Hoofdstuk XLII.

Hoofdstuk XLII.Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan op een ijdelen adellijken titel.De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas1, een tweede tot Brutus2, een derde tot Arcturus3. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap, verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus4te zijn; een ander gelooft, zoodra hij drie lijnen meteen passer getrokken heeft, dat hij op ende op een Euclides5is; een derde zingt bij de lier als een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes6. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin, dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard bij Seneca7, die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja, hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde, dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof verkondigt en overalrondbazuint. En—ieder vindt een spekje voor zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen, en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost, hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in den smaak valt?1Ziehoofdstuk XXXVIII.2Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.3Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.4Ziehoofdstuk XXII.5Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.6Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.7ZieVoorrede.Hoofdstuk XLIII.Ieder mensch, volk of stad is de eigenliefde ingeplant.Verder ben ik overtuigd, dat de natuur, zooals zij in ieder mensch zijn bijzondere, zoo ook in ieder volk en haast iedere stad een eigenliefde heeft geplant, die ik een gemeenschappelijke zou kunnen noemen. Dit is de reden, waarom de Britten voor zich aanspraak maken op schoonheid, muzikaal talent en een rijkelijk voorzienen disch; de Schotten trotsch zijn op hun adel en verwantschap met vorsten en daarenboven op hun spitsvondige redeneeringen; de Franschen meenen, dat zij beschaafde manieren op alle andere volken voor hebben; de Parijzenaars den roem van kennis der godgeleerdheid, met uitsluiting van bijna alle andere stervelingen, zich in ’t bijzonder aanmatigen;1de Italianen zich begaafdheid voor de fraaie letteren en welsprekendheid toeschrijven, en allen zich op dezen grond vermeien in de verbeelding, dat zij alleen ter wereld geen barbaren zijn. In dit orkest van gelukkigenspelen de Romeinen de eerste viool en zij droomen nog altijd allergenoegelijkst van dat beroemde oude Rome. De Venetianen zijn gelukkig door den dunk, dien zij koesteren omtrent hun adel; de Grieken beschouwen zich als de vaders der wetenschappen en pochen op de oude eeretitels hunner hooggeprezen helden; de Turken en dat geheele samenraapsel van werkelijk barbaarsche volken matigen zich zelf den lof van godsdienstigheid aan en spotten met het bijgeloof der Christenen. Maar het is nog veel mooier, dat de Joden ook thans nog steeds op hun Messias blijven wachten en tot op den huidigen dag met hand en tand aan hun Mozes2vasthouden. De Spanjaarden behouden zich alleen allen krijgsroem voor en de Duitschers verheffen zich op de lengte hunner lichamen en hun kennis van de tooverkunst.1Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche universiteit, de Sorbonne.2Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen der wet.Hoofdstuk XLIV.De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij, verschaffen.Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen, bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden, prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdtze in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze, onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt, elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt1? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.1“De eene muilezel krabt den anderen,” spreekwoord uit de oudheid = “Men zingt elkaar’s lof, als niemand anders het doet.”Hoofdstuk XLV.Het geluk hangt af van de meening der menschen.Maar, werpt men mij tegen, het is toch een ongeluk te dwalen. Neen, het is veeleer het hoogste ongeluk niet te dwalen, ’t Is toch al te onzinnig te meenen, dat ’s menschen geluk gelegen is in de dingen zelf. Het hangt af van de meeningen daaromtrent. Immers de menschelijke zaken zijn zoo duister en afwisselend, dat men niets helder en klaar kan weten, zooals terecht beweerd is door mijn Academisten1, die zich van alle wijsgeeren nog het minst op hun kennis laten voorstaan. Zoo men al iets kan weten, dan lijdt daaronder zelfs maar al te dikwijls het levensgenot. Eindelijkis de menschelijke geest zoo gevormd, dat de schijn veel meer vat op hem heeft dan de waarheid. Mocht iemand een duidelijke en voor de hand liggende proef daarvan willen nemen, laat hij dan in de kerken den dienst gaan bijwonen. Dan zal hij, als de preek over een ernstig onderwerp handelt, allen zien dutten, gapen en misselijk worden van verveling. Maar als die schreeuwer—ik vergiste me daar, spreker wilde ik zeggen—, zooals zij dat dikwijls doen, het een of ander oudewijvenverhaaltje begint, dan worden allen wakker, richtenzich op en luisteren met open mond. Zoo gaat het ook met een heilige, over wiens leven veel sprookjes en gedichten bestaan (wilt ge hiervan een voorbeeld, denk dan aan St. Joris of St. Christophorus of St. Barbara2). Ge zult vinden, dat men hem veel meer eerbied bewijst dan Petrus of Paulus of ook Christus zelf. Maar dit onderwerp behoort hier niet thuis. Hoeveel minder kost verder deze vermeerdering van het geluk! De zaken zelf moet men zich immers vaak met groote moeite eigen maken, zelfs de onbeduidendste, zooals de spraakkunst, maar een meening kan men zeer gemakkelijk opvatten, die echter van evenveel of van nog meer nut is voor het geluk. Denk eens na: als iemand zoutevisch eet, zoo bedorven, dat een ander den stank niet kan uitstaan, maar het hem smaakt als godenspijs, eilieve, wat doet het dan af tot zijn genot? Omgekeerd, als een steur iemand misselijk maakt, wat zal die dan tot zijn levensgeluk bijdragen? Als iemand een bij uitstek leelijke vrouw heeft, die echter, volgens het oordeel van haar man, wel met Venus zelf kan wedijveren, zou dat niet even goed zijn, alsof zij inderdaad schoon was? Als iemand een houten bord, leelijk met rood en geel besmeerd, vol bewondering en eerbied aanstaart, in de vaste overtuiging, dat het een schilderij van Apelles of Zeuxis3is, zou hij dan niet zelfs gelukkigerzijn dan de man, die voor hoogen prijs het werk dier kunstenaars gekocht heeft en misschien nog minder genot smaakt bij het bezien van die schilderijen? Ik ken een naamgenoot van mij4, die aan zijn jonge vrouw eenige valsche edelgesteenten ten geschenke gaf en haar door zijn welbespraaktheid—want hij was niet op zijn mondje gevallen—wist te overtuigen, dat zij niet alleen echt en natuurlijk waren, maar ook een onschatbare waarde bezaten. Wat, bid ik u, maakte het voor het vrouwtje voor verschil, dat ze haar oogen zoowel als haar hart aan die stukjes glas ophaalde en die prullen als kostbaren schat zorgvuldig opborg? Intusschen had haar man niet alleen geen groote kosten te maken, maar hij genoot ook van de dwaling zijner echtgenoot, wier toegenegenheid hij even goed bezat, als wanneer hij haar dure geschenken gegeven had. Denkt ge inderdaad, dat er onderscheid is tusschen hen, die in de bekende grot van Plato5de schaduwen en beelden der verschillende dingen aanstaren, mits hun verlangen maar niet verder gaat en zij niet ontevreden worden met hun lot, en den wijze, die, na de grot verlaten te hebben, de werkelijke dingen ziet? Als Mycillus6bij Lucianus dien rijken en gouden droom steeds had mogen blijven droomen, was er volstrekt voor hem geen reden geweest om een ander geluk te wenschen. Er bestaat dus óf geen verschil óf, zoo er eenig verschil bestaat, verdient de toestand der zotten zelfs de voorkeur, vooreerst omdat hun geluk hun zeerweinig kost, niet meer dan een weinigje overtuiging, en verder, omdat zij het genot daarvan met zeer velen deelen.1Wijsgeeren uit de school van Plato (zieVoorrede), die in de Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.2Zie over deze heiligenhoofdst. XL.3Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ± 400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent, dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.4Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria = Zotheid).5Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van eenberoemde gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen, beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien, dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den schijn bedriegen.6In den inhoofdst. XXXVI(einde) bedoelden dialoog van Lucianus verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn kraaien heeft wakker gemaakt.Hoofdstuk XLVI.De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen.Ook is het bezit van geen goed aangenaam zonder iemand, die het met ons deelt. Immers wie weet niet, hoe klein het aantal wijzen is, zoo er al één in de wereld gevonden wordt? Toch weten de Grieken er uit zooveel eeuwen in ’t geheel zeven1op te tellen, maar ik mag sterven, als iemand bij een nauwkeuriger onderzoek onder hen wel een half—of laat ik liever zeggen—een kwartwijze kan vinden.Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een wit vierspan2, zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet overal wast edele en zachte wijn3om de zorgen te verdrijven en rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius’ geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die schatten aan Hercules’4gunst te danken hebben. De Homerische Jupitergeeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd weg van Apollo’s drievoet5. Dikwijls bliksemt Saturnus’ zoon6. Phoebus7zendt nu en dan door zijn schichten dood en verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet uit te weiden over wezens als die Veiovis8, Pluto9, Ate10, Poena11, Febris12en andere van dit slag, geen goden maar beulen,—ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen tijde allen zonder onderscheid omvatten.1De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden, ± 600 v. Chr.2Witte paarden golden voor snel.3De gave van Bacchus.4Aan Hercules dankte men buitenkansjes.5De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels te geven.6Jupiter.7Apollo.8Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.9God van de onderwereld.10De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius, waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren greep en uit den hemel slingerde.11Straffende Gerechtigheid.12Koorts.Hoofdstuk XLVII.Haar goedaardigheid.Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm der geslachte offerdieren1. Want de overige goden zijn op dit punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat degrootste verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb, verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert2? Ik meen, dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal, zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als ’t volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven, waarom zou ik een tempel verlangen,daar toch de geheele wereld, zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen3eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan Venus, te Argos4aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus5aan Priapus, mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers te brengen, die ik verre boven de andere verkies.1Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich te wreken een gouden appel met het opschrift “Voor de schoonste vrouw” onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno, Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was, een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.2Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.3De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden te spreken.4Stad in Griekenland.5Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus ziehoofdst. XV.Hoofdstuk XLVIII.Verschillende soorten en vormen der Zotheid.Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten, de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de overigen zekergemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen, te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs geen duizend Democritussen1daarover genoeg zouden kunnen lachen: alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren, wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een Argus2. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper honger te lijden. Het grootste gelukvan gene bestaat in slapen en leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk, maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle vingersgouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs3zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden, die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan den huiselijken haard. Niet weinigen voereneindelooze processenen doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden, gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome ofnaar den heiligen Jacobus4, waar hij niets te maken heeft, terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger Menippus5, dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen, rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen, het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen en verdelgen.1Over Democritus zieVoorrede.2Ziehoofdst. XIX.3De leerlingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) vormden een soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.4Ligt begraven te Compostella in Spanje.5Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen, waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.Hoofdstuk XLIX.Taalmeesters.Maar ik zou zelf al zeer dwaas zijn en het volkomen verdienen, dat Democritus het over mij uitschaterde, indien ik voortging de vormen, waarin zich ’s volks dwaasheden en dolheden openbaren, op te tellen. Ik wil mij tegen hen aangorden, die in de oogen van hun medemenschen voor wijs doorgaan en, zooals het spreekwoord zegt, dien gouden tak trachten te vinden1. Onder hen bekleeden de taalmeesters den eersten rang, dat voorzeker het allerrampzaligste, treurigste en het meest bij de goden gehate slag van menschen zou zijn, als ik de ongemakken van hun zoo ellendig beroep niet door een genoegelijk soort van waanzin verzachtte. Want niet een vijfvoudige vloek, zooals een Grieksch puntdicht aantoont, rust op hen, maar een duizendvoudige, daar zij altijd uitgehongerd en vuil hun leven slijten in hun maaral te bekende scholen; wat zei ik, in scholen, neen veeleer dienen ze vertrekken vol kwellingen des geestes en des lichaams of rosmolens, of folterkamers te heeten. Daar worden zij, omringd door troepen van jongens, oud onder hun moeilijk werk, doof door al het geschreeuw en teren weg door al het vuil en den stank. Nogthans, tengevolge van mijn goedertierenheid verbeelden zij zich de eersten aller menschen te zijn. Zoozeer zijn zij met zichzelf ingenomen, als zij hun schuw troepje door hun barsch gezicht en dreigende woorden angstig maken, als ze met plakken, roeden en zweepen den ongelukkigen het vleesch van het lijf halen en, ’t voorbeeld van den ezel van Cyme2volgend, op alle mogelijke wijzen hun wreedaardige luim botvieren. Intusschen verbeelden zij zich, dat al dat vuil keurige netheid is, den stank vindt hun neus mariolein en die ellendige slavernij gaat bij hen voor een koningschap door, zoodat ze hun tirannie niet tegen de heerschappij van een Phalaris3of Dionysius4willen ruilen. Maar nog veel gelukkiger zijn zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het, uit de hoogte neerop iederen Palaemon en op iederen Donatus5en zij weten het door allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zoo ver te brengen, dat malle moertjes en stomme vaders hen voor diegenen houden, voor wie zij zichzelf uitgeven. Hierbij dient men nog het eigenaardig genot te voegen, telkens als er een van hen den naam van Anchises’6moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan stuk perkament aantreft7, of als iemand een oud stuk steen, waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige steden als Babylon ingenomen hebben8. En als zij bewonderaars vinden voor hun zoutelooze verzen zonder eenig dichterlijk vuur, waarmee ze overal te koop loopen, dan gelooven zij al dadelijk, dat niets minder dan Maro’s9geest in hun boezem is gevaren. Maar het alleraardigste is, als zij elkander wederkeerig vol bewondering prijzen en beurtelings in het zonnetje zetten. Als soms een ander zich in een woordje vergist en het toeval wil, dat iemand van hen, wiens gezicht wat scherper is, de fout merkt, hemelsche goedheid, wat heeft men dan dadelijk de poppen aan het dansen! wat een vechten, schelden en uitvaren tegen elkander! Ik mag mij de ongenade van alle taalmeesters op den hals halen, als ik een enkele leugen zeg—ik ken een zeer bekwaam man, een geleerde van den eersten rang in het Grieksch, het Latijn, de Wiskunde, de Wijsbegeerte en de Geneeskunde. Hij is reeds zestig jaar oud en kwelt en pijnigt zich sinds meer dan twintig jaar met niets anders dan met de spraakkunst, in de meening, dat zijn geluk dan volmaakt zal zijn, als hem een leven gegund wordt, lang genoeg om zeker uit te maken, hoe de acht rededeelen behooren onderscheiden te worden, iets, dat tot nogtoe geen Griek of Romein geheel heeft kunnen tot stand brengen10—alsof het een misdrijf ware groot genoeg om zelfs een oorlog over te beginnen, zoo iemand aan een voegwoord een beteekenis toekende, waarop slechts bijwoorden aanspraak hebben. En hierom, al bestaan er evenveel spraakkunsten als er spraakkunstenaars zijn, ja nog meer—immers mijn vriend Aldus11alleen heeft meer dan vijfmaal een spraakkunst uitgegeven—, toch komt er nooit zulk een boek uit, hoe barbaarsch en onaangenaam ook geschreven, of hij leest het nauwkeurig door, naijverig op iedereen, die op dit gebied met eenige nieuwe dwaasheid voor den dag komt en steeds gefolterd door de vrees, dat soms iemand hem dezen roem voor den neus zal wegkapen en den arbeid van zooveel jaren doen verloren gaan. Wilt gij dit liever waanzin dan wel dwaasheid noemen? Mij is het vrij onverschillig, mits gij slechts erkent, dat men het mij te danken heeft, dat een overigens diep rampzalig schepsel zulk een trap van geluk bereikt, dat het zijn lot zelfs niet met dat van een Perzisch koning12wenscht te verruilen.1Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als scepter dragen.2De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel, vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.3Ziehoofdst. III.4Bekend tiran op Sicilië, 406–367 v. Chr.5Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome; de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.6Vader van Aeneas (ziehoofdst. XXXVIII).7Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.8Spreekwoordelijk voor: een groot succes.9ZieVoorrede.10Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk te zeggen.11Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van “De Lof der Zotheid” te drukken.12Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der stervelingen.

Hoofdstuk XLII.Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan op een ijdelen adellijken titel.De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas1, een tweede tot Brutus2, een derde tot Arcturus3. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap, verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus4te zijn; een ander gelooft, zoodra hij drie lijnen meteen passer getrokken heeft, dat hij op ende op een Euclides5is; een derde zingt bij de lier als een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes6. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin, dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard bij Seneca7, die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja, hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde, dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof verkondigt en overalrondbazuint. En—ieder vindt een spekje voor zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen, en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost, hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in den smaak valt?1Ziehoofdstuk XXXVIII.2Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.3Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.4Ziehoofdstuk XXII.5Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.6Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.7ZieVoorrede.

Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan op een ijdelen adellijken titel.

De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas1, een tweede tot Brutus2, een derde tot Arcturus3. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap, verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus4te zijn; een ander gelooft, zoodra hij drie lijnen meteen passer getrokken heeft, dat hij op ende op een Euclides5is; een derde zingt bij de lier als een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes6. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin, dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard bij Seneca7, die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja, hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde, dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof verkondigt en overalrondbazuint. En—ieder vindt een spekje voor zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen, en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost, hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in den smaak valt?

1Ziehoofdstuk XXXVIII.2Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.3Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.4Ziehoofdstuk XXII.5Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.6Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.7ZieVoorrede.

1Ziehoofdstuk XXXVIII.

2Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.

3Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.

4Ziehoofdstuk XXII.

5Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.

6Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.

7ZieVoorrede.

Hoofdstuk XLIII.Ieder mensch, volk of stad is de eigenliefde ingeplant.Verder ben ik overtuigd, dat de natuur, zooals zij in ieder mensch zijn bijzondere, zoo ook in ieder volk en haast iedere stad een eigenliefde heeft geplant, die ik een gemeenschappelijke zou kunnen noemen. Dit is de reden, waarom de Britten voor zich aanspraak maken op schoonheid, muzikaal talent en een rijkelijk voorzienen disch; de Schotten trotsch zijn op hun adel en verwantschap met vorsten en daarenboven op hun spitsvondige redeneeringen; de Franschen meenen, dat zij beschaafde manieren op alle andere volken voor hebben; de Parijzenaars den roem van kennis der godgeleerdheid, met uitsluiting van bijna alle andere stervelingen, zich in ’t bijzonder aanmatigen;1de Italianen zich begaafdheid voor de fraaie letteren en welsprekendheid toeschrijven, en allen zich op dezen grond vermeien in de verbeelding, dat zij alleen ter wereld geen barbaren zijn. In dit orkest van gelukkigenspelen de Romeinen de eerste viool en zij droomen nog altijd allergenoegelijkst van dat beroemde oude Rome. De Venetianen zijn gelukkig door den dunk, dien zij koesteren omtrent hun adel; de Grieken beschouwen zich als de vaders der wetenschappen en pochen op de oude eeretitels hunner hooggeprezen helden; de Turken en dat geheele samenraapsel van werkelijk barbaarsche volken matigen zich zelf den lof van godsdienstigheid aan en spotten met het bijgeloof der Christenen. Maar het is nog veel mooier, dat de Joden ook thans nog steeds op hun Messias blijven wachten en tot op den huidigen dag met hand en tand aan hun Mozes2vasthouden. De Spanjaarden behouden zich alleen allen krijgsroem voor en de Duitschers verheffen zich op de lengte hunner lichamen en hun kennis van de tooverkunst.1Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche universiteit, de Sorbonne.2Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen der wet.

Verder ben ik overtuigd, dat de natuur, zooals zij in ieder mensch zijn bijzondere, zoo ook in ieder volk en haast iedere stad een eigenliefde heeft geplant, die ik een gemeenschappelijke zou kunnen noemen. Dit is de reden, waarom de Britten voor zich aanspraak maken op schoonheid, muzikaal talent en een rijkelijk voorzienen disch; de Schotten trotsch zijn op hun adel en verwantschap met vorsten en daarenboven op hun spitsvondige redeneeringen; de Franschen meenen, dat zij beschaafde manieren op alle andere volken voor hebben; de Parijzenaars den roem van kennis der godgeleerdheid, met uitsluiting van bijna alle andere stervelingen, zich in ’t bijzonder aanmatigen;1de Italianen zich begaafdheid voor de fraaie letteren en welsprekendheid toeschrijven, en allen zich op dezen grond vermeien in de verbeelding, dat zij alleen ter wereld geen barbaren zijn. In dit orkest van gelukkigenspelen de Romeinen de eerste viool en zij droomen nog altijd allergenoegelijkst van dat beroemde oude Rome. De Venetianen zijn gelukkig door den dunk, dien zij koesteren omtrent hun adel; de Grieken beschouwen zich als de vaders der wetenschappen en pochen op de oude eeretitels hunner hooggeprezen helden; de Turken en dat geheele samenraapsel van werkelijk barbaarsche volken matigen zich zelf den lof van godsdienstigheid aan en spotten met het bijgeloof der Christenen. Maar het is nog veel mooier, dat de Joden ook thans nog steeds op hun Messias blijven wachten en tot op den huidigen dag met hand en tand aan hun Mozes2vasthouden. De Spanjaarden behouden zich alleen allen krijgsroem voor en de Duitschers verheffen zich op de lengte hunner lichamen en hun kennis van de tooverkunst.

1Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche universiteit, de Sorbonne.2Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen der wet.

1Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche universiteit, de Sorbonne.

2Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen der wet.

Hoofdstuk XLIV.De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij, verschaffen.Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen, bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden, prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdtze in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze, onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt, elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt1? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.1“De eene muilezel krabt den anderen,” spreekwoord uit de oudheid = “Men zingt elkaar’s lof, als niemand anders het doet.”

Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen, bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden, prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdtze in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze, onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt, elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt1? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.

1“De eene muilezel krabt den anderen,” spreekwoord uit de oudheid = “Men zingt elkaar’s lof, als niemand anders het doet.”

1“De eene muilezel krabt den anderen,” spreekwoord uit de oudheid = “Men zingt elkaar’s lof, als niemand anders het doet.”

Hoofdstuk XLV.Het geluk hangt af van de meening der menschen.Maar, werpt men mij tegen, het is toch een ongeluk te dwalen. Neen, het is veeleer het hoogste ongeluk niet te dwalen, ’t Is toch al te onzinnig te meenen, dat ’s menschen geluk gelegen is in de dingen zelf. Het hangt af van de meeningen daaromtrent. Immers de menschelijke zaken zijn zoo duister en afwisselend, dat men niets helder en klaar kan weten, zooals terecht beweerd is door mijn Academisten1, die zich van alle wijsgeeren nog het minst op hun kennis laten voorstaan. Zoo men al iets kan weten, dan lijdt daaronder zelfs maar al te dikwijls het levensgenot. Eindelijkis de menschelijke geest zoo gevormd, dat de schijn veel meer vat op hem heeft dan de waarheid. Mocht iemand een duidelijke en voor de hand liggende proef daarvan willen nemen, laat hij dan in de kerken den dienst gaan bijwonen. Dan zal hij, als de preek over een ernstig onderwerp handelt, allen zien dutten, gapen en misselijk worden van verveling. Maar als die schreeuwer—ik vergiste me daar, spreker wilde ik zeggen—, zooals zij dat dikwijls doen, het een of ander oudewijvenverhaaltje begint, dan worden allen wakker, richtenzich op en luisteren met open mond. Zoo gaat het ook met een heilige, over wiens leven veel sprookjes en gedichten bestaan (wilt ge hiervan een voorbeeld, denk dan aan St. Joris of St. Christophorus of St. Barbara2). Ge zult vinden, dat men hem veel meer eerbied bewijst dan Petrus of Paulus of ook Christus zelf. Maar dit onderwerp behoort hier niet thuis. Hoeveel minder kost verder deze vermeerdering van het geluk! De zaken zelf moet men zich immers vaak met groote moeite eigen maken, zelfs de onbeduidendste, zooals de spraakkunst, maar een meening kan men zeer gemakkelijk opvatten, die echter van evenveel of van nog meer nut is voor het geluk. Denk eens na: als iemand zoutevisch eet, zoo bedorven, dat een ander den stank niet kan uitstaan, maar het hem smaakt als godenspijs, eilieve, wat doet het dan af tot zijn genot? Omgekeerd, als een steur iemand misselijk maakt, wat zal die dan tot zijn levensgeluk bijdragen? Als iemand een bij uitstek leelijke vrouw heeft, die echter, volgens het oordeel van haar man, wel met Venus zelf kan wedijveren, zou dat niet even goed zijn, alsof zij inderdaad schoon was? Als iemand een houten bord, leelijk met rood en geel besmeerd, vol bewondering en eerbied aanstaart, in de vaste overtuiging, dat het een schilderij van Apelles of Zeuxis3is, zou hij dan niet zelfs gelukkigerzijn dan de man, die voor hoogen prijs het werk dier kunstenaars gekocht heeft en misschien nog minder genot smaakt bij het bezien van die schilderijen? Ik ken een naamgenoot van mij4, die aan zijn jonge vrouw eenige valsche edelgesteenten ten geschenke gaf en haar door zijn welbespraaktheid—want hij was niet op zijn mondje gevallen—wist te overtuigen, dat zij niet alleen echt en natuurlijk waren, maar ook een onschatbare waarde bezaten. Wat, bid ik u, maakte het voor het vrouwtje voor verschil, dat ze haar oogen zoowel als haar hart aan die stukjes glas ophaalde en die prullen als kostbaren schat zorgvuldig opborg? Intusschen had haar man niet alleen geen groote kosten te maken, maar hij genoot ook van de dwaling zijner echtgenoot, wier toegenegenheid hij even goed bezat, als wanneer hij haar dure geschenken gegeven had. Denkt ge inderdaad, dat er onderscheid is tusschen hen, die in de bekende grot van Plato5de schaduwen en beelden der verschillende dingen aanstaren, mits hun verlangen maar niet verder gaat en zij niet ontevreden worden met hun lot, en den wijze, die, na de grot verlaten te hebben, de werkelijke dingen ziet? Als Mycillus6bij Lucianus dien rijken en gouden droom steeds had mogen blijven droomen, was er volstrekt voor hem geen reden geweest om een ander geluk te wenschen. Er bestaat dus óf geen verschil óf, zoo er eenig verschil bestaat, verdient de toestand der zotten zelfs de voorkeur, vooreerst omdat hun geluk hun zeerweinig kost, niet meer dan een weinigje overtuiging, en verder, omdat zij het genot daarvan met zeer velen deelen.1Wijsgeeren uit de school van Plato (zieVoorrede), die in de Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.2Zie over deze heiligenhoofdst. XL.3Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ± 400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent, dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.4Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria = Zotheid).5Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van eenberoemde gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen, beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien, dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den schijn bedriegen.6In den inhoofdst. XXXVI(einde) bedoelden dialoog van Lucianus verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn kraaien heeft wakker gemaakt.

Maar, werpt men mij tegen, het is toch een ongeluk te dwalen. Neen, het is veeleer het hoogste ongeluk niet te dwalen, ’t Is toch al te onzinnig te meenen, dat ’s menschen geluk gelegen is in de dingen zelf. Het hangt af van de meeningen daaromtrent. Immers de menschelijke zaken zijn zoo duister en afwisselend, dat men niets helder en klaar kan weten, zooals terecht beweerd is door mijn Academisten1, die zich van alle wijsgeeren nog het minst op hun kennis laten voorstaan. Zoo men al iets kan weten, dan lijdt daaronder zelfs maar al te dikwijls het levensgenot. Eindelijkis de menschelijke geest zoo gevormd, dat de schijn veel meer vat op hem heeft dan de waarheid. Mocht iemand een duidelijke en voor de hand liggende proef daarvan willen nemen, laat hij dan in de kerken den dienst gaan bijwonen. Dan zal hij, als de preek over een ernstig onderwerp handelt, allen zien dutten, gapen en misselijk worden van verveling. Maar als die schreeuwer—ik vergiste me daar, spreker wilde ik zeggen—, zooals zij dat dikwijls doen, het een of ander oudewijvenverhaaltje begint, dan worden allen wakker, richtenzich op en luisteren met open mond. Zoo gaat het ook met een heilige, over wiens leven veel sprookjes en gedichten bestaan (wilt ge hiervan een voorbeeld, denk dan aan St. Joris of St. Christophorus of St. Barbara2). Ge zult vinden, dat men hem veel meer eerbied bewijst dan Petrus of Paulus of ook Christus zelf. Maar dit onderwerp behoort hier niet thuis. Hoeveel minder kost verder deze vermeerdering van het geluk! De zaken zelf moet men zich immers vaak met groote moeite eigen maken, zelfs de onbeduidendste, zooals de spraakkunst, maar een meening kan men zeer gemakkelijk opvatten, die echter van evenveel of van nog meer nut is voor het geluk. Denk eens na: als iemand zoutevisch eet, zoo bedorven, dat een ander den stank niet kan uitstaan, maar het hem smaakt als godenspijs, eilieve, wat doet het dan af tot zijn genot? Omgekeerd, als een steur iemand misselijk maakt, wat zal die dan tot zijn levensgeluk bijdragen? Als iemand een bij uitstek leelijke vrouw heeft, die echter, volgens het oordeel van haar man, wel met Venus zelf kan wedijveren, zou dat niet even goed zijn, alsof zij inderdaad schoon was? Als iemand een houten bord, leelijk met rood en geel besmeerd, vol bewondering en eerbied aanstaart, in de vaste overtuiging, dat het een schilderij van Apelles of Zeuxis3is, zou hij dan niet zelfs gelukkigerzijn dan de man, die voor hoogen prijs het werk dier kunstenaars gekocht heeft en misschien nog minder genot smaakt bij het bezien van die schilderijen? Ik ken een naamgenoot van mij4, die aan zijn jonge vrouw eenige valsche edelgesteenten ten geschenke gaf en haar door zijn welbespraaktheid—want hij was niet op zijn mondje gevallen—wist te overtuigen, dat zij niet alleen echt en natuurlijk waren, maar ook een onschatbare waarde bezaten. Wat, bid ik u, maakte het voor het vrouwtje voor verschil, dat ze haar oogen zoowel als haar hart aan die stukjes glas ophaalde en die prullen als kostbaren schat zorgvuldig opborg? Intusschen had haar man niet alleen geen groote kosten te maken, maar hij genoot ook van de dwaling zijner echtgenoot, wier toegenegenheid hij even goed bezat, als wanneer hij haar dure geschenken gegeven had. Denkt ge inderdaad, dat er onderscheid is tusschen hen, die in de bekende grot van Plato5de schaduwen en beelden der verschillende dingen aanstaren, mits hun verlangen maar niet verder gaat en zij niet ontevreden worden met hun lot, en den wijze, die, na de grot verlaten te hebben, de werkelijke dingen ziet? Als Mycillus6bij Lucianus dien rijken en gouden droom steeds had mogen blijven droomen, was er volstrekt voor hem geen reden geweest om een ander geluk te wenschen. Er bestaat dus óf geen verschil óf, zoo er eenig verschil bestaat, verdient de toestand der zotten zelfs de voorkeur, vooreerst omdat hun geluk hun zeerweinig kost, niet meer dan een weinigje overtuiging, en verder, omdat zij het genot daarvan met zeer velen deelen.

1Wijsgeeren uit de school van Plato (zieVoorrede), die in de Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.2Zie over deze heiligenhoofdst. XL.3Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ± 400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent, dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.4Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria = Zotheid).5Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van eenberoemde gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen, beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien, dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den schijn bedriegen.6In den inhoofdst. XXXVI(einde) bedoelden dialoog van Lucianus verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn kraaien heeft wakker gemaakt.

1Wijsgeeren uit de school van Plato (zieVoorrede), die in de Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.

2Zie over deze heiligenhoofdst. XL.

3Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ± 400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent, dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.

4Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria = Zotheid).

5Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van eenberoemde gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen, beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien, dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den schijn bedriegen.

6In den inhoofdst. XXXVI(einde) bedoelden dialoog van Lucianus verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn kraaien heeft wakker gemaakt.

Hoofdstuk XLVI.De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen.Ook is het bezit van geen goed aangenaam zonder iemand, die het met ons deelt. Immers wie weet niet, hoe klein het aantal wijzen is, zoo er al één in de wereld gevonden wordt? Toch weten de Grieken er uit zooveel eeuwen in ’t geheel zeven1op te tellen, maar ik mag sterven, als iemand bij een nauwkeuriger onderzoek onder hen wel een half—of laat ik liever zeggen—een kwartwijze kan vinden.Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een wit vierspan2, zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet overal wast edele en zachte wijn3om de zorgen te verdrijven en rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius’ geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die schatten aan Hercules’4gunst te danken hebben. De Homerische Jupitergeeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd weg van Apollo’s drievoet5. Dikwijls bliksemt Saturnus’ zoon6. Phoebus7zendt nu en dan door zijn schichten dood en verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet uit te weiden over wezens als die Veiovis8, Pluto9, Ate10, Poena11, Febris12en andere van dit slag, geen goden maar beulen,—ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen tijde allen zonder onderscheid omvatten.1De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden, ± 600 v. Chr.2Witte paarden golden voor snel.3De gave van Bacchus.4Aan Hercules dankte men buitenkansjes.5De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels te geven.6Jupiter.7Apollo.8Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.9God van de onderwereld.10De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius, waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren greep en uit den hemel slingerde.11Straffende Gerechtigheid.12Koorts.

Ook is het bezit van geen goed aangenaam zonder iemand, die het met ons deelt. Immers wie weet niet, hoe klein het aantal wijzen is, zoo er al één in de wereld gevonden wordt? Toch weten de Grieken er uit zooveel eeuwen in ’t geheel zeven1op te tellen, maar ik mag sterven, als iemand bij een nauwkeuriger onderzoek onder hen wel een half—of laat ik liever zeggen—een kwartwijze kan vinden.

Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een wit vierspan2, zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet overal wast edele en zachte wijn3om de zorgen te verdrijven en rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius’ geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die schatten aan Hercules’4gunst te danken hebben. De Homerische Jupitergeeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd weg van Apollo’s drievoet5. Dikwijls bliksemt Saturnus’ zoon6. Phoebus7zendt nu en dan door zijn schichten dood en verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet uit te weiden over wezens als die Veiovis8, Pluto9, Ate10, Poena11, Febris12en andere van dit slag, geen goden maar beulen,—ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen tijde allen zonder onderscheid omvatten.

1De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden, ± 600 v. Chr.2Witte paarden golden voor snel.3De gave van Bacchus.4Aan Hercules dankte men buitenkansjes.5De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels te geven.6Jupiter.7Apollo.8Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.9God van de onderwereld.10De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius, waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren greep en uit den hemel slingerde.11Straffende Gerechtigheid.12Koorts.

1De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden, ± 600 v. Chr.

2Witte paarden golden voor snel.

3De gave van Bacchus.

4Aan Hercules dankte men buitenkansjes.

5De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels te geven.

6Jupiter.

7Apollo.

8Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.

9God van de onderwereld.

10De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius, waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren greep en uit den hemel slingerde.

11Straffende Gerechtigheid.

12Koorts.

Hoofdstuk XLVII.Haar goedaardigheid.Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm der geslachte offerdieren1. Want de overige goden zijn op dit punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat degrootste verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb, verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert2? Ik meen, dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal, zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als ’t volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven, waarom zou ik een tempel verlangen,daar toch de geheele wereld, zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen3eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan Venus, te Argos4aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus5aan Priapus, mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers te brengen, die ik verre boven de andere verkies.1Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich te wreken een gouden appel met het opschrift “Voor de schoonste vrouw” onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno, Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was, een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.2Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.3De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden te spreken.4Stad in Griekenland.5Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus ziehoofdst. XV.

Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm der geslachte offerdieren1. Want de overige goden zijn op dit punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat degrootste verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb, verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert2? Ik meen, dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal, zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als ’t volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven, waarom zou ik een tempel verlangen,daar toch de geheele wereld, zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen3eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan Venus, te Argos4aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus5aan Priapus, mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers te brengen, die ik verre boven de andere verkies.

1Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich te wreken een gouden appel met het opschrift “Voor de schoonste vrouw” onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno, Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was, een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.2Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.3De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden te spreken.4Stad in Griekenland.5Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus ziehoofdst. XV.

1Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich te wreken een gouden appel met het opschrift “Voor de schoonste vrouw” onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno, Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was, een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.

2Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.

3De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden te spreken.

4Stad in Griekenland.

5Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus ziehoofdst. XV.

Hoofdstuk XLVIII.Verschillende soorten en vormen der Zotheid.Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten, de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de overigen zekergemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen, te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs geen duizend Democritussen1daarover genoeg zouden kunnen lachen: alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren, wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een Argus2. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper honger te lijden. Het grootste gelukvan gene bestaat in slapen en leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk, maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle vingersgouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs3zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden, die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan den huiselijken haard. Niet weinigen voereneindelooze processenen doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden, gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome ofnaar den heiligen Jacobus4, waar hij niets te maken heeft, terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger Menippus5, dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen, rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen, het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen en verdelgen.1Over Democritus zieVoorrede.2Ziehoofdst. XIX.3De leerlingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) vormden een soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.4Ligt begraven te Compostella in Spanje.5Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen, waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.

Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten, de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de overigen zekergemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen, te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs geen duizend Democritussen1daarover genoeg zouden kunnen lachen: alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren, wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een Argus2. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper honger te lijden. Het grootste gelukvan gene bestaat in slapen en leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk, maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle vingersgouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs3zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden, die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan den huiselijken haard. Niet weinigen voereneindelooze processenen doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden, gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome ofnaar den heiligen Jacobus4, waar hij niets te maken heeft, terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger Menippus5, dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen, rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen, het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen en verdelgen.

1Over Democritus zieVoorrede.2Ziehoofdst. XIX.3De leerlingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) vormden een soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.4Ligt begraven te Compostella in Spanje.5Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen, waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.

1Over Democritus zieVoorrede.

2Ziehoofdst. XIX.

3De leerlingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) vormden een soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.

4Ligt begraven te Compostella in Spanje.

5Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen, waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.

Hoofdstuk XLIX.Taalmeesters.Maar ik zou zelf al zeer dwaas zijn en het volkomen verdienen, dat Democritus het over mij uitschaterde, indien ik voortging de vormen, waarin zich ’s volks dwaasheden en dolheden openbaren, op te tellen. Ik wil mij tegen hen aangorden, die in de oogen van hun medemenschen voor wijs doorgaan en, zooals het spreekwoord zegt, dien gouden tak trachten te vinden1. Onder hen bekleeden de taalmeesters den eersten rang, dat voorzeker het allerrampzaligste, treurigste en het meest bij de goden gehate slag van menschen zou zijn, als ik de ongemakken van hun zoo ellendig beroep niet door een genoegelijk soort van waanzin verzachtte. Want niet een vijfvoudige vloek, zooals een Grieksch puntdicht aantoont, rust op hen, maar een duizendvoudige, daar zij altijd uitgehongerd en vuil hun leven slijten in hun maaral te bekende scholen; wat zei ik, in scholen, neen veeleer dienen ze vertrekken vol kwellingen des geestes en des lichaams of rosmolens, of folterkamers te heeten. Daar worden zij, omringd door troepen van jongens, oud onder hun moeilijk werk, doof door al het geschreeuw en teren weg door al het vuil en den stank. Nogthans, tengevolge van mijn goedertierenheid verbeelden zij zich de eersten aller menschen te zijn. Zoozeer zijn zij met zichzelf ingenomen, als zij hun schuw troepje door hun barsch gezicht en dreigende woorden angstig maken, als ze met plakken, roeden en zweepen den ongelukkigen het vleesch van het lijf halen en, ’t voorbeeld van den ezel van Cyme2volgend, op alle mogelijke wijzen hun wreedaardige luim botvieren. Intusschen verbeelden zij zich, dat al dat vuil keurige netheid is, den stank vindt hun neus mariolein en die ellendige slavernij gaat bij hen voor een koningschap door, zoodat ze hun tirannie niet tegen de heerschappij van een Phalaris3of Dionysius4willen ruilen. Maar nog veel gelukkiger zijn zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het, uit de hoogte neerop iederen Palaemon en op iederen Donatus5en zij weten het door allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zoo ver te brengen, dat malle moertjes en stomme vaders hen voor diegenen houden, voor wie zij zichzelf uitgeven. Hierbij dient men nog het eigenaardig genot te voegen, telkens als er een van hen den naam van Anchises’6moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan stuk perkament aantreft7, of als iemand een oud stuk steen, waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige steden als Babylon ingenomen hebben8. En als zij bewonderaars vinden voor hun zoutelooze verzen zonder eenig dichterlijk vuur, waarmee ze overal te koop loopen, dan gelooven zij al dadelijk, dat niets minder dan Maro’s9geest in hun boezem is gevaren. Maar het alleraardigste is, als zij elkander wederkeerig vol bewondering prijzen en beurtelings in het zonnetje zetten. Als soms een ander zich in een woordje vergist en het toeval wil, dat iemand van hen, wiens gezicht wat scherper is, de fout merkt, hemelsche goedheid, wat heeft men dan dadelijk de poppen aan het dansen! wat een vechten, schelden en uitvaren tegen elkander! Ik mag mij de ongenade van alle taalmeesters op den hals halen, als ik een enkele leugen zeg—ik ken een zeer bekwaam man, een geleerde van den eersten rang in het Grieksch, het Latijn, de Wiskunde, de Wijsbegeerte en de Geneeskunde. Hij is reeds zestig jaar oud en kwelt en pijnigt zich sinds meer dan twintig jaar met niets anders dan met de spraakkunst, in de meening, dat zijn geluk dan volmaakt zal zijn, als hem een leven gegund wordt, lang genoeg om zeker uit te maken, hoe de acht rededeelen behooren onderscheiden te worden, iets, dat tot nogtoe geen Griek of Romein geheel heeft kunnen tot stand brengen10—alsof het een misdrijf ware groot genoeg om zelfs een oorlog over te beginnen, zoo iemand aan een voegwoord een beteekenis toekende, waarop slechts bijwoorden aanspraak hebben. En hierom, al bestaan er evenveel spraakkunsten als er spraakkunstenaars zijn, ja nog meer—immers mijn vriend Aldus11alleen heeft meer dan vijfmaal een spraakkunst uitgegeven—, toch komt er nooit zulk een boek uit, hoe barbaarsch en onaangenaam ook geschreven, of hij leest het nauwkeurig door, naijverig op iedereen, die op dit gebied met eenige nieuwe dwaasheid voor den dag komt en steeds gefolterd door de vrees, dat soms iemand hem dezen roem voor den neus zal wegkapen en den arbeid van zooveel jaren doen verloren gaan. Wilt gij dit liever waanzin dan wel dwaasheid noemen? Mij is het vrij onverschillig, mits gij slechts erkent, dat men het mij te danken heeft, dat een overigens diep rampzalig schepsel zulk een trap van geluk bereikt, dat het zijn lot zelfs niet met dat van een Perzisch koning12wenscht te verruilen.1Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als scepter dragen.2De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel, vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.3Ziehoofdst. III.4Bekend tiran op Sicilië, 406–367 v. Chr.5Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome; de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.6Vader van Aeneas (ziehoofdst. XXXVIII).7Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.8Spreekwoordelijk voor: een groot succes.9ZieVoorrede.10Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk te zeggen.11Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van “De Lof der Zotheid” te drukken.12Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der stervelingen.

Maar ik zou zelf al zeer dwaas zijn en het volkomen verdienen, dat Democritus het over mij uitschaterde, indien ik voortging de vormen, waarin zich ’s volks dwaasheden en dolheden openbaren, op te tellen. Ik wil mij tegen hen aangorden, die in de oogen van hun medemenschen voor wijs doorgaan en, zooals het spreekwoord zegt, dien gouden tak trachten te vinden1. Onder hen bekleeden de taalmeesters den eersten rang, dat voorzeker het allerrampzaligste, treurigste en het meest bij de goden gehate slag van menschen zou zijn, als ik de ongemakken van hun zoo ellendig beroep niet door een genoegelijk soort van waanzin verzachtte. Want niet een vijfvoudige vloek, zooals een Grieksch puntdicht aantoont, rust op hen, maar een duizendvoudige, daar zij altijd uitgehongerd en vuil hun leven slijten in hun maaral te bekende scholen; wat zei ik, in scholen, neen veeleer dienen ze vertrekken vol kwellingen des geestes en des lichaams of rosmolens, of folterkamers te heeten. Daar worden zij, omringd door troepen van jongens, oud onder hun moeilijk werk, doof door al het geschreeuw en teren weg door al het vuil en den stank. Nogthans, tengevolge van mijn goedertierenheid verbeelden zij zich de eersten aller menschen te zijn. Zoozeer zijn zij met zichzelf ingenomen, als zij hun schuw troepje door hun barsch gezicht en dreigende woorden angstig maken, als ze met plakken, roeden en zweepen den ongelukkigen het vleesch van het lijf halen en, ’t voorbeeld van den ezel van Cyme2volgend, op alle mogelijke wijzen hun wreedaardige luim botvieren. Intusschen verbeelden zij zich, dat al dat vuil keurige netheid is, den stank vindt hun neus mariolein en die ellendige slavernij gaat bij hen voor een koningschap door, zoodat ze hun tirannie niet tegen de heerschappij van een Phalaris3of Dionysius4willen ruilen. Maar nog veel gelukkiger zijn zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het, uit de hoogte neerop iederen Palaemon en op iederen Donatus5en zij weten het door allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zoo ver te brengen, dat malle moertjes en stomme vaders hen voor diegenen houden, voor wie zij zichzelf uitgeven. Hierbij dient men nog het eigenaardig genot te voegen, telkens als er een van hen den naam van Anchises’6moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan stuk perkament aantreft7, of als iemand een oud stuk steen, waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige steden als Babylon ingenomen hebben8. En als zij bewonderaars vinden voor hun zoutelooze verzen zonder eenig dichterlijk vuur, waarmee ze overal te koop loopen, dan gelooven zij al dadelijk, dat niets minder dan Maro’s9geest in hun boezem is gevaren. Maar het alleraardigste is, als zij elkander wederkeerig vol bewondering prijzen en beurtelings in het zonnetje zetten. Als soms een ander zich in een woordje vergist en het toeval wil, dat iemand van hen, wiens gezicht wat scherper is, de fout merkt, hemelsche goedheid, wat heeft men dan dadelijk de poppen aan het dansen! wat een vechten, schelden en uitvaren tegen elkander! Ik mag mij de ongenade van alle taalmeesters op den hals halen, als ik een enkele leugen zeg—ik ken een zeer bekwaam man, een geleerde van den eersten rang in het Grieksch, het Latijn, de Wiskunde, de Wijsbegeerte en de Geneeskunde. Hij is reeds zestig jaar oud en kwelt en pijnigt zich sinds meer dan twintig jaar met niets anders dan met de spraakkunst, in de meening, dat zijn geluk dan volmaakt zal zijn, als hem een leven gegund wordt, lang genoeg om zeker uit te maken, hoe de acht rededeelen behooren onderscheiden te worden, iets, dat tot nogtoe geen Griek of Romein geheel heeft kunnen tot stand brengen10—alsof het een misdrijf ware groot genoeg om zelfs een oorlog over te beginnen, zoo iemand aan een voegwoord een beteekenis toekende, waarop slechts bijwoorden aanspraak hebben. En hierom, al bestaan er evenveel spraakkunsten als er spraakkunstenaars zijn, ja nog meer—immers mijn vriend Aldus11alleen heeft meer dan vijfmaal een spraakkunst uitgegeven—, toch komt er nooit zulk een boek uit, hoe barbaarsch en onaangenaam ook geschreven, of hij leest het nauwkeurig door, naijverig op iedereen, die op dit gebied met eenige nieuwe dwaasheid voor den dag komt en steeds gefolterd door de vrees, dat soms iemand hem dezen roem voor den neus zal wegkapen en den arbeid van zooveel jaren doen verloren gaan. Wilt gij dit liever waanzin dan wel dwaasheid noemen? Mij is het vrij onverschillig, mits gij slechts erkent, dat men het mij te danken heeft, dat een overigens diep rampzalig schepsel zulk een trap van geluk bereikt, dat het zijn lot zelfs niet met dat van een Perzisch koning12wenscht te verruilen.

1Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als scepter dragen.2De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel, vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.3Ziehoofdst. III.4Bekend tiran op Sicilië, 406–367 v. Chr.5Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome; de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.6Vader van Aeneas (ziehoofdst. XXXVIII).7Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.8Spreekwoordelijk voor: een groot succes.9ZieVoorrede.10Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk te zeggen.11Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van “De Lof der Zotheid” te drukken.12Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der stervelingen.

1Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als scepter dragen.

2De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel, vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.

3Ziehoofdst. III.

4Bekend tiran op Sicilië, 406–367 v. Chr.

5Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome; de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.

6Vader van Aeneas (ziehoofdst. XXXVIII).

7Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.

8Spreekwoordelijk voor: een groot succes.

9ZieVoorrede.

10Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk te zeggen.

11Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van “De Lof der Zotheid” te drukken.

12Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der stervelingen.


Back to IndexNext