STALEN PENNEN.

Wat! mijn hand zou ooit zich wennen,Aan die harde stalen pennen?Hoe de smaak ze hulde doet,'k Haat dat schriftbedervend goed!Telkens als haar punten sprikkelen,Spatten zij wel duizend spikkelenOp het hagelblanke vel,Tot uw tergend zielsgekwel!Dan, door vrekheid weêr gedreven,Willen zij geen' inkt meer geven,En, hoe forsch de hand ook drukt,'t Is een kerel, wien 't gelukt,'t Krabblend tuig tot deugd te schikken!Wordt gij driftig, aanstonds prikkenZij met scherp geslepen stift,Gat bij gat, in blad en schrift!

Wisten onze voorgeslachtenAnders dan van ganzenschachten?En, wat is ons vuil gevlek,Bij hun' zuivren pennetrek?Op wat rij van kunstenaren,Mogt het juichende oog niet staren,Kunstenaars, wier eedle zwier,(Of zij tooverde op 't papier!)Keur van letters deden vloeijen!Voor ons hanepooten knoeijen,Had, voorheen, een schoolknaap watDuchtig met de plak gehad!Ja, de kunst van sierlijk schrijven,Zag men reeds zoo ver verdrijven,Dat men, draaglijk schrift, verheftOf het oog een wonder treft!

Fraaije kunst! schoon 't staal u bande,Keer, o keer weêr in den lande!Breng ons, nutte ganzenveer!Breng ons de eedle schrijfkunst weêr!

Rees mijn Grootjen uit het graf,(Ach, voor vijf en dertig jarenBrak de draad haars levens af …)Met wat oogen zou ze staren,Zag zij al de nieuwigheid,Hier en daar in 't rond verspreid!

Ja, zij meende 't was een droom,Zag ze molens zonder wieken,Voortgestuwd door kracht van stoom,Met fabrijken en trafijken;En, in 't werken zóó gezwind,Dat het af schijnt eer 't begint!

Zag ze schepen zonder zeil,Bliksemsnel langs 't water glijden,Tal van wagens op hun rail,Vliegend, zonder paarden, rijden;"Ik geloof me zelven niet,"Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!"

Zag ze, met den knijpbril op,'t Luchtschip boven de aarde zweven,En, ten spijt van 't golvend sop,Als een peil door 't zwerk gedreven,(Wanneer vangt de proef weêr aan?)Hoe verbijsterd zou zij staan!

Zag ze de onnaspeurbre kracht,Waar het goochlend magnetisme,'t Menschdom meê aan 't duizlen bragt,Of het toovrend galvanisme,—Zeker vroeg haar angstgekwel:"Is de Duivel ook in 't spel?"

Sloeg zij eens de werking gâ,Der atmosferieke drukking,Die uw hooge geestverrukkingUitvond,CleggenSamuda!Werking, waar de stoom voor zwicht …Wie beschrijft haar aangezigt?

Oxigéne-Microscoop!Bragt gij al de monsterdierenDie, in wriemelenden loop,Door één' druppel waters zwieren,Voor heur sidderenden blik,—Zij bestierf van louter schrik!

Las zij, hoe ons Handelsblad (1),Ook de huwlijks-koersen teekent;Der verliefden beeld bevat!Teederder om weêrmin smeekend,Naar de markt is, laag, of hoog,—Schaamte sloot haar zedig oog!

Doch, hoe turend keek ze wel,Als zij honden kaart zag spelen?Vlooijen op het krijgsbevel,In soldaten zich hertelen?Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,)Dienen ze eens het land in nood!

'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gasKaars en olie wreed verbande;Nieuwheidszucht het oude, als was,Gansch herkneed heeft in den Lande;"Salomo," zoo riep zij wis,"Had het dan toch duchtig mis!"

Maar, deed Grootjes liefdrijk hart,Broeders! eens de vraag aan de aarde:"Hebt ge, o aard! nu minder smart,"Dan vóór gij die wondren baarde?"Wat zou 't antwoord wezen, datGrootje dan te wachten had?

* * * * *

(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de huwelijks-aanvragen.

(Spreuk van Willem den Eerste.)

Hoe de nood-orkanen woeden,Hoe, op 's levens holle vloeden,Speelbal van het wislend lot,—Laat geen vrees uw hart vervaren;Rustig op de onstuime baren,En gelaten 't oog op God.

Cesar, prooi der woeste stroomen,Weet de vrees zijns volks te toomen,Door zijn kalm en rustig woord:"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen?"Hebt gij niet, in spijt der vlagen,"Cesar en 't geluk aan boord?"

Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden,Deed zijn heir ten strijd ontbranden,Schoon aan d' afgrond van 't verderf;En Oranje's legervanen,Doen Albertus krijgsroem tanen,Maurits rust behoudt het erf.

Eerste Willem, Neêrlands Vader!Zelfs bij 't lood van den verrader,Bleef uw spreuk uw trouwe tolk:Treffe een Gerards u moorddadig,—"Wees, o God! mijn ziel genadig,"Bidt gij—"en dit arme volk!"

Hoe de nood-orkanen woeden,Hoe, op 's levens holle vloeden,Speelbal van het wislend lot,—Laat geen vrees uw hart vervaren,Rustig op de onstuime baren,En gelaten 't oog op God.

(Spreuk van Maurits.)

De vrije NederlandenMet regt alom vermaard,Wier vlag, aan alle stranden,Beroemd is over de aard',—Ontwoekerd aan de plassen,Aan wier en aan moerassen,Door 't volk zoo vroed als vroom;Door ongehoorden nijver;Het pronkjuweel van d' ijver,—Het spruitje wordt een boom.

Het hemeltergend SpanjeHoont Neêrlands goed en bloed,Maar Neêrland en Oranje,Ontvlamt in Heldenmoed!"Wat! droppel aan den emmer!"Brult Spanjes schepterklemmer,"Wat wil uw ijdle droom?"Doch, drupjes worden vloeden,Die toomeloos vaak woeden,—Het spruitje wordt een boom!

De noeste Koopvaardije,Met welvaart op 't gelaat;De bloei der maatschappije,De zenuw van den staat!Wier altoos volle horen,Haar goud, bij goud trezoren,Ontlast met milden stroom;Ofschoon uit niet gesproten,Wie telt heur rijke vloten?Het spruitje wordt een boom!

Gij, landbouw en gij veeteelt,Gezegend tweelingpaar!Die zoo veel wellust meêdeelt,Waarheen het oog ook staar';Uw welige akkers bloeijen,Uw malsche kudden loeijen,En geven enkel room!Hoe klein gij zijt begonnen,Wat schat hebt gij gewonnen …Het spruitje wordt een boom!

Zie, Kunst en Wetenschappen,Veredelen den geest!Wie hoog staat op heur trappen,Is ook eens laag geweest!Maar langzaam opgeklommen,Tot hare heiligdommen,Met telkens minder schroom;Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen,De kroon der eere glimmen,—Het spruitje wordt een boom!

De vrije Nederlanden,Met regt alom vermaard,Wier vlag aan alle stranden,Beroemd is over de aard,—Ontwoekerd aan de plassen,Aan wier en aan moerassen,Door 't volk zoo vroed als vroom;Door ongehoorden nijver,Het pronkjuweel van d' ijver,—Het spruitje wordt een boom.

(Spreuk van Frederik Hendrik.)

Voor Godsdienst en voor Vaderland,Was Fredrik Hendriks leus.Zijn trouwe deed die leus gestand,Die ridderlijke keus;Het lemmer aan zijn zijde,Vloog hij verrukt ten strijde,En toonde door zijn' moed,Den oorsprong van zijn bloed!

Voor Godsdienst en voor Vaderland,Verwoei zijn blikkrend zwaard;De vijand vlood met schade en schand',Voor 's Pruisen heldenaard!Laat Flips het zelf getuigen,Wat steden moesten buigen,Voor Nassau's wrekend staal,In dappre zegepraal!

Voor Godsdienst en voor Vaderland!Was naauw zijn' mond ontgleên,Of de onverbreekbaarste eendragtsbandBond Vorst en Volk aaneen!Uw tooverwoord, Oranje!Betemde 't matig Spanje,En Neêrland vocht zich vrij,Van snoode dwinglandij!

(Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel.)

DeugdSchept vreugd;Heerlijk woord!Grijze en jeugd!Zegt het voort,—Wijs, die hoort!

BaatHet kwaad;Kwaad teelt smart,Vroeg, of laat,Voor het hart;Dwaas, die 't tart!

HouwEn trouw,Aan de deugd!Op haar bouw',Grijze en jeugd,—Deugd schept vreugd!

(Spreuk van Roemer Visscher.)

Bart en Art en Art en Bart,Ruilden zamen hart voor hart!Maar hun vrijen zal niet baten,De Oudjes hebben 't in de gaten …Elk wat wils, elk wat wils,Dan voorkomt men veel geschils!

Jan en Griet, uw huwlijks-schipZeilt nog vast op bank en klip!'t Laat zich uit uw oog wel lezen,Ieder wil graag hoofdmast wezen—Elk wat wils, elk wat wils,Dan voorkomt men veel geschils!

Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid"Zij ons zielesnoer geleid!"Maar, na weinige oogenblikken,Komt de twist dat snoer ontstrikken;Elk wat wils, elk wat wils,Dan voorkomt men veel geschils!

Heerschers van het aardsch gebied,Stelt uw vreugd in d' oorlog niet!Spaar, o Groote Potentaten!Spaar het bloed der Onderzaten!Elk wat wils, elk wat wils,Dan voorkomt men veel geschils!

O! die spreuk van d' ouden Bard,Zij de spreuk van aller hart!Doch de lust leer' zich bestrijden,Van die spreuk niet te overschrijden—Elk wat wils, elk wat wils,Dan voorkomt men veel geschils!

Elk wat wils, maar, liefdrijk God!Niet in uw volmaakt gebod!Wilde dáár ook elk wat willen,'t Ware uw wijze leer bedillen…God! o hater des geschils,Zijn wij steeds met U éénswils!

(Spreuk van Anna Visscher.)

Het daaglijksch brood—Wat gift, hoe groot,O Opperheer!Genoeg is meer!

Is hij slechts rijk,Wiens woekrend slijk,Al hooger klimt,Al heller glimt?

Hij arm, wie nietDien goudberg ziet?Wiens eerlijk zweetHem kleedt en reedt?

o Gij, beslis, Ervarenis! Uw wijze stem, heeft kracht en klem:

"Tevredenheid,"Zegt zij, "bereidt"Het beste deel,—In weinig veel!"

Het daaglijksch brood,Wat gift, hoe groot,O Opperheer!Genoeg is meer!

(Spreuk van Maria Tesselschade Visscher.)

Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ,En o! zij had het regt;Die spreuk is zonder wedergâ,De ervaring doet haar regt;Want hoe men cijfert, dit 's de som:Elk mensch op aard heeft zijn waarom!

Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eerEn God zij dank en lof;Hij wierp ons niet op aarde neêr,Als wormen in het stof;Zijn vaderliefde rigt ons oog,Naar 't zielvereedlendst doel omhoog!

Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft,Zijn' boezem ingeplant;Het hart eene andre rigting geeft,Tot eigen schade en schand!Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch,Misbruikt tot hoon van God en mensch!

Ja blijve, o Tesselschade! uw spreukOns aller wenschend wit;Die spreuk zoo rein van smet en kreuk,Waar de eêlste les in zit!Elk zijn waarom—o spreuk zoo waard,Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'!

(Spreuk van Jacob Cats.)

Lieve Vader Cats! wat schatNiet uw schoone spreuk bevat!Onder welke luchtgewelven,Op wat land het oog ook staart,Elk spiegele zich zelven,Die spreuk geldt voor heel de aard'!

Pleeg, bij 's werelds goed en kwaadOnpartijdig met u raad;Durf in eigen boezem delven;Zie wiens beeldtenis gij draagt,—Elk spiegele zich zelven,Eer hij zijn lot beklaagt.

Judas, die zijn' Heer verried,Spiegelde zich zelven niet;Hebzucht bande pligt en rede;Jezus jongrental werd elf …Wacht u voor de eerste trede,Elk spiegele zich zelv'!

(Spreuk van Bredero.)

Niets bestendig,Alles endig,Wat de wislende aard' bevat;'t Kan verkeeren,—Dat te leeren,En, wie vreest Fortuna's rad?

Lieve schoone!Die de krooneDer ontloken jongheid draagt,—Ach, de jaren,Die niets sparen,Hebben ras uw schoon gevaagd!

Aardsche Magten,Die uw krachten,Onverwinbre krachten waant,—'k Zie uw rijkenReeds bezwijken,En uw glorie-zonne taant!

o Hoe groeijend, o Hoe bloeijend, Was der Vadren Koopvaardij! Maar verzwonden Zijn die stonden, Zelfs geen schaduw bleef ons bij!

Doch in eere,Wat verkeere,Blijve Neêrlands houw en trouw;Neêrlands rondheid,Neêrlands promptheid,Zij de steun van 't staatsgebouw!

(Spreuk van Hugo de Groot.)

De tijd vervliegt,—Vlugger dan een paard,In zijn vleugelvaart,Door geen kracht te toornen!De tijd bedriegt,—Wie op hem betrouwt,heeft op zand gebouwd,Heeft geloofd aan droomen!

De tijd vervliegt,—Sneller dan het lichtVan een' bliksemschicht,In het niet verdwenen!De tijd bedriegt,—Als een leugengeest,Die den mensch beleest,Lagchende in zijn weenen!

De tijd vervliegt,—Wakkere de Groot!Maar, hoe ras hij vlood,Kon hij u bedriegen?De tijd bedriegt,—Daarom nam uw keuz',Ook die spreuk ten leuz',Lettende op zijn vliegen!

* * * * *

(1) De tijd vervliegt.

(Spreuk van Hendrik van Brederode.)

Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind,Van welk eenen kant het moog' waaijen;Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind,Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen!Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên?Misschien.

Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt,De jongen is ganschlijk beteuterd;Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt,Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert!Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien?Misschien.

Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht,Hij leeft en beweegt in zijn glorie;Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt,Bekraait slechts zijn haan met victorie!Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien?Misschien.

De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol,Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen;'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol,Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen!Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'?Misschien.

* * * * *

(1) Misschien.

(Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde.)

Als de baren u vervaren,Op de onstuime zee,Laat de hoop uw' geest bedaren,Op een stille reê;Schoon de noodstorm u onthutst,Elders rust.

Pelgrim, door de dorre zanden,Van dees rarnpwoestijn!Laat de dorst uw keel verbranden,Doet de togt u pijn,—Ééns wordt al uw leed gesust,Elders rust.

Ja, het leven is doorweven,Met veel smart en rouw;Maar Gods woord is ons verbleven,En Gods woord is trouw;Worde ook 's levenslamp gebluscht,Elders rust.

* * * * *

(1) Elders rust.

(Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem.)

Een nachtwake is het leven,De wieg grenst aan het graf;Wij jagen en wij streven,Door de aardsche disteldreven,Als brak het nimmer af!

Een nachtwake is het leven,Roemzuchtig oorlogsheld!Hoe hoog in magt verheven,Het is den dood om 't even,Ras ligt ook gij geveld!

Een nachtwake is het leven,Moed, lijdende onschuld! moed,Waartoe dat angstig beven?Uw webbe is haast geweven,De dood, uw redder, spoedt!

Een nachtwake is het leven,Meêdoogenlooze vrek!'t Gaat alles u begeven,Waaraan uw hart blijft kleven,Dra roept de dood: "vertrek!"

Een nachtwake is het leven,Dat elk zijn ziel bereid'!Want o! er staat geschreven,In 't woord aan ons verbleven:"Op tijd, volgt eeuwigheid!"

* * * * *

(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake.

Foei, Hendrik! is dat mallen!Foei, is dat dartel kallen!Wat hebt gij ze in de mouw …Gij stoeit altoos met MinaEn gaaft uw woord aan Lina,Is, wufthoofd! dat getrouw?

Gaat, jongen! gij in 't vrijenReeds zoo het pad bezijen,Hoor, hoe ik het beschouw:Pas heeft u de echt verbonden,Of gij hebt d' echt geschonden,Uw liefde is niet getrouw!

En maakt u 't huwlijk vader;Wie, die uw kroost ten rader,Zijn pligten het ontvouw'?Ach, naar uw' boozen handel,Rigt ook het kind zijn' wandel,Uw voorbeeld steeds getrouw!

Uw snoode deugdonteering,Bant nering en hantering,Wat wordt van kroost en vrouw?Een worm moet u doorknagen,Als nooddruft hen doet klagen:"Gij waart ons niet getrouw!"

Is dat uw burgerpligten,Betamelijk verrigten,Tot steun van 't staatsgebouw?Gij ziet door elk u haten,Als de ergste pest der staten,In niets zijt gij getrouw!

O! laat uw jeugd nog raden!Vlied, vlied, de onkuische paden,Door tijdig naberouw!Gij weet, Gods woord verkondigt:"De straf volgt hem, die zondigt,"—Gods woord, het is getrouw!

"'t Uur is dáár! "Moedig maar! "Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje, "Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje; "'t Uur is dáár, "Voor het toevend echtaltaar!"

"'k Gaf mijn hand, "U ten pand," Antwoord ze onder lieflijk blozen, "'k Heb voor duizend u verkozen,— "'t Uur is dáár, "Zegen ons, Alzegenaar!"

En nu hecht, De eerbare echt, Trouwe Twee! uw zielen zamen; 's Priesters mond zegt plegtig, Amen! 't Uur is dáár, Veel geluk, beminlijk paar!

Blijde stond! 't Jaar verzwond, En aan Elsjes blanken boezem, Prijkt een frissche huwlijksbloesem; 't Uur is dáár, 't Zaligst uur, voor hem en haar!

Treft hun hart, 's Levenssmart,— Koen wijst Elsje naar den Hoogen, Zegt en wischt heur schreijende oogen; 't Uur is dáár, "Maar God helpt soms wonderbaar!"

Als 't verdriet,Henenvliedt,—O! dan spreekt weêr Elsje teeder:"Knielen wij eerbiedig neder,"'t Uur is dáár,"Onzer dankbeê na 't gevaar!"

Moet een pligt,Nog verrigt,—Beiden brengen, kloek van zinnen,Aan hun' geest dien pligt te binnen;"'t Uur is dáár!"Zeggen zij dan tot elkaár.

Vroeg ontbood,Hen de Dood—Doet die roepstem hun niet beven?Neen, zij laten kalm het leven;'t Uur is dáár,—Maar tot de afreis zijn ze klaar!

Waar blijdschap woont,Waar vreugde troont,Daar opent zich het hart;Daar geven zang en gulle kout,Het zielestreelendst onderhoud;Waar blijdschap woont,Waar vreugde troont,Daar vlugten druk en smart!

Klink' blij van geest,Dan op dit feest,En stem en citersnaar;Waar liefde en trouw verbonden sluit,Daar dreune en davre 't zanggeluid,Klink blij van geest,Dan op dit feest,Een lied voor 't jeugdig paar.

Geluk en vreê,Is aller beê,Geliefden! voor uw lot;Ons hart blijft aan uw heil gehecht,Des Hoogsten zegen kroone uw' echt;Geluk en vreê,Is aller beê,Verhoor die bede, o God!

Hoezee! daar komen de OoijevaarsWeêr fladdrende aangevlogen!Zijt welkom, lieve Klepperaars!Met vreugd zien u mijne oogen.Zijt welkom uit het vreemd gewest,Strijkt neder op het toevend nest!

Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit:"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen?"De wintervorst is heengebruid,"De schepping staat herschapen!"De lente is daar, het huis ontvlugt,"Naar buiten, in Gods vrije lucht!"

o Vogels! welk een bron van vreugd, Doet niet uw komst weêr stroomen! Een welkomthuis, zoo vol geneugt … Wie had het kunnen droomen? 't Is, waarlijk, of gij iedren Maart, Nog meerder giften schenkt aan de aard'!

Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huisWaarop ge uw' zetel stelde,Bevrijd van druk, bevrijd van kruis,Zoo als de faam vermeldde?Hoe 't zij, 't is zeker en gewis,Dat elk uw komst tot blijdschap is.

Hoog wordt ge in Nederland geacht,Uw regten zijn er heilig;Waar ge ook uw woonstede overbragt,Zijt ge ergens meerder veilig?Want wee de hand, die in ons oord,Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!

Doet niet het Vorstlijk 's GravenhaagU in zijn wapen leven?Daarheen wendt zich de blik zoo graag,Wanneer ge ons hebt begeven;Dan juicht het harte blij gezind!Gij zijt het sprekend, beste vrind!

Doch, vogels! niet aan dos, of zang,Zijt gij die eer verschuldigd,Uw deugd voert u tot d' eersten rang,Uw deugd, die de aarde huldigt;Want kuischheid woont in uw gezin (1),Bij ouderliefde en kindrenmin.

Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spondWordt lagchende u ontsloten,Geniet de weelde van deez' stond,Teêrminnende echtgenooten!Een frisch gepluimte, u beider beeld,Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!

En als gij tegen 't koud saizoen,Met de uwen weêr gaat trekken,En we allen uitgeleide u doen,Zoo ver het oog kan strekken;Dan roept nog de echo duizend keer:"Geluk op reis, komt haastig weêr!"

* * * * *

(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.

Hij was een brave man!Wel hem, van wien de waarheidDien lof getuigen kan!

Hij droeg de grijze kroonDer zilverblanke opregtheid,—Geen Koningskroon zoo schoon!

De nutte boerenstand,Werd aan zijn vlijt tot werkkringBeschikt van Hoogerhand!

Was landbouw al zijn lust,—Nu scheen de schoot der aardeNa d' arbeid, zoete rust!

Geen hartelijker vrind,Schonk immer de verkeering;Hem minde grijze en kind!

Zijn leuze als echtgenoot,Als teederste aller vaders,Was: "trouw tot in den dood!"

Hij stelde op eenvoud prijs,Aartsvaderlijke zeden!Gij waart zijn levenswijs.

Ofschoon noch rijk, noch arm,Mogt hij de nooddruft steunen,Dan sloeg zijn harte warm.

Naar hem de wet beval,Zóó minde hij zijn naasten,—Maar o, God bovenal!

Op Christus zoenverbond,Was al zijn hoop gevestigd,Tot in zijn' jongsten stond!

Hij was een brave man!Wel hem, van wien de waarheidDien lof getuigen kan!

Gij, zoo erbarmelijke Fat!Die uw kleedij het hoogste schat,U zelv' vergoodt en wendt en keert,En als een paauw in 't rondspanceert!Die, rusteloos, u elken dagVersiert met telkens bonter vlag;Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedachtAan d' oorsprong van de kleederdragt?Hoe zij der zonde kenmerk is,Het toonbeeld der verdorvenis?

En gij, o bontgetooide pop!Gij flikt en kwikt en strikt u op,En weet niet, dat u juist verneêrt,Hetgeen gij waant, dat u vereert …Waardoor ontstond in 't paradijsHet eerste kleed? o Dwaas! word wijs.

Geloof me, een waarlijk kloeke geest,Kiest zich een kleed naar vorm en leest;Naar jarental en luchtklimaat,Een eerbaar kleed, naar rang en staat!Een kleed, dat ieders achting wekt,En niet den spot ten lach verstrekt.

'k Zing, door vreugd gedreven, De eêlste gift van 't leven; 'k Juich, dat ik het mag! 'k Zing het blijdschaps-teeken, (Wijkt, o tranen-beken!) 'k Zing den lieven lach!

Jongling! kent ge op aarde,Schat van grooter waarde,Dan den lach der min?Wat den boezem griefde,'t Lachje van de liefde,Balsemt ziel en zin!

De eerste lach van 't wichtje,Op het lief gezigtje,Door het oog bespied,—Teedre lach van d' Engel …God! wat heilgemengel!Ouders! gij geniet.

Bij het leverschudden,Als de lach met muddenVreugde en blijdschap meet,—'t Droevig stofgewemel,Wordt een blijde hemel,Waar is, aarde! uw leed?

Troost! als ge onschulds smarte,In het treurend harte,Medelijdend sust,—Laat zich op haar wezen,'t Kalme lachje lezen,Dat in God berust.

Zaagt gij ooit de dierenLagchend vreugde vieren,Hoe verheugd van geest?Juich! ook 't lachvermogen,Mag u, mensch! verhoogen,Boven 't reedloos beest!

Wie zijn strakke trekken,Nooit ten lach voelt wekken,Vlied den norschen draak!Schoon u 't purper kleedde,Wreede Flips de Tweede!Vlood de lach uw kaak (1).

Lach! o te aller stonden,Waart gij naauw verbondenAan de blanke deugd;De edelste der gaven,Smaken slechts de braven,'t Lachje van geneugt.

Want, de lach der boosheid,Die der valsch- en loosheid,Waanzin, wanhoops-lach,—Wie dat lach kan heeten,Is den lach vergeten,En ziet nacht voor dag.

Molmen bint en stutte,Van mijn leemen hutte,Dat de dood ze sloop',Moge, in 't laatst van 't leven,Slechts mij 't lachje omzweven,'t Lachje van de hoop.

* * * * *

(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede nooit lachte.

Zuigling van uw wieg af wees?Welk een booze ster verrees,Die uw' prilsten levens-stond,Zoo veel bittren rampspoed zond?Was uw eerste levenskreet,Dan een voorgevoel van 't leed,Dat u, van uw wiegjen af,Zou vervolgen tot aan 't graf?

Jongske! hoor, er heerscht een magtOver 't menschelijk geslacht,Die met toorneloos geweld,Alles in haar boeijen knelt;Die geen medelijden voedt,In het altoos koud gemoed,Maar met onbewogen hart,Neêrziet op de diepste smart:Die de gâ, der gade ontrukt;d' Ouden staf, naar 't graf gebukt,Wreedelijk berooft van 't kroost,Al zijn steunsel nog en troost:Die, eer 't pasgeboren wicht,De oogjes opende voor 't licht,Reeds zijne ouders van hem nam …'t Was uw lot, onschuldig lam!Kind! die schrikbre dwingeland,Die der wereld vreugd verbant,En slechts waarschuwt met den stoot,Is, (verbleekt gij?) is de dood!

Wichtje! welk een zielsgenotKroonde uw ouders huwlijkslot!Al de droomen hunner jeugd,(Zoete droomen, vol geneugt'!)Duizendwerf elkaar gezegd,Ja, nog meer, vervulde de echt!

Zie, het zaligst levensuur,Zet hun volle borst in vuur,Nu het lagchende verschietNooit gesmaakten wellust biedt!O, een telg … maar God! wat rouwOvervalt de blijde vrouw? …Bange vrees en angst en schrik,Spreken uit uw moeders blik:"Dierbre gade!" gilt zij uit,Maar reeds mist hij zijn geluid,Plotsling zeeg haar zielsvriend neer,Kind! gij hebt geen' vader meer!

Is het al niet—zwaarder ramp,Ongeboorne! wacht ten kamp,'t Uur van barensnood breekt aan,Kon uw moeder 't wee weêrstaan? …Angst en doodstrijd zijn gestreên,Arme Wees! gij staat alléén.

Hulpelooze onnoozelheid!Knaapje! dat zoo bitter schreit,En slechts tranen drinkt voor zog,Ach! waartoe bestaat ge toch?Waarom velde de eigen hand,Niet met de ouders, ook het pand,'t Had, van rampen onbewust,Sluimrende aan hun borst gerust;Dood! waarom gescheiden, 't geenWat het leven smolt tot één?

Wie erbarmt zich uwer, kind?De aarde is vaak zoo schaars gezind,Tot meewarig helpen, vanWie zij hulp onttrekken kan.Geeft niet iedre wezenstrek,Een bewijs van uw gebrek?En het nijdig noodlot zendt,Honger, kommer, ziekte, ellend'!Hoe verlaten nooddruft kermt,Niemand, die zich 't wicht ontfermt!Niemand? Zwijg, Godlastrend woord,Eer de Hemel zich verstoort,Om uw schuldig albedil,—God is liefde! mensch, zwijg stil.Zie, het Alziend Vaderoog,Ziet genadig van omhoog,Op het klagend wichtje, datZonder God geen' redder had.Hij, die 't muschje niet vergeet,Zag des Weesjes droevig leed,En het lachje van genugt',Jaagt de traantjes op de vlugt!Eer vergeet de moederborst,'t Lesschen van des zuiglings dorst,Eer Hij de onschuld hulploos laat,Die ter prooi aan 't onheil staat!

Moed dan, Weesje! God vertroostSteeds het ouderlooze kroost;Weert hun nooddruft, stilt hun pijn,En wil zelfs hun vader zijn!Ja, roept niet zijn eigen Zoon,Op den minnelijksten toon,In het teederst liefdeblijk,Kindren voor zijn Koningrijk?

Vrage dan verblinde waanNaar het doel van uw bestaan,Om het grievende gemis,Dat uw jeugd beschoren is;—Kind! opregte Godvrucht staartOp een hooger wit dan de aard',Deernis voedende in uw' druk,Juicht zij toch in uw geluk!

Nu dan, teedre bloesemknop!Groei en luik voorspoedig op!'t Schrikkelijke noodweêr vlugtReeds voor zoeler, milder lucht:Zie, de beste HovenierGeeft uw jeugdig leven tier,Hij bewaakt u en aanschouwt,Hoe ge uw bladertjes ontvouwt.Stel zijn zorgen niet te loor,—Breke straks het vruchtje door,Dat, met blosjes lief en zacht,Rijpende ieder tegenlacht!O dan wordt gij, jonge bloem!Eenmaal nog der wereld roem,En het juichende aardrijk looft,Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!

(den 8 October 1842.)

Wat hooge vreugd vervult den Koning?Wat innig heil de Koningin?Wat plegtigheid doordringt de woning,Van Neêrlands eerste huisgezin?Hoe vorstlijk is 't paleis versierd …Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?

Het huwlijks-altaar staat te branden;Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt;De dienaar Gods heft hart en handen,Daar hemelsche aandrift hem bezielt:Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar,Den zegen van d' Alzegenaar!

En zie, alsof een hand van boven,Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt,Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven,Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt,De priester hecht in 's Heeren naam,Door 't snoer des echts twee harten zaâm!

Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'?Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk?Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren!Sophia, 's lands Prinsesse, schonkAan Weimars Hertog, hart en hand;Geen schooner echt kwam ooit tot stand!

Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders!Geluk in 't voorregt van uw kroost!Het wigt der rijkszorg drukke uw schoudersMaar o! deez' blijde dag schenkt troost!Heil u ook, pas verbonden Twee!'s Lands beê volgt u tot Weimar meê!

Onbezonnen drift, versmoortIedre vreugde-vonk, en stoort's Levensheil op aarde;Hoe de glimp haar kwaad verbloemt,Liefderijke eensgezindheid doemtDie steeds tweedragt baarde.

Zie, naauw is haar toorn ontbrand,Of oploopendheid verbantIJlings pligt en rede;Vreugde kent geen kortswijl meer,Als in 't lagchende weleer,Want haar leuze is: vrede!

Maar smelt' laster ook heur' naam?'k Hoor haar deugden door de FaamToch zoo luidkeels prijzen:"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad,"Goed van inborst, schuwt ze een daad,"Die haar ziel doet ijzen!"

IJzen? Wie der lippen wacht,In zijn razernij veracht,Doet beraad hem spreken?Welk geheim de heethoofd weet,'t Staat al loerende gereedUit den mond te breken!

Drift is als een dolle hond,Die wreedaardig ieder wondt,In zijn blindlingsch woeden;Ach! zij deed met fellen beet,Zoo meêdoogenloos als wreed,Menig harte bloeden …

Wie verstandig heeten wil,Wie goedhartig, haat de gril,Om, bij beuzelingen,Elk tot spotternij en schrik,Plotsling, ieder oogenblik,Uit zijn vel te springen!

Hoe de laster smaal',En door vuige taal,Deugd haar kroon bezwalke,—'t Schendend lipvenijn,Schoon het de aard' verschalke,God verblindt geen schijn!

Zie, de nevel zwicht,Voor het zonnelicht,Dat de waarheid bloot leit;En de pest der aard',Staat, in al zijn snoodheid,Naakt geöpenbaard.

Wat zijn helsche togt,Gruwlijks zamenwrocht,Tot zijn naastens smarte,—'t Plet zijn' eigen kop—God doorzag zijn harte,En stond wrekend op!

Eenvoud, beminlijke schoone!Nog nooit naar verdienste geschat;Van iedre schoone de kroone,En toch op uw schoonheid niet prat;Die zinloozen pronk kunt versmaden,Hoe wansmaak er gapende op tuur,—U hullende in eigen gewaden,In 't hemelsche kleed der Natuur!

De gordel der liefelijkheden,Die Ciprus haar tooverkracht gaf,Versiert uw bevallige leden,Zij stond, bereidvaardig, dien af:"U," sprak zij, "u moet hij omhullen,"Wie meerder dan gij is hem waard?"Die zoo veel geluk zult vervullen,Tot zegen der jubelende aard!"

En evenwel, weinige aanbiddersVoor u in het blinkende staal;Bestegen de meeste der ridders,Voor vreemdere kleur niet het zaal?Waar 't letterveld ook wordt ontsloten,Voor strijders verhit op den krans,Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten,Schaars breekt men voor Eenvoud een lans!

Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde,Het leven had vreugdvoller loop;Wie ooit op uw weldaden bouwde,Beschaamdet gij nooit in zijn hoop!Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven,Of waar zich uw voetdruk bevindt,'t Krijgt alles een krachtiger leven,Een lieflijker aanschijn en tint.

Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt,In lusthof, in bosschen en beemd,Een meer dan Arkadische schoonheid,Die 't kluistervaste oog er verneemt;Had bouwlust in steden en dorpen,Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt,Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen,Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht!

Wel hem, wiens gemoed gij verblijddeDoor 't dierbaarst geschenk uwer gunst!Wie gij tot het priesterschap wijdde,In 't heerlijk gebied van de kunst!Wat lauwer op aarde verdorde,Zijn eerloof tart tijden en lot,Met regt prijkt een Cats in uwe orde,Maar Swaanenburgs naam werd ten spot!

Door Eenvoud is Neêrland verrezenUit modderig slijk en moeras;Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezenZoo groeijend en bloeijend als 't was;Den weg, door de Vadren betreden,Wijst Eenvoud het nakroost nog aan,Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden,En welvaart, en kunstschoon ontstaan!

* * * * *

(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met mijn doel overeenkomt.

Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt,Uw geestlijk oog aanschouwt een licht,Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister:Gij voert, door 't zuiverst toongeschal,U in dat rijk, waar hemelvalZich huwt aan eeuwgen ochtendluister!

In mijn' leuningstoel gedoken,Bij het scheemren der Natuur,Voor de gure winterspoken,Veilig bij mijn haardsteê-vuur,Door verbeelding, in 't verleden,In de toekomst en het heden,Tooverende rondgeleid,In het groot geheel verloren …Wat geridsel laat zich hooren,In mijn peinzende eenzaamheid?

Uit een klein behangselgaatje,Kruipt, door honger aangespoord,Trillende als een popelblaadje,Een vreesachtig Muisje voort:In en uit heur holtje sluipend,Luistrend om zich henen gluipend,Wordt het telkens meerder vrij;Turende met grage blikken,Of er ook iets valt te bikken,Komt het na en nader bij!

Angst en vreeze vloden henen;Zie, de dartelende Muis,Is in de etenskast verdwenen,En voelt zich zoo goed als t' huis!O! wat nooit gesmaakte weelde,Nu haar jeukend maagje streelde,In dat rijk luilekkerland!'t Beestje kan zich wel begraven,In de keur van lekkre gaven,—Alles is er naar zijn' tand!

"Maar, ei zie! dat traliehokje, "Wat hangt dáár voor lekkers in? "'t Schijnt mij een begeerlijk brokje, "'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!" 't Diertje sprak en viel aan 't knabbelen … Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen, Hoor, wat slag! de valklep sluit! … Muisje! door te veel te willen, Moest gij al uw heil verspillen,— Trek, o Mensch! er leering uit.


Back to IndexNext