Hoofdstuk LX.

Hoofdstuk LX.De bisschoppen der Duitschers.Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden, zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen, en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst herinnert hen de geschoren kruin, dateen priester van alle begeerten dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden, hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf, als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen, en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten1. Maar is er hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger die weer aan een ander overdoet,zoo laten ook zij uit zedigheid de betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof het zelf in ’t geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren2, de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken, de bedelmonniken op de kartuizers3, die de eenigen zijn, bij wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze schier nooit te zien kan krijgen.Zoo dragen ook de pausen, die bij den geldoogst zeer nauwlettend zijn, die al te apostolische werkzaamheden aan de bisschoppen op, de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan hun kapelaans, de kapelaans aan de bedelmonniken. Deze wijzen voor dit werk weer anderen aan, door wie de schapen geschoren worden. Het ligt echter niet in mijn plan het leven van pausen en priesters uit te kleeden, want men zou dan kunnen denken, dat ik een satire wilde schrijven, niet een lofrede voordragen, en men zou kunnen meenen, dat de goede vorsten door mij werden doorgehaald, dewijl ik de slechte prijs4. Maar hierom heb ik dit onderwerp ter sprake gebracht, opdat het zou blijken, dat er geen mensch ter wereld aangenaam kan leven, wanneer hij niet tot mijn ingewijden behoort en ik hem genadig ben.1Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht hebben op allerlei inkomsten.2Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen regel leven.3De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.4Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei verkeerds van iemand te vertellen.Hoofdstuk LXI.De Fortuin begunstigt de dwazen.Want hoe zou dit mogelijk wezen, daar ook de Nemesis1, die het geluk der menschen in haar hand heeft, het zoozeer met mij eens is, dat zij zich altijd een aartsvijandin van die wijzen betoond heeft en daarentegen den dwazen zelfs in den slaap alle voordeelen heeft bezorgd.Gij herinnert u dien Timotheus2, die hiervan zijn bijnaam ontving en op wien het spreekwoord: “Hij vangt slapend visch in zijn net” werd toegepast, en ook een ander: “De uil vliegt”3. Daarentegen zijn op de wijzen deze bekende woorden van toepassing: “in het laatste kwartier geboren”4en “hij bezit het paard van Seius” en “het goud van Toulouse”5. Doch ik houd op spreekwoorden aan te halen om niet den schijn op mij te laden, dat ik de aanteekeningen6van mijn vriend Erasmus geplunderd heb.Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk is: “menmoet alles op één worp zetten.” Maar de wijsheid maakt de menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven, wat is dan onnutter dan wijsheidof liever, wat is bij dit slag van menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden, wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed, als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten, dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes, de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom, waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden, vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken, maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven—die niets bewijzen.1Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: “De gelegenheid heeft van voren lang, van achteren kort haar.”2Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog “het gelukskind” bijgenaamd.3Een vliegende uil—deze vogel was de godin Athene heilig—gold bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.4Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij deze gestalte der maan geboren zijn.5In de oudheid was een verhaaltje in omloop over een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt, aanraakten.6De “Adagia,” een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.Hoofdstuk LXII.Getuigenissen der ouden.Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat,waar de werkelijkheid ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht reeds den knapen dezen versregel:De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen1.Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus’ kudde2, dat raadtdwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts eenkleine dosisnoodig is. Zoo zegt hij elders:Het is zoet bij gelegenheid eens dol te zijn.Weer op een andere plaatswil hij liever voor zwak van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.Reeds bij Homerus wordt Telemachus3, dien de dichter in allen opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden voornaam, alsof die iets goedsvoorspelde, plegen de treurspeldichters gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied, de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten en volken4? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero: “Alles is vol zotten!” Want wie weet niet, dat ieder goed des te voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?1Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.2Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn gedichten. De volgelingen van Epicurus (342–271 v. Chr.), die leerde,dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere richting voor varkens uitgescholden.3Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.4Aanhaling uit Horatius.Hoofdstuk LXIII.Getuigenissen uit de Heilige Schrift.Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den Helicon te roepen1tot het ondernemen van zulk een lange reis, vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed enmij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus, die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme2en spoedig daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal aanklagen, alsof ik heimelijk de papierenonzer Magistersweggenomen heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang, dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs die god uit vijgenboomhout, Priapus3, eenige Grieksche woorden, doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en top verstond4. Maar eindelijk ter zake—onder goede voorteekenen.De Prediker schreef in zijn eerste hoofdstuk:Der zotten aantal is eindeloos5.Als hij hun aantal eindeloos noemt, schijnt hij dan niet hieronder alle menschen zonder onderscheid te verstaan, behalve eenige zeer weinige, die misschien niemand ooit heeft kunnen ontdekken? Maar ruiterlijker erkent dit Jeremia in het tiende hoofdstuk6, waar hij zegt:Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap heeft.Aan God alleen schrijft hij wijsheid toe7, terwijlhij den menschen gezamenlijk de dwaasheid overlaat. En hij zegt wederom een weinig vroeger:Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid8.Waarom wilt gij niet dat de mensch zich in zijn wijsheid beroemt, mijn beste Jeremia? Zeker hierom, omdat hij geen wijsheid bezit. Maar ik keer tot den Prediker terug. Als hij uitroept:IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid9, meent gij dan, dat hij iets anders bedoeld heeft dan dit, wat wij beweerden, dat namelijk het menschelijke leven niets anders is dan een spel der dwaasheid? Zonder twijfel vereenigt hij zich volkomen met den lof, door Cicero gegeven, wiens bekende uitspraak, door ons boven aangehaald, met volle recht geroemd wordt:Alles is vol zotten10.En wederom die wijze Prediker, die gezegd heeft:De dwaas verandert als de maan, de wijze blijft dezelfde als de zon11, wat bedoelt hij anders dan dit, dat alle menschenkinderen dwaas zijn, maar dat aan God alleen de naam van wijs toekomt? Men verstaat immers onder de maan de menschelijke natuur en onder de zon, de bron van alle licht, God.Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie, dat men niemand goedmoet noemen, dan God alleen12. Verder, als op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is, en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk13:De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde:Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet14.Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het 7de hoofdstuk15:Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde?En daarom stelde hij zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk16:En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid.Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat, dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt17. Maar dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook zonneklaar die Prediker18, wie hij dan ook moge geweest zijn, in het 44ste hoofdstuk19, wiens woorden ik echter U niet eerder zal mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates redetwisten20. Wat van beiden past het eerder op te bergen, wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens nietuitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in uw plaats, dat zegt “de waterkruik aan de deur”21, en opdat men niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles22, de God onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet, zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat: Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat de wijsheid, die hij23niet wil wegbergen, minder waarde heeft dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu zijn eigen woorden:Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt, dan de man, die zijn wijsheid verbergt.Zelfs kent de Heilige Schrift den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in het 10de hoofdstuk zegt24:Maar de dwaas op den weg wandelende beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas.Is dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het 30ste hoofdstuk zijner spreuken25:Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand.Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in zijn brief aan de Corinthiërs26zich niet ongaarne den bijnaam van dwaas welgevallen:Als een dwaas, zegt hij,spreek ik: meer ben ik27, even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten overtreffen. Maar intusschenschreeuwen mij eenige ellendige Grieken28de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens naam ik meermalen met eerbied noem. “Welk een inderdaad zotte en der Zotheid zelve waardige aanhaling” zeggen zij. “De apostel bedoelt geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan, maar na gezegd te hebben:zij zijn dienaars van Christus, en ik(ook), en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij:meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou kwetsen. Hij bezigde de woorden:als minder wijs spreek ik, omdat hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te kwetsen de waarheid te spreken”29. Maar ik laat het aan hen zelf over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen30verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan kraaien31, vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds hem dit schimpwoordnaar het hoofd werpen: “De ezel en de lier”32, op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende, met deze woorden:Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw hoofdstuk begint en—hetgeen slechts met de grootste inspanning zijner redekunstige krachten kon geschieden—er een nieuwe afdeeling bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm33, maar ook naar den inhoud):Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen34, zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen.En toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig later tot een geheel ander besluit.1Ziehoofdst. XXX.2De Sorbonne (ziehoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd (ziehoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur, dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog een uiterst platte aardigheid veroorloofd.3Ziehoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.4Ziehoofdst. XXXIV.5Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling wordt de regel niet gevonden.6Vers 14.7X, vers 7 en 12.8IX, vers 23.9I, vers 3 en XII, vers 8.10Zie einde van hetvorige hoofdst.11Jezus Sirach XXVII, vers 12.12Matth. XIX, vers 17.13Spreuken, vers 21.14Prediker I, vers 18.15Vers 4.16Vers 17.17Matth. XIX, vers 30:Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.18Jezus Sirach.19Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).20Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn stelling ook in het algemeen gold (inductie).21Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen als het ware voor het grijpen laat staan.22Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer bij uitnemendheid.23Jezus Sirach.24Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins anders.25Vers 2.26II, hoofdst. 11, vers 23.27Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.28Het Latijnsche woord ”Graeculus” is hier door E. gebruikt, omdat het lijkt op ”graculus” = kraai, zie onder.29De kwestie is dus deze, of:meer ben ik, hoort bij:Als een dwaas spreek ik, dan wel bij:Zij zijn dienaars van Christus.30Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.31Zie noot371.32Over het hier bedoelde spreekwoord ziehoofdst. XXV. De beroemde theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.33Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten te spreken van:woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het volgende aan toe.34Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5:Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen, en vers 13:Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.Hoofdstuk LXIV.Verkeerde uitleggers van de woorden der Heilige Schrift.Maar waarom beroep ik mij zoo angstvallig op het gevoelen van één man? Alle Theologen zonder onderscheid bezitten immers het recht om den hemel, d. w. z. de Heilige Schrift, als een huid uit te rekken en zoo zijn bij den heiligen Paulus de woorden van de Heilige Schrift met elkander in tegenspraak, die op hun eigen plaats niet met elkander strijden1, als men de verzekering van den beroemden Hieronymus2, die vijf talen verstond, mag gelooven. Hij verdraaide namelijk een te Athene bij toeval ontdekt opschrift op een altaar, om daaraan een bewijs voor het christelijke geloof te ontleenen, en met voorbijgaan van al wat zijn zaak zou kunnen schaden, pikte hij slechts de laatste woorden er af nl. deze:Aan den onbekenden God3, en veranderde ook deze nog een weinig. Immers het geheele opschrift luidde aldus: “AAN DE GODEN VAN AZIË, EUROPA EN AFRICA, AAN DE ONBEKENDE EN VREEMDE GODEN.” Op zijn voetspoor plegen verder de zonen der Theologen4zoo hier en daar vier of vijf woordjes, uit hun verband gerukt en, zoo noodig, nog verdraaid, te hunnen nutte aan te wenden, ofschoon het voorgaande en het volgende of in het geheel niets ter zake afdoet of zelfs daarmede lijnrecht in strijd is. En dit doen zij met zulk een gelukkige onbeschaamdheid, dat de rechtsgeleerden dikwijls de Godgeleerden benijden. Wat toch zou hun verder niet gelukken, nadat die groote—haast had ik zijn naam uitgeflapt, maar al weer vrees ik voor het Grieksche spreekwoord5—uit de woorden van Lucas een gevoelen gehaald heeft, dat evenzeer met Christus’ bedoeling strookt, als er overeenstemming bestaat tusschen water en vuur? Want toen het uiterstegevaar6dreigde, een oogenblik, waarop goede beschermelingen hun beschermheeren het meest plegen ter zijde te staan en met alle mogelijke middelen in den strijd te helpen, heeft Christus, wiens doel was al het vertrouwen op dergelijke hulpmiddelen uit de gemoederen der zijnen te verdrijven, hen gevraagd, of hun ergens iets ontbroken had, en dat, ofschoon hij hen zoo zeer van alles, wat tot de reis noodig was, ontbloot had uitgezonden, dat hij hen zelfs niet door schoeisel beschermde tegen kwetsuren van dorens en steenen en hun zelfs geen knapzak gaf tegen den honger. Toen zij zeiden, dat hun niets ontbroken had, ging hij aldus voort:Maar nu, zeide hij, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male7, en die geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard.Daar de geheele leer van Christus ons niets anders inprent dan zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en verachting des levens, wien is het dan niet zonneklaar, wat hij met deze plaats bedoelt? Natuurlijk zijn gezanten nog meer te ontwapenen, zoodat zij niet slechts om schoeisel en knapzak zich weinig zullen bekommeren, maar ook het kleed daarenboven wegwerpen en naakt, zonder eenige belemmering, hun evangelische taak aanvaarden. Niets moeten zij zich aanschaffen dan een zwaard, niet zulk een, waarmee roovers envadermoorders hun wandaden plegen, maar het zwaard des geestes, doordringende zelfs in de diepste schuilhoeken des harten, dat in één keer alle hartstochten zóó besnoeit, dat men zich verder om niets bekommert, behalve om de vroomheid. Maar let nu eens op, bid ik U, in welke richting die beroemde Godgeleerde deze woorden verdraait. Het zwaard vat hij op als de verdediging tegen de vervolging, den zak als een voldoenden voorraad leeftocht, even alsof Christus, geheel van gevoelen veranderd, omdat hij zijn gezanten bij hun vertrek niet vorstelijk genoeg van alles voorzien scheen te hebben, zijn vroeger gebod herriep en alsof hij, vergetend wat hij vroeger had verkondigd, dat zij zalig zouden zijn, als men hen met smaadwoorden, beleedigingen en straffen vervolgde8, hun verbiedend om zich te eeniger tijd tegen het kwaad te verzetten9, want dat de zachtmoedigen zalig zijn10, niet de strijdlustigen, en ook vergetend, dat hij hun de musschen en de leliën11ten voorbeeld gesteld heeft, nu zelfs niet wilde, dat zij zonder zwaard vertrokken, zoo zelfs, dat hij hun beveelt hun onderkleed te verkoopenvoor een zwaard en liever wil, dat zij zich naakt op weg begeven dan zonder een zwaard. Daarenboven, evenals hij onder den naam zwaard alles begrepen acht, wat strekt om zich tegen geweld te verzetten, zoo bevat, volgens hem, ook het woord knapzak al wat tot de nooddruft behoort. En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bombarden uittrekken, om den gekruisigde te prediken. Hij belaadt hen daarenboven met kisten, koffers en allerlei bagage, opdat zij niet soms zonder ontbijt uit hun herberg zouden moeten weggaan. Zelfs maakt het geen indruk op den man, dat hij12hen het zwaard, dat hij zoo dringend geraden had te koopen, kort daarop met een scherpe berisping weer laat opsteken13en dat men zelfs bij geruchte er nooit van gehoord heeft, dat de apostelen zich van zwaarden of schilden bedienden om het geweld der heidenen te keeren hetgeen zij zeker gedaan zouden hebben, zoo Christus van dat gevoelen geweest was, dat hij in deze woorden zoekt. Er is een ander, wiens naam ik eershalve niet vermeld, ofschoon hij waarlijk niet slecht bekend staat14, die uit de tenten, waarvan Habakuk spreekt met de woorden:De vellen van het land Madian zullen geschud worden15, het vel van den gevilden Bartholomaeus16gemaakt heeft. Zelf heb ik onlangs een theologisch twistgesprek bijgewoond; want dit doe ik dikwijls. Toen iemand bij die gelegenheid de vraag stelde, welke bewijsplaats er wel in de Heilige Schrift voorkwam, op grond waarvan men de ketters liever door het vuur moest overwinnen dan door redevoeringen van dwaling overtuigen, gaf een grijsaard met een streng gelaat en zeker—dit bewees zijn laatdunkend uiterlijk—een Theoloog in hevigen toorn ten antwoord, dat de apostel Paulus dit bevel had gegeven:Snijd eenen ketterschenmensch na de eerste en tweede vermaning af17. Toen hij die woorden telkens opnieuw met een donderende stem herhaalde en zeer velen vol verbazing vroegen, wat den man toch overkomen was, gaf hij eindelijk de verklaring, dat men een ketterden halsmoestafsnijden. Eenigen lachten, maar het ontbrak ook niet aan toehoorders, die dit verzinsel volkomen theologisch vonden. Toen echter sommigen zich tegen deze verklaring luide bleven verzetten, nam een ander het voor hem op, die de knoop met een bijl doorhakte, zoodat verder niets tegen hem te zeggen viel. Hoort, zeide hij, wat de zaak is: Daar staat geschreven:Laat den boosdoener niet leven18; ieder ketter is een boosdoener, dus, enz. De geheele vergadering bewonderde het vernuft van den man en door middel van de voeten, die nog wel in groote laarzen staken, gaf men zijn goedkeuring te kennen. Niemand kwam op de gedachte, dat dit voorschrift betrekking heeft op de waarzeggers, bezweerders en toovenaars, die in het HebreeuwschMekaschephimheeten; anders had men ook hoererij en dronkenschap met den dood moeten straffen.1Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk bedoeld was.2ZieVoorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Dalmatisch.3Handelingen XVII, vers 23.4Navolging van Homerus, die spreekt van “zonen der Achaeërs” in plaats van “Achaeërs”; of van het “zonen der profeten”, dat herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.5Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen “herunter zu leiern.”) Voor het spreekwoord zie noot375.6Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder Lukas XXII, vers 35 en 36.7= Knapzak.8Matth. V, vers 10 en 11.9Matth. V, vers 39.10Matth. V, vers 4.11Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.12Christus.13Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.14Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.15III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche woord ”pelles” beteekent eigenlijk “vellen,” maar ook “tenten,” wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.16Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn gestorven.17Brief aan Titus III, vers 10. De woordensnijd.....afzijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun dubbelzinnigheid.18Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.

Hoofdstuk LX.De bisschoppen der Duitschers.Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden, zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen, en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst herinnert hen de geschoren kruin, dateen priester van alle begeerten dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden, hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf, als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen, en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten1. Maar is er hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger die weer aan een ander overdoet,zoo laten ook zij uit zedigheid de betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof het zelf in ’t geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren2, de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken, de bedelmonniken op de kartuizers3, die de eenigen zijn, bij wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze schier nooit te zien kan krijgen.Zoo dragen ook de pausen, die bij den geldoogst zeer nauwlettend zijn, die al te apostolische werkzaamheden aan de bisschoppen op, de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan hun kapelaans, de kapelaans aan de bedelmonniken. Deze wijzen voor dit werk weer anderen aan, door wie de schapen geschoren worden. Het ligt echter niet in mijn plan het leven van pausen en priesters uit te kleeden, want men zou dan kunnen denken, dat ik een satire wilde schrijven, niet een lofrede voordragen, en men zou kunnen meenen, dat de goede vorsten door mij werden doorgehaald, dewijl ik de slechte prijs4. Maar hierom heb ik dit onderwerp ter sprake gebracht, opdat het zou blijken, dat er geen mensch ter wereld aangenaam kan leven, wanneer hij niet tot mijn ingewijden behoort en ik hem genadig ben.1Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht hebben op allerlei inkomsten.2Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen regel leven.3De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.4Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei verkeerds van iemand te vertellen.

Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden, zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen, en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst herinnert hen de geschoren kruin, dateen priester van alle begeerten dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden, hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf, als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen, en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten1. Maar is er hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger die weer aan een ander overdoet,zoo laten ook zij uit zedigheid de betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof het zelf in ’t geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren2, de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken, de bedelmonniken op de kartuizers3, die de eenigen zijn, bij wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze schier nooit te zien kan krijgen.

Zoo dragen ook de pausen, die bij den geldoogst zeer nauwlettend zijn, die al te apostolische werkzaamheden aan de bisschoppen op, de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan hun kapelaans, de kapelaans aan de bedelmonniken. Deze wijzen voor dit werk weer anderen aan, door wie de schapen geschoren worden. Het ligt echter niet in mijn plan het leven van pausen en priesters uit te kleeden, want men zou dan kunnen denken, dat ik een satire wilde schrijven, niet een lofrede voordragen, en men zou kunnen meenen, dat de goede vorsten door mij werden doorgehaald, dewijl ik de slechte prijs4. Maar hierom heb ik dit onderwerp ter sprake gebracht, opdat het zou blijken, dat er geen mensch ter wereld aangenaam kan leven, wanneer hij niet tot mijn ingewijden behoort en ik hem genadig ben.

1Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht hebben op allerlei inkomsten.2Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen regel leven.3De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.4Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei verkeerds van iemand te vertellen.

1Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht hebben op allerlei inkomsten.

2Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen regel leven.

3De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.

4Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei verkeerds van iemand te vertellen.

Hoofdstuk LXI.De Fortuin begunstigt de dwazen.Want hoe zou dit mogelijk wezen, daar ook de Nemesis1, die het geluk der menschen in haar hand heeft, het zoozeer met mij eens is, dat zij zich altijd een aartsvijandin van die wijzen betoond heeft en daarentegen den dwazen zelfs in den slaap alle voordeelen heeft bezorgd.Gij herinnert u dien Timotheus2, die hiervan zijn bijnaam ontving en op wien het spreekwoord: “Hij vangt slapend visch in zijn net” werd toegepast, en ook een ander: “De uil vliegt”3. Daarentegen zijn op de wijzen deze bekende woorden van toepassing: “in het laatste kwartier geboren”4en “hij bezit het paard van Seius” en “het goud van Toulouse”5. Doch ik houd op spreekwoorden aan te halen om niet den schijn op mij te laden, dat ik de aanteekeningen6van mijn vriend Erasmus geplunderd heb.Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk is: “menmoet alles op één worp zetten.” Maar de wijsheid maakt de menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven, wat is dan onnutter dan wijsheidof liever, wat is bij dit slag van menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden, wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed, als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten, dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes, de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom, waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden, vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken, maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven—die niets bewijzen.1Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: “De gelegenheid heeft van voren lang, van achteren kort haar.”2Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog “het gelukskind” bijgenaamd.3Een vliegende uil—deze vogel was de godin Athene heilig—gold bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.4Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij deze gestalte der maan geboren zijn.5In de oudheid was een verhaaltje in omloop over een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt, aanraakten.6De “Adagia,” een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.

Want hoe zou dit mogelijk wezen, daar ook de Nemesis1, die het geluk der menschen in haar hand heeft, het zoozeer met mij eens is, dat zij zich altijd een aartsvijandin van die wijzen betoond heeft en daarentegen den dwazen zelfs in den slaap alle voordeelen heeft bezorgd.

Gij herinnert u dien Timotheus2, die hiervan zijn bijnaam ontving en op wien het spreekwoord: “Hij vangt slapend visch in zijn net” werd toegepast, en ook een ander: “De uil vliegt”3. Daarentegen zijn op de wijzen deze bekende woorden van toepassing: “in het laatste kwartier geboren”4en “hij bezit het paard van Seius” en “het goud van Toulouse”5. Doch ik houd op spreekwoorden aan te halen om niet den schijn op mij te laden, dat ik de aanteekeningen6van mijn vriend Erasmus geplunderd heb.

Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk is: “menmoet alles op één worp zetten.” Maar de wijsheid maakt de menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven, wat is dan onnutter dan wijsheidof liever, wat is bij dit slag van menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden, wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed, als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten, dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes, de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom, waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden, vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken, maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven—die niets bewijzen.

1Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: “De gelegenheid heeft van voren lang, van achteren kort haar.”2Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog “het gelukskind” bijgenaamd.3Een vliegende uil—deze vogel was de godin Athene heilig—gold bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.4Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij deze gestalte der maan geboren zijn.5In de oudheid was een verhaaltje in omloop over een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt, aanraakten.6De “Adagia,” een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.

1Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: “De gelegenheid heeft van voren lang, van achteren kort haar.”

2Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog “het gelukskind” bijgenaamd.

3Een vliegende uil—deze vogel was de godin Athene heilig—gold bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.

4Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij deze gestalte der maan geboren zijn.

5In de oudheid was een verhaaltje in omloop over een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt, aanraakten.

6De “Adagia,” een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.

Hoofdstuk LXII.Getuigenissen der ouden.Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat,waar de werkelijkheid ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht reeds den knapen dezen versregel:De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen1.Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus’ kudde2, dat raadtdwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts eenkleine dosisnoodig is. Zoo zegt hij elders:Het is zoet bij gelegenheid eens dol te zijn.Weer op een andere plaatswil hij liever voor zwak van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.Reeds bij Homerus wordt Telemachus3, dien de dichter in allen opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden voornaam, alsof die iets goedsvoorspelde, plegen de treurspeldichters gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied, de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten en volken4? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero: “Alles is vol zotten!” Want wie weet niet, dat ieder goed des te voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?1Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.2Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn gedichten. De volgelingen van Epicurus (342–271 v. Chr.), die leerde,dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere richting voor varkens uitgescholden.3Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.4Aanhaling uit Horatius.

Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat,waar de werkelijkheid ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht reeds den knapen dezen versregel:

De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen1.

De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen1.

Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus’ kudde2, dat raadtdwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts eenkleine dosisnoodig is. Zoo zegt hij elders:Het is zoet bij gelegenheid eens dol te zijn.Weer op een andere plaatswil hij liever voor zwak van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.

Reeds bij Homerus wordt Telemachus3, dien de dichter in allen opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden voornaam, alsof die iets goedsvoorspelde, plegen de treurspeldichters gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied, de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten en volken4? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero: “Alles is vol zotten!” Want wie weet niet, dat ieder goed des te voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?

1Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.2Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn gedichten. De volgelingen van Epicurus (342–271 v. Chr.), die leerde,dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere richting voor varkens uitgescholden.3Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.4Aanhaling uit Horatius.

1Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.

2Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn gedichten. De volgelingen van Epicurus (342–271 v. Chr.), die leerde,dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere richting voor varkens uitgescholden.

3Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.

4Aanhaling uit Horatius.

Hoofdstuk LXIII.Getuigenissen uit de Heilige Schrift.Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den Helicon te roepen1tot het ondernemen van zulk een lange reis, vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed enmij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus, die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme2en spoedig daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal aanklagen, alsof ik heimelijk de papierenonzer Magistersweggenomen heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang, dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs die god uit vijgenboomhout, Priapus3, eenige Grieksche woorden, doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en top verstond4. Maar eindelijk ter zake—onder goede voorteekenen.De Prediker schreef in zijn eerste hoofdstuk:Der zotten aantal is eindeloos5.Als hij hun aantal eindeloos noemt, schijnt hij dan niet hieronder alle menschen zonder onderscheid te verstaan, behalve eenige zeer weinige, die misschien niemand ooit heeft kunnen ontdekken? Maar ruiterlijker erkent dit Jeremia in het tiende hoofdstuk6, waar hij zegt:Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap heeft.Aan God alleen schrijft hij wijsheid toe7, terwijlhij den menschen gezamenlijk de dwaasheid overlaat. En hij zegt wederom een weinig vroeger:Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid8.Waarom wilt gij niet dat de mensch zich in zijn wijsheid beroemt, mijn beste Jeremia? Zeker hierom, omdat hij geen wijsheid bezit. Maar ik keer tot den Prediker terug. Als hij uitroept:IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid9, meent gij dan, dat hij iets anders bedoeld heeft dan dit, wat wij beweerden, dat namelijk het menschelijke leven niets anders is dan een spel der dwaasheid? Zonder twijfel vereenigt hij zich volkomen met den lof, door Cicero gegeven, wiens bekende uitspraak, door ons boven aangehaald, met volle recht geroemd wordt:Alles is vol zotten10.En wederom die wijze Prediker, die gezegd heeft:De dwaas verandert als de maan, de wijze blijft dezelfde als de zon11, wat bedoelt hij anders dan dit, dat alle menschenkinderen dwaas zijn, maar dat aan God alleen de naam van wijs toekomt? Men verstaat immers onder de maan de menschelijke natuur en onder de zon, de bron van alle licht, God.Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie, dat men niemand goedmoet noemen, dan God alleen12. Verder, als op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is, en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk13:De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde:Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet14.Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het 7de hoofdstuk15:Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde?En daarom stelde hij zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk16:En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid.Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat, dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt17. Maar dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook zonneklaar die Prediker18, wie hij dan ook moge geweest zijn, in het 44ste hoofdstuk19, wiens woorden ik echter U niet eerder zal mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates redetwisten20. Wat van beiden past het eerder op te bergen, wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens nietuitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in uw plaats, dat zegt “de waterkruik aan de deur”21, en opdat men niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles22, de God onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet, zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat: Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat de wijsheid, die hij23niet wil wegbergen, minder waarde heeft dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu zijn eigen woorden:Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt, dan de man, die zijn wijsheid verbergt.Zelfs kent de Heilige Schrift den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in het 10de hoofdstuk zegt24:Maar de dwaas op den weg wandelende beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas.Is dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het 30ste hoofdstuk zijner spreuken25:Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand.Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in zijn brief aan de Corinthiërs26zich niet ongaarne den bijnaam van dwaas welgevallen:Als een dwaas, zegt hij,spreek ik: meer ben ik27, even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten overtreffen. Maar intusschenschreeuwen mij eenige ellendige Grieken28de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens naam ik meermalen met eerbied noem. “Welk een inderdaad zotte en der Zotheid zelve waardige aanhaling” zeggen zij. “De apostel bedoelt geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan, maar na gezegd te hebben:zij zijn dienaars van Christus, en ik(ook), en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij:meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou kwetsen. Hij bezigde de woorden:als minder wijs spreek ik, omdat hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te kwetsen de waarheid te spreken”29. Maar ik laat het aan hen zelf over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen30verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan kraaien31, vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds hem dit schimpwoordnaar het hoofd werpen: “De ezel en de lier”32, op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende, met deze woorden:Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw hoofdstuk begint en—hetgeen slechts met de grootste inspanning zijner redekunstige krachten kon geschieden—er een nieuwe afdeeling bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm33, maar ook naar den inhoud):Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen34, zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen.En toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig later tot een geheel ander besluit.1Ziehoofdst. XXX.2De Sorbonne (ziehoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd (ziehoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur, dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog een uiterst platte aardigheid veroorloofd.3Ziehoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.4Ziehoofdst. XXXIV.5Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling wordt de regel niet gevonden.6Vers 14.7X, vers 7 en 12.8IX, vers 23.9I, vers 3 en XII, vers 8.10Zie einde van hetvorige hoofdst.11Jezus Sirach XXVII, vers 12.12Matth. XIX, vers 17.13Spreuken, vers 21.14Prediker I, vers 18.15Vers 4.16Vers 17.17Matth. XIX, vers 30:Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.18Jezus Sirach.19Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).20Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn stelling ook in het algemeen gold (inductie).21Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen als het ware voor het grijpen laat staan.22Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer bij uitnemendheid.23Jezus Sirach.24Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins anders.25Vers 2.26II, hoofdst. 11, vers 23.27Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.28Het Latijnsche woord ”Graeculus” is hier door E. gebruikt, omdat het lijkt op ”graculus” = kraai, zie onder.29De kwestie is dus deze, of:meer ben ik, hoort bij:Als een dwaas spreek ik, dan wel bij:Zij zijn dienaars van Christus.30Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.31Zie noot371.32Over het hier bedoelde spreekwoord ziehoofdst. XXV. De beroemde theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.33Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten te spreken van:woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het volgende aan toe.34Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5:Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen, en vers 13:Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.

Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den Helicon te roepen1tot het ondernemen van zulk een lange reis, vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed enmij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus, die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme2en spoedig daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal aanklagen, alsof ik heimelijk de papierenonzer Magistersweggenomen heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang, dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs die god uit vijgenboomhout, Priapus3, eenige Grieksche woorden, doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en top verstond4. Maar eindelijk ter zake—onder goede voorteekenen.

De Prediker schreef in zijn eerste hoofdstuk:Der zotten aantal is eindeloos5.Als hij hun aantal eindeloos noemt, schijnt hij dan niet hieronder alle menschen zonder onderscheid te verstaan, behalve eenige zeer weinige, die misschien niemand ooit heeft kunnen ontdekken? Maar ruiterlijker erkent dit Jeremia in het tiende hoofdstuk6, waar hij zegt:Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap heeft.Aan God alleen schrijft hij wijsheid toe7, terwijlhij den menschen gezamenlijk de dwaasheid overlaat. En hij zegt wederom een weinig vroeger:Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid8.Waarom wilt gij niet dat de mensch zich in zijn wijsheid beroemt, mijn beste Jeremia? Zeker hierom, omdat hij geen wijsheid bezit. Maar ik keer tot den Prediker terug. Als hij uitroept:IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid9, meent gij dan, dat hij iets anders bedoeld heeft dan dit, wat wij beweerden, dat namelijk het menschelijke leven niets anders is dan een spel der dwaasheid? Zonder twijfel vereenigt hij zich volkomen met den lof, door Cicero gegeven, wiens bekende uitspraak, door ons boven aangehaald, met volle recht geroemd wordt:Alles is vol zotten10.En wederom die wijze Prediker, die gezegd heeft:De dwaas verandert als de maan, de wijze blijft dezelfde als de zon11, wat bedoelt hij anders dan dit, dat alle menschenkinderen dwaas zijn, maar dat aan God alleen de naam van wijs toekomt? Men verstaat immers onder de maan de menschelijke natuur en onder de zon, de bron van alle licht, God.

Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie, dat men niemand goedmoet noemen, dan God alleen12. Verder, als op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is, en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk13:De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde:Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet14.Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het 7de hoofdstuk15:Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde?En daarom stelde hij zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk16:En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid.Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat, dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt17. Maar dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook zonneklaar die Prediker18, wie hij dan ook moge geweest zijn, in het 44ste hoofdstuk19, wiens woorden ik echter U niet eerder zal mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates redetwisten20. Wat van beiden past het eerder op te bergen, wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens nietuitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in uw plaats, dat zegt “de waterkruik aan de deur”21, en opdat men niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles22, de God onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet, zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat: Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat de wijsheid, die hij23niet wil wegbergen, minder waarde heeft dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu zijn eigen woorden:Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt, dan de man, die zijn wijsheid verbergt.Zelfs kent de Heilige Schrift den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in het 10de hoofdstuk zegt24:Maar de dwaas op den weg wandelende beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas.Is dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het 30ste hoofdstuk zijner spreuken25:Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand.Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in zijn brief aan de Corinthiërs26zich niet ongaarne den bijnaam van dwaas welgevallen:Als een dwaas, zegt hij,spreek ik: meer ben ik27, even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten overtreffen. Maar intusschenschreeuwen mij eenige ellendige Grieken28de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens naam ik meermalen met eerbied noem. “Welk een inderdaad zotte en der Zotheid zelve waardige aanhaling” zeggen zij. “De apostel bedoelt geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan, maar na gezegd te hebben:zij zijn dienaars van Christus, en ik(ook), en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij:meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou kwetsen. Hij bezigde de woorden:als minder wijs spreek ik, omdat hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te kwetsen de waarheid te spreken”29. Maar ik laat het aan hen zelf over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen30verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan kraaien31, vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds hem dit schimpwoordnaar het hoofd werpen: “De ezel en de lier”32, op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende, met deze woorden:Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw hoofdstuk begint en—hetgeen slechts met de grootste inspanning zijner redekunstige krachten kon geschieden—er een nieuwe afdeeling bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm33, maar ook naar den inhoud):Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen34, zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen.En toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig later tot een geheel ander besluit.

1Ziehoofdst. XXX.2De Sorbonne (ziehoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd (ziehoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur, dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog een uiterst platte aardigheid veroorloofd.3Ziehoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.4Ziehoofdst. XXXIV.5Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling wordt de regel niet gevonden.6Vers 14.7X, vers 7 en 12.8IX, vers 23.9I, vers 3 en XII, vers 8.10Zie einde van hetvorige hoofdst.11Jezus Sirach XXVII, vers 12.12Matth. XIX, vers 17.13Spreuken, vers 21.14Prediker I, vers 18.15Vers 4.16Vers 17.17Matth. XIX, vers 30:Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.18Jezus Sirach.19Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).20Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn stelling ook in het algemeen gold (inductie).21Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen als het ware voor het grijpen laat staan.22Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer bij uitnemendheid.23Jezus Sirach.24Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins anders.25Vers 2.26II, hoofdst. 11, vers 23.27Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.28Het Latijnsche woord ”Graeculus” is hier door E. gebruikt, omdat het lijkt op ”graculus” = kraai, zie onder.29De kwestie is dus deze, of:meer ben ik, hoort bij:Als een dwaas spreek ik, dan wel bij:Zij zijn dienaars van Christus.30Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.31Zie noot371.32Over het hier bedoelde spreekwoord ziehoofdst. XXV. De beroemde theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.33Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten te spreken van:woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het volgende aan toe.34Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5:Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen, en vers 13:Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.

1Ziehoofdst. XXX.

2De Sorbonne (ziehoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd (ziehoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur, dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog een uiterst platte aardigheid veroorloofd.

3Ziehoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.

4Ziehoofdst. XXXIV.

5Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling wordt de regel niet gevonden.

6Vers 14.

7X, vers 7 en 12.

8IX, vers 23.

9I, vers 3 en XII, vers 8.

10Zie einde van hetvorige hoofdst.

11Jezus Sirach XXVII, vers 12.

12Matth. XIX, vers 17.

13Spreuken, vers 21.

14Prediker I, vers 18.

15Vers 4.

16Vers 17.

17Matth. XIX, vers 30:Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.

18Jezus Sirach.

19Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).

20Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn stelling ook in het algemeen gold (inductie).

21Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen als het ware voor het grijpen laat staan.

22Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer bij uitnemendheid.

23Jezus Sirach.

24Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins anders.

25Vers 2.

26II, hoofdst. 11, vers 23.

27Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.

28Het Latijnsche woord ”Graeculus” is hier door E. gebruikt, omdat het lijkt op ”graculus” = kraai, zie onder.

29De kwestie is dus deze, of:meer ben ik, hoort bij:Als een dwaas spreek ik, dan wel bij:Zij zijn dienaars van Christus.

30Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.

31Zie noot371.

32Over het hier bedoelde spreekwoord ziehoofdst. XXV. De beroemde theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.

33Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten te spreken van:woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het volgende aan toe.

34Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5:Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen, en vers 13:Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.

Hoofdstuk LXIV.Verkeerde uitleggers van de woorden der Heilige Schrift.Maar waarom beroep ik mij zoo angstvallig op het gevoelen van één man? Alle Theologen zonder onderscheid bezitten immers het recht om den hemel, d. w. z. de Heilige Schrift, als een huid uit te rekken en zoo zijn bij den heiligen Paulus de woorden van de Heilige Schrift met elkander in tegenspraak, die op hun eigen plaats niet met elkander strijden1, als men de verzekering van den beroemden Hieronymus2, die vijf talen verstond, mag gelooven. Hij verdraaide namelijk een te Athene bij toeval ontdekt opschrift op een altaar, om daaraan een bewijs voor het christelijke geloof te ontleenen, en met voorbijgaan van al wat zijn zaak zou kunnen schaden, pikte hij slechts de laatste woorden er af nl. deze:Aan den onbekenden God3, en veranderde ook deze nog een weinig. Immers het geheele opschrift luidde aldus: “AAN DE GODEN VAN AZIË, EUROPA EN AFRICA, AAN DE ONBEKENDE EN VREEMDE GODEN.” Op zijn voetspoor plegen verder de zonen der Theologen4zoo hier en daar vier of vijf woordjes, uit hun verband gerukt en, zoo noodig, nog verdraaid, te hunnen nutte aan te wenden, ofschoon het voorgaande en het volgende of in het geheel niets ter zake afdoet of zelfs daarmede lijnrecht in strijd is. En dit doen zij met zulk een gelukkige onbeschaamdheid, dat de rechtsgeleerden dikwijls de Godgeleerden benijden. Wat toch zou hun verder niet gelukken, nadat die groote—haast had ik zijn naam uitgeflapt, maar al weer vrees ik voor het Grieksche spreekwoord5—uit de woorden van Lucas een gevoelen gehaald heeft, dat evenzeer met Christus’ bedoeling strookt, als er overeenstemming bestaat tusschen water en vuur? Want toen het uiterstegevaar6dreigde, een oogenblik, waarop goede beschermelingen hun beschermheeren het meest plegen ter zijde te staan en met alle mogelijke middelen in den strijd te helpen, heeft Christus, wiens doel was al het vertrouwen op dergelijke hulpmiddelen uit de gemoederen der zijnen te verdrijven, hen gevraagd, of hun ergens iets ontbroken had, en dat, ofschoon hij hen zoo zeer van alles, wat tot de reis noodig was, ontbloot had uitgezonden, dat hij hen zelfs niet door schoeisel beschermde tegen kwetsuren van dorens en steenen en hun zelfs geen knapzak gaf tegen den honger. Toen zij zeiden, dat hun niets ontbroken had, ging hij aldus voort:Maar nu, zeide hij, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male7, en die geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard.Daar de geheele leer van Christus ons niets anders inprent dan zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en verachting des levens, wien is het dan niet zonneklaar, wat hij met deze plaats bedoelt? Natuurlijk zijn gezanten nog meer te ontwapenen, zoodat zij niet slechts om schoeisel en knapzak zich weinig zullen bekommeren, maar ook het kleed daarenboven wegwerpen en naakt, zonder eenige belemmering, hun evangelische taak aanvaarden. Niets moeten zij zich aanschaffen dan een zwaard, niet zulk een, waarmee roovers envadermoorders hun wandaden plegen, maar het zwaard des geestes, doordringende zelfs in de diepste schuilhoeken des harten, dat in één keer alle hartstochten zóó besnoeit, dat men zich verder om niets bekommert, behalve om de vroomheid. Maar let nu eens op, bid ik U, in welke richting die beroemde Godgeleerde deze woorden verdraait. Het zwaard vat hij op als de verdediging tegen de vervolging, den zak als een voldoenden voorraad leeftocht, even alsof Christus, geheel van gevoelen veranderd, omdat hij zijn gezanten bij hun vertrek niet vorstelijk genoeg van alles voorzien scheen te hebben, zijn vroeger gebod herriep en alsof hij, vergetend wat hij vroeger had verkondigd, dat zij zalig zouden zijn, als men hen met smaadwoorden, beleedigingen en straffen vervolgde8, hun verbiedend om zich te eeniger tijd tegen het kwaad te verzetten9, want dat de zachtmoedigen zalig zijn10, niet de strijdlustigen, en ook vergetend, dat hij hun de musschen en de leliën11ten voorbeeld gesteld heeft, nu zelfs niet wilde, dat zij zonder zwaard vertrokken, zoo zelfs, dat hij hun beveelt hun onderkleed te verkoopenvoor een zwaard en liever wil, dat zij zich naakt op weg begeven dan zonder een zwaard. Daarenboven, evenals hij onder den naam zwaard alles begrepen acht, wat strekt om zich tegen geweld te verzetten, zoo bevat, volgens hem, ook het woord knapzak al wat tot de nooddruft behoort. En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bombarden uittrekken, om den gekruisigde te prediken. Hij belaadt hen daarenboven met kisten, koffers en allerlei bagage, opdat zij niet soms zonder ontbijt uit hun herberg zouden moeten weggaan. Zelfs maakt het geen indruk op den man, dat hij12hen het zwaard, dat hij zoo dringend geraden had te koopen, kort daarop met een scherpe berisping weer laat opsteken13en dat men zelfs bij geruchte er nooit van gehoord heeft, dat de apostelen zich van zwaarden of schilden bedienden om het geweld der heidenen te keeren hetgeen zij zeker gedaan zouden hebben, zoo Christus van dat gevoelen geweest was, dat hij in deze woorden zoekt. Er is een ander, wiens naam ik eershalve niet vermeld, ofschoon hij waarlijk niet slecht bekend staat14, die uit de tenten, waarvan Habakuk spreekt met de woorden:De vellen van het land Madian zullen geschud worden15, het vel van den gevilden Bartholomaeus16gemaakt heeft. Zelf heb ik onlangs een theologisch twistgesprek bijgewoond; want dit doe ik dikwijls. Toen iemand bij die gelegenheid de vraag stelde, welke bewijsplaats er wel in de Heilige Schrift voorkwam, op grond waarvan men de ketters liever door het vuur moest overwinnen dan door redevoeringen van dwaling overtuigen, gaf een grijsaard met een streng gelaat en zeker—dit bewees zijn laatdunkend uiterlijk—een Theoloog in hevigen toorn ten antwoord, dat de apostel Paulus dit bevel had gegeven:Snijd eenen ketterschenmensch na de eerste en tweede vermaning af17. Toen hij die woorden telkens opnieuw met een donderende stem herhaalde en zeer velen vol verbazing vroegen, wat den man toch overkomen was, gaf hij eindelijk de verklaring, dat men een ketterden halsmoestafsnijden. Eenigen lachten, maar het ontbrak ook niet aan toehoorders, die dit verzinsel volkomen theologisch vonden. Toen echter sommigen zich tegen deze verklaring luide bleven verzetten, nam een ander het voor hem op, die de knoop met een bijl doorhakte, zoodat verder niets tegen hem te zeggen viel. Hoort, zeide hij, wat de zaak is: Daar staat geschreven:Laat den boosdoener niet leven18; ieder ketter is een boosdoener, dus, enz. De geheele vergadering bewonderde het vernuft van den man en door middel van de voeten, die nog wel in groote laarzen staken, gaf men zijn goedkeuring te kennen. Niemand kwam op de gedachte, dat dit voorschrift betrekking heeft op de waarzeggers, bezweerders en toovenaars, die in het HebreeuwschMekaschephimheeten; anders had men ook hoererij en dronkenschap met den dood moeten straffen.1Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk bedoeld was.2ZieVoorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Dalmatisch.3Handelingen XVII, vers 23.4Navolging van Homerus, die spreekt van “zonen der Achaeërs” in plaats van “Achaeërs”; of van het “zonen der profeten”, dat herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.5Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen “herunter zu leiern.”) Voor het spreekwoord zie noot375.6Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder Lukas XXII, vers 35 en 36.7= Knapzak.8Matth. V, vers 10 en 11.9Matth. V, vers 39.10Matth. V, vers 4.11Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.12Christus.13Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.14Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.15III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche woord ”pelles” beteekent eigenlijk “vellen,” maar ook “tenten,” wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.16Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn gestorven.17Brief aan Titus III, vers 10. De woordensnijd.....afzijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun dubbelzinnigheid.18Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.

Maar waarom beroep ik mij zoo angstvallig op het gevoelen van één man? Alle Theologen zonder onderscheid bezitten immers het recht om den hemel, d. w. z. de Heilige Schrift, als een huid uit te rekken en zoo zijn bij den heiligen Paulus de woorden van de Heilige Schrift met elkander in tegenspraak, die op hun eigen plaats niet met elkander strijden1, als men de verzekering van den beroemden Hieronymus2, die vijf talen verstond, mag gelooven. Hij verdraaide namelijk een te Athene bij toeval ontdekt opschrift op een altaar, om daaraan een bewijs voor het christelijke geloof te ontleenen, en met voorbijgaan van al wat zijn zaak zou kunnen schaden, pikte hij slechts de laatste woorden er af nl. deze:Aan den onbekenden God3, en veranderde ook deze nog een weinig. Immers het geheele opschrift luidde aldus: “AAN DE GODEN VAN AZIË, EUROPA EN AFRICA, AAN DE ONBEKENDE EN VREEMDE GODEN.” Op zijn voetspoor plegen verder de zonen der Theologen4zoo hier en daar vier of vijf woordjes, uit hun verband gerukt en, zoo noodig, nog verdraaid, te hunnen nutte aan te wenden, ofschoon het voorgaande en het volgende of in het geheel niets ter zake afdoet of zelfs daarmede lijnrecht in strijd is. En dit doen zij met zulk een gelukkige onbeschaamdheid, dat de rechtsgeleerden dikwijls de Godgeleerden benijden. Wat toch zou hun verder niet gelukken, nadat die groote—haast had ik zijn naam uitgeflapt, maar al weer vrees ik voor het Grieksche spreekwoord5—uit de woorden van Lucas een gevoelen gehaald heeft, dat evenzeer met Christus’ bedoeling strookt, als er overeenstemming bestaat tusschen water en vuur? Want toen het uiterstegevaar6dreigde, een oogenblik, waarop goede beschermelingen hun beschermheeren het meest plegen ter zijde te staan en met alle mogelijke middelen in den strijd te helpen, heeft Christus, wiens doel was al het vertrouwen op dergelijke hulpmiddelen uit de gemoederen der zijnen te verdrijven, hen gevraagd, of hun ergens iets ontbroken had, en dat, ofschoon hij hen zoo zeer van alles, wat tot de reis noodig was, ontbloot had uitgezonden, dat hij hen zelfs niet door schoeisel beschermde tegen kwetsuren van dorens en steenen en hun zelfs geen knapzak gaf tegen den honger. Toen zij zeiden, dat hun niets ontbroken had, ging hij aldus voort:Maar nu, zeide hij, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male7, en die geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard.Daar de geheele leer van Christus ons niets anders inprent dan zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en verachting des levens, wien is het dan niet zonneklaar, wat hij met deze plaats bedoelt? Natuurlijk zijn gezanten nog meer te ontwapenen, zoodat zij niet slechts om schoeisel en knapzak zich weinig zullen bekommeren, maar ook het kleed daarenboven wegwerpen en naakt, zonder eenige belemmering, hun evangelische taak aanvaarden. Niets moeten zij zich aanschaffen dan een zwaard, niet zulk een, waarmee roovers envadermoorders hun wandaden plegen, maar het zwaard des geestes, doordringende zelfs in de diepste schuilhoeken des harten, dat in één keer alle hartstochten zóó besnoeit, dat men zich verder om niets bekommert, behalve om de vroomheid. Maar let nu eens op, bid ik U, in welke richting die beroemde Godgeleerde deze woorden verdraait. Het zwaard vat hij op als de verdediging tegen de vervolging, den zak als een voldoenden voorraad leeftocht, even alsof Christus, geheel van gevoelen veranderd, omdat hij zijn gezanten bij hun vertrek niet vorstelijk genoeg van alles voorzien scheen te hebben, zijn vroeger gebod herriep en alsof hij, vergetend wat hij vroeger had verkondigd, dat zij zalig zouden zijn, als men hen met smaadwoorden, beleedigingen en straffen vervolgde8, hun verbiedend om zich te eeniger tijd tegen het kwaad te verzetten9, want dat de zachtmoedigen zalig zijn10, niet de strijdlustigen, en ook vergetend, dat hij hun de musschen en de leliën11ten voorbeeld gesteld heeft, nu zelfs niet wilde, dat zij zonder zwaard vertrokken, zoo zelfs, dat hij hun beveelt hun onderkleed te verkoopenvoor een zwaard en liever wil, dat zij zich naakt op weg begeven dan zonder een zwaard. Daarenboven, evenals hij onder den naam zwaard alles begrepen acht, wat strekt om zich tegen geweld te verzetten, zoo bevat, volgens hem, ook het woord knapzak al wat tot de nooddruft behoort. En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bombarden uittrekken, om den gekruisigde te prediken. Hij belaadt hen daarenboven met kisten, koffers en allerlei bagage, opdat zij niet soms zonder ontbijt uit hun herberg zouden moeten weggaan. Zelfs maakt het geen indruk op den man, dat hij12hen het zwaard, dat hij zoo dringend geraden had te koopen, kort daarop met een scherpe berisping weer laat opsteken13en dat men zelfs bij geruchte er nooit van gehoord heeft, dat de apostelen zich van zwaarden of schilden bedienden om het geweld der heidenen te keeren hetgeen zij zeker gedaan zouden hebben, zoo Christus van dat gevoelen geweest was, dat hij in deze woorden zoekt. Er is een ander, wiens naam ik eershalve niet vermeld, ofschoon hij waarlijk niet slecht bekend staat14, die uit de tenten, waarvan Habakuk spreekt met de woorden:De vellen van het land Madian zullen geschud worden15, het vel van den gevilden Bartholomaeus16gemaakt heeft. Zelf heb ik onlangs een theologisch twistgesprek bijgewoond; want dit doe ik dikwijls. Toen iemand bij die gelegenheid de vraag stelde, welke bewijsplaats er wel in de Heilige Schrift voorkwam, op grond waarvan men de ketters liever door het vuur moest overwinnen dan door redevoeringen van dwaling overtuigen, gaf een grijsaard met een streng gelaat en zeker—dit bewees zijn laatdunkend uiterlijk—een Theoloog in hevigen toorn ten antwoord, dat de apostel Paulus dit bevel had gegeven:Snijd eenen ketterschenmensch na de eerste en tweede vermaning af17. Toen hij die woorden telkens opnieuw met een donderende stem herhaalde en zeer velen vol verbazing vroegen, wat den man toch overkomen was, gaf hij eindelijk de verklaring, dat men een ketterden halsmoestafsnijden. Eenigen lachten, maar het ontbrak ook niet aan toehoorders, die dit verzinsel volkomen theologisch vonden. Toen echter sommigen zich tegen deze verklaring luide bleven verzetten, nam een ander het voor hem op, die de knoop met een bijl doorhakte, zoodat verder niets tegen hem te zeggen viel. Hoort, zeide hij, wat de zaak is: Daar staat geschreven:Laat den boosdoener niet leven18; ieder ketter is een boosdoener, dus, enz. De geheele vergadering bewonderde het vernuft van den man en door middel van de voeten, die nog wel in groote laarzen staken, gaf men zijn goedkeuring te kennen. Niemand kwam op de gedachte, dat dit voorschrift betrekking heeft op de waarzeggers, bezweerders en toovenaars, die in het HebreeuwschMekaschephimheeten; anders had men ook hoererij en dronkenschap met den dood moeten straffen.

1Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk bedoeld was.2ZieVoorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Dalmatisch.3Handelingen XVII, vers 23.4Navolging van Homerus, die spreekt van “zonen der Achaeërs” in plaats van “Achaeërs”; of van het “zonen der profeten”, dat herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.5Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen “herunter zu leiern.”) Voor het spreekwoord zie noot375.6Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder Lukas XXII, vers 35 en 36.7= Knapzak.8Matth. V, vers 10 en 11.9Matth. V, vers 39.10Matth. V, vers 4.11Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.12Christus.13Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.14Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.15III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche woord ”pelles” beteekent eigenlijk “vellen,” maar ook “tenten,” wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.16Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn gestorven.17Brief aan Titus III, vers 10. De woordensnijd.....afzijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun dubbelzinnigheid.18Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.

1Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk bedoeld was.

2ZieVoorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Dalmatisch.

3Handelingen XVII, vers 23.

4Navolging van Homerus, die spreekt van “zonen der Achaeërs” in plaats van “Achaeërs”; of van het “zonen der profeten”, dat herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.

5Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen “herunter zu leiern.”) Voor het spreekwoord zie noot375.

6Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder Lukas XXII, vers 35 en 36.

7= Knapzak.

8Matth. V, vers 10 en 11.

9Matth. V, vers 39.

10Matth. V, vers 4.

11Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.

12Christus.

13Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.

14Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.

15III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche woord ”pelles” beteekent eigenlijk “vellen,” maar ook “tenten,” wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.

16Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn gestorven.

17Brief aan Titus III, vers 10. De woordensnijd.....afzijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun dubbelzinnigheid.

18Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.


Back to IndexNext