The Project Gutenberg eBook ofDe LieremanThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De LieremanAuthor: Lieuwe SchipperRelease date: November 1, 2004 [eBook #6922]Most recently updated: September 24, 2014Language: DutchCredits: Produced by Vital Debroey*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: De LieremanAuthor: Lieuwe SchipperRelease date: November 1, 2004 [eBook #6922]Most recently updated: September 24, 2014Language: DutchCredits: Produced by Vital Debroey
Title: De Liereman
Author: Lieuwe Schipper
Author: Lieuwe Schipper
Release date: November 1, 2004 [eBook #6922]Most recently updated: September 24, 2014
Language: Dutch
Credits: Produced by Vital Debroey
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN ***
Produced by Vital Debroey
Luimige en ErnstigeMUZE.
door
Vrienden! koopt! wie koopen kan, Koopt wat van den Liereman; 'k Heb weêr liedjes van elks gading, 'k Breng een schip met rijke lading, Zoekt maar uit den vollen hoop, 'k Heb er nog genoeg te koop.
Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?"'t Antwoord is: van 't beste allooi,Vol van vinding, gloed en leven,Immers, 'k heb ze zelf geschreven?En een hoofdpoëet als ik,Kent de rijmkunst op een' prik.
Ergo, wie dees zangen laak',Heeft geen enkel greintje smaak;Weest dus op uw hoede, Heeren!Die mijn werk zult recenseren;Want, wie deze deuntjes fluit,Wijst zijn eigen vonnis uit.
Koopt dan, koopt! wie koopen kan, Koopt wat van den Liereman; 'k Heb weêr liedjes van elks gading, 'k Breng een schip met rijke lading, Zoekt maar uit den vollen hoop, 'k Heb er nog genoeg te koop.
De Liereman.Het Kaartspel.De Oude en Nieuwe Maat.De Droom.De Patrijzen.Jan.De twee Honden.De vrome Werkbaas.De Vlieg.Het Medaillon-Portret.De verdronken Acteur.Het Portret van den Dood.De Gekken.Stalen Pennen.Mijn Grootje.Gerust in de onstuime Baren.Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom.Voor Godsdienst en Vaderland.Deugd schept Vreugd.Elck wat Wils.Genoegh is meer.Elck zijn Waerom.Elck spiegele Hem Zelven.'t Kan Verkeeren.Hora ruit.Peut-être.Repos ailleurs.Vita mortalium vigilia.Getrouw.'t Uur is dáár.Huwelijks-Liedje.De Ooijevaars.Op den Dood van een' Landman.Aan een' rat.De Lach.Het Weesje.Huwelijksvereeniging.Drift.De Laster.Eenvoud.Aan een' blinden Toonkunstenaar.De Muis.t' Huiskomst.Wie?De Mensch.Aan een' Schilder.De Grafsteen.Toonkunst.Gedachten bij het Graf vanA. C. W. Staring.Het levenspad.Het blinde Vinkje.Troost.
WAARSCHUWING van eenen Onbevooroordeelde.
Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.
In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.
Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.
Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten— welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.) aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."
VORDEN, 30 Sept. 1843.
"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?"Erast, de nieuwe lichter,"Koopt steeds 't antiekste ameublement,"Maar blijft Gomaars betichter,"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"
Ik vonnis niet en haat den twist,Ja, laat aan elk zijn keuze,Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,De vrijheid zij mijn leuze!Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,In 't oud en nieuw is kwaad en goed!
Doch nu van 't kaartspel - zie! uw driftBragt heel mij van 't chapiter;Het kaartspel, luidt het bovenschrift,Voor 't kaartspel klink' de citer;Welaan, mijn zangster! men verbeidt,Zing luid van de oudste antiquiteit!
1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',Om de eer haar rijk beschoren;Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel,Door 't schoonst genie geboren;En de allergrijste piramied,Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!
2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat,Den schat van eigen vinding,En bragt, door hieroglyphen, 't blad,Met godsdienst in verbinding;Zoodat, van vromen geest bezield,Men kaartenspelend oefning hield!
3. Sibyllen! uw orakelhol,Hadd' nooit van goud geblonken,Zoo niet de kaart, den vragersbolHet antwoord hadd' geschonken;Uw goochelkunst staat nog in eer,Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!
4. Hoe! rukken Moor en ArabierZoo plotsling uit het Oosten?U, Spanje! geldt het krijgsgetier,Maar 't zoetst geschenk zal troosten!De vijand biedt de kaart u aan,En gij—verwenscht heur naar de maan!
5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland, 't Wou eerst ook dáár niet lukken, Maar—zesde Karel,—zijn verstand, Kreeg eensklaps bijstre nukken! De Vorst wordt meer dan stapel gek, En nu, nu komt de kaart in trek!
6. De groote schilder Gringoneur,Een baas in 't portretteren,Liet in het spel, door frissche kleur,Geheel het hof spanceren;Dat deed den Koning zulk een deeg,Dat Gringoneur een lintje kreeg!
7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,In vier verscheiden rijken;Hij had het opperbest geklaard,Elk stond er van te kijken!Geen mensch, die iets te vitten had,En, bij de Vorsten, zegt dat wat!
8. Bourgondië verkreeg een ruit;De Frank, een schop, op 't plaatje;Een hart viel Orleans ten buit;Brittanje een klaverblaadje;Naauw was het af,—of zie, 't paletSchonk nu den hofstoet zijn portret!
9. La Hire en Hector, o, hoe schoonWist u de kunst te malen!Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,Kloekhafte Generalen!En wie de ronde boeren ziet,Miskent uw sprekend wezen niet!
10. Dat 's ruitenvrouw '—neen, 't is Sorel, Het liefje van den Koning, 't Was met des Konings hoofd niet wel, Daarom dient hij verschooning, Geen ander Vorst, bij vol verstand, Heeft immers liefjes aan de hand?
11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!Die streed voor 's Konings regten,Wie waagt niet liefst met u een kansIn 't eten, dan in 't vechten?Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,Gij schopte menigeGoddem!
12. Wat majesteit, wat fiere bouw,Wat pracht van zijde lokken,O, overschoone klavervrouw!Gij hebt mijn oog getrokken!Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',Ik bloos—'t is Frankrijks Koningin.
13. Wat lacht die freule harten wit,Haar hartje speelt in harten,Voor 't klooster had de maagd geen zit,Wis bragt ze er vreemde parten!Foei, Isabel van Beijren, foei!Uw goede naam krijgt nog een' knoei!
14. Maar wie of schoppenheer mag zijn? Dat 's wel een uitgelezen! 't Is Isrels David—de Dauphin, Er schijnt iets joodsch in 't wezen! Hij is, gemeten met een zeef, Nog Koning Davids achterneef!
Zoo biedt u elke pop het beeldVan eene onschatbre parel;En ieder, die een kaartje speelt,Speelt met het Hof van Karel!Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!Sla zelv' uw kunstverzaamling op.
Wij keeren tot den Koning weêr,Hoor, 'k wil het niet verhelen,'t Was droevig toch, een Vorst en Heer,Met prentjes te zien spelen,Maar wonder, zonder wedergâ,Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!
Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrondKwam 't kaartspel in de mode;Nu, daar een Koning 't aardig vond,Een zot, die 't niet vergoodde,En was het spel, het spel eens dwaas,'t Was toch ook 't spel eens grooten baas!
Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!Wier kunst de tijd doet spoeijen;Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,Dat gekken zelfs kan boeijen,Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!
* * * * *
1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.
2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.
3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een antwoord moest zoeken.
4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren, ten strengste verboden werden.
5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.
6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen van het Hof, op de kaart te schilderen.
7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.
8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en Brittanje klaverkaart.
9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in harten en ruitenboer werden afgebeeld.
10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de benaming van Rachel.
11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart opgenomen.
12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in klavervrouw voorgesteld.
13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.
14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende. Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op de kaart naar Israëls Vorst vernoemd.
De oude maten en gewigtenVerlieten 't land;De nieuwe gaan hun dienst verrigten,En treên in stand;Dat gaf aan de eedle winkelieren,Een dolle pret,Maar hoe misnoegdheid moge tieren,Men vreest de wet!Het hoog bevel, had ook de scholenVoor wijd en zijd,Het nieuwe stelsel aanbevolen,Der school ten spijt:"Weg, met die leelke decimalen!"Zoo riep de jeugd,"De duivel mag die vinding halen,"Tot aller vreugd!"
Eens kwam de meester met twee ellen,Één nieuw', één oud',"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,En wees niet stout!"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eeneOp de andre heeft,"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,"Zoo ge aandacht geeft!"
Maar geene attentie is te winnen,Men meesmuilt slechts,En ziet, met afgedwaalde zinnen,Dan links, dan regts,Eén onder hen, een kleine snuiter,Die niets ontziet,Roept luid, van kop tot teen een muiter,"Ik leer dat niet!"
"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!"Hoor ik het wel?"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"Hij dreigt met de el …Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,Wat euveldaad,"Gij moogt mij met dees el niet meten!"—'t Was de oude maat!
Van mijn wandling moê en mat,Gaf ik me, onder 't beukenloover,Bij eens beekjes kabblend nat,Aan de rust op 't mosbed over,'k Viel in sluimring; maar, wat droom!Droomde ik aan dien oeverzoom?
't Was me, als gleed ik telkens meerIn de diepe waterkolken,Bij het schubbig goedje neêr,Burgers, die den stroom bevolken!Enklen, uit hun element,Waren mij bij naam bekend.
O! wat wereld leefde om mij!Welk een wriemlen, wat krioelen,In die vreemde maatschappij,Welk een trachten en bedoelen;Want, geen vischje was zoo dom,Dat niet wist waarom het zwom!
Maar, door welk een vrees beklemd,Gaat dat kleine kaarsje dolen?Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!De angst houdt het in 't riet verholen,Had de groote u daar betrapt,Kleine! gij waart opgehapt.
'k Schrikte wakker—"Foei, dat's wreed!"Riep ik, "dat gij, groote slokkers!"De arme kleine vischjes eet,"Schaamt u, leelke booze schrokkers!"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"
"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek"Al schranst …) toe, voort dan, luije gek!"
De vluggert ijlt met slakke schreden,En meer en meerder krimpt zijn stap."'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,"Maar zonder poozen, zulk een vracht,"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"
Tom rust—verbruid, was dat ook sjouwen!Een half kwartier heeft de arme vent,Het telkens zwaardere present,Al voortgesleept … wie kon 't aanschouwen?Wel is de weg haast afgelegd,Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!
Ras sluit de slaap zijn oogleên digt,Een guit, die hem in 't gras zag glijden,Werd zoo vervuld van medelijden,Dat hij des stakkers last verligt."'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot,"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!"
En naauwlijks is een uur vervlogen,Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;Dan ach, de vogels zijn geschaakt!"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"Want waar het zoekend oog ook ziet,Het malsch gevleugelte is er niet!
Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan."Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"
Maar zie, tot overmaat van smarte,Treed onverwachts het aadlijk bloed,Hem, uit een zijlaan, te gemoet.Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,Zijn halve boodschap den Baron.
En nu—of Tom ook wist van beenen,Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,Maar Heer Baron roept hem terug."Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?"Ik zag je nooit zoo driftig vliên,"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."
"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen! "an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom, "De vlugtelingen zijn weêrom? "Wat pak van 't hart! nu luid gezongen! "Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief…. "Het doode wild vloog in den brief!"
"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde?"Waar klinkt er een van hooger waarde?1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon?"Droeg menig Jan geen Koningskroon?2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren,"Vóór zij dien toren had verloren,"Tot boven in de wolken gloren?"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end,"Is overal mijn naam Bekend!"
Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt,Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd!Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen,Van de eer, waarop uw naam kan roemen.Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen!Uw onvolprezen naam, bevatEen' schat voor zee, en dorp, en stad;Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd';Hoe zou het onze taal gelukken,Door één woord, zóó veel uit te drukken?
Het Jan en alleman, bij voorbeeld, vindtGij dat het juiste woord niet, vrind!Om rijp en groen,Fatsoen en geen fatsoen,Om vogels van allerlei zangen en veêren,Als in een volière te zien converseren?
Zoo is uw oordeel ook het teeken,Waarmeê wij van rapalje spreken,Voorzeker duizendwerf gebleken,Daar niets uw vlug begrip ontgaat,Jan rap en zijn maat,Janhagel van straat,Geen naam, van welk een krachtgeluid,Drukte immer zóó 't kanaljen uit!
En o! hoe vol beduidenis,Uw naam op 't golvend zeeveld is!Het zeeveld, waar de nijvre handGoud oogstte voor het Vaderland.Wie onzer kent in ieder deel,NietJanmaatvan het zeekasteel?
Gij weet, wie menJanop het aangezigt leest?'t Is immers de knecht, de gedienstige geest?Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd,Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!
Er heerschte eens een groot Koning,In 't fier Brittannisch rijk;In magt en prachtvertooning,Geen Sultan hem gelijk!Maar wat den glans verhoogdeDer schitterende ster,Waar 't meest de Vorst op boogde,3. Hij heetteJean sans Terre!
Beeld der reinste huwlijkstrouw!Hulp der liefderijkste vrouw!Onvermoeide plasser!Nooit zie ik mijn schoolprent aan,Of mijn oog wijdt u een' traan,WakkreJan de wasscher!
Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem,Uitheemsche nijd,Jan Kaasons noem',Wie immer zich deez' titel schaam',Gij prijst dien zuivelrijken naam!
Wat gekwels, wat gekwels,Voor de kindren Israëls!Als de schimp zich durft vermeten,Honend,Spek Janhen te heeten,Wetend, dat der Joden wet,Hun dien vetten mond belet!
Hoe menig kransjen ik reeds vlocht, 'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht, Kom, nieuweJannenopgezocht!
En zou ik danJantje Contrairieniet melden?In tegenspraak, zeker, de held aller helden!Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt,De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet!
Zie, achter gindsche schuine deur,Woont weêr eenJanvan de eerste keur;Of noemt de mond, van oud tot ouder,NietJanoom, d'eedlen lombardhouder?
Juich, weêr hebt gij juichensstof,Hecht aan de u geschonken' lof,Vol van dank, uw zegel!Zelfs een hof heeft zich vernoemd,Naar uw' puiknaam zoo beroemd't Hof is 't vanJan Vlegel!
Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken,Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam,Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken,Klein Jantjen is 't van Amsterdam!
Was hij een oude knaap,Als Zandvoorts Simon Paap,En daarom de Amstelstad,Met regt op hem zoo prat?Een prijsvraag dient geschreven,om 't duistre licht te geven!
Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên! "'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden, "Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden! "'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen." Dáár naakt zijn doodsvijand—wat lot zal hem beiden? Bedaar slechts, 't loopt af met eenJantje van Leiden!
En koos niet zelfs Voltaire's luit,Uw' naam voor duizend anderen uit,En heeft zijn dichterlijke stift,Voor tijdgenoot en nageslacht,Niet schitterend uw' naam gegrift,4. InJan die weent, en Jan die lacht!
Speelt iemand een geklijken rol,Van handel en wandel wat dol,Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen:Zijn rede is dan, zegt men, op hol,Hij schermt in het ronde, de bol,Als malle Jan onder de kippen!
Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen,Dat strijdende voor pligt en eer,Een' lauwerkrans drukt op de slapen,Van wien het moedigst trekt van leer!Dat lemmer forsch en breed,Dat van geen zwichten weet,Op wier het is gebeten,Door zee-robs krijgstuigboek, met regt,Kortjangeheeten!
Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd?De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken!Zij springen en dansen en dartlen van vreugd,Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken.Zeg, maakt nietJan Klaassende jeugd zoo verheugd?
Amsterdamsch Menagerie! 'k Denk aan u met zoet ontroeren; Apentuin der tuinen, die Ook den schoonsten naam mag voeren. Wat zijt gij,Artisvan ons heden, 5. BijBlaauw Janvan het verleden?
Ook voor den man, die graag de broekVerruilt voor vrouwliefs schorteldoek,Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen,Klinkt weêr uw puiknaam inJanhennen!
Nieuwe, flonkerende luister,Is weêr voor u opgedaagd!Neêrlands schrandre Pensionaris,Droeg den naam, dien gij thans draagt;Naam, als type van de staatkunst,(Wondere karaktrestiek!)Vele Jannen steeds gegeven,Om hun fijne politiek!Of, zijn het geen diplomaten,Vol verstand, vol kern en pit,Waar de lof van kan getuigen,Jongens zijn 't vanJan de Wit?
Wat rare Jan treedt dáár te voren?Zijn phlegma schijnt hem aangeboren;Nooit kon de drift zijn rust verstoren;'t Is hem hetzelfde hoe het gaat,Neen, hij weet van den Prins geen kwaad!Hij is wat lijmig in zijn' praat;Een snuggre kop, die op hem staat!Het isJan Salie, kameraad!
Maar ook in 't zedelijk bestaan,Hoort men uw' naam den grondtoon slaanOf duidt hij niet den lichtmis aan,Zoo goed als 't Fransche bon-vivant,In 't enkel woordje,'t is een Jan!
"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roeptJantje sekuur! Want langzaam en zeker is Jantje's natuur, Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend, Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend, En wikkend en wegend met rijp overleg, Betreden zijn schreden den veiligsten weg! "Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden, "'k Hecht steviger banden, die knellender binden, "Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit; "'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"
Noem me op aarde een rijksgebied;Waar men dezen Jan niet ziet?Kijk, hij is een heele piet!Schoon zijn boêltje liep in 't riet,'t Baart zijn' boezem geen verdriet,"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied,Welke winkel kent u niet,Welke winkel,Jan Crediet?
Wat onderwerp vol weidschen zwier,Zet, zangster! uw gemoed in vier,En boeit ons aan uwe elpen lier?"Lof, driewerf lof, denJan pleizier!Dien snellen wagen,Het welbehagenDer oude dagen!Die ook al verdween,Door mode bestreên,Maar toch om zijn' naam;Nog leeft door de Faam!
Bij den Jan pleizier in aanzien,Als bij d' edelman de boer,Naakt het beeld des sjouwend' ezels,Weêr een wagen van vervoer,'t Is deMalle Jan, die kreunend,Vracht, bij vracht, wordt opgetast,Is dan Jan geen goeije slokker,Die zich bukt voor zulk een' last!
Ei, zie eens, op mijne eer,Dat 's eerst een proper Heer!Gij vraagt: "wie hij mag wezen?"'t Is uit zijn oog te lezen!Mij dunkt, zijn eernaam staatIn wat hij doet, of laat;En 'k dacht, hij schoot uw zinnen,Al reeds voor lang te binnen.Hoe suft uw schrandre kop?Hoor, volg deez' raad dan op:Uw allerrapste looper,Vlieg' naar den boekverkooper,6. En vraag denJan Perfekt!Het raadsel is ontdekt.
Wiens naam geeft men geniën milder,Geniën van het edelst soort?Ook Neêrlands kunsten kweekend oord,Gaf hem zijn' snaaksten schilder!Of zegt men niet met alle reên,Van schalksche en oolijke aardigheên,Ons onder 't lagchend oog getreên,Het is een stukje van Jan Steen?
"Hoe 't valschheid misduid',"Al kost het, verbruid!"Ook haring of kuit,"Mijn tong, wie haar stuit—"Roept:Jantje regt uit!
En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters,Wie noemt het tal dier gloriestichters?Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uurDe starren telt aan 't luchtazuur,Zoo min telt m' ook de lichten, dieDeJannenzijn der poëzie.
En nu, vermoeid van al het Jannen,Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen,Voor ik het verdre van mijn taak,Door de allerschoonste kroon volmaak,O! 'k heb nogJannengroot en klein,Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein,'k Moet eerst maar wat op adem komen,En dan zij 't loflied weêr vernomenVanJan.
* * * * *
1. Sint Jan.
2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.
3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene bezittingen naliet.
4. Dichtstuk van Voltaire.
5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.
6. Een met lof bekende roman van dien naam.
"Ei zeg, is dat nu reg?"Mijnheer heeft zoo een' ekel"Aan Lord, dien boozen rekel,"Sprak Piet, de brave knecht,"En toch, hij krijgt het meest!"Gaan niet de lekkre beenen"Altoos naar de ondeugd henen?"Daar heb je Does, dat beest,"De beste van de honden,"Die ergens wordt gevonden,"Die 't nimmer gortig maakt,"Bij al die vette beten,"Hoe trouw het dier ook waakt,"Wordt Doesje maar vergeten."Dat 's onregt, op mijne eer!"
"Wel, domoor!" sprak mijnheerDie Piet had afgeluisterd,Hoe zacht hij had gefluisterd,"Ik dacht je meerder leep!"Zeg, voel je niet de kneep?"Mijn beentjes te verspillen"Aan Does, wat dwaze grillen,"'k Zou hem niet trouwer willen;"De lobbes hoeft ze niet!"Maar Lord, die kwade rakker,"Die valsche kuitepakker,"Door kluifjes wordt hij makker,"Ik vrees zijn tanden, Piet!"
(Vertelling aan Frans.)
Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje!Zijne oefningsklub noemt hem het roompjeDer heiligste regtzinnigheid,Wien lang de hemel is bereid!Vaak spreekt hij in geheimenissen,Waar 'k nooit de meening van kan gissen;'t Heeft wel iets van mystiekerij,Hij noemt het echter profezij!Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken,Om meê naar de oefening te trekken;Daar spraken ze allen, zei hij, Frans!De ware tale Kanaäns;Daar riep de zuivre Dordsche leere:"Bekeer, bekeer, u tot den Heere!"Want wie niet Orthodoks wordt, is"Een prooije der verdoemenis!""Daar kwamen al de nieuwgeboren',"De van den Hemel uitverkoren',"En laafde aan manna-spijs hun ziel,"Zoo als er nooit voor Isrel viel,"Die God het kuddeke verleende,"Dat dáár zich in den geest vereende!"
Hoe meer hij voortging met zijn preek,Hoe meer 'k zijn oefening ontweek;Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen,Dat staâg verkettren en verdoemen,Met al die duistre somberheid,Die nooit verstaat hetgeen ze zeit,Ik haat die leer met ziel en zinnen:"De Godheid bovenal te minnen,"Zijn naasten als zich zelv'—mijn vrind!Die taal verstaat een grijze en kind!
Maar wacht nog wat en spits uwe ooren,Want 'k moet u een geval doen hooren,Hetgeen mij gistren is ontmoet,En dat mij telkens lagchen doet:Weet, sinds de baas zijne oefeningenMij vruchteloos zocht op te dringen,Heb ik het ieder' keer verbruid,Het mooije weêr is met ons uit!Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten,Dan ongemaklijk opgezeten!Mijn honger, kameraad! vergat,Dat ik nog niet gebeden had;Wat nooit mijne appetijt gebeurde,Hoe lekker ook de schotel geurde.Maar o, wat kwam ik slecht te pas!Of mij de baas de les ook las!Hij gaf me van de coteletten!"Godlooze! is dat uw ziel besmetten,"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt,"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond,"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake,"Die kruimel tot een vuurvlam make,"Die u nog eer den duivel geeft,"Waar uw geheele ziel voor leeft?"Leer, Heiden! leer het van de dieren,"Wat dankbaarheid u moest bestieren,"Zelfs voor den kleinsten waterdronk,"Die u de milde gever schonk!"
"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel!"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel;"Ge zijt een regte domme klaas!"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas:"Zeg, laten ooit de vrome kippen,"Een druppel vocht naar binnen glippen,"Of rijst niet hun devote kop,"In warmen dank ten hemel op?"
'k Draag geen haat in 't minnend harte; Aller welzijn is mijn beê; 'k Leef met God en mensch in vreê, En stort tranen bij de smarte; Slechts één schepsel voedstert de aard', Dat mijn schrikbre gramschap baart!
Afschuw walgt den naam te noemen,Van het monster zoo ontieg!'t Is—de vuile, vuige vlieg.Haar te noemen, is haar doemen!Felle wraak besnaart mijn lier,Voor die plaag van mensch en dier!
'k Min u, zoele zomerluchten!Schaars het deel van ons klimaat!Vreugde lacht op elks gelaat,Bij uw zoete zielsgenugten,Doch, waarom verkleint ge uw gift,Door het voorwerp van mijn drift?
't Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren,Als haar dommelend gebrom,Mommelend rondsnort, om en om.Waar de mensch, die 't aan kan hooren?Niemand dan die zwarte draak,Vindt in 't zeur geneurie smaak!
Uitgeleerd in booze treken,Rekt zij d' olifanten-snuit,Grijpende naar de onschuld uit:"Leelke vlieg! is dat daar steken,"Weg is ze, als de hand zich heftDie den dreiger zelv' nog treft!
Noem de plek, waar ze ooit zich zette,'t Allermislijkst zamenstel,Dat haar vuilheid niet besmette?Tot een walglijk tijgervel,Kleurt ze uw lijnwaad.—Ja, het schreitVaderlandsche zindlijkheid!
En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel,Waar ge uw' dronk of bete plaatst,Nergens, waar haar snuit niet aast,Niets is veilig voor 't gebroedsel!Ja, is 't lijf eerst vet gemest,Dan bezoedlen zij de rest!
Gistren, ('k zal het nooit vergeten!)Vloog er een afgrijslijk paar,Dartlend stoeijend met elkaar,Naar mijn aanzigt—wat vermeten!Ras herschiep haar lust en keus,Tot een huwlijks-spond mijn' neus.
Weet de haat geen gif te zoeken,Dat den dood in de adren stort,En die pest verderflijk word',Door haar slimheid te verkloeken;Waarom is de wraak zoo traag,Tot de straf' dier helsche plaag?
Komt, ons allen zaân verbonden,Wie der vliegen vijand zijt!Menschen, vogels, katten, honden,Slaat en pikt en krabt en bijt!help ook gij ons meê, natuur!Hoor ons: "voorwaarts!" in dit uur.
Dat des winters stale krachten,Zich met onze kracht vereen';Stouter strijd zij nooit gestreên!Moge 't zelfde lot haar wachten,'t Lot, dat Napjes legertal,Eens, in Rusland, bragt ten val!
Wij kregenKareltje Amoureus,Die dagelijks ons komt vervelen,Met ons zijn bijzijn meê te deelen,Eens alleraardigst bij den neus!Weet dan, zijn zotte liefdeklagt,Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken,En, schoon haar schalkheid hem belacht,Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!
Zoo, stappende als een stootershaan,Kwam 't Heertje gistren bij ons aan,Alweêr verliefd tot over de ooren!"Zijn lieve attentie wilde eens hooren,"Hoe 't in den huisselijken kring,"Sprak hij, "met de gezondheid ging;"O! altoos sloeg zijn hart geruster,"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis,(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!)"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"
De Don Quichot van geest en leden,Kwam 't woonvertrek dan ingegleden,Juist toen een medaillon portret,(Iets zweemend naar mijn zuster Jet)Ons aller aandacht hield gekluisterd,Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert:"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand,"Schiep u dit beeld ten minnepand!"En, van verrukking opgetogen,Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!
"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon,"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!""Niet!" riep hij, en zijn taal verried,Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen:"Het is de schoonste van de vrouwen,"Die door eens schilders kunstpalet,"Nog ooit is op ivoor gezet!"Wat golvend goud omzweeft haar slapen!"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt!"Wie, die het niet in liefde ontsteekt?"Tot kussen schijnt die mond geschapen!"Wat blos versiert de blanke koon—"Neen, Venus was niet meerder schoon"In lijfsgestalte en wezenstrekken!"O! wie de min ten doel mogt strekken,"Van haar, die dit bekoorlijk beeld,"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld!"Eén zoentje van dien mond mogt stelen."
"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen,"Sprak me oude grootmamatje ras,Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was!"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje,"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond,"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"
Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.—
De Acteur Jeroen, meestal besist,Had zeker 's nachts de straat gemist;Want 's morgens werd hij opgevischt,Voor elks verwonderde oogen,Doch 't graantje had zoo sterk gegist,Dat hij, hoe door de gracht verfrischt,Van toeten noch van blazen wist,Ten spijt van ieders pogen!
Maar stil, daar komt de snuggre Nol,Van wien er vier zijn op den hol,Daarbij zoo blind nog als een snol,Op 't driftigst aangestevend:"Roen dood …" zegt hij, "wat! ben je dol?"Zie, zóó natuurlijk speelt de bol!"Nooit stierf hij immers in zijn rol,"Of steeds werd hij weêr levend?"
Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet,Is, Dood! dees beeldtnis uw portret?De Schilder wou u wis begekken!Hoe! dit uw houding? dit uw trekken?Gij groeide leelijk door uw haar,Wat kaalkop … doch, dat 's smaak, 't is waar!Noch bakkebaard, of zijns gelijken,Geen enkel donsje zie ik prijken,
En waar uwe oogen moesten staan,Daar kijken holle gaten me aan!Uw neus is zeker uit logeren,—O! mogt hij spoedig wederkeeren;Want toch de gevel siert het huis!Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis:Die armen schijnen dorre takken,Die krachteloos ter neder zakken;
Daar aan de hand, slechts knok en been,De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên!Uw borst lijkt wel een traliehokje,(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!)Waaraan het beestjen is ontvlugt;En, tot volmaking van de klucht,Kreegt gij voor beenen, lange fluiten;Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!
Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze isVerschrikklijk mooi, die beeldtenis!Het is u sprekend weêrgegeven!Geloof me, Dood! gij schijnt te leven!En dan dat heerlijk colorietDes Schilders … wit, al wat men ziet!Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend,Behoefde één verw slechts … 't is benijdend!Alleen, flatteert hij niet wat mild? …Doch, gekheid op een stokje, wiltGij over 't stuk en zonder fleemen,Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen,Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen:Hoor, 't is een guit, of brekebeen,Dat allerliefste Apelles Zoontje!'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje,Had dus zijn dom of schalksch palet,Vol wansmaak me op 't paneel gezet!
Is dat het beeld van u, wiens krachten,Reeds zoo veel duizende geslachten,Met forschen arm en stalen vuistTot stof en pulver hebt vergruisd?Is dat uw uitzigt, dat uw houding,Waar eeuw aan eeuwen geen verouding,Geen kreuk op hebben neêrgedrukt,De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt?En geeft dit misselijk geraamte,(O kladderij, der kunst tot schaamte!)Uw kloeke leest en aanschijn weêr?Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer!Uw wraak moet hem den kop verpletten,Die dus uw beeld ten toon dorst zetten,Zoo wage, een magtloos schilderworm,Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm!
En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen:Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad!Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad!"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen;Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht—Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt!
Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig!Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud!Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de SchoutEen Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig!Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek,Den wijste der wijzen een' olijken trek!
Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen,Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd!Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd,Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen;En 't minzaam verzoek van de vrijende TweeLuidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?"
"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen,"Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf,"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!""Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen—En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet:"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret.
Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken,Die gekken van straks lachten ook zoo … Maar, hoor …Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor?Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken?"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!"Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol?
Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen,Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen …"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen,"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen!"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheftDe zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft!
Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje,En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult?Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld!Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje:"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid,"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!"