B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.

B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

B.Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.

§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

§124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.

Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16deen 17deeeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm GerloffssoengezegdWitkop”—»Govert Claessen, dien men noemtCrombeen”—»Egbert Wilminckgenoemtde Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe,aliasCromhals”;14een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen vanJ. ter Gouw, voorkomende in diens werkAmsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u eenLuitenant Leepoogtegen, en daar de makelaarLaurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge alsJonge Jan Doet er niet toehoort aanspreken; elders is het de eerzameDirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelenDirkte onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr.Jan Smeer-de-borstenFrans Mont-van-de-hel(zieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen alsFloris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.

Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen;Xenarchus Metretes, de dronkaard;Phocion Chrestus, de goede;Pittacus Soropada, breedvoet;Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12deen 13deeeu kennen wy eenenFrank de roode(ten jare 1050),Giselbrecht de zwarte(1225),Ekbrecht de kale(1162),18eenenWillem Eenoog, Reiner de kleine,19enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen:Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in derdaad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaamDe Rooivoert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander dieKroeseheet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zykunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zykunnentevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naamKroeseklaas.

§125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (ScheeleenSlingervoettegenoverSchoonoogheenZwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De BraveenWelgemoedtegenoverDe QuayenDe Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen dery openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De ReusenReusebehooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woordenkleinenkleendoor elkanderen genomen. De formkleenis tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend metkleingebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschenkleinenkleen. Het eerste woord is het latynscheparvus; het tweede het latynscheminutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschenkleinenkleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te wetenlîts==klein==parvus, enklien==kleen==minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordjeklienin Friesland enkleenin Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, LangenDe Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. OokD’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, HoogenLaag.

De VettemetVeth, DikenDen Dubbelden(een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), metMaegherman, Magherman, Magerman, Mager. OokSchraleenSchraal.

Den Breejen, De Breejen, BreedenBreet, metSmaleenSmal.

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe(D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymikaDauwenenSauwen, zie bl. 185),Doude(D’ Oude),Den Olden, OudenOut(OldemanenOudemansreken ik ook hier toe), metDe Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, JongeenJong. De geslachtsnamenDe Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldigvoor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.

Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. VooralDe Groot, Klein, De LangenDe Jongzijn uit der mate talrijk.

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struysen misschien ookDe Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy vanDe Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamenDe Ronde, De RondenenRondhier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaamVierkantis allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaamEyrondweet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.

Verder behooren tot deze groep nog de namenDe Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, metSchoonhoefd, Schoonheere, SchoonmanenSchoonejongen. VerderDe Fraeye, De Mooi, MooyenMooi, metMooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitscheHupscher(Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamenSchone, SchooneenSchoonvan het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan byDeSchoone(wegens het lidwoord),Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat.Schoonetoch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchop den naamstamSkauni== de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamenSchoninga, SchoonieenSchoentjensop bl. 73 vermeld.

De geslachtsnamenDe RechtenDe Regt, in tegenoverstelling metDe Crom, CromenKromen metDen Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ookStotteraar.

Eindelik zijn nog de geslachtsnamenBlanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, BlanckeenBlankaan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamenBlanks, BlankenenBlenken(dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaamblank(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namenBlankenenBlanksmavermeld is.

De geslachtsnamenBlondeelenDe Blondehebben vry wel de zelfde beduidenis alsDe Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamenDonkerenDoncker, met het patronymikonDonkers.

By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamenDe Blaauwe, De BlaeuweenBlauwaertoorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naamBlauwaertis geformd alsgrijsaard, alsCaluwaert, Scheluwaert(zie bl. 344 en 345) enz.Blauwertzou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamenBlaauw, Blaeu, Blaau, BlauenBlauweveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namenkunnenook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschenmansvóórnaamBlau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldtFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchslechts eenenvrouenaamBlawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaamBlauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woordBlaauwals geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zichBlauwstranoemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer,Blauwstrageheeten, gekend.

Dat de geslachtsnamenDe GroenenGroenook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naamGroenis geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaamGruno(zie 29) in schuilen? Ei ja toch!

§126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:

De Witte, De Witt, De Wit, De With, WitteenWitmetDe Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, ZwartenSwart, en met de patronymikaSwarts, Zwarts, Swartz, enz. VerderDe Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De GraeuenDe SchiereenSchiere. De twee laatste namen,van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woordskier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naamDe Graauwe, Graauwafgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamenDe Bonte, De Bont, BonteenBontreken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nogWittebolenWittebolle, WithaarenWitkop, RoobolenRoothooft, SwartbolenSwarthoofd. De geslachtsnaamGryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne.Gryspeerdttoch is eene verbastering vanGrysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschenGryspeerdtenGrysperreook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlikgrijs hoofd,gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voorhoofdofkop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v.De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v.Wit, Bruin). Dankunnendeze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komenWitofWitte, Root, BruneenGrisewel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch. De vóórnamenWitte(men denke aanWitte de With) enBruinofBrunoworden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v.Wittinga, Witting(ook in Engelland, metWhittington),Wittenck, Wytynckin Vlaanderen,Witsen, WitsenWittema, Roding, Roodema, RodenenRhodens, metRooikens(dat isRodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamenKroeseenKroezemetKroeskop, Kruishaar(kruisin dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankischekrûs,kroes),FijnhaarenLankhaar. Als tegenhanger vanKruishaarkwam in de vorige eeu de geslachtsnaamGladhairvoor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamenKrul, Krull, Crul, KrolenCrolook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg.De Ruig, Ruig, RuygenRugezijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenDe Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd totCallewaert, en als patronymikonCalluwaerts.Caluwe,kaluwis de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woordkaal, zuiver frieschkeal. De woordencaluwe,kaluwenkaal,kealstaan in de zelfde verhouding tot elkanderen alszwaluwe,zwaluw, frieschsweal, engelschswallow; als het vlaamschegeluwe, engelschyellow, hoogduitschgelb(b=uw), hollandschgeel, frieschgiel; alsschaduw, engelschshadow, zuiver frieschskaed, in de friesche steden ookskat, hoogduitschschatt(en).Caluwaert, letterlik in het Hollandschkalert, is geformd alsgrijsaard.—Datkruse,kroeseoudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaamBloothoofdzynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamenBrooshooftenKluifhoofdis minder duidelik. ZouKluifhoofdniet in de plaats staan vanKloofhoofd?Kluiven,kluifjestoch zijngekloofdebeenderen.Kloofhoofdzou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden wasgekloofdgeweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. EnBrooshooftkan een bynaamzijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonderbrooswaren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaamSchoonhoefd(hoefd== hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamenBreebaart, LangebaerdenLangebaard, RobaertenRoobaart, SchoonbaertenWitbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamenBruinoogeenBruynooge(eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk),Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe(wijd open-gespannen oogen),WijdhoogeenWijdoogen. In de namenLiefhoogheenWijdhoogeis, door misverstand, eenehvóór de eerste letter van het woordoog,ooge,ooghegeplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die dehniet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaamBoekenoogenook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. MaarDe ScheeleenSchelezijn duidelik. Het zelfde beteekentScheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlikschelertis in het hollandsche taaleigen, even alscaluwaertenkalert. Het vlaamsche woordscheluwestaat in de zelfde verhouding tot het hollandschescheel, het friescheskîl(ich), alscaluwestaat totkaal,keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen eenscheefofscheelgetrokken stuk hout nogschelf, dat isschelve,scheluwe.—De Blinde, De BlendeenBlindemanzijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben,voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aanDen Doovennamelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelikeydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten byOvidius Naso. En ook het enkeleDe NeusenNeusis my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie §139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamenSuermondt, GuldemondenGoudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, IserbytenQuatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond.GuldemondofGoudemondis een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaamChrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet.Hazelipis een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namenIserentant, Yzerentand, Iserbytduiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekentQuatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamenQuatannensenQuattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen vanQuatannes, Quathannes, den kwadenJohannes,kanmen ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaamQuatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamenCorthalsenKorthals, Cromhals, Langhals, ScheefhalsenSchevenhals, StijfhalsenZwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn.Schevenhalskomt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor alsSchevenhelsenSchevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na:Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, LiefhoogheenSchoonooghezijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, alsde Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaamZwaanshalsliever denken aan den aardrijkskundigen naamZwaanshals(zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater.’T Swaenshalswas ook de naam van eene brouery te Delft in de 18deeeu.

De geslachtsnaamJukkenekkeis oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.

GeelhantenGeelhandzijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaamGuldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie menVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaamOuwehandeigenlik beteekent, is my niet duidelik. MaarHardevuustwel; dit is een middeleeuschebynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn:Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeenzijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin alsBlaevoet(Blau-voet)21,Slingervoet, PlatvoetenPlaetevoet, enZwartvoet.—Stutvoetis de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door eenstutwordt ondersteund.Andevoetwordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”.Ligtvoetzal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen.HolvoetenHollevoetzijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt.Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, alsBlaevoetenZwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.”Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikonHasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—KoevoetenCoevoet, ook als vadersnaamKoevoets, en zelfsKofoed(als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamenKoevoetvan huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamenBarvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymikaBarvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te wetenSteketee.Tee, en nietteen, oftoo, en niettoon, overeenkomende met het hoogduitschezehe, het engelschetoe, het deenschetaa, het zweedschetå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog hedentee, tegenover het verbasterdeteenoftoonder Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden formschoe, even als de Friesenskoe, de Hoogduitschersschuh, de Engelschenshoe, de Zweden en Denensko, tegenover het verbasterdeschoender Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formenteenoftoonenschoenzijn ontstaan uit de meervoudsformenteeënoftooënenschoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tottee’noftoo’nenschoe’nworden samengetrokken. De maagschapsnaamSteketeeis eenvoudigsteekteen, eentee(teen) diesteekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaamSuyckerbuykenSuikerbuikworden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamenDroogleeverenWitlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamenCortlever, KortleeverenRingleveren kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.

§127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamenvan deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamenGoed, Best, Wijs,23enz. Dan komenDeftig, Droog, Streng24, en daarnaDom, Gram, Slegt.25—De Goede, De ReineenReyne, De Vroede,26metDe Droog, De LoosenDe LoozeenDe Slegte, De SnooenSnooy(de snoode) enDe Wreede,27formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamenDapperheldmetVrybloed,28danGoethals, De PraeterenDe Leener,29en ookLedeganck, HooghartenQuataert30de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling vankwaadaard, iemand vankwaden aard, van kwade geaardheid.

Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog:Behaeghel, Behaghel, BehaegelenBehagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel,behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick,behagelijk”, gelijkmen oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche)hing, is van het oorspronkelike zuid-nederlandscheBehagelin Noord-NederlandBegagelgeworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamenRoosenschoonenVergultkunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaamReukeloosheeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloosekan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, degeldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaamDhaveloose, dat isD’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven alsDavelooseenDhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woordhaveloosmoet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis vanverwaarloosd,liederlik vuilworden opgevat, maar in de oude en rechte beduideniszonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als byDhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten byDooscheenDedel. De naamDooscheis in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even alsDaveloose, eenehverloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor alsDhoosche, D’Hoosche, dat isDe Hoosche, versleten vanDe Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaamCourtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaamDe Heusheeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis alsDoosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitschhöfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan deovan dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam,De Heus. Ook het woordheuschals byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting vanheufsch,hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoordhübsch, is al mede eene verbastering vanhübisch,höbisch,höfisch, en van dezen hoogduitschen formhübschis ons woordhupschweêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woordhübschheeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamHübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamenDe Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naamHübscheris in Nederland weêr half verdietscht totHupscher. Zoo dat de geslachtsnamenDoosche, De HeusenHupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naamDedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor alsD’EdelenDe Edel, ook wel alsDen Edelen, by uitbreiding, en alsDeel(D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht,Lambertgeheeten, afwisselend genoemdLambert Dedel, L. d’Edel, L. EdelenenL. den Edelen.31Men vergelyke ook de geslachtsnamenDoudeenDauwe, op bl. 339 vermeld.—

OfGrim, ook in hoogduitsche spelling alsGrimmvoorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoordgrim,grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaamGram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaamGrim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaamGrim, Grimmois oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamenGrimmenga, GrimminckenGrimminkstrekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamenGrimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, enGrimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagscheGrimmenesse-sluisheet er nog naar). Verder is nogGrimmende naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg);Grimsthorpeligt in Lincolnshire (Engelland); enGrimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.

Even als metGrim, zoo is het ook met de geslachtsnamenSnelenWakkerenWacker. Beide deze namenkunnenoorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoordensnelenwakker. Maar hetkunnenook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamenSnelenWakkerzijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaamDazertheeft de zelfde beteekenis alszotofdwaas. Het woorddwaaswordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zieL. L. de Bo’sWestvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken alsdaas. Endazertofdwazert(dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaamDe Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergensnieukwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong alsNieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.

Ook de geslachtsnamenDen DievelenDen EngelmetEngelhoud ik voor oude bynamen.Dievelis de oud-vlaamsche form van het woordduivel;Kiliaanvermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woorddevil,divelvoor duivel.Den Dievelis, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekerenCornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft vanduivel, komt nog dageliks voor; bynamen alsPiet den Duivel, Hein de DuvelofDurk Divel(in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15deeeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familieBoel, en een tak daarvan voerde den toenaam vanDuyvel. In 1420 wasJacob Boel, gezegdDuyvel, Burgemeester, in 1470Jacob Boel Claasz, gezegdDuyvel, Schepen, en in 1486Coert Jacobsz. Boel, gezegdDuyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, datmen aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33

De geslachtsnaamDen Engelkanaangenomen zijn als tegenhanger vanDen Dievel; zie §168. Of, metEngel, ook als bynaam voor een byzonderengelachtigman, en dan gewis in scherts bedoeld. Ookkanhet zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaamCoorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden.Engel(zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaamEngelzijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, alsEngele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamenEngels, EngelenenEngelsmaontleend, metEngelkensenEngelkes, in verkleinform. De geslachtsnaamVan Engelenduidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorpEngelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur:De Soete, Soete, Soet, Zoet, metZuur, ZuureenBitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naamDe Soeteschijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.

De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namenDe Blaeuwe, Blaauw, enz. enDe GroenenGroenmy reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken vanBladergroen, HoogbruinenReynwit?Inwelken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamenCroockewitenHulsewitzijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaamBruinzwart, die ook alsBruinswartvoorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaamVan Bruinzwaarduit de onwetendheid. Immers het voorvoechselvanduidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaamBrunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naamBrunswardenwordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitscheu) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ookLiowertnoemen, het dorp SengwardenSennewertenz. De form van den geslachtsnaamBruinswartis eene regelrechte verhollandsching; maarBruinzwartenVan Bruinzwaardzijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woordBruins-wartnietverstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,bruinachtig-zwart; de andere aan eenbruin zwaard. Zij hebben desniet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swartof ookswaard,zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om dieste verwisselen met eenez, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaamVan Lamzweerdetegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woordenlamenzweerde, en nietVan Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goedenform. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naamLamsweerde(Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht totLamswaarde, en nog meer verbasterd totLamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamenAmmersode(Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, enWalsoorde(Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel alsAmmerzodenenWalzoordenmisformd en onverstaanbaar gemaakt.34En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling vansalsz, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam,Willem van Reymerzwale(dat is:Reymerswale[Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35

De geslachtsnaamOranjekomt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.


Back to IndexNext