A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.

§151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: denederlandschegeslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan devreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.B.De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.

§151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: denederlandschegeslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan devreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.B.De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.

§151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: denederlandschegeslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan devreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.B.De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.

§151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: denederlandschegeslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan devreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.

Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:

A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.

A.De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.

Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.

Oorspronkelik envon Haus aus, om met de Hoogduitschers tespreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers deschrijftaalis de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.

Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16deeeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. InDe Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en diedan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van ZoetendaalenDe Haan. Eveneens inVan den Driessche(en het versleteneVan den Dries),Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden inVan den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, KleermakerofSnyder, De Looyer, enz.

Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16deeeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15deen 16deeeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het grosder bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18deeeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16deeeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van hetonwezenlikeonderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.

Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:Van EerdeweghenVan den Eertweg(Van den Aardweg),Vermeire(Vermeere, VermeerenenVan der Meer),Keersmaekers,1enz.

Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ookMispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneensD’HaeiereenCoorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoordhaaien(haeyen) voorkomt, in de beteekenis vanhalen,ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegenKerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewestende haaier, in oude spelwyzed’haeyere.2Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naamD’Haeiere.

Dewikken, verschillende soorten van planten uit het geslachtErvum, en die wel, vooralErvum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam vanvitsen,vitse—door de verwisseling vankents, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt:kerk=tsjerke,karn=tsjerne, enz. Dewikkeofvitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemdeE. tetraspermum, noemt men dus dekoornvitseofkorenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch totcoirvèseverbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, totCoorevitsegeworden.

Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen opynck,inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, opaeindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechtsBockmaenDykstrate Brussel, slechtsSiniate Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierinte zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamenJoenkemaenJarigavoerde, en die in het begin der 16deeeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabantdie aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundigeRembert) het verlatynschte patronymikonDodonaeus(dat isDoedes) aan.3Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16deeeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaamVan den Eertweghheden ten dage te Haarlem voor alsVan den Aardweg; de oud-vlaamsche naamTydgaeteveneens te Haarlem alsTijdgaat. VerderDe RynckenVan der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland alsDe RingenVan der Goot, enz.

Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16deen 17deeeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namenTijdgaatenVan den Aardwegvinden wy als zoodanig te Haarlem:Smissaert(ook in Vlaanderen),Kokkelkoorn(in VlaanderenKokelkoorn),Strybos(ook te Antwerpen),Malefijt(alsMalefeytenMaelfeytook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),Verkruysen(alsVercruyssein Vlaanderen niet zeldzaam),Wijkhuizen(in VlaanderenWyckhuyse),De Laat(in VlaanderenDe Laet),De Breuk(te BruggeDe Breuck),Ego(ook te Kortrijk),Rybrouk(alsRybrouck, ook alsReybroeckenVan Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);Lodder(te Haarlem) enDe Loddere(te Kortrijk),Van der Elst(te Brussel zeer algemeen),Van der Smissen(ook te Brussel),Proot(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen),Muylaert(in de zuidelike gewesten niet zeldzaam),Overbeek(Van Overbekein Vlaanderen),De Hoog(D’Hooghein Vlaanderen),Hazevoet(Haesevoetin Vlaanderen),Steenkist(Van de Steenkistein Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het NoordenDe Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenoverDe Rynck, Van der Ghotemet het saamgetrokkeneVergote, Van der Plaetseen het saamgetrokkeneVerplaetseenCorthalsin het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.

B.De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.

B.De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.

§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.

§152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.

Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang opa, in verschillende formen:a,inga,ma,sma,stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie §22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.

Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan ops,sz,n,ns(es,esz,en,ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens.Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformenvan de byzonder-friesche mansvóórnamenSikke(Sicco),Doede(Dodo),Meine, Ate, Been(Beernd?Bernard?),Fekke, Feike(Feico),Boelke(verkleinform vanBoele),Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.

Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden:Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer;sûpe, men sprekesoepeongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggensuup; zie bl. 302 en 422.Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302.Nydam, de nieue dam,Nyhoffen andere namen met het friescheny, nieu, samengesteld.Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform opkevertoonen, alsBeerske, baarsje, enz.NylanenOudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpenNylandenOude-Boorn, geschreven volgens de eigene friescheuitspraak.Schroor, eigenlik in zuiver friesche spellingskroar, samen getrokken uit het oud-friescheskrodar, kleêrmaker; zie bl. 312.Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woordlîts, dat is: klein.Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), enBouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer.De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich);Stykel, het friesche woord voor distel;Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411;Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlikskrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ookStind, zie bl. 384.GorterenMeelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form ismoolker.Schoegje, eigenlikskoegje,skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427.Schriemer, eigenlikskriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt,in het Frieschskriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaamSchreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook inWeener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212.Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132.Tosch, eigenlikTosk, is het friesche woord voortand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nogByker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naamBykersma; KooikerenKooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ookPypker, Tjoelker, DuinkerenDuintjer, BleskerenBilkert(zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is eenpypkerofpîpkeriemand die aan eenepîp(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. EenTjoelkeris iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehuchtDe Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. EenBleskeris een man uit het gehuchtDe Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen alsHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster(zie bl. 273),HoogstinsenBurenstins, RollingswierenNoordewierzijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamenOudeboon, BoonstraenBoonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eenergesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naamOudeboonis op de vorige bladzyde reeds verklaard.Boonstrastaat in de plaats vanBoornstraofVan Boorn; zie bl. 245. EnBoonemmeris oorspronkelikBoornemmerofBornemmer, deemmerwaar mede men naar deboorn,bornofbron, naar debornputofwelputgaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ookborne,boarne, enbornamers(boornemmers) zijn by alle friescheboeren te vinden.—Het stadjeYlstwordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, alsDer Ylst, by samentrekkingDrîlstofDrylst(ik gean nei Drîlst), in misspellingDrielst. Van daar de maagschapsnaamVan Drielst, even alsDrielsma.

§153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die opaeindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke opsema(in enkele namen verkeerdelik alszemageschreven) uitgaan; b. v.Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In §49zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die opstraeindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.

Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen ops,en,enseindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen opn(en) enns(ens) eindigende, meer in Groningerland(en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eenegemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder dezuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkeles(es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.

Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika ops,n, enns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog:Benes, Brongers(zie bl. 118 en 128),BronsenBronts(zie bl. 51),4enz. Dan, opneindigende (zie bl. 99):Fekken, Heiken(zie bl. 107),HolkenenHölken,5enz. En eindelik, opnsuitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen:Addens, Alkens, Deddens,6enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.

Hemme, Hemmois de oud-friesche mansvóórnaam, die aanden geslachtsnaamHemmesten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen byFörstemannvermeld, isHemmonog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aanHemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamenHemminga, Hemminge(in Drente, zie bl. 34); aan het versleteneHemmie(zie bl. 72) in Butjadingerland; aanHemmingsonin Engelland; aan het uitgestorveneHemmemaen aanHemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillendeHemminga-enHemmema-statenin Friesland; aanHemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aanHemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aanHemmingenenHemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aanHemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkesbeteekent: (zoon) vanTjapkeofTjapco, beterTjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaamTjabbe(Thiabbo) ofTjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en alsTjepke, Tjepco(Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nogTjabbenenTjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; †Thiabbana, TjebbesenTjebbens, TjebkenenTjebkes, Tjepkema, TjeppemaenTjepma, misschien ookTjibbes, enz.

Uunkesis, even alsUniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaamUunke, Uneke, Unico, een verkleinform vanUnoofOene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikonUninga, met de versletene, nog levende formenUniain Friesland (zie §29),Uningein Drente (zie bl. 34); verderUnink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.

InHolkenenHölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamenHolkemaenVan Holkema, HolkesenHolkensvinden wy den mansvóórnaamHolke(Holco), in Friesland ingebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naamHolle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamenHollingaenVan Hollinga, Hollenga, HollemaenHolma, HollingenHollenoorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen.Luxenis afkomstig vanLuuks, een groningsche form van den bybelschen naamLucas; zie bl. 180. InToppen, even als in de geslachtsnamenToppingaenTopmaschuilt de friesche mansvóórnaamToppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinformTopke, in de naamlijst vanBronsnog vermeld wordt.

Adde, Addois de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaamAddens, zoo ook aanAddinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Addenoorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaamAddena(zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamenAddingtonenAddisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.

InDekenszit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaamDeke, die eene samentrekking is vanDedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamDede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en doorFörstemannvermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gavenDede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorveneDekama, en het nog levendeDekemametDekenaenDeekena, DekingaenDekenga, DekensenDeekens, Deeken, DekingenDeeking, DekkingaenDekking, enz.—Wibbeeindelik, waarvan de geslachtsnaamWibbenseen patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaamWibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform vanWibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkjeonder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.

By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgangkereen oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene ofandere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de kleib. v. in Friesland,het veen,het duin,enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen:Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook alsBosscherenBusscherin Groningerland voorkomt.Zylker, van het friesche woordsîl, verhollandscht totzijl(sluis), enBoomkerbehooren al mede tot deze groep van namen, zoo medeRasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. Deken detjzijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, frieschtjerke; karn, frieschtjerne, enz.). Zoo komt ook dekvankerwel alstjvoor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaamWoltjer, in het westerlauersche frieschwaldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangenkerentjerin der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamenTuinkerenTuintjer, VeenkerenVeentjer, DuinkerenDuintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook alsDüntjerenDünkervoor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.

Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreepker,tjer(jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamenMoesker, kweeker van keukengroenten;Zaatjer, zaadkoopman;Kooltjer, kweeker van koolsoorten;Muirker, van het woordmuur, in oud-groningerlandsche spellingmuir(zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar;Hoetjerhoedemaker;GlaaskerenGlasker, glazemaker;PotjerenPanjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt;Korfker, in Holland mandemaker genoemd,SnitjerenSnitker, een houtsnyder; dezenaam komt in Oost-Friesland ook alsSnitgervoor, en verder op in Duitschland alsSchnittger. VerderKofker(kofschipper), en eindelik nogBontjer(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ookBuntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt.Meelker(meelkoopman—in het Frieschmoolkergenoemd), enImker, zoo als men (ookymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woordima, by.

Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die ophuisuitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen:Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7enz.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn.WiersumenHoeksummetHoexumzijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamenWiersemaenHoeksema, die in het westerlauersche Friesland alsWiersmaenHoeksmavoorkomen, en (zoon) vanWier(Wierd, Wiard), en (zoon) vanHoekebeteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamenHoeksemaenHoeksmageenszins met het nederlandsche woordhoekte doenhebben (dat wel aan den geslachtsnaamHoekstra[zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamenHoekingaenHoekengametHoekema, en de plaatsnamenHoekaart(Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, enHoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaamHoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzvermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaamHouke, die, ook als vrouenaamHoukje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamenHoukemaenHoukesoorsprong gaf.

VerderHoogheem(in FrieslandHooghiemstraenHooghiemster, zie bl. 481 en 273);Woltil, dat iswold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigenbosch-brugbeduidende;Hamster, iemand van het dorpDe Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig;Tilbusscher(zieBusscher, Boskerop bl. 486);Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ookBoneschansker, iemand te huis behoorende inde Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. VerderUuldershofenAldershoff(Uulder, Uuldrik, UlrikenAlder, Aldertzijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamenUuldersma, Uildersma(enUllersma?), metAldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. VervolgensMoltmaker;moltis de friso-saksische form van het hollandsche woordmout, hoogduitschMalz; zie bl. 184.Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424);BuurkeenSchuurke; KoiterenStoit, in andere gewestenKuiterenStuit.Stuit,stuut,stüte,stûteofstoete,stoetis de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamenStuitin Friesland,Stuutin Drente, enStoete, elders voorkomende, zijn met het groningscheStoitaan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerlandzijn ook eenige geslachtsnamen waar in deudooriverlengd is, en niet dooru, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen:Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.

§154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen opinge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in §13en §28reeds uitvoerig besproken zijn.

De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechselten,terentevoor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die opinkeindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral deink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In §98en §15en 16 zijn die namen metten,terentebeginnende, en die opinkeindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld:Ten KateenTen Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8;Addink, Hiddink, Hissink.9

Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woordbeltzijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor alsaschbelt,vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namenbol,bult(ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125),De BiltenHet Biltin Utrecht en Friesland, hangt dit woordbeltsamen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamenvan den BeltenBeltman, KieftenbeltenKyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, VossebeltenZunnebelt. VooralKieftenbelt, MeulenbeltenZunnebeltzijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen;kieft,meulenenzunnezijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naamVossebeltkomt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.

Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.

Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Hollandvele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die opauitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra,Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form opseindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, alsIgesz, Douwes, Tates, Stammes, SieuwertsenSievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen:Nan, Rem, Kos,10enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamenwelke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voorWillem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamenNan, Rem, Bon, Top(zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamenNanne, Remme(Remmert),Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen,Nanne, RemmeenBonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog:NanningaenNannenga, NannesenNannen, NanningenNannings, in verkleinformenNankesenNantjes, ookNennenenNentjes(op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. VerderRemminga, RemmenenRems, metRemmingtonin Engelland, en nogRemkemavan den verkleinformRemke. EindelikBonningaenBonnenga(zie bl. 74),Bonningin Engelland enBonninkin de saksische gouen van ons land,Bonnema, BonsmaenBonsema(zie bl. 134),Bonnen, BonsenBonzen, misschien ookBonny(zie bl. 74),Bontjema, BontjesenBontkesvan de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.

Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11

Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam isLuttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaamLiets. Zie bl. 480. Even alsLiets, zoo beteekent ookLuttikklein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den formLutkeofLutjenog deel uitmaaktvan menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamenLutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen formluttikin den plaatsnaamLuttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.

Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoorddenvoor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v.Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.

§155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die opseeindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v.Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.

De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn hetoorspronkelikde zelfdenamen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke inNoord-Brabantinheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die opmans(manin den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy:Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.

Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen opynk(ynck,ynckx) uitgaande, die reeds in §17nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoorddes, beginnen.Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigdzijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen §51.


Back to IndexNext