HOOFDSTUK XVI.Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de frissche morgenlucht met volle teugen in.De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold in een hoek der woning lag, over hem heen.Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en verfrischt zich.Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel, en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte dampen omhoog.Daar—in het zuidwesten—moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone, geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar ouder is geworden.Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is—ach, het is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek, en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees op boven Wonderfontein.Hij kijkt opnieuw in ’t rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe, dat hij hier meer is geweest. Werkelijk—dáár slingert zich de breede, stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten; de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet,want hij had uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven, en vóór dit huisje is geen tuin.Hij neemt den verrekijker; werkelijk—nu ontdekt hij het huisje, dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor het jonge paar....De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den anderen kant uit.De Vrijstater staat nu naast hem.„Hoe gaat het vanmorgen?” vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.„Het zal wel gaan, Neef,” meent de Vrijstater trouwhartig; „ik heb maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één in mijn linkerarm. ’t Zal wel gaan, Neef—maar ik zou graag een kop koffie lusten, Neef!”Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.„Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?”„Wij zitten hier midden in het veld,” antwoordt Louis; „ginds is de transportweg.”Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge jager even staan.„Hebt gij menschen gezien in de buurt?” vraagt hij, maar de Vrijstater schudt het hoofd.„Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween.”„’t Zijn onze paarden geweest, Neef,—die grazen achter de hut,” antwoordt de Vrijstater geruststellend.Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard; aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich „banjer lekker.”Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen, terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.„Houd altijd noordwaarts aan,” waarschuwt Louis, „opdat gij den Rooinek niet in handen valt.”Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar de Waschbank.Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt hen.„Daar gaat hij—de vogel is gevlogen!” schreeuwt een lancier.„Wees maar gerust,” zegt de wachtmeester; „ik wou, dat ik zoo zeker was van het Victoriakruis als van dezen Boer.”„Hij is het toch?” vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast hem rijdt.„Hij is het, baas,” zegt de Kaffer op beslisten toon. „Ik ben hem gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam in verzoeking, om hem den deze”—hij wijst in de richting van het groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak draagt—„tusschen de ribben te stooten.”„Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad,” zegt de wachtmeester kalmpjes, „want wij moeten hem levend hebben—vooruit, jongens!”De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden scheidt, merkelijk grooter wordt.„Hij zal ons ontsnappen,” roepen de lanciers, hun paarden tot de uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en laat de vervolgers ver achter zich.Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.„Hij zal nòg ontsnappen,” zegt een lancier.„Toch niet,” meent een tweede, op een bult gekomen, „tegen die breede kloof ginds rent hij vast.”„Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt,” zegt de eerste lancier.„Hij breekt den nek, als hij ’t doet,” zegt de tweede, terwijl hij een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.„Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen,” herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: „Hij zal ons niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed.”De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links, waar de kloof smaller is.De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen, koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.„Daar gaat hij,” schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek—„tòch nog ontsnapt!”„Gered,” roept de jonge jager—„gered!”Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.„Wat zeg jullui nou, kindertjes?” vraagt de wachtmeester lachend.„Jij bent een drommelsche kerel,” lachen de lanciers en wrijven zich vergenoegd de handen.De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend, is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken, moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken, om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen, en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester, en de wachtmeester weet het wel.Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem neerleggen, op geen vijf pas afstands.„Wat heb je met mij voor?” vraagt de jonge jager.„Dat zullen we je straks wel vertellen,” lacht de wachtmeester; „komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken.”Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet, de Boeren te verwenschen.De jonge jager kijkt naar zijn geweer.Daar ligt het—op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor hem leven, vrijheid en kracht.Er komt een soort razende woede over hem—op vier pas afstands ligt de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het geweer—zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde, den laatste—hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit —hij maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt hij de vruchtelooze poging.En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom, aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.„Laat je tronie eens zien!” roept een lancier.„Hij begint te huilen,” spot de Kaffer.„Stil, hij bidt, kindertjes!” hoont de wachtmeester.De Kaffer spreekt de waarheid—Louis weent, en de wachtmeester spreekt ook de waarheid, als hij zegt: „Stil, hij bidt!”De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.„In ’t zaâl, kindertjes,” kommandeert de wachtmeester, „we gaan nu schijfschieten.”Hij wendt zich tot den gevangene.„Sta op, Boer, en maak je testament maar!”Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim boven het hoofd van den gevangene.„Dat is nu je mikpunt, kindertjes—die kerf in den boom. Voorzichtig, en raakt den Boer niet—’t zou zonde zijn, als hij stierf vóór zijn tijd.”De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.„Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!”„Met de lans zou ’t beter gaan, wachtmeester!”„Natuurlijk, zooals gister avond—een paardelengte vooruit!”De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.„Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet—geeft acht! Charles, geef acht, zeg ik je!”„Wachtmeester,” zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, „daar—daar—.”„Nu, wat zou dat?” zegt de wachtmeester bedaard—„geef acht, zeg ik je!”
HOOFDSTUK XVI.Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de frissche morgenlucht met volle teugen in.De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold in een hoek der woning lag, over hem heen.Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en verfrischt zich.Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel, en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte dampen omhoog.Daar—in het zuidwesten—moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone, geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar ouder is geworden.Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is—ach, het is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek, en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees op boven Wonderfontein.Hij kijkt opnieuw in ’t rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe, dat hij hier meer is geweest. Werkelijk—dáár slingert zich de breede, stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten; de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet,want hij had uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven, en vóór dit huisje is geen tuin.Hij neemt den verrekijker; werkelijk—nu ontdekt hij het huisje, dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor het jonge paar....De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den anderen kant uit.De Vrijstater staat nu naast hem.„Hoe gaat het vanmorgen?” vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.„Het zal wel gaan, Neef,” meent de Vrijstater trouwhartig; „ik heb maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één in mijn linkerarm. ’t Zal wel gaan, Neef—maar ik zou graag een kop koffie lusten, Neef!”Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.„Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?”„Wij zitten hier midden in het veld,” antwoordt Louis; „ginds is de transportweg.”Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge jager even staan.„Hebt gij menschen gezien in de buurt?” vraagt hij, maar de Vrijstater schudt het hoofd.„Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween.”„’t Zijn onze paarden geweest, Neef,—die grazen achter de hut,” antwoordt de Vrijstater geruststellend.Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard; aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich „banjer lekker.”Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen, terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.„Houd altijd noordwaarts aan,” waarschuwt Louis, „opdat gij den Rooinek niet in handen valt.”Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar de Waschbank.Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt hen.„Daar gaat hij—de vogel is gevlogen!” schreeuwt een lancier.„Wees maar gerust,” zegt de wachtmeester; „ik wou, dat ik zoo zeker was van het Victoriakruis als van dezen Boer.”„Hij is het toch?” vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast hem rijdt.„Hij is het, baas,” zegt de Kaffer op beslisten toon. „Ik ben hem gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam in verzoeking, om hem den deze”—hij wijst in de richting van het groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak draagt—„tusschen de ribben te stooten.”„Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad,” zegt de wachtmeester kalmpjes, „want wij moeten hem levend hebben—vooruit, jongens!”De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden scheidt, merkelijk grooter wordt.„Hij zal ons ontsnappen,” roepen de lanciers, hun paarden tot de uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en laat de vervolgers ver achter zich.Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.„Hij zal nòg ontsnappen,” zegt een lancier.„Toch niet,” meent een tweede, op een bult gekomen, „tegen die breede kloof ginds rent hij vast.”„Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt,” zegt de eerste lancier.„Hij breekt den nek, als hij ’t doet,” zegt de tweede, terwijl hij een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.„Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen,” herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: „Hij zal ons niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed.”De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links, waar de kloof smaller is.De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen, koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.„Daar gaat hij,” schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek—„tòch nog ontsnapt!”„Gered,” roept de jonge jager—„gered!”Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.„Wat zeg jullui nou, kindertjes?” vraagt de wachtmeester lachend.„Jij bent een drommelsche kerel,” lachen de lanciers en wrijven zich vergenoegd de handen.De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend, is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken, moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken, om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen, en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester, en de wachtmeester weet het wel.Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem neerleggen, op geen vijf pas afstands.„Wat heb je met mij voor?” vraagt de jonge jager.„Dat zullen we je straks wel vertellen,” lacht de wachtmeester; „komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken.”Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet, de Boeren te verwenschen.De jonge jager kijkt naar zijn geweer.Daar ligt het—op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor hem leven, vrijheid en kracht.Er komt een soort razende woede over hem—op vier pas afstands ligt de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het geweer—zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde, den laatste—hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit —hij maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt hij de vruchtelooze poging.En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom, aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.„Laat je tronie eens zien!” roept een lancier.„Hij begint te huilen,” spot de Kaffer.„Stil, hij bidt, kindertjes!” hoont de wachtmeester.De Kaffer spreekt de waarheid—Louis weent, en de wachtmeester spreekt ook de waarheid, als hij zegt: „Stil, hij bidt!”De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.„In ’t zaâl, kindertjes,” kommandeert de wachtmeester, „we gaan nu schijfschieten.”Hij wendt zich tot den gevangene.„Sta op, Boer, en maak je testament maar!”Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim boven het hoofd van den gevangene.„Dat is nu je mikpunt, kindertjes—die kerf in den boom. Voorzichtig, en raakt den Boer niet—’t zou zonde zijn, als hij stierf vóór zijn tijd.”De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.„Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!”„Met de lans zou ’t beter gaan, wachtmeester!”„Natuurlijk, zooals gister avond—een paardelengte vooruit!”De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.„Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet—geeft acht! Charles, geef acht, zeg ik je!”„Wachtmeester,” zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, „daar—daar—.”„Nu, wat zou dat?” zegt de wachtmeester bedaard—„geef acht, zeg ik je!”
HOOFDSTUK XVI.
Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de frissche morgenlucht met volle teugen in.De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold in een hoek der woning lag, over hem heen.Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en verfrischt zich.Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel, en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte dampen omhoog.Daar—in het zuidwesten—moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone, geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar ouder is geworden.Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is—ach, het is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek, en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees op boven Wonderfontein.Hij kijkt opnieuw in ’t rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe, dat hij hier meer is geweest. Werkelijk—dáár slingert zich de breede, stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten; de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet,want hij had uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven, en vóór dit huisje is geen tuin.Hij neemt den verrekijker; werkelijk—nu ontdekt hij het huisje, dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor het jonge paar....De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den anderen kant uit.De Vrijstater staat nu naast hem.„Hoe gaat het vanmorgen?” vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.„Het zal wel gaan, Neef,” meent de Vrijstater trouwhartig; „ik heb maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één in mijn linkerarm. ’t Zal wel gaan, Neef—maar ik zou graag een kop koffie lusten, Neef!”Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.„Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?”„Wij zitten hier midden in het veld,” antwoordt Louis; „ginds is de transportweg.”Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge jager even staan.„Hebt gij menschen gezien in de buurt?” vraagt hij, maar de Vrijstater schudt het hoofd.„Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween.”„’t Zijn onze paarden geweest, Neef,—die grazen achter de hut,” antwoordt de Vrijstater geruststellend.Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard; aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich „banjer lekker.”Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen, terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.„Houd altijd noordwaarts aan,” waarschuwt Louis, „opdat gij den Rooinek niet in handen valt.”Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar de Waschbank.Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt hen.„Daar gaat hij—de vogel is gevlogen!” schreeuwt een lancier.„Wees maar gerust,” zegt de wachtmeester; „ik wou, dat ik zoo zeker was van het Victoriakruis als van dezen Boer.”„Hij is het toch?” vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast hem rijdt.„Hij is het, baas,” zegt de Kaffer op beslisten toon. „Ik ben hem gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam in verzoeking, om hem den deze”—hij wijst in de richting van het groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak draagt—„tusschen de ribben te stooten.”„Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad,” zegt de wachtmeester kalmpjes, „want wij moeten hem levend hebben—vooruit, jongens!”De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden scheidt, merkelijk grooter wordt.„Hij zal ons ontsnappen,” roepen de lanciers, hun paarden tot de uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en laat de vervolgers ver achter zich.Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.„Hij zal nòg ontsnappen,” zegt een lancier.„Toch niet,” meent een tweede, op een bult gekomen, „tegen die breede kloof ginds rent hij vast.”„Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt,” zegt de eerste lancier.„Hij breekt den nek, als hij ’t doet,” zegt de tweede, terwijl hij een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.„Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen,” herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: „Hij zal ons niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed.”De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links, waar de kloof smaller is.De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen, koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.„Daar gaat hij,” schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek—„tòch nog ontsnapt!”„Gered,” roept de jonge jager—„gered!”Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.„Wat zeg jullui nou, kindertjes?” vraagt de wachtmeester lachend.„Jij bent een drommelsche kerel,” lachen de lanciers en wrijven zich vergenoegd de handen.De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend, is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken, moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken, om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen, en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester, en de wachtmeester weet het wel.Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem neerleggen, op geen vijf pas afstands.„Wat heb je met mij voor?” vraagt de jonge jager.„Dat zullen we je straks wel vertellen,” lacht de wachtmeester; „komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken.”Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet, de Boeren te verwenschen.De jonge jager kijkt naar zijn geweer.Daar ligt het—op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor hem leven, vrijheid en kracht.Er komt een soort razende woede over hem—op vier pas afstands ligt de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het geweer—zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde, den laatste—hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit —hij maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt hij de vruchtelooze poging.En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom, aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.„Laat je tronie eens zien!” roept een lancier.„Hij begint te huilen,” spot de Kaffer.„Stil, hij bidt, kindertjes!” hoont de wachtmeester.De Kaffer spreekt de waarheid—Louis weent, en de wachtmeester spreekt ook de waarheid, als hij zegt: „Stil, hij bidt!”De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.„In ’t zaâl, kindertjes,” kommandeert de wachtmeester, „we gaan nu schijfschieten.”Hij wendt zich tot den gevangene.„Sta op, Boer, en maak je testament maar!”Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim boven het hoofd van den gevangene.„Dat is nu je mikpunt, kindertjes—die kerf in den boom. Voorzichtig, en raakt den Boer niet—’t zou zonde zijn, als hij stierf vóór zijn tijd.”De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.„Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!”„Met de lans zou ’t beter gaan, wachtmeester!”„Natuurlijk, zooals gister avond—een paardelengte vooruit!”De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.„Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet—geeft acht! Charles, geef acht, zeg ik je!”„Wachtmeester,” zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, „daar—daar—.”„Nu, wat zou dat?” zegt de wachtmeester bedaard—„geef acht, zeg ik je!”
Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de frissche morgenlucht met volle teugen in.
De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold in een hoek der woning lag, over hem heen.
Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en verfrischt zich.
Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel, en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte dampen omhoog.
Daar—in het zuidwesten—moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone, geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar ouder is geworden.
Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is—ach, het is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek, en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees op boven Wonderfontein.
Hij kijkt opnieuw in ’t rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe, dat hij hier meer is geweest. Werkelijk—dáár slingert zich de breede, stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten; de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.
Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet,want hij had uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven, en vóór dit huisje is geen tuin.
Hij neemt den verrekijker; werkelijk—nu ontdekt hij het huisje, dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.
Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor het jonge paar....
De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den anderen kant uit.
De Vrijstater staat nu naast hem.
„Hoe gaat het vanmorgen?” vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.
„Het zal wel gaan, Neef,” meent de Vrijstater trouwhartig; „ik heb maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één in mijn linkerarm. ’t Zal wel gaan, Neef—maar ik zou graag een kop koffie lusten, Neef!”
Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.
„Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?”
„Wij zitten hier midden in het veld,” antwoordt Louis; „ginds is de transportweg.”
Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge jager even staan.
„Hebt gij menschen gezien in de buurt?” vraagt hij, maar de Vrijstater schudt het hoofd.
„Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween.”
„’t Zijn onze paarden geweest, Neef,—die grazen achter de hut,” antwoordt de Vrijstater geruststellend.
Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard; aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich „banjer lekker.”
Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen, terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.
„Houd altijd noordwaarts aan,” waarschuwt Louis, „opdat gij den Rooinek niet in handen valt.”
Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar de Waschbank.
Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt hen.
„Daar gaat hij—de vogel is gevlogen!” schreeuwt een lancier.
„Wees maar gerust,” zegt de wachtmeester; „ik wou, dat ik zoo zeker was van het Victoriakruis als van dezen Boer.”
„Hij is het toch?” vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast hem rijdt.
„Hij is het, baas,” zegt de Kaffer op beslisten toon. „Ik ben hem gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam in verzoeking, om hem den deze”—hij wijst in de richting van het groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak draagt—„tusschen de ribben te stooten.”
„Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad,” zegt de wachtmeester kalmpjes, „want wij moeten hem levend hebben—vooruit, jongens!”
De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden scheidt, merkelijk grooter wordt.
„Hij zal ons ontsnappen,” roepen de lanciers, hun paarden tot de uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en laat de vervolgers ver achter zich.
Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.
„Hij zal nòg ontsnappen,” zegt een lancier.
„Toch niet,” meent een tweede, op een bult gekomen, „tegen die breede kloof ginds rent hij vast.”
„Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt,” zegt de eerste lancier.
„Hij breekt den nek, als hij ’t doet,” zegt de tweede, terwijl hij een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.
„Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen,” herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: „Hij zal ons niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed.”
De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links, waar de kloof smaller is.
De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.
Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen, koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.
„Daar gaat hij,” schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek—„tòch nog ontsnapt!”
„Gered,” roept de jonge jager—„gered!”
Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.
„Wat zeg jullui nou, kindertjes?” vraagt de wachtmeester lachend.
„Jij bent een drommelsche kerel,” lachen de lanciers en wrijven zich vergenoegd de handen.
De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend, is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken, moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken, om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen, en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester, en de wachtmeester weet het wel.
Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.
Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem neerleggen, op geen vijf pas afstands.
„Wat heb je met mij voor?” vraagt de jonge jager.
„Dat zullen we je straks wel vertellen,” lacht de wachtmeester; „komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken.”
Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet, de Boeren te verwenschen.
De jonge jager kijkt naar zijn geweer.
Daar ligt het—op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor hem leven, vrijheid en kracht.
Er komt een soort razende woede over hem—op vier pas afstands ligt de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het geweer—zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde, den laatste—hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!
Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit —hij maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt hij de vruchtelooze poging.
En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom, aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.
„Laat je tronie eens zien!” roept een lancier.
„Hij begint te huilen,” spot de Kaffer.
„Stil, hij bidt, kindertjes!” hoont de wachtmeester.
De Kaffer spreekt de waarheid—Louis weent, en de wachtmeester spreekt ook de waarheid, als hij zegt: „Stil, hij bidt!”
De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.
„In ’t zaâl, kindertjes,” kommandeert de wachtmeester, „we gaan nu schijfschieten.”
Hij wendt zich tot den gevangene.
„Sta op, Boer, en maak je testament maar!”
Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.
De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim boven het hoofd van den gevangene.
„Dat is nu je mikpunt, kindertjes—die kerf in den boom. Voorzichtig, en raakt den Boer niet—’t zou zonde zijn, als hij stierf vóór zijn tijd.”
De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.
„Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!”
„Met de lans zou ’t beter gaan, wachtmeester!”
„Natuurlijk, zooals gister avond—een paardelengte vooruit!”
De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.
„Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet—geeft acht! Charles, geef acht, zeg ik je!”
„Wachtmeester,” zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, „daar—daar—.”
„Nu, wat zou dat?” zegt de wachtmeester bedaard—„geef acht, zeg ik je!”