D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.

D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.

D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.

D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.

D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.

D.Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.

§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.

§131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v.De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekensnalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregenof namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14deeeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waarde Moluithing, en naar ’t welk het geslachtMolzijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16deeeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant),»Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48In de 14deeeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond”onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doenhad, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd.Hendrik Harrewijnszb. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam vanHein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52Het beruchte rotterdamsche wijfKaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zyKaatheette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haarKaat Mossel, en zóó was zy bekend.53Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd welJan Valkgenoemd. Een ander, zeer vlug te been, welKlaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyzeHein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd.Valk, Duif, Bot(Botte),Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in §134nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maarEabenoemen, ofEabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ookEabe Sytsesheetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde)Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst.E. S. Beersnu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naamBeerswat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graagBaars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip.Beersis immers ook maar het friesche woord voor het hollandschebaars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan alsBaars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele ofdezegeslachtsnaamBaarsoorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaamBaarsis aan menig nederlandsch geslacht eigen, om vanDen Baarsniet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in §148vermeld.

De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven:Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor:De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel:Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheidtoch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaamDe Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaamLe Leu; d. i.Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie §165.) Aangaande de namenLeeuwenenLeeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men §134. De geslachtsnaamVan der Leeuwis ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men §157. Ook komt de maagschapsnaamLeeuwinvoor; zie §163. De geslachtsnaamVan Leeuwenis afgeleid van het geldersche dorpLeeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurtLeeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, isLiebaert, in Vlaanderen ook welKlauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamenLiebaertenLybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.

Waarschijnlik is de geslachtsnaamLuypaerteene verbastering vanLiebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.

Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, CathenKatje. OokKats, Cats, Catz? zie §134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16deeeu de apothekerJan Huyberts, die zich naar dat huisteekenJan Huyberts Cathuisnoemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde.Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten erCathiusvan, en ookCatzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkelCathschreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55EenJan Claesz. Katwas burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamenKaterenDe Katerzijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie §134.

Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon,Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De WulfenVan der Wolf. Over de patronymikaSwolfsenWolfszie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heetwelp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam,Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynschtVossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinformHondekyn, verlatynscht totHondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor:De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBrackenBrak,56HazewindenHazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor alsHazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaamVliegendehondis ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar inVan LennepenTer Gouw’swerk over dit onderwerp, vinden wy wel eenvliegend hert, eenvliegend kalf, eenvliegend paard, eenvliegende vosen zelfs eenvliegend varkenals uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam:Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” alshuisnaam, nu dezegeslachtsnaam bestaat?

By den geslachtsnaamMuyshond, ook alsMuyshondt, en versleten alsMusontenMussonten zelfs alsMussonvoorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat welmuyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58De geslachtsnaamMuyssonschijnt slechts eene gewyzigde spelling vanMusson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik alsMu-ssonwordt uitgesproken. Hetkandit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeerkanhet, even alsMuusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaamMuus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaamBartholomeus.59

By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamenMud(het friesche woord voor bunsing; zie §152),OtterenDaswaarschijnlik ontleend.

Mol, Moll, De Mol. Een huis datde Molheette, schijnt reeds in de eerste helft der 14deeeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ookMoll, en van die plaatskanhet eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.

Muis, Muys, MuusenMuysken; De RatteenDe Rotte; KonijnenConijn—zie bl. 210;Haas, De HaasenD’Haese, met den verkleinformHaasken, metCoolhaasenKoolhaasen metKenniphaas(kennipis het zelfde alshennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naamkoolhaasis dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. MaarKenniphaas?Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”,by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”

Rob, Bruinvis, TuimelaarenTuymelaar(dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300),Dolfijn(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam),Walvis. VervolgensOliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaamSchramwel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woordschram, ookbloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaamSchramafleiden van het woordschramin de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namenBergsmaenBargsma(berg,barg== varken), zie men bl. 132.

Het woordpeerdis my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen.Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. VerderHengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, SchimmelenKedde(kedde, in Noord-Hollandket, is het friesche woord voor het hollandschehit). Of de geslachtsnamenKetenKetjenook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Hetkanook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaamKette(Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst vanBrons,60en waarvan de geslachtsnamenKettemaenKetting, gelijk ookKeta, vadersnamen zijn. Over den mansnaamKat, Ketzie men verder §134. De geslachtsnamenMaliepaartenMolenpagereken ik ook tot de peerdenamen, maarGryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaamEyspaartwist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaamIsbercht, Ysbrecht, ook alsIsanperht, IsanperathbyFörstemannvermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men ziede Bo’sWestvlaamsch Idioticonop het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaamEyspaartbehoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld.Maliepaartzal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woordmale peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet,l’Equus sarcinariusdont parleCarpentier, Suppl. Duc. voMaletus;Mallier, dit encoreCarpentierau t. IV; leCheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage.Kiliaanl’appelleMaelhengst.”61—Pageis de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaamPagenstecher(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt.Molenpagebeteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.

Koe, De KoeenBontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam.Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval metWillem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—StierenDe Bullkomen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamenVan Os, Van Oss, Van Oschzijn ontleend aan het vlekOsin Noord-Brabant. Eindelik nogHokkeling, Kalf, Calf, Kalffen’T Calf.

Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lamen’T Lam, OoilamenOylam.—Jongschaepkomt ook voor; in scherts genomen voorLam?—Edelschaapis my onduidelik.

Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder’T Hert, ’T Hart, HertenVliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger vanVliegendehond(zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt’t Vliegend Hertvoor te Naarden enhet vlieghenden Hertte Gent.63—Ree, Rhee, De ReeenReekalf. Deze laatste naam is van oudedagteekening. ImmersGoossen Jansz. Reecalfwas in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaamVan Rheeis natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehuchtReeby den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaamElandenElandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.

Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenWildebeestenEenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaamZeekatontleend. Zie §148.

§132. De geslachtsnamenVogel, Stoorvogel, Vettevogel, WitvogelenZiervogelmoeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. NevensVogelkomen ookVeugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De VeugheleenDe Veugleals geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamenVogelsenVoghels.—Stoorvogelbeteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woordstor,stur= groot komt in de Nederlanden nog slechts voor alsstoer,struisch,stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeftstorde oude beduidenis behouden.Stoorstaat eigenlik tegenoverkleen, alsgrootstaat tegenoverklein.Stoorenkleenhebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—grootenkleineene betrekkelike. Zie bl. 339.

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend.Arend, Den ArendenVan den Arendzijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, isadelaar. De naamAdelaar, ook in hoogduitschen form alsAdler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man dieAdelaarheette, in een huis waar eenadelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamenValk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, WikelenBlauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie §152. Verder nogDe GiermetUil, UylenDen Uil. Dan volgenRaaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, CraeyeenDe Kraai, metDe Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikonAxters. VerderKoekoekenKoekkoekmetCockuytenCocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticonop het woordkoekoek,koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De VynckeenVan der Vink, GeelvinkenRietvink. MaarRoelvinkenAalvink(zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen.Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naamVan der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan.Spreeuw, Musch, Moschmet het nedersaksischeLüninken het hoogduitscheSperling.LeeuwrikenLerk, Mees, De MeezeenKoolmees, Meerlaer, De MaerelenDe MeerleereenDe Lyster. Reeds vroeg treffenwy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?):Atte Mockama,aliasLijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De NagtegaalenNachtergaal.Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam,ZwaalenSwaal.—Duif, Duyf, De DuveenDuyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in VlaanderenDuiver; daar komen ook de geslachtsnamenDuyverenDen Duyvervoor.Hoenen’T Hoen.De Haanis zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:Haan, Den Haan, Den HaeneenD’Hane. Buitendien nog de samengestelde namenRoothaan(huisnaamDe roode haan?),Mouthaan(een haan die mout eet?) enStoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekentgroote haan(zie bl. 381 opStoorvogel), en komt ook alsStuurhaanvoor. Tot de hoendernamen behooren verder nog:Hen, Kip, De Kip, CapoenenCapuen(dit laatste is de brabantsche form van dezen naam),KuikenenHinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaamKuiken, een tegenhanger vanDuyvejonck, bovengenoemd, en vanJongschaepop bl. 380 vermeld.Veldhoen, Fezant, De QuartelenQuartelmetAuerhaan(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend.KalkoenenCalkoenmetPauw,Paauw, Paeu, De Paauw, De PaeuwenDe Pauwezijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.

Struiskan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoordstruisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord endezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerdenGuido Gezellekan men vinden in het tijdschriftLoquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaamKieviets.—ReigerenD’Heygere.Heygereis de oud-vlaamsche naam van den reiger.Kwak, QuackenDe Quack67;De Lepeleer, De Lepelaere, De LepeleirenDe Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woordOvaere, OdevaereenOttevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen formStork. VerderSnippemetStind, beterstint, de friesche naam van eenen strandvogel,Tringa(zie §152).SprietenSchriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis).Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De ZwaanmetVan der Zwaanen de friesche formenSwanenVan der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteekende Zwaanen’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is.GansenDe Ganszijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel.Talingechter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn.RotgansenSlobbezijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden.PellekaanenPillekaanzijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nogMeeuwenMalefijt, MalefeytenMaelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam vanmalefijtofmalefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naamMalefijt, Malefeytals geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie §151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaamvan den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaamMalfait, voor de weêrga dus van den franschen naamBienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68

§133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn:KikkerenKikkertin Holland, enPuit, Puydt, De Puydt, Den Puydtin Zeeland en Vlaanderen inheemsch.PuitofPuuttoch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandschekikkert. Verder de geslachtsnaamPogge, diepaddebeduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaamPoggenbeek.—SlangenenSlanghen(op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamenGriffioenenDraak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draakdienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dierengriffioenendraakals amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.

De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamenVis, Visch, De VisenDe Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan.De Haay, Steur, De SteurenVan der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De BothenBotvis, misschien ookBotje—zie bl. 398. VerderCabeljaeu, Cabeljau, CabilliauwenCabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering(ook als patronymikonSpierings) enSpierlynck, Meyvis(dat iselft, hoogduitschMaifisch),ZalmenSalm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, VoornenVervoorn(d. i.Van der Voorn),PosenDe Posch, Baars, BeersenDen Baars, ook (in het Friesch) in verkleinformBeerske; Snoek, SnouckenDe Snouck. VolgensDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaamGobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16deeeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.”Gobiusechter is de latynsche naam van dengrondel(Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende.Rhijnvis(rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. InEdw. Gailliard’sGlossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik:Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaamRynvischreeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ookDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamenBakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharingenz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in §140vermeld.

Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden:Kever, Watertor, De Bie, De ByeenVan der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, VliegheenVliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam vanJan Vijf-Vliegen.69Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, isQuaetvliegh(de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, alsQuaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteekenvan den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naamQuaetvlieghin eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamenPotvliegheenSchauvlieghmetSchauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.

Verder komen nog voor de geslachtsnamenDe Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, CrabbeenVan der Krab, GeirnaertenGarnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Hollandgarnaalnoemt. Eindelik nogOesterenMossel.—WillokofWullokis de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, alsalikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik alsWillockenWillocq; ook als patronymikon:Willocks, Willox, Willockx, enz.

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden:Worm, WurmenLintwurm. De geslachtsnaamVan der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaamLintwurmdenke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naamLintwurmis afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.

Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog:Koehoorn, Honig, enParel, metPerel, Paerl, Paerel, en het patronymikaleParels.

§134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamenvoor. Zulken zijn:Beer, Bero(inBernhart, Barend, Berend),Ever(inEverhart, Evert),Leeuw, Lieue(inLeonhart, Leeuwenhart, Leendert),Wolf(inWolfhart, Wolfert),Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komentoevalliger wyzeovereen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamenHase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamenhaas,bok,duif,valk,bot,reigerovereenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben.Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamenmuis,mees,meeuw,haring,vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. ImmersMuis, ookMuysofMuus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaamBartholomeus; enMeeuweofMeeuwisis dit ook (even alsTeeuwisvanMattheus), zoo medeMees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaamHaringis eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaamHaro, Here. EnVinke, Vinkis een verkleinform (Vin-ke=Vin-tje) van den mansvóórnaamFinne.

Het ligt dus voor de hand dat nietallegeslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van dediernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v.Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dankunnenook zeer wel mansvóórnamenaan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen alsLeeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. ByArendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v.Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welkeschijnbaaraan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namenZeekats, BaarsenKateraangaat, vermeld en bewezen in §148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerdenP. Leendertz. Wz.en door my zelven, onder de namen »De mansnaamMuus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschriftDe Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.

Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaardiernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.

LewofLewonis een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvoorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekentleeu. AlsLeeuwe, ook welLeuwe, Leuve, Lewewas deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en alsLieuwe, Lieue(deleeuheet in het Frieschlieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor.Lewe, Leeuwens, Leeuwes, LeuwenenLeevenzijn de geslachtsnamen aan den naamstamLeeuweontleend. Zoo mede het friesche patronymikonLeeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschenmansvóórnaamLieue, Lieuwezijnde friesche geslachtsnamenLieuwema, LieuwmaenLieuwesontleend; en ookLieuwkesaan den verkleinformLieuke.

Catto, Katte, Katis een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, alsCatuald(Katwalt) enCatumer(Katmar) voorkomt, en doorFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbuchtot drie verschillende naamstammen,Chad, GadenHath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamenKatenCat, en, in den tweeden naamval als patronymikon,Kats, CatsenCatz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamenKatsmaenKatma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikonCæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaamCats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaamKatsofCatszijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschapCatsalthans meen ik dat dit zekerlik het geval is.

De geslachtsnaamKaterenDe Katerkan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Eenkatertoch is iemand die in eenekate(keetofkot—zie bl. 266) woont. Het woordkater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut ofkateop het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even alskeuter(in Friesland zeit men welkeuterboerke),kötter,kaatsitter,kotsitter,katsate,kotsaat,cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woordkaterten grondslag van menigen geslachtsnaamKaterenDe Kater. De geslachtsnaamKeuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woordkötte,kate, hut, ontleend.Kötterware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.

BareofBarois nevensBarreofBarroeen oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. DegeslachtsnaamBaarskan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo alsBaarsmadit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nogBarma(metBarringin Engelland, enBarryin Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie §30.) VerderBarkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinformBarke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamenBarks, BarkesenBarkinsoorsprong gaf.Barrahuis, een gehucht by Wirdum;Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland);Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ookBarchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.

DatFosse, Fosoudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamenVossema(oudtijds alsFossemageschreven),Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaamFos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaamVoskan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.

Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamenHond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.

Molleis een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, alsMelle; zie bl. 162. Van dezen mansnaamMollekan de geslachtsnaamMol, Mollook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamenMollema, Mollen, MollingenMollinkzijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ookMollekens, een patronymikon van den verkleinformMolleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog:Molla-state, te Eakmaryp;Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum;Molsert(dat is samengetrokken vanMolswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. VerderMolhem, een dorp in Zuid-Brabant;Mollincourtin Isle-de-France (Frankrijk);Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; enMolling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.

De mansnaamMuus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering vanBartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamenMuis, Muys, Muiskenkunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamenMuusseenMuusseszijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ookMuysson.

Hasois een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamenVan Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ookHaasseenHase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinformHaasjeis de geslachtsnaamHaasjesgeformd. Wijl de mansvóórnaamHaso, Hasedoor my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinformHaasjewel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradysb. v., de vrome vrou, die in de 16deeeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zookande geslachtsnaamHaasjesook wel een metronymikon zijn (zie §59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaamHaasniet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.

Dat de geslachtsnaamKonijnook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.

De namen der oude FriesenHengistenHorsa(twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamenHengst, HinxtenRos(letterkeer vanHorsofOrs) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.

Ram, Ramois een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (RammingenofRamegnies, een dorp in de Henegou;Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg;Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinformRamkeis de friesche patronymikale geslachtsnaamRamkemageformd.

Lammeis een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woordlam(frieschlaemmet gerekte, openea), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten vanWassenbergh,LeendertzenBrons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaamLammenog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen formLammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaamLemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam alsLamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten isLamenLemnog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naamWilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaamlam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaamLam. Buitendien zijn de geslachtsnamenLammingaenLammenga, LammingenLamsma, Lams, Lammens, metLemmens, LemsenLemson, en de verkleinformenLammekes, LemkesenLemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.

Bocco, Buccois een oud-germaansche, inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermelde mansvóórnaam, die alsBokkenog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaamBokzal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaamBokkeafgeleid, vermeld ik hier:Bokkenga, BockingenBuckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaamBuckinghambehoort hier toe. VerderBokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, BokkensenBokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaamBokkeontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechtsde nederlandschen vermeld worden:Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, enBoksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland;Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking vanNieu-Bokswoude; Oud-Bokswoudeis het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nogBoksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamenVan BockomenVan Oldenboccumaan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaamBokkeafgeleid zijn. Plaatsen dieBockumenBochumheeten, liggen er wel vier in Duitschland.

Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, isArend, by samentrekkingAart. De geslachtsnaamArendkan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn:Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, †Aarnsma, Arentsma, Serarents(zie bl. 144),Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ookArens, Ahrens, Arning, het verlatynschteArntzenius(vanArntzen, Arendsen),Aarsen, in verkleinformArnkenenArenkens, enz.

De naam van den roofvogelvalkdiende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. AlsFalacho, Falcowordt hy vermeld inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuch.Förstemannhecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17deeeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heetteJan Valcksz(dat isJan, zoon vanValk), en de andereValk Theunisz.70Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekereValk Mertensz.71Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te rechtFalkegeschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaamValkofValckoorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamenFalkemaenValkema, FalkenaenFalckena, Falks, Valks, Falcksz, Valkszaan dezen mansnaam ontleend.Zoo mede de plaatsnaamFalkumofFalkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ookValkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.

Een andere roofvogel is dehavik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaamHavik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man dieMeus Haviksz. (dat isMeus, de zoon vanHavik) genoemd wordt door den geschiedschryverBor, en die doorHooftvoluitBartholomeus Haavixzoonwordt geheeten.72De vogelhavikheet in het Frieschhauk, en in het Engelsch eveneenshawk. Van daar de friesche geslachtsnaamHaukemaen de engelscheHawkins. OokHauckekwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.

Hraban, Raboin hoogduitschen,Hravan, Raven, Rave, Raafin nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaamRaafzynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamenRavingaenRavenaan dezen mansnaam ontleend.

Hoe zonderling het klinke, ookCrai, KrayofKraaimoet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamenKraaimaenCraien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamenKraayingaenKraayengain Friesland, enCrayingin Engelland, zoo mede uit de plaatsnamenKraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; enCraywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaamKraite mogen besluiten.

Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzaangetroffen) isFinke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamenVink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaamFinne, Fin, (Fin-ke=Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook doorFörstemannvermeld wordt,—van den mansnaamFinkehebben wy buitendien de geslachtsnamenFinkenenVinkenen in versletenen formVinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaamFinzijn ontleend de geslachtsnamenVinnema, het uitgestorveneFingia(dat isFinninga) in Friesland, enFinningin Engelland.

De geslachtsnamenMusschengaenMuischengain Groningerland, enMuskensin Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaamMusofMusk(Muske=Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorpMüssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamenMuschenMoschten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerdenLeendertzen van my zelven geschreven, inDe Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.

Over den mansvóórnaamMees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naamBartholomeus, en waarvan de geslachtsnaamMeeskan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden inDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaamMeeuwbehoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen vanMeeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is vanBartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den formMeeuwse. De geslachtsnamenMeeuwenechter enVan Meeuwenacht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaamMeeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.

Duifis een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, alsDuive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamenDuifenDuyfontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamenDuyfsenDuivis(zie§98), en, in verkleinformDuyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.

Hanois een oud-germaansche, byFörstemannvermelde mansvóórnaam, die alsHanenog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, alsHaantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaamHaandaaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymikaHaansenHaenen, HaantjesenHaentjensis dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaamHanoten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymikaHania,Hanja,Hanje,Hainja,HainjeenVan Hanja(zie §29). De volle patronymikale formHaningis nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. OokHanemais nog een friesche geslachtsnaam, die zoon vanHanobeduidt.

Volkomen zoo alsHanois ookHennoeen oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde mansvóórnaam, die in den formHenne, en in verkleinform alsHenkenog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaamHenkan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval metHenning(dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waarHennyeenHennyversletene formen van zijn (zie §30). Verder metHens, met den samengestelden naamHennixdael(dat isHenninks-daal), metHenkemaen metHenkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden:Hennaart(dat isHennawert, de wert of weerd vanHenno) een dorp in Friesland;HenshuizenenHenswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland;Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland;Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen;Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.

Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaamPaulusisPau. De geslachtsnamenPaeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnenPaus, Paeus, Pouspatronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.

In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:Reiger. In de lijsten van friesche namen vanWassenbergh,LeendertzenBronswordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaamReigersmaer van afgeleid. De geslachtsnaamReigerkan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, isRagingar, inFörstemann’sNamenbuchte vinden.RagingarwerdRaingar, Reingeren eindelikReiger.

Swaan, Swano, Suanois al mede een oud-germaansche doorFörstemannaangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, alsZwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaamZwaan, Swaan, Swaenkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam.Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinformZwaantjesenSwanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijlZwaantje, Swanekeals vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamenSwamaenZwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen vanSwaanma, Swanama, anders gezeid:Swaans zoon.

De geslachtsnaamBot, Bothkan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaamBotto.Botte, als vrouenaamBotje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v.BottingaenBottenga, de volle oude patronymika, enBotniametVan Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. VerderBottema, Botma, Bottens, BotsenBottes, en in verkleinformBotje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch.Bottingenis een dorp by Emmendingen in Baden;Bottumligt by Fürstenau in Hanover;Bottorfby Berssenbrügge in Hanover;Bottensis een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), enBotniahusenis een gehucht by Franeker.

Haringis nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaamHaring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong.Haringals mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaamHare, Haro, die inFörstemann’sNamenbuchalsHarivoorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. VanHaringhebben wy de geslachtsnamenHarings, Haringsma, HarinxmaenVan Harinxma, en de plaatsnamenHaringhuizenenHaringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, enHaringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaamHaringsnareeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaamHaro, den naamstam vanHaring, zijn ontleend. Als zulken noemen wyHaringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van HaersmaenHaren; ook in verkleinformHaarken.

Even als de naam van den vischharingin de meeste nederlandsche tongvallen alsheringuitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaamHaroook de formHerovoor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal alsHereofHero, in misspellingHeere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, alsHjerre, dat men ook welHerreschrijft. In verkleinform alsHeertjeenHeerkeenHerke, HercoenHarcokomt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamenHering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen:Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, HeeremaenHeerma, HeersemaenHeersma, HeeresenHeeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamenHarringa, Harsma, HarrenenHarrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, HartjesenHartjens; ookHartsinck, Hartsing, Hartsemaen het versleteneHarssema, van den oud-frieschen verkleinformHar-tse=Har-ke, Harco, de kleineHarro.

De zelfde verhouding als tusschenHaroenHero,haringenhering, bestaat ook tusschen de vischnamenbaarsenbeers, tusschen de mansvoornamenBaroenBero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijndemansvóórnamenkunnen de geslachtsnamenBaarsenBeersook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. VanBaro, Barroen van de verkleinformenBarkeenBarle(Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke vanBero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in §136opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaamBeers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamenBeersenVan Beers, misschien ookBeersmanenBeersmans.


Back to IndexNext