Hoofdstuk XXXIV.

Hoofdstuk XXXIV.De dieren, die van al wat kunst is, verschoond blijven, zijn het gelukkigst.Ziet ge dan niet, dat van al de overige soorten van schepselen, díé het gelukkigst leven, welke den grootsten afkeer van de wetenschappen hebben en zich enkel door de voorschriften der natuur laten leiden? Wat is er gelukkiger of bewonderenswaardiger dan de bijen? Maar zij hebben toch zelfs niet eens alle zintuigen. Wat kan de architectuur bij het stichten van gebouwen uitvinden, dat op haar werk gelijkt? Welk wijsgeer heeft ooit een staat uitgedacht, die den haren nabijkomt? Het paard daarentegen, omdat zijn zinnen veel overeenkomst hebben met die van den mensch en het met dezen is gaan samenwonen, deelt ook in de menschelijke rampen. Immers het spant niet zelden zijn laatste krachten in, daar het zich schaamt om in den wedren overwonnen te worden, en terwijl het in den oorlog de zege tracht te behalen, wordt het zoo gewond, dat het met zijn berijder in het stof bijt. Laat ik maar niet spreken van het wolfsgebit, de puntige sporen, den stal, die zijn kerker is, de zweep, den stok, het tuig, den berijder, kortom die geheele akelige slavernij, waaraan het zich uit eigen beweging onderworpen heeft, terwijl het, in navolging van dappere mannen, zich te hartstochtelijk op den vijand tracht te wreken. Hoeveel verkieslijker is het leven van vliegen en vogeltjes, die geheel naar het oogenblik en alleen naar het hun ingeschapen gevoel leven, mits de lagen der menschen het hun slechts vergunnen. Als zij soms in kooien opgesloten langzamerhand menschelijke klanken leeren na spreken, verliezen zij verbazend veel van hun natuurlijke schoonheid. Zoozeerheeft het natuurlijke in alles den voorrang boven het gekunstelde.Daarom heb ik ook nooit lof genoeg voor dien haan, eenmaal Pythagoras1, die na alleen alles geweest te zijn, wijsgeer, man, vrouw, koning, ambteloos burger, visch, paard, kikvorsch, als ik mij niet vergis, zelfs spons, toch geen schepsel rampzaliger achtte dan den mensch, omdat alle overige schepselen zich houden binnen de grenzen hun door de natuur aangewezen, maar de mensch alleen buiten zijn natuurlijken kring tracht te gaan.1In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan, dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI) was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der zielsverhuizing.Hoofdstuk XXXV.Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen.Anderzijds stelt hij1de gewone menschen in veel opzichten boven de geleerden en groote mannen, en die Gryllus2was vrij wat wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris of Aiax of Achilles3ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij,ofschoon als menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten4, met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen, die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien, als men haar voor ’t eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden, zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht en dag van alle kanten gekweld wordt.Breng al de ongemakken uws levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven te vervroolijken.Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten, door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig, bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen deze eer bewezen.1De zooeven genoemde haan.2ZieVoorrede.3Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig geschilderd.4Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den hemel bestormden.Hoofdstuk XXXVI.Vervolg.Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten1zooveel vermaak in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten nietweinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd spreekwoord2de waarheid toeschrijft aan den wijn en den kinderlijken leeftijd, komt mij toch in ’t bijzonder al die lof toe, zelfs volgens Euripides’3getuigenis, van wien dit beroemde gezegde omtrent ons bestaat:dwaasheên immers zegt een dwaas. De gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat, en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten, volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud als warm laten worden4en de zaken in hun spreken geheel anders voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn, naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te beschouwen. Maar,zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen, omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden, maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort, zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij, als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit, om een dekmantel te vinden voor haar zonden.1De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan I.2In hetzelfde “Gastmaal,” dat reedshoofdst. XXIXis genoemd.3Grieksch treurspeldichter, 480–406 v. Chr.4Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.Hoofdstuk XXXVII.Vervolg.Om nu tot het geluk der dwazen terug te keeren: als zij hun leven met veel genoegen ten einde hebben gebracht, verhuizen zij zonder eenige vrees of gevoel voor den dood rechtstreeks naar de Elyseesche velden om ook daar de vrome zielen met hun zotternijen genoegelijk den tijd te korten. Vergelijk nu eens het lot zelfs van den wijsten man met dat van zulk een zot. Stel nu eens tegenover hem een model van wijsheid, iemand, die zijn geheele kindsheid en jongelingstijd in het grondig beoefenen der wetenschappen heeft gesleten, het zoetste gedeelte zijns levens door aanhoudend waken, zorgen en zweeten bedorven heeft en zelfs in geheel zijn overig leven geen ziertje genot heeft gesmaakt, altijd zuinig, arm, met een zwart en barsch gezicht, jegens zichzelf onrechtvaardig en hard, bij anderen onaangenaam en gehaat, doodsbleek, uitgeteerd, ziekelijk, kortzichtig, oud en grijs vóór zijn tijd, vóór zijn tijd reeds het leven zat. Maar wat doet het er eigenlijk toe, wanneer een dergelijk man sterft, die toch nooit geleefd heeft? Daar hebt ge nu dat prachtige beeld van den wijze.Hoofdstuk XXXVIII.Waanzin is begeerenswaard.Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa1tegen:Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes?Maar zij zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, alsde Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido’s te maken2, zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben:Of begoochelt me een beminlijke waanzin?en Plato niet de woede van dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas krankzinnig genoemd hebben3. Maar de krankzinnigheid is tweeledig: het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord, bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden vervolgen4. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een brief aan Atticus5als een groot geschenk der Goden en dat wel, opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had die inwoner van Argos6het nog niet zoo mis, die in zoo verre krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat, lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf man gedroeg:Voor zijn vrienden goed,Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden, voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,Geen redding schonkt ge mij, wien zoo ’t genot ontwrongenEn met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling7.Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer behoefte aan nieskruid8, omdat zij meenden een zoo gelukkigen en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens, of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert, behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die, zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent, dat hij Croesus9, de koning vanLydië is. Maar dit soort van waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen, die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.1De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij, waarin de stichter der school zijn colleges gaf.2In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido’s. Het “doorsnijden” en “doorhakken” is een aardigheid van Erasmus.3Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius (zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.4Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht van Vergilius.5Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven doorC. aan hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft, komt er niet in voor.6Stad in Griekenland.7Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.8Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.9De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560–546 v. Chr.Hoofdstuk XXXIX.Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouw vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars.Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden, die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig, omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope1, en zichzelf nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert, dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet, dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse behooren ookzij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd mes—want dit mag niet met het eerste het beste geschieden—,met bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventjete leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest, die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan den bedelstaf geraakt geen dak boven ’t hoofd en niets meer te eten hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans, zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een vijfde grondstof, de quintessens2. Zij zijn zoo vervuld van dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht, volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen zij zich eindelijk in al hunverwachtingenteleurgesteld, dan rest hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:Bij groote daân is reeds de wil genoeg.Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de dobbelaarsaangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan, altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat meer te duchten is dan Malea3, schipbreuk heeft geleden en zij ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht, het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt, dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.1De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van echtelijke trouw.2De volgelingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) namen vijf elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt, waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden, dat het hun bij ’t goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.3Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland; vandaar het gezegde: “Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat gij thuis hebt gelaten.”Hoofdstuk XL.Bijgeloovigen.Maar ongetwijfeld behoort dat slag van menschen tot de onzen, die zich vermeien in het hooren of vertellen van wonderen en gedrochtelijke leugens en nooit genoeg hebben van zulke verhalen, als er iets bovennatuurlijks in voorkomt over verschijningen, over spoken, over geesten, over de hel en over tallooze andere mirakels van dit soort. Hoe meer zulke verhalen in strijd zijn met de waarheid, des te eerder vinden zij geloof en des te aangenamer kittelen zij de ooren.En zij zijn niet alleen van verbazend veel nut om de verveling te verdrijven, maar er valt ook bij te verdienen, vooral voor priesters en predikers. Nauw verwant met dezen zijn verder diegenen, die tot de wel dwaze maar toch behagelijke overtuiging zijn gekomen, dat, als zij maar het een of andere beeld, van hout of geschilderd, van den Polyphemus Christophorus1zien, zij op dien dag niet zullen omkomen, of, dat wie een beeld van St. Barbara2met bepaalde woorden groet, ongedeerd uit den strijd zal terugkeeren, of als iemand zich op bepaalde dagen met bepaalde kaarsjes en bepaalde schietgebeden tot St. Erasmus3wendt, hij binnenkort rijk zal worden. Zoo hebben zij een Hercules in St. Joris4gevonden, zooals ze ook een tweeden Hippolytus5hebben. Zijn6paard, dat zij vol diepen eerbied met allerlei sieradiën tooien, bewijzen zij bijna goddelijke eer en zij trachten het telkens weer door het een of ander nieuw geschenkje voor zich te winnen; bij den metalen helm van den heilige te zweren, wordt als een vorstelijke eed beschouwd. Wat te zeggen van hen, die zichzelf paaien met onware aflaatbrieven7en de tijdruimtenvan het vagevuur met wateruurwerken afmeten, waarbij ze nauwkeurig de eeuwen, jaren, maanden, dagen en uren, als wiskundig vaststaande, zonder dat een fout mogelijk is, weten op te geven. Of van hen, die steunende op eenige tooverformulieren en gebeden, die de een of andere vrome bedrieger hetzij voor zijn pleizier, hetzij om er iets aan te verdienen heeft uitgedacht, zichzelf alles voorspiegelen, geld, eer, genot, volop eten en drinken, eeuwigdurende gezondheid, een lang leven en een krachtigen ouderdom, eindelijk een plaatsje dicht bij Christus in den hemel, ofschoon zij het liefst willen, dat dit geluk hun zeer laat te beurt valle, d.w.z. dat eerst, als de genoegens dezer wereld, waaraan zij met hart en ziel hangen, hen trots hun tegenstribbelingen in den steek laten, dan die hemelsche zaligheden hun deel worden. Zoo heb je me bijv. den een of anderen koopman of soldaat of rechter, die door het opofferen van een enkel penningsken uit zijn door roof gewonnen schatten meent den geheelen zondenpoel zijns levens op eenmaal gereinigd te hebben en zooveel meineed, zooveel wellust, zooveel dronkenschap, zooveel twist, zooveel moord, zooveel bedrog, zooveel trouweloosheid, zooveel verraad als bij contract afgekocht beschouwt en wel zoo afgekocht, dat hij van voren af aan een nieuwe reeks van misdaden mag beginnen. Maar wie zijn dwazer, neen laat ik liever zeggen gelukkiger, dan zij, die door dagelijks die bekende zeven versjes der heilige psalmen op te zeggen zichzelf nog meer dan het hoogste geluk belooven? Deze tooverversjes zijn, naar men wil, aan den heiligen Bernard medegedeeld door een zekeren duivel, die wel geestig, maar toch meer een onnoozele hals dan een slimmerd was; want hij werd leelijk door hem bij den neus genomen8.En dergelijke verhalen, zoo dwaas, dat ik mij zelfer schier voor schaam, vinden desniettemin algemeenen bijval niet alleen bij het domme volk, maar zelfs bij de openbare godsdienstleeraren. Is ’t voorts haast niet even dwaas, dat iedere streek aanspraak maakt op haar eigen heilige, dat men de verschillende werkzaamheden onder hen verdeelt, en aan ieder ook zijn eigen ceremoniën toewijst, zoodat de een moet helpen bij tandpijn, gene zijn bijstand verleenen bij het kraambed, een derde een gestolen voorwerp terugbezorgen, een vierde als gunstig gesternte bij een schipbreuk moet stralen, een vijfde het vee beschermen, enz. Want het zou hoogst vervelend worden alles op te sommen. Er zijn er ook, die in meer zaken tegelijk invloed hebben, vooral de moedermaagd, aan wie het gros der menschen haast grooter macht toekent dan aan haar zoon.1Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV) én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals Christophorus op de meeste afbeeldingen.2De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de Fransche oorlogsschepen de kruitkamer “Sainte Barbe” genoemd werd.3Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur aan den mast vertoont.4Hercules overwon evenals St. Joris een draak.5De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in het tuig verward werd meegesleurd.6Van St. Joris.7De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben, vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een handel in aflaatbrievenverklaren, die in Erasmus’ dagen op bijzonder stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.8Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux (gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige Bernard: “Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan.” Daarop maakte de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen, dat God nog meer welgevallig was.Hoofdstuk XLI.Vervolg.Maar wat vragen de menschen dan toch wel van deze heiligen, dat niet met de zotheid samenhangt? Kom, zeg eens, hebt gij onder zooveel wijgeschenken, waarmee ge de wanden en zelfs de gewelven van sommige kerken bedekt ziet, ooit een van iemand gevonden, die van de zotheid bevrijd was of ook maar een zier wijzer was geworden? De een heeft door zwemmen het lijf gered. Een tweede bracht er het leven af, niettegenstaande hij een gevaarlijke wond van den vijand had ontvangen. Een derde ging op het slagveld, waar zijn makkers streden, dapper op den loop en had het geluk te ontkomen. Een vierde, die aan de galg hing, kwam er af door den een of anderen den dieven gunstigen heilige, om zoo eenige door hun schatten al te bezwaarde lieden nog verder te kunnen ontlasten. Een vijfde wist de deuren van zijn gevangenis open te breken en zich uit de voeten te maken. Een zesde herstelde van de koorts tot grooten spijt van zijn arts. Een zevende nam vergif in, maar dit bezorgde hem een ruime ontlasting, zoodat het hem in plaats van den dood genezing bracht, alles behalve tot genoegen van zijn vrouw1, daar ze nu moeite en kosten voor niets had besteed. Een achtste, wiens wagen omviel, bracht toch zijn paarden ongedeerd naar huis. Een negende werd levend onder de puinhoopen van een ingestort huis weggehaald. Een tiende slaagde er in den echtgenoot te ontkomen, die hem bij zijn vrouw betrapte. Maar nergens vindt men een dankbetuiging voor het verdrijven van zotheid. Zoo zoet is het volslagen gemis van wijsheid, dat de menschen bidden van alles eerder bevrijd te worden dan van de zotheid.Maar wat waag ik mij in dezen Oceaan van bijgeloovigheden?Neen, bezat ik honderd tongen, honderd monden,Stem van ijzer, ’t was m’ onmooglijk vormen, namenOp te noemen van de botte zotternije2.In die mate krioelt het geheele leven aller Christenen van dergelijke dolheden, die echter de priesters zonder eenig bezwaar niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen, omdat zij zeer goed weten, welke voordeeltjes daaruit bij voortduring voor hen te winnen zijn. Indien nu te midden van dit alles de een of andere hatelijke wijze opstaat en deze waarheden verkondigt: Als ge goed geleefd hebt, zult ge geen slechten dood hebben; ge koopt u vrij van uw zonden, als ge bij uw penningsken voegt den afkeer van misdaden, voorts tranen, nachtwaken, gebeden, vasten en tevens een geheelen ommekeer in uw levenswijze; dán zal deze heilige u gunstig zijn, als gij zijn levenswijze tracht na te volgen—als, zeg ik, die wijze deze en dergelijke woorden hun toeroept, dan kunt ge begrijpen, welk een stoornis hij eensklaps weer brengt in de gemoederen van menschen, die nog pas zoo gelukkig waren. Tot deze bent behooren zij, die bij hun leven zulke nauwkeurige bepalingen maken omtrent hun lijkstaatsie, dat zij zelfs in allebijzonderhedenvoorschrijven, hoeveel fakkels, hoeveel lijkbidders, hoeveel zangers, hoeveel rouwkomedianten zij daarbij willen hebben, alsof zij zelf iets van die voorstelling zouden merken of de dooden zich schamen als het lijk niet met praal onder den grond werd gestopt, en dat alles met een toewijding, als waren zij pas gekozen aedilen3en beijverden zij zich om spelen of een gastmaal te geven.1die hem had trachten te vergiftigen.2Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van Vergilius.3Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger ambten te worden gekozen.

Hoofdstuk XXXIV.De dieren, die van al wat kunst is, verschoond blijven, zijn het gelukkigst.Ziet ge dan niet, dat van al de overige soorten van schepselen, díé het gelukkigst leven, welke den grootsten afkeer van de wetenschappen hebben en zich enkel door de voorschriften der natuur laten leiden? Wat is er gelukkiger of bewonderenswaardiger dan de bijen? Maar zij hebben toch zelfs niet eens alle zintuigen. Wat kan de architectuur bij het stichten van gebouwen uitvinden, dat op haar werk gelijkt? Welk wijsgeer heeft ooit een staat uitgedacht, die den haren nabijkomt? Het paard daarentegen, omdat zijn zinnen veel overeenkomst hebben met die van den mensch en het met dezen is gaan samenwonen, deelt ook in de menschelijke rampen. Immers het spant niet zelden zijn laatste krachten in, daar het zich schaamt om in den wedren overwonnen te worden, en terwijl het in den oorlog de zege tracht te behalen, wordt het zoo gewond, dat het met zijn berijder in het stof bijt. Laat ik maar niet spreken van het wolfsgebit, de puntige sporen, den stal, die zijn kerker is, de zweep, den stok, het tuig, den berijder, kortom die geheele akelige slavernij, waaraan het zich uit eigen beweging onderworpen heeft, terwijl het, in navolging van dappere mannen, zich te hartstochtelijk op den vijand tracht te wreken. Hoeveel verkieslijker is het leven van vliegen en vogeltjes, die geheel naar het oogenblik en alleen naar het hun ingeschapen gevoel leven, mits de lagen der menschen het hun slechts vergunnen. Als zij soms in kooien opgesloten langzamerhand menschelijke klanken leeren na spreken, verliezen zij verbazend veel van hun natuurlijke schoonheid. Zoozeerheeft het natuurlijke in alles den voorrang boven het gekunstelde.Daarom heb ik ook nooit lof genoeg voor dien haan, eenmaal Pythagoras1, die na alleen alles geweest te zijn, wijsgeer, man, vrouw, koning, ambteloos burger, visch, paard, kikvorsch, als ik mij niet vergis, zelfs spons, toch geen schepsel rampzaliger achtte dan den mensch, omdat alle overige schepselen zich houden binnen de grenzen hun door de natuur aangewezen, maar de mensch alleen buiten zijn natuurlijken kring tracht te gaan.1In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan, dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI) was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der zielsverhuizing.

Ziet ge dan niet, dat van al de overige soorten van schepselen, díé het gelukkigst leven, welke den grootsten afkeer van de wetenschappen hebben en zich enkel door de voorschriften der natuur laten leiden? Wat is er gelukkiger of bewonderenswaardiger dan de bijen? Maar zij hebben toch zelfs niet eens alle zintuigen. Wat kan de architectuur bij het stichten van gebouwen uitvinden, dat op haar werk gelijkt? Welk wijsgeer heeft ooit een staat uitgedacht, die den haren nabijkomt? Het paard daarentegen, omdat zijn zinnen veel overeenkomst hebben met die van den mensch en het met dezen is gaan samenwonen, deelt ook in de menschelijke rampen. Immers het spant niet zelden zijn laatste krachten in, daar het zich schaamt om in den wedren overwonnen te worden, en terwijl het in den oorlog de zege tracht te behalen, wordt het zoo gewond, dat het met zijn berijder in het stof bijt. Laat ik maar niet spreken van het wolfsgebit, de puntige sporen, den stal, die zijn kerker is, de zweep, den stok, het tuig, den berijder, kortom die geheele akelige slavernij, waaraan het zich uit eigen beweging onderworpen heeft, terwijl het, in navolging van dappere mannen, zich te hartstochtelijk op den vijand tracht te wreken. Hoeveel verkieslijker is het leven van vliegen en vogeltjes, die geheel naar het oogenblik en alleen naar het hun ingeschapen gevoel leven, mits de lagen der menschen het hun slechts vergunnen. Als zij soms in kooien opgesloten langzamerhand menschelijke klanken leeren na spreken, verliezen zij verbazend veel van hun natuurlijke schoonheid. Zoozeerheeft het natuurlijke in alles den voorrang boven het gekunstelde.

Daarom heb ik ook nooit lof genoeg voor dien haan, eenmaal Pythagoras1, die na alleen alles geweest te zijn, wijsgeer, man, vrouw, koning, ambteloos burger, visch, paard, kikvorsch, als ik mij niet vergis, zelfs spons, toch geen schepsel rampzaliger achtte dan den mensch, omdat alle overige schepselen zich houden binnen de grenzen hun door de natuur aangewezen, maar de mensch alleen buiten zijn natuurlijken kring tracht te gaan.

1In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan, dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI) was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der zielsverhuizing.

1In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan, dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI) was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der zielsverhuizing.

Hoofdstuk XXXV.Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen.Anderzijds stelt hij1de gewone menschen in veel opzichten boven de geleerden en groote mannen, en die Gryllus2was vrij wat wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris of Aiax of Achilles3ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij,ofschoon als menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten4, met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen, die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien, als men haar voor ’t eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden, zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht en dag van alle kanten gekweld wordt.Breng al de ongemakken uws levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven te vervroolijken.Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten, door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig, bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen deze eer bewezen.1De zooeven genoemde haan.2ZieVoorrede.3Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig geschilderd.4Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den hemel bestormden.

Anderzijds stelt hij1de gewone menschen in veel opzichten boven de geleerden en groote mannen, en die Gryllus2was vrij wat wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris of Aiax of Achilles3ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij,ofschoon als menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten4, met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.

Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen, die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien, als men haar voor ’t eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden, zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht en dag van alle kanten gekweld wordt.Breng al de ongemakken uws levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven te vervroolijken.

Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten, door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig, bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen deze eer bewezen.

1De zooeven genoemde haan.2ZieVoorrede.3Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig geschilderd.4Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den hemel bestormden.

1De zooeven genoemde haan.

2ZieVoorrede.

3Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig geschilderd.

4Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den hemel bestormden.

Hoofdstuk XXXVI.Vervolg.Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten1zooveel vermaak in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten nietweinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd spreekwoord2de waarheid toeschrijft aan den wijn en den kinderlijken leeftijd, komt mij toch in ’t bijzonder al die lof toe, zelfs volgens Euripides’3getuigenis, van wien dit beroemde gezegde omtrent ons bestaat:dwaasheên immers zegt een dwaas. De gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat, en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten, volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud als warm laten worden4en de zaken in hun spreken geheel anders voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn, naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te beschouwen. Maar,zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen, omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden, maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort, zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij, als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit, om een dekmantel te vinden voor haar zonden.1De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan I.2In hetzelfde “Gastmaal,” dat reedshoofdst. XXIXis genoemd.3Grieksch treurspeldichter, 480–406 v. Chr.4Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.

Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten1zooveel vermaak in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten nietweinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd spreekwoord2de waarheid toeschrijft aan den wijn en den kinderlijken leeftijd, komt mij toch in ’t bijzonder al die lof toe, zelfs volgens Euripides’3getuigenis, van wien dit beroemde gezegde omtrent ons bestaat:dwaasheên immers zegt een dwaas. De gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat, en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten, volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud als warm laten worden4en de zaken in hun spreken geheel anders voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn, naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te beschouwen. Maar,zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen, omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden, maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort, zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij, als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit, om een dekmantel te vinden voor haar zonden.

1De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan I.2In hetzelfde “Gastmaal,” dat reedshoofdst. XXIXis genoemd.3Grieksch treurspeldichter, 480–406 v. Chr.4Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.

1De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan I.

2In hetzelfde “Gastmaal,” dat reedshoofdst. XXIXis genoemd.

3Grieksch treurspeldichter, 480–406 v. Chr.

4Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.

Hoofdstuk XXXVII.Vervolg.Om nu tot het geluk der dwazen terug te keeren: als zij hun leven met veel genoegen ten einde hebben gebracht, verhuizen zij zonder eenige vrees of gevoel voor den dood rechtstreeks naar de Elyseesche velden om ook daar de vrome zielen met hun zotternijen genoegelijk den tijd te korten. Vergelijk nu eens het lot zelfs van den wijsten man met dat van zulk een zot. Stel nu eens tegenover hem een model van wijsheid, iemand, die zijn geheele kindsheid en jongelingstijd in het grondig beoefenen der wetenschappen heeft gesleten, het zoetste gedeelte zijns levens door aanhoudend waken, zorgen en zweeten bedorven heeft en zelfs in geheel zijn overig leven geen ziertje genot heeft gesmaakt, altijd zuinig, arm, met een zwart en barsch gezicht, jegens zichzelf onrechtvaardig en hard, bij anderen onaangenaam en gehaat, doodsbleek, uitgeteerd, ziekelijk, kortzichtig, oud en grijs vóór zijn tijd, vóór zijn tijd reeds het leven zat. Maar wat doet het er eigenlijk toe, wanneer een dergelijk man sterft, die toch nooit geleefd heeft? Daar hebt ge nu dat prachtige beeld van den wijze.

Om nu tot het geluk der dwazen terug te keeren: als zij hun leven met veel genoegen ten einde hebben gebracht, verhuizen zij zonder eenige vrees of gevoel voor den dood rechtstreeks naar de Elyseesche velden om ook daar de vrome zielen met hun zotternijen genoegelijk den tijd te korten. Vergelijk nu eens het lot zelfs van den wijsten man met dat van zulk een zot. Stel nu eens tegenover hem een model van wijsheid, iemand, die zijn geheele kindsheid en jongelingstijd in het grondig beoefenen der wetenschappen heeft gesleten, het zoetste gedeelte zijns levens door aanhoudend waken, zorgen en zweeten bedorven heeft en zelfs in geheel zijn overig leven geen ziertje genot heeft gesmaakt, altijd zuinig, arm, met een zwart en barsch gezicht, jegens zichzelf onrechtvaardig en hard, bij anderen onaangenaam en gehaat, doodsbleek, uitgeteerd, ziekelijk, kortzichtig, oud en grijs vóór zijn tijd, vóór zijn tijd reeds het leven zat. Maar wat doet het er eigenlijk toe, wanneer een dergelijk man sterft, die toch nooit geleefd heeft? Daar hebt ge nu dat prachtige beeld van den wijze.

Hoofdstuk XXXVIII.Waanzin is begeerenswaard.Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa1tegen:Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes?Maar zij zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, alsde Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido’s te maken2, zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben:Of begoochelt me een beminlijke waanzin?en Plato niet de woede van dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas krankzinnig genoemd hebben3. Maar de krankzinnigheid is tweeledig: het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord, bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden vervolgen4. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een brief aan Atticus5als een groot geschenk der Goden en dat wel, opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had die inwoner van Argos6het nog niet zoo mis, die in zoo verre krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat, lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf man gedroeg:Voor zijn vrienden goed,Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden, voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,Geen redding schonkt ge mij, wien zoo ’t genot ontwrongenEn met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling7.Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer behoefte aan nieskruid8, omdat zij meenden een zoo gelukkigen en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens, of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert, behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die, zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent, dat hij Croesus9, de koning vanLydië is. Maar dit soort van waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen, die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.1De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij, waarin de stichter der school zijn colleges gaf.2In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido’s. Het “doorsnijden” en “doorhakken” is een aardigheid van Erasmus.3Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius (zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.4Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht van Vergilius.5Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven doorC. aan hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft, komt er niet in voor.6Stad in Griekenland.7Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.8Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.9De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560–546 v. Chr.

Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa1tegen:Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes?Maar zij zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, alsde Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido’s te maken2, zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben:Of begoochelt me een beminlijke waanzin?en Plato niet de woede van dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas krankzinnig genoemd hebben3. Maar de krankzinnigheid is tweeledig: het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord, bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden vervolgen4. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een brief aan Atticus5als een groot geschenk der Goden en dat wel, opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had die inwoner van Argos6het nog niet zoo mis, die in zoo verre krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat, lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf man gedroeg:

Voor zijn vrienden goed,Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.

Voor zijn vrienden goed,

Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,

Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.

Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden, voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:

Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,Geen redding schonkt ge mij, wien zoo ’t genot ontwrongenEn met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling7.

Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,

Geen redding schonkt ge mij, wien zoo ’t genot ontwrongen

En met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling7.

Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer behoefte aan nieskruid8, omdat zij meenden een zoo gelukkigen en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens, of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert, behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die, zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent, dat hij Croesus9, de koning vanLydië is. Maar dit soort van waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen, die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.

1De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij, waarin de stichter der school zijn colleges gaf.2In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido’s. Het “doorsnijden” en “doorhakken” is een aardigheid van Erasmus.3Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius (zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.4Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht van Vergilius.5Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven doorC. aan hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft, komt er niet in voor.6Stad in Griekenland.7Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.8Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.9De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560–546 v. Chr.

1De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij, waarin de stichter der school zijn colleges gaf.

2In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido’s. Het “doorsnijden” en “doorhakken” is een aardigheid van Erasmus.

3Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius (zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.

4Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht van Vergilius.

5Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven doorC. aan hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft, komt er niet in voor.

6Stad in Griekenland.

7Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.

8Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.

9De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560–546 v. Chr.

Hoofdstuk XXXIX.Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouw vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars.Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden, die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig, omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope1, en zichzelf nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert, dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet, dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse behooren ookzij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd mes—want dit mag niet met het eerste het beste geschieden—,met bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventjete leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest, die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan den bedelstaf geraakt geen dak boven ’t hoofd en niets meer te eten hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans, zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een vijfde grondstof, de quintessens2. Zij zijn zoo vervuld van dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht, volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen zij zich eindelijk in al hunverwachtingenteleurgesteld, dan rest hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:Bij groote daân is reeds de wil genoeg.Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de dobbelaarsaangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan, altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat meer te duchten is dan Malea3, schipbreuk heeft geleden en zij ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht, het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt, dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.1De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van echtelijke trouw.2De volgelingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) namen vijf elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt, waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden, dat het hun bij ’t goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.3Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland; vandaar het gezegde: “Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat gij thuis hebt gelaten.”

Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden, die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig, omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope1, en zichzelf nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert, dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet, dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse behooren ookzij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.

Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd mes—want dit mag niet met het eerste het beste geschieden—,met bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventjete leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest, die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan den bedelstaf geraakt geen dak boven ’t hoofd en niets meer te eten hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans, zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een vijfde grondstof, de quintessens2. Zij zijn zoo vervuld van dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht, volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen zij zich eindelijk in al hunverwachtingenteleurgesteld, dan rest hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:

Bij groote daân is reeds de wil genoeg.

Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de dobbelaarsaangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan, altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat meer te duchten is dan Malea3, schipbreuk heeft geleden en zij ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht, het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt, dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.

1De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van echtelijke trouw.2De volgelingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) namen vijf elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt, waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden, dat het hun bij ’t goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.3Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland; vandaar het gezegde: “Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat gij thuis hebt gelaten.”

1De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van echtelijke trouw.

2De volgelingen van Pythagoras (ziehoofdst. XI) namen vijf elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt, waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden, dat het hun bij ’t goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.

3Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland; vandaar het gezegde: “Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat gij thuis hebt gelaten.”

Hoofdstuk XL.Bijgeloovigen.Maar ongetwijfeld behoort dat slag van menschen tot de onzen, die zich vermeien in het hooren of vertellen van wonderen en gedrochtelijke leugens en nooit genoeg hebben van zulke verhalen, als er iets bovennatuurlijks in voorkomt over verschijningen, over spoken, over geesten, over de hel en over tallooze andere mirakels van dit soort. Hoe meer zulke verhalen in strijd zijn met de waarheid, des te eerder vinden zij geloof en des te aangenamer kittelen zij de ooren.En zij zijn niet alleen van verbazend veel nut om de verveling te verdrijven, maar er valt ook bij te verdienen, vooral voor priesters en predikers. Nauw verwant met dezen zijn verder diegenen, die tot de wel dwaze maar toch behagelijke overtuiging zijn gekomen, dat, als zij maar het een of andere beeld, van hout of geschilderd, van den Polyphemus Christophorus1zien, zij op dien dag niet zullen omkomen, of, dat wie een beeld van St. Barbara2met bepaalde woorden groet, ongedeerd uit den strijd zal terugkeeren, of als iemand zich op bepaalde dagen met bepaalde kaarsjes en bepaalde schietgebeden tot St. Erasmus3wendt, hij binnenkort rijk zal worden. Zoo hebben zij een Hercules in St. Joris4gevonden, zooals ze ook een tweeden Hippolytus5hebben. Zijn6paard, dat zij vol diepen eerbied met allerlei sieradiën tooien, bewijzen zij bijna goddelijke eer en zij trachten het telkens weer door het een of ander nieuw geschenkje voor zich te winnen; bij den metalen helm van den heilige te zweren, wordt als een vorstelijke eed beschouwd. Wat te zeggen van hen, die zichzelf paaien met onware aflaatbrieven7en de tijdruimtenvan het vagevuur met wateruurwerken afmeten, waarbij ze nauwkeurig de eeuwen, jaren, maanden, dagen en uren, als wiskundig vaststaande, zonder dat een fout mogelijk is, weten op te geven. Of van hen, die steunende op eenige tooverformulieren en gebeden, die de een of andere vrome bedrieger hetzij voor zijn pleizier, hetzij om er iets aan te verdienen heeft uitgedacht, zichzelf alles voorspiegelen, geld, eer, genot, volop eten en drinken, eeuwigdurende gezondheid, een lang leven en een krachtigen ouderdom, eindelijk een plaatsje dicht bij Christus in den hemel, ofschoon zij het liefst willen, dat dit geluk hun zeer laat te beurt valle, d.w.z. dat eerst, als de genoegens dezer wereld, waaraan zij met hart en ziel hangen, hen trots hun tegenstribbelingen in den steek laten, dan die hemelsche zaligheden hun deel worden. Zoo heb je me bijv. den een of anderen koopman of soldaat of rechter, die door het opofferen van een enkel penningsken uit zijn door roof gewonnen schatten meent den geheelen zondenpoel zijns levens op eenmaal gereinigd te hebben en zooveel meineed, zooveel wellust, zooveel dronkenschap, zooveel twist, zooveel moord, zooveel bedrog, zooveel trouweloosheid, zooveel verraad als bij contract afgekocht beschouwt en wel zoo afgekocht, dat hij van voren af aan een nieuwe reeks van misdaden mag beginnen. Maar wie zijn dwazer, neen laat ik liever zeggen gelukkiger, dan zij, die door dagelijks die bekende zeven versjes der heilige psalmen op te zeggen zichzelf nog meer dan het hoogste geluk belooven? Deze tooverversjes zijn, naar men wil, aan den heiligen Bernard medegedeeld door een zekeren duivel, die wel geestig, maar toch meer een onnoozele hals dan een slimmerd was; want hij werd leelijk door hem bij den neus genomen8.En dergelijke verhalen, zoo dwaas, dat ik mij zelfer schier voor schaam, vinden desniettemin algemeenen bijval niet alleen bij het domme volk, maar zelfs bij de openbare godsdienstleeraren. Is ’t voorts haast niet even dwaas, dat iedere streek aanspraak maakt op haar eigen heilige, dat men de verschillende werkzaamheden onder hen verdeelt, en aan ieder ook zijn eigen ceremoniën toewijst, zoodat de een moet helpen bij tandpijn, gene zijn bijstand verleenen bij het kraambed, een derde een gestolen voorwerp terugbezorgen, een vierde als gunstig gesternte bij een schipbreuk moet stralen, een vijfde het vee beschermen, enz. Want het zou hoogst vervelend worden alles op te sommen. Er zijn er ook, die in meer zaken tegelijk invloed hebben, vooral de moedermaagd, aan wie het gros der menschen haast grooter macht toekent dan aan haar zoon.1Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV) én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals Christophorus op de meeste afbeeldingen.2De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de Fransche oorlogsschepen de kruitkamer “Sainte Barbe” genoemd werd.3Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur aan den mast vertoont.4Hercules overwon evenals St. Joris een draak.5De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in het tuig verward werd meegesleurd.6Van St. Joris.7De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben, vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een handel in aflaatbrievenverklaren, die in Erasmus’ dagen op bijzonder stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.8Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux (gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige Bernard: “Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan.” Daarop maakte de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen, dat God nog meer welgevallig was.

Maar ongetwijfeld behoort dat slag van menschen tot de onzen, die zich vermeien in het hooren of vertellen van wonderen en gedrochtelijke leugens en nooit genoeg hebben van zulke verhalen, als er iets bovennatuurlijks in voorkomt over verschijningen, over spoken, over geesten, over de hel en over tallooze andere mirakels van dit soort. Hoe meer zulke verhalen in strijd zijn met de waarheid, des te eerder vinden zij geloof en des te aangenamer kittelen zij de ooren.En zij zijn niet alleen van verbazend veel nut om de verveling te verdrijven, maar er valt ook bij te verdienen, vooral voor priesters en predikers. Nauw verwant met dezen zijn verder diegenen, die tot de wel dwaze maar toch behagelijke overtuiging zijn gekomen, dat, als zij maar het een of andere beeld, van hout of geschilderd, van den Polyphemus Christophorus1zien, zij op dien dag niet zullen omkomen, of, dat wie een beeld van St. Barbara2met bepaalde woorden groet, ongedeerd uit den strijd zal terugkeeren, of als iemand zich op bepaalde dagen met bepaalde kaarsjes en bepaalde schietgebeden tot St. Erasmus3wendt, hij binnenkort rijk zal worden. Zoo hebben zij een Hercules in St. Joris4gevonden, zooals ze ook een tweeden Hippolytus5hebben. Zijn6paard, dat zij vol diepen eerbied met allerlei sieradiën tooien, bewijzen zij bijna goddelijke eer en zij trachten het telkens weer door het een of ander nieuw geschenkje voor zich te winnen; bij den metalen helm van den heilige te zweren, wordt als een vorstelijke eed beschouwd. Wat te zeggen van hen, die zichzelf paaien met onware aflaatbrieven7en de tijdruimtenvan het vagevuur met wateruurwerken afmeten, waarbij ze nauwkeurig de eeuwen, jaren, maanden, dagen en uren, als wiskundig vaststaande, zonder dat een fout mogelijk is, weten op te geven. Of van hen, die steunende op eenige tooverformulieren en gebeden, die de een of andere vrome bedrieger hetzij voor zijn pleizier, hetzij om er iets aan te verdienen heeft uitgedacht, zichzelf alles voorspiegelen, geld, eer, genot, volop eten en drinken, eeuwigdurende gezondheid, een lang leven en een krachtigen ouderdom, eindelijk een plaatsje dicht bij Christus in den hemel, ofschoon zij het liefst willen, dat dit geluk hun zeer laat te beurt valle, d.w.z. dat eerst, als de genoegens dezer wereld, waaraan zij met hart en ziel hangen, hen trots hun tegenstribbelingen in den steek laten, dan die hemelsche zaligheden hun deel worden. Zoo heb je me bijv. den een of anderen koopman of soldaat of rechter, die door het opofferen van een enkel penningsken uit zijn door roof gewonnen schatten meent den geheelen zondenpoel zijns levens op eenmaal gereinigd te hebben en zooveel meineed, zooveel wellust, zooveel dronkenschap, zooveel twist, zooveel moord, zooveel bedrog, zooveel trouweloosheid, zooveel verraad als bij contract afgekocht beschouwt en wel zoo afgekocht, dat hij van voren af aan een nieuwe reeks van misdaden mag beginnen. Maar wie zijn dwazer, neen laat ik liever zeggen gelukkiger, dan zij, die door dagelijks die bekende zeven versjes der heilige psalmen op te zeggen zichzelf nog meer dan het hoogste geluk belooven? Deze tooverversjes zijn, naar men wil, aan den heiligen Bernard medegedeeld door een zekeren duivel, die wel geestig, maar toch meer een onnoozele hals dan een slimmerd was; want hij werd leelijk door hem bij den neus genomen8.

En dergelijke verhalen, zoo dwaas, dat ik mij zelfer schier voor schaam, vinden desniettemin algemeenen bijval niet alleen bij het domme volk, maar zelfs bij de openbare godsdienstleeraren. Is ’t voorts haast niet even dwaas, dat iedere streek aanspraak maakt op haar eigen heilige, dat men de verschillende werkzaamheden onder hen verdeelt, en aan ieder ook zijn eigen ceremoniën toewijst, zoodat de een moet helpen bij tandpijn, gene zijn bijstand verleenen bij het kraambed, een derde een gestolen voorwerp terugbezorgen, een vierde als gunstig gesternte bij een schipbreuk moet stralen, een vijfde het vee beschermen, enz. Want het zou hoogst vervelend worden alles op te sommen. Er zijn er ook, die in meer zaken tegelijk invloed hebben, vooral de moedermaagd, aan wie het gros der menschen haast grooter macht toekent dan aan haar zoon.

1Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV) én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals Christophorus op de meeste afbeeldingen.2De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de Fransche oorlogsschepen de kruitkamer “Sainte Barbe” genoemd werd.3Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur aan den mast vertoont.4Hercules overwon evenals St. Joris een draak.5De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in het tuig verward werd meegesleurd.6Van St. Joris.7De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben, vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een handel in aflaatbrievenverklaren, die in Erasmus’ dagen op bijzonder stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.8Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux (gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige Bernard: “Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan.” Daarop maakte de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen, dat God nog meer welgevallig was.

1Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV) én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals Christophorus op de meeste afbeeldingen.

2De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de Fransche oorlogsschepen de kruitkamer “Sainte Barbe” genoemd werd.

3Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur aan den mast vertoont.

4Hercules overwon evenals St. Joris een draak.

5De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in het tuig verward werd meegesleurd.

6Van St. Joris.

7De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben, vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een handel in aflaatbrievenverklaren, die in Erasmus’ dagen op bijzonder stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.

8Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux (gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige Bernard: “Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan.” Daarop maakte de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen, dat God nog meer welgevallig was.

Hoofdstuk XLI.Vervolg.Maar wat vragen de menschen dan toch wel van deze heiligen, dat niet met de zotheid samenhangt? Kom, zeg eens, hebt gij onder zooveel wijgeschenken, waarmee ge de wanden en zelfs de gewelven van sommige kerken bedekt ziet, ooit een van iemand gevonden, die van de zotheid bevrijd was of ook maar een zier wijzer was geworden? De een heeft door zwemmen het lijf gered. Een tweede bracht er het leven af, niettegenstaande hij een gevaarlijke wond van den vijand had ontvangen. Een derde ging op het slagveld, waar zijn makkers streden, dapper op den loop en had het geluk te ontkomen. Een vierde, die aan de galg hing, kwam er af door den een of anderen den dieven gunstigen heilige, om zoo eenige door hun schatten al te bezwaarde lieden nog verder te kunnen ontlasten. Een vijfde wist de deuren van zijn gevangenis open te breken en zich uit de voeten te maken. Een zesde herstelde van de koorts tot grooten spijt van zijn arts. Een zevende nam vergif in, maar dit bezorgde hem een ruime ontlasting, zoodat het hem in plaats van den dood genezing bracht, alles behalve tot genoegen van zijn vrouw1, daar ze nu moeite en kosten voor niets had besteed. Een achtste, wiens wagen omviel, bracht toch zijn paarden ongedeerd naar huis. Een negende werd levend onder de puinhoopen van een ingestort huis weggehaald. Een tiende slaagde er in den echtgenoot te ontkomen, die hem bij zijn vrouw betrapte. Maar nergens vindt men een dankbetuiging voor het verdrijven van zotheid. Zoo zoet is het volslagen gemis van wijsheid, dat de menschen bidden van alles eerder bevrijd te worden dan van de zotheid.Maar wat waag ik mij in dezen Oceaan van bijgeloovigheden?Neen, bezat ik honderd tongen, honderd monden,Stem van ijzer, ’t was m’ onmooglijk vormen, namenOp te noemen van de botte zotternije2.In die mate krioelt het geheele leven aller Christenen van dergelijke dolheden, die echter de priesters zonder eenig bezwaar niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen, omdat zij zeer goed weten, welke voordeeltjes daaruit bij voortduring voor hen te winnen zijn. Indien nu te midden van dit alles de een of andere hatelijke wijze opstaat en deze waarheden verkondigt: Als ge goed geleefd hebt, zult ge geen slechten dood hebben; ge koopt u vrij van uw zonden, als ge bij uw penningsken voegt den afkeer van misdaden, voorts tranen, nachtwaken, gebeden, vasten en tevens een geheelen ommekeer in uw levenswijze; dán zal deze heilige u gunstig zijn, als gij zijn levenswijze tracht na te volgen—als, zeg ik, die wijze deze en dergelijke woorden hun toeroept, dan kunt ge begrijpen, welk een stoornis hij eensklaps weer brengt in de gemoederen van menschen, die nog pas zoo gelukkig waren. Tot deze bent behooren zij, die bij hun leven zulke nauwkeurige bepalingen maken omtrent hun lijkstaatsie, dat zij zelfs in allebijzonderhedenvoorschrijven, hoeveel fakkels, hoeveel lijkbidders, hoeveel zangers, hoeveel rouwkomedianten zij daarbij willen hebben, alsof zij zelf iets van die voorstelling zouden merken of de dooden zich schamen als het lijk niet met praal onder den grond werd gestopt, en dat alles met een toewijding, als waren zij pas gekozen aedilen3en beijverden zij zich om spelen of een gastmaal te geven.1die hem had trachten te vergiftigen.2Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van Vergilius.3Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger ambten te worden gekozen.

Maar wat vragen de menschen dan toch wel van deze heiligen, dat niet met de zotheid samenhangt? Kom, zeg eens, hebt gij onder zooveel wijgeschenken, waarmee ge de wanden en zelfs de gewelven van sommige kerken bedekt ziet, ooit een van iemand gevonden, die van de zotheid bevrijd was of ook maar een zier wijzer was geworden? De een heeft door zwemmen het lijf gered. Een tweede bracht er het leven af, niettegenstaande hij een gevaarlijke wond van den vijand had ontvangen. Een derde ging op het slagveld, waar zijn makkers streden, dapper op den loop en had het geluk te ontkomen. Een vierde, die aan de galg hing, kwam er af door den een of anderen den dieven gunstigen heilige, om zoo eenige door hun schatten al te bezwaarde lieden nog verder te kunnen ontlasten. Een vijfde wist de deuren van zijn gevangenis open te breken en zich uit de voeten te maken. Een zesde herstelde van de koorts tot grooten spijt van zijn arts. Een zevende nam vergif in, maar dit bezorgde hem een ruime ontlasting, zoodat het hem in plaats van den dood genezing bracht, alles behalve tot genoegen van zijn vrouw1, daar ze nu moeite en kosten voor niets had besteed. Een achtste, wiens wagen omviel, bracht toch zijn paarden ongedeerd naar huis. Een negende werd levend onder de puinhoopen van een ingestort huis weggehaald. Een tiende slaagde er in den echtgenoot te ontkomen, die hem bij zijn vrouw betrapte. Maar nergens vindt men een dankbetuiging voor het verdrijven van zotheid. Zoo zoet is het volslagen gemis van wijsheid, dat de menschen bidden van alles eerder bevrijd te worden dan van de zotheid.Maar wat waag ik mij in dezen Oceaan van bijgeloovigheden?

Neen, bezat ik honderd tongen, honderd monden,Stem van ijzer, ’t was m’ onmooglijk vormen, namenOp te noemen van de botte zotternije2.

Neen, bezat ik honderd tongen, honderd monden,

Stem van ijzer, ’t was m’ onmooglijk vormen, namen

Op te noemen van de botte zotternije2.

In die mate krioelt het geheele leven aller Christenen van dergelijke dolheden, die echter de priesters zonder eenig bezwaar niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen, omdat zij zeer goed weten, welke voordeeltjes daaruit bij voortduring voor hen te winnen zijn. Indien nu te midden van dit alles de een of andere hatelijke wijze opstaat en deze waarheden verkondigt: Als ge goed geleefd hebt, zult ge geen slechten dood hebben; ge koopt u vrij van uw zonden, als ge bij uw penningsken voegt den afkeer van misdaden, voorts tranen, nachtwaken, gebeden, vasten en tevens een geheelen ommekeer in uw levenswijze; dán zal deze heilige u gunstig zijn, als gij zijn levenswijze tracht na te volgen—als, zeg ik, die wijze deze en dergelijke woorden hun toeroept, dan kunt ge begrijpen, welk een stoornis hij eensklaps weer brengt in de gemoederen van menschen, die nog pas zoo gelukkig waren. Tot deze bent behooren zij, die bij hun leven zulke nauwkeurige bepalingen maken omtrent hun lijkstaatsie, dat zij zelfs in allebijzonderhedenvoorschrijven, hoeveel fakkels, hoeveel lijkbidders, hoeveel zangers, hoeveel rouwkomedianten zij daarbij willen hebben, alsof zij zelf iets van die voorstelling zouden merken of de dooden zich schamen als het lijk niet met praal onder den grond werd gestopt, en dat alles met een toewijding, als waren zij pas gekozen aedilen3en beijverden zij zich om spelen of een gastmaal te geven.

1die hem had trachten te vergiftigen.2Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van Vergilius.3Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger ambten te worden gekozen.

1die hem had trachten te vergiftigen.

2Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van Vergilius.

3Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger ambten te worden gekozen.


Back to IndexNext