, de richting naar het oosten in.
Een krakende ossenwagen kwam hem voorbij, vol soldaten en gevangenen. De soldaten joelden en zongen, maar de gevangenen keken somber.
Vóór op den ossenwagen, op een stroozak, met de handen en de voeten gekluisterd, zat Barend.
De jonge jager herkende hem.
„Ik heb hem nog gewaarschuwd,” zeide hij treurig, „en nu is het te laat.”
Aan een wilgenboom had hij zijn paard vastgebonden; hij sprong in ’t zaâl, en gaf zijn hengst de sporen.
Het rumoer van den strijd verstomde; slechts hier en daar werd nog een geweerschot gehoord.
Plotseling schrikte de hengst, en de hond sloeg luid en driftig aan. De jonge jager greep in de teugels en hield halt.
Aan zijn rechterzijde, bij een droogen sloot, zat een gewonde, die zijn handen smeekend omhoog strekte en riep: „Spaar mijn leven! Ik heb een vrouw met zeven kleine kinderen!”
Toen sprong de jonge jager uit het zadel, en een vlammend rood bedekte zijn wangen. „Ik kàn dat moordenaarspak niet langer dragen,” steunde hij, en het uittrekkend, wierp hij den lanciersrok met den helm weg, zooals men den rok van een pestlijder zou wegwerpen.
„Jij hebt geen nood,” zeide hij vol barmhartigheid tot den gewonde; „zie, ik ben je broeder.”
Hij knielde bij hem neder, gaf hem eenige teugen uit develdflesch, en verbond zijn wonden.
De arme huisvader echter vouwde zijn handen, ontblootte zijn hoofd en stamelde een vurig dankgebed tot Hem, Die hem had gered uit den ruischenden kuil.
„Waar komt gij vandaan?” vraagde de jonge jager.
„Uit den Vrijstaat, Neef. Wij waren met tachtig man bij uw kommando’s, doch ik ben het spoor van mijn maats kwijt geraakt.”
„Zoudt gij zonder hulp op een paard kunnen rijden?”
„Als ik er maar een had, Neef!”
„Er zal er wel één zijn op te pikken,” meende Louis, en werkelijk was hij zoo gelukkig, een ronddwalend paard op te vangen.
De wonden van onzen Vrijstater waren slechts vleeschwonden, en in matigen draf reed hij, door Louis in het zadel geholpen, naast dezen in noordoostelijke richting voort.
Het was laat, toen zij midden in het veld een Kafferhut ontdekten, en hun paarden afzadelend, stapten zij de hut binnen.
Er was geen sterveling te ontdekken, doch in een hoek der armoedige woning lagen eenige bossen stroo, die de jonge jager uitspreidde voor den doodvermoeiden kameraad, die spoedig in een rustigen, verkwikkenden slaap viel.
Doch Louis kon niet slapen. De bloedige tooneelen van den verschrikkelijken dag, die achter hem lag, rezen op als vizioenen voor zijn overspannen geest; bloedige gestalten met handenwringende gebaren stondenvóórhem, en de stervenskreet der vluchtelingen ging onder in het gebrul van gelanste en gespoorde moordenaren.
Doch allengs verbleekten die afschuwelijke gestalten; het gebrul verstomde, en liefelijke tafereelen doemden op.
Hij stond weer bij de twee dooden. Zij rustten in elkanders armen en twee engelen stonden bij hen: de één aan het hoofdeinde, en de andere bij de voeten. En zij hadden hun vleugelenuitgespreid over deze dooden, opdat niemand hun ruste zou storen. Zij waren immers ook niet gestorven—neen, zij sliepen.....
Maar ook dit vizioen verflauwde—de jonge jager zag niets meer—hij hoorde niets meer—hij viel in een diepen slaap, zonder droomen.