C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.

§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

§128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ookdageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beidenHarmenofHerman JanssoonofJansenheetten, maar de eene woonde in het huisde Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde,’t Fortuynuithing, dan kreeg al spoedig de eersteHarm Janszevan zyne buren, ter onderscheiding, den naam vanHarm Jansz in de Swaen, ofHarmen van der Swan, of ook eenvoudigHerman de SwaenofHerm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werdHarm Fortuyngenoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15deen 16deeeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde.Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zichLaurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over.»De blaeue Hulck” (hulkis een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekereJacob Sieuwertszoonin woonde, welke dien ten gevolge zichJacob Sieuwertsz Blaeuwhulcknoemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandschesteden doorvorscht.Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert(zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaamBlaauwpaart),Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16deeeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld inVan LennepenTer Gouw’swerkDe Uithangteekens(bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.

§129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:

In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17deeeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jarenBelgiëbezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam;Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen,Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567:Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.

Hoorde men oudtijds zekeren manWouternoemen, en vroeg men: »welkeWouteris dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat dieWaltherin een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetseluitzijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen;Uut het Hooghuis, en misschien ookUyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetselvan, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel:Van der Maen(de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam);Van der Bijl, Van de Wijnpersse(»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; enAecht Simonsdochter in de Wijnperswas eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578),Van der Zwaan, Van der ZwanenVan den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen.Swanis de friesche form van het woordzwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit.Van der ZwanenSwanzijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; enClaes in de Zwanwas een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) VerderVan der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form alsDu Mortierin deNederlanden als geslachtsnaam voorkomt;Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep(metVan der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal),Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche AmsterdammerJan Laurenszoon Spiegheldroeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamenSpiegel, Van de SpiegelenVan der Spieghelezijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten alsA Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamenKan, De KanenVan de Canzijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaamVan de Groenekandaaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16deen 17deen 18deeeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamenCrans, Krans, Van de Krans, Van der Cransafkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen,CransenenKransen.

»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in mynejeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamenVan de WaereldenVan Weereltzijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaamWereldsmaheeft echter met dit woordwereldniets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaamWereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naamWerhald, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomt alsWideralt, Widarolt,Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaamWiederholdoorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naamWereldsmamaar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36Van LennepenTer Gouwvermelden:37»Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Wereltin den gevel: het huis was gebouwd doorJan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik inDe Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam vanJan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als:Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den formald= oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorpAldekerk(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorpNieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, alsOldeweltvoorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.

Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zeldenmet, meestalzonderhet lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.

Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong:MoolenyzerenMeulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam,De Kam,Kroon, HelmmetGroothelm, LigthelmenVoorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142),Pijl, PiekenPieck, enz. Ook de samengestelde namenLancksweirdt, Lancsweerten (in versletenen form)Lanszweert, enScherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam vanElya Scerpswert.38

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend:HamerenHammermetHoefhamer, Klaarhamer, KlinkhamerenVoorhamer; BijlmetBerkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, enVoorbeytel; Kerfyser, KimmyzerenSchutyzer; MesenHakmes; SchaafenSchaaff, Zaag, Spyker(zie ook bl. 303),KramenCramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer).HamerenHammerkunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamenzijn, als huisnamen. ImmersHamer, Hamar, Hamris een oud-germaansche mansvóórnaam, die inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamenHamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, HamersmaenHammersma; zie ook bl. 133.Brouwhameris ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is eenbrouhamer? Metbrouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woordbreeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Frieschbrouen. En de hamer waar mede menbroutofbreeut, waarmede men hetwerk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is debrouhamer. De geslachtsnaamBrouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszinsin alle gevalleneenenbierbroueraan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaamBreeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, eenbreeuwer, den geslachtsnaamBrouweraannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.

Of de geslachtsnamenNagelenDe Naegheltot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers vanSpyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in §139behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaamDe Niet(eenenietis een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden.Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheerzijn op bl. 334 reeds besproken. NevensKnipscheerkomt ook nog het enkele woordSchaarenScheerals geslachtsnaam voor.Van der Scheerechter is geen soortgelyke naam alsVan der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heetDe Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaamVan der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.

Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen:TangheenDe Tanghe, De Rooster, PotenPott, Pan.39De eerste van deze namenkanook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaamDen Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamenTangheenDe Tanghein dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.

Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaamRoskam, die ook in oude spelling alsRoscammvoorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamenDen Toom, De Haam, BreydelenZweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16deeeu moet»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is.Pieter Jacobsz BasenDr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16deeeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40En nog heden komen de geslachtsnamenBasenDe Basvoor, metBazuin, Fluit, Trompetje, VioolenHacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woordhakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaamDe Keghelis zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namenKolff, KolfenSchaack, Schaakook aan de spelen van dien naam.BalenDe Bal, Bontenbal, DobbelsteenenTeerling, Teerlinck, Terlinckdanken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong.Roosenkrans, Rosenkrans, RosencrantzenPaternosterzijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. ZieSoutendam,Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaamGoudschaalreken ik ook van eenen huisnaam afkomstig.PersenParsis ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zieVan de Wijnpersseop bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukkerDirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ookTheodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41De geslachtsnaamGuldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam isGoudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. EnAndries Boeleszoon in ’t Gouden Hooftwas een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar ditteeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16deeeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16deeeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, dieLaurens ’t houten Aangezichtwerd genoemd.42Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamenHouthoofdenToutenhoofdzijn aan dit huisteeken ontleend.Toutenhoofdis eene samentrekking en misspelling van’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En alsHouthoofdin Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letterhniet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaamHoutekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—HoppzakenHaverzakzijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16deeeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17deeeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woondeGerrit Claeszte Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,Blaupot, nog heden bestaat.44OokBlaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooralby koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: alsBiebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggenbiebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandschebyekorfin gebruik.45

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn:Den Bandt, Strooband, Ketelbant, RatelbandenRoggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naamStroobandis aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:Stroobants, Stroybants.

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromenThomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaatsKempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlikHamerkenwas. Hy leefde in de 15deeeu. VerderAdam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie §159), gelijk trouens de namenPotkenenHamerkendie ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenenRoger de Hamerete Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam vanBreydelwerd reeds in de 13deeeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, deBreydelstraatheet, en dienietnaar het geslachtBreydelzoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeuscheNoord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15deen 16deeeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46»Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk vanVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens.

§130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek derUithangteekenste vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan:De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuynen’t Fortuin(»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aannomenestomen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). VerderDen Handel, De Hoop, D’Hoopen samengesmolten alsDoop, De Liefde, TrouwenDe Trouw, Vrede, Vreede, De VredeenDe Vree, Welvaart, ook als patronymikonWelvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men byVan LennepenTer Gouwnalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; alsParadiesenParadis, Helleput(en misschien ookNechelput—Neckerput,Nikkerput?),Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaamGladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaamGladdegevelnu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaamVan Kimmenaedeis een byzondere form en verbastering tevens van het woordkemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woordcheminéeen de italiaansche woordencamminoencamminatavan den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woordkemenadehier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamerof de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaamVan Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamenPilaar, Poort, Trap, VensterenPortaelontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken:Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, KeukenenPoestkoke, Kelder, Op den KelderenStall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaamSteenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.


Back to IndexNext