Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en allegeslachtsnamendie er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden datStaleofStalle, SterreofStereofStar, Struuk, Finke(verkleinform vanFinne) enFosseallen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.
Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenFrankenenSassen, metFrankeenSassein versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men §69nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamenThoden, Tholen, TjadenenUden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy menTholenmisschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika open, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamenThodeofTode, TholeofTole, ThiadofThiado, (door de Friesen alsTjaaduitgesproken, zie bl. 62) enUdo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor alsUdeke(Udico),Oedke, in middeleeusch frieschOedtse(k=ts), tegenwoordig meestOetse, OetzenenOedsgespeld. VanTholehebben wy nog de geslachtsnamenTholema, Tholing, Tolings, Tolensen misschien ookTool. VanThiado, Tjaadkwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamenThiadamaenTyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. EnUdo, Oedsheeft oorsprong gegeven aanOedsmaenOetsma, OetzesenOetzen, Udinga, Udema, UdensenUdink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinformOetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook welOetgenschreef, en in Brabant alsOetken; van daar de geslachtsnamenOetjes, OetjenenOetgensenOetkens. Te Amsterdam is eenOetgenspad, enOetingen(patronymikon vanUdo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.
§41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-nachter de woorden niet uit; in §35is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonloozeeeindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen openuitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen open, als de namen opse(Pieterse) staan tot de namen opsen(Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-ntot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy:BaneenBaane,Boone, Faasse, Huighe, KoeneenKuene, Koppe,Louwe, NolteenSteene. OverFaasseenNolte(FaassenenNolten) zie men bl. 88 en bl. 101.HuigeenHuighekomen vanHugo; zie bl. 100.Koene(Koenenkomt ook voor) is het versletene patronymikon vanKoen, de gewone verkorting vanKoenraad; ditKoen(Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden.Kuene(enKuenen, dat ook voorkomt, benevensKühnen, KühneenKühnop hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam.KoppeenKoppenkomen vanKop, een der talryke volkseigene verkortingen vanJacob; zie bl. 93; zoo ookLouwevanLou, eene hollandsche verkorting vanLaurens.—BaneenBaane, BooneenSteene, met de volle formenBanen, Boonen, SteenenenSteinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn.Baneis tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. BehalveBane, BaaneenBanen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamenBanema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, enBahntjein verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaamBono, Boneis tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam.Leendertzheeft hem nog in zyne naamlijst alsBoontje, in den verkleinform. De geslachtsnamenBoning(in Engelland),Boninga(in Groningerland),Böning(in Duitschland),Boonsma(in Friesland), metBoontjesin verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamenBoninghall, in Salopshire, Engelland;Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.
De mansnaamSteen, ookStein, Stienen in SkandinavieSten, is geenszins zoo zeldzaam alsBaneenBone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: †Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, SteensenenSteenis; zie bl. 98.
§42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform openminstens even oud als die ops, zoo hy niet ouder is. Maar de form openis uitgestorven, terwijl die opsbehouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form openniet meerverstond; dat het debeteekenisniet meer kende van patronymika of toenamen alsHuigenenJoosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, opsuitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen diePieter Joostenheette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heetteKlaas—nietKlaas PieterszoonofKlaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maarKlaas JoostenszoonofKlaas Joostens. En ditJoostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen opings, inkx, die in §18en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.
De geslachtsnamen openszijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen:Bertens, Dierkens, Eppens.55Behalve de algemeennederlandsche mansvóórnamenBert, Dierk(Dirk, vanDiederiksaamgetrokken),HugoenRijk, vanBertens, Dierkens, HuigensenRykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen,Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeueof meestLieue(Lieuwe),Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe(Tjebbe),Tonco, Ubbo, Uilke(zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden:Eppinga(Eppingin Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud),Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, UbbingaenUilkema.
Deze geslachtsnamen openszijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooalsMartensenFeltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn ops, en dus tot de groep behooren die in §37behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit open.MartenenFeltenzijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namenMartinusenValentinus.
En evenmin moeten de geslachtsnamen opensverwisseld worden met anderen die ook den uitgangensvertoonen, maar die toch tot de groep dereenvoudigegenitiven opsbehooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (kenentjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eenendaarachter, in de noordelike zonder dien(alskeentje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus,enens,ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn:Arekens, Bollekens, Boomkens.56Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinformopen(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen alsBantjes, Brantjes, Buyskes,57ontleend aan verkleinformen optjeenke, zonder slot-n.
Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren.Arekensis het patronymikon vanAreken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden mansvóórnaamAre. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenAremain Friesland enArinkte Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aanAringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man dieAreheette.Arekensechter zou ookkunnenkomen vanAreken, Aarnken, verkleinform vanAarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaamArend.Arnkenkomt ook als geslachtsnaam voor.Kannekenskomt vanKanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruikmoetgeweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamenKanningaenCannenga; Cankena(eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland;CanningenCanningtonin Engelland. En uit de plaatsnamenCantrup(d. i.Kandorp), dorp by Bassum in Hanover;Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;Caneghem(Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen;Canum(Kanna-heim) enCanhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjenskomt metZoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht alsSonius, metSönnichsen(van den verkleinformSönnicke, Sonneke) en metZonsma, Sonsma, Sonnema, †Sonningha, misschien ook metSonnega(zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, alsSonnega, dorp in Friesland;Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland;Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen,hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaamSonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten formZonedraagt.Maatjesis een patronymikon vanMaatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaamMate, doorFörstemannalsMatovermeld, en die ook aan de geslachtsnamenMaats, Maetensin Vlaanderen,Matena(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. OverBollekenszie men bl. 27, overSchellekensenScheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; overVennekens, vanVenneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; overBantjesvanBantje, Banne, bl. 51, enz.Brantjesis vanBrant, een welbekende mansnaam, enHaantje, Lolke, Mintje, Onneke(Onno),Rinke(Rinne),Solke(Solco),Waalkezijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.
Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangselke,kenoftje,tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel alsgen. Woorden alshuysgen,kintgen,poertgenvoor het hedendaagschehuisje,kindje,poortjetreft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak dezeg(gie), ook welch(chie,chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men vanborregie,poregievoorbordje,poortje, te Zwolle vanlämmechie, in Drente vanlammechienvoorlammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen metg,gen. Namen alsBarentgen,Marytgentreft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen alsAlechien,Alechina;Lubbegien,Lubbechina(oorspronkelikLubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.
Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. inBontgens, Fortgens, HeyntgensenHeintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens,allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen.Bontgens(Bontjeskomt ook voor) is vanBonne; zie bl. 57 en 58.Heyntgenskomt vanHeintje, vanHein, Hendrik.—Lutgens, metLutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaamsLute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog alsLuut, Luit, in verkleinformLuutzen, Luitsen, in volle gebruik is. OverWintgensvanWintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, alsBürsgen(Bürsgensin Nederland),Pörtgen, Röndgen, Wirtgen(Wiertjensin Nederland), enz.
§43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie §23. Zy hebben dezeeigenenieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.
Debyzonderfriesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.
By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:
1º. Namen die op eene enkeleaeindigen (Gerbranda).
2º. Namen die opmauitgaan (Abbema). De namen opna(Ukena) formen hier van eene bygroep.
3º. Namen, waar van de laatste lettergreepsmais (Geertsma). Hiervan formen de namen opsema(Geertsema), opsna(Snelgersna) ensena(Sierksena) bygroepen.
§44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eenea, of door verwisseling der toonloozee, op het einde van eenig woord, meta. B. v. het woordcampa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamvalcampa, van het gevecht;tunge, tong, wordt in den genitivustunga, van de tonge; enare, oor, wordtara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16deen 17deeeu, die forming opaby gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in hetRegister van den aanbreng van ’t jaar 1511en in deOorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemdJarich Focka zoen, dat is:Jarich Fokke’s zoon, ofJarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. DitFockais hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezenJarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v.Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) vanBoueenBeike.
Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen oping, ops, open, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook opde zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikonHomma, gelijkRenick Homma zoenbovengenoemd droeg naar den naam zijns vadersHomme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ookHommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al medeHommingaenHommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.
De geslachtsnamen op eene enkeleauitgaande, behooren, met die opingaeindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.
In §91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eenea, vanplaatsnamengeformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze vanmansvóórnamenafgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld:Alberda, Algra, Andla.58De oorsprong der namenAlberda(metAlbarda),Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda(metReenalda, Renalda, en zelfs verbasterdRingnaldaenRingenalda) enWynalda, van de mansvóórnamenAlbert, Bernard, Bruno, Menald(Meinout, Meginhold, Meginhalt),Reinald(Reinout, Reginald, Raginholt) enWynald(Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn.AndlaenAndela, Gosliga(metVan Gosliga, GoslingaenVan Goslinga),Idsarda(metIdzardaenIdserda),Jilderda, Ruurda, Sjoerda, TjaardaenTjardazijn patronymika van de mansvóórnamenAndle, Goslig(Goslich, Gosling),IdsartofIdsert(Edsart),Jildert, Ruurd, SjoerdenTjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn.Hameka, metHammeka, komt vanHamekeofHamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, byFörstemannvermelden naamHamo, die alsHammeby de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamenHamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, †Hammama, Hamje(zie bl. 70) enHammesmetHamkemaoorsprong gaf.AlgraenAlgerazijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland alsAlgernog gebruikeliken mansvóórnaamAlgar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaamAlgersmais afgeleid.PoptametVan PoptaenPuptszijn afgeleid van den mansvóórnaamPopt, doorBronsals een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaamPop, Poppe(Popke) te beschouen is.Rembadais een versleten form vanRembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud =kâ’d;wrald, wereld =wra’d); enRembald(Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaamRippert, die aan de geslachtsnamenRipperdaenRypperdaten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17deeeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. OverTjaardzie men bl. 62.
SjoerdaenSjoordazijn vadersnamen van den mansnaamSjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam isSigurd(Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitscheSiegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in deNederlanden alsSîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuertwerd uitgesproken, en waar de geslachtsnamenSieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffersnog van afkomstig zijn. De zachte frieschegvan den oud-frieschen form dezes naamsSigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eenej:Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spellingSjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden alsSiud, Siut, zonderr, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam derniet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy vanHettemaaktenHector, vanTjaard Tarquinius, vanTjibbe Tiberius, toen verformden zySjoerdtot het barbaarscheSuffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. NevensSjoerdaenSjoordazijn van den mansnaamSjoerdnog afgeleid de geslachtsnamenSjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma(in oude oorkonden alsSiurdismageschreven),Sjoerds(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, dedverloren en is totSjoersgeworden),Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland.Sjoerda-stateneindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.
De mansvóórnaamSjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamenSjaarda, Sjardaen †Sjaardematen grondslag ligt, moet metSjoerdniet verward worden.Sjaardimmers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, vanSighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam iszegaartof overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naamVictor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den formSiegartvoor, waarvanSegaarenSiggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woordcigaaris by de verklaring dezer namen niet te denken.
Wiardis een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenalsWierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naamWîghart(Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamenWiarda, die overgeheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is,Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naamWiardalsWeiert; vandaar de geslachtsnamenWyerdaenWeyerda. De naam van het oud-friesche dorpWiardenin Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaamWiardis afgeleid, wordt in de wandeling ook alsWeierden, Weieren, Wei’rnuitgesproken.
Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenJornaenJurnaten grondslag ligt, zoomede aan †Jornsmaen misschien ook aanJörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het isJorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamEburwin, die alsEberweinin Duitschland, en alsEverwijnin Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is.EburwinofEvorwin, Ivor(w)in, I(v)orin,Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorpJorwert(waarvan de maagschapsnaamJorwerda—zie §91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaamJorrit(waarvan de patronymikale geslachtsnamenJorritsmaenJurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaamJorritis de zelfde naam alsEberhart, Everhart, Everaartin andere germaansche talen.Jorritis eigenlik voluitJorhart, volkomen zoo alsGerriteigenlik voluitGerhartis. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaamJorwertalsEverwertof ookEverwirthgeboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stadYork, in het LatynEboracum, schreven de oude EngelschenEurewic(Evrewic),59de Angel-SaksenEforvic, dat isI(v)or(r)icofYork. De friesche plaatsnaamJorwerten de engelsche plaatsnaamYorkmoeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven wordenEverwertenEverwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlandersaldus;Kiliaanb. v. heeft: »EberwijckofJork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamenJornaenJorritsmazijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaamEverwijnse(zie bl. 89), alsEverijnszdat ik elders vond, en alsEveraarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.
Aangaande het verschil tusschenJornaenJurna, JorritsmaenJurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men §78, by de namenVan BorkumenVan Burkom.
§45. De friesche patronymikale geslachtsnamen opmaeindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechselma; b. v.Gercama, bestaat uitGerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaamGerke(een verkleinform van den ouden naamstamGer, Gero), en uitma. En dit achtervoechselmabeteekent eenvoudigman. DusGercamais letterlikman(zoon, hoorige) vanGerkeof van den kleinenGero; LycklamaismanvanLykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaamNicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam vanLikelsgeaofSt. Liklesgeaaan het dorpSt. Nicolaasga(gaofgeaisdorpin het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.
Het woordmanofma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die opmaeindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel vanzoonals vankleinzoonennakomeling, ook vanneef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog vanhoorige,volgeling,dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate.De oudeGerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezenclan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zichGercamaofGercamannen, mannen vanGerke.
Het woordmanvinden wy in het Oud-friesch gewoonlik alsmon, soms ook alsman, en alsmenofmenain het meervoud, ook alsmonain den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-nalsmaluidde, leert ons het woordjemen, dat in ’t Oud-friesch alsma, later ook alsmevoorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v.me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordjemen(ma,me) is anders niet als het woordmanin meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat doormenbeheerscht wordt;ma scoene sizze, en nietma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordjemenbeheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen:men zou zeggen, en nietmen zouden zeggen.
Maar genoeg! Het achtervoechselmaachter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woordmanin het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naamFrouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13deen 14deeeu voor alsFrouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men §60). VerderBolsmaalsBolesmona, SierksmaalsSirikesmona, BrongersmaalsBrungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle formmonaook, door verfloeiing der klanken, inmenaover. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam derLuidera-menain Garreweer (Fivelgo).Luidera-mena, dat is letterlik: deLuidera-mannen, de mannen vanLuider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten formLutheri(Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamenopmona,mena,maeindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13deen 14deeeu, nog ten vollen bewust.Sicco Siccamab. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluitSiccamonageweest was, dat hy dus deSiccoofSikkewas derSicca-mannen, der mannen vanSicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechselmona,mena,ma. Zoo vind ik in deGedenkschriften der Abdy MariëngaardedoorÆ. W. Wybrandsuitgegeven, op ’t jaar 1224, deBlondera-virigenoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, deSembranda-viri, deUmmegga-viri(Umminga-mannen), deWibrenda-virien deHerwarda-viri, als vermeld wordende in deVita Frethricien in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13deeeu te Uithuizen (Groningerland) deAybadamani(Aybada-mannen, mannen vanAybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum deDincinga-manni, deObeka-mannien deOnninga-manni, en dat er te Oldesyl eenearea Aylbadis-mannorumwas. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen deBeninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers deLudigmannen(Ludinga-mannen), deFortemannenenJellamannenaanzienlike geslachten waren.60(Jellaman, nog heden als geslachtsnaamJellemabestaande, isman van Jelle, enJelleis een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).
Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen opmaeindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan tengrondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform opa(zie bl. 112). Dit zijn b. v.Dykama(zie bl. 104),Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namenEkemaenEekmanaastEkama; GalemanaastGalama; GerkemanaastGercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaamEkama, den mansvóórnaamEke, ook alsEcovoorkomende. DitEke, Ecois anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam ofkosenamein gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaamEelkeofEelco. De vrouelike form vanEelkeisEelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ookEeke(Eke) en,weêrverkleind,Eekjegenoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen formEelkeis ook de meer hollandsche formEeltjeals mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichterEeltje Hiddes Halbertsmab. v. heette alzoo.EelkeenEeltjenu zijn verkleinformen vanEle, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. EnEleis eene samentrekking vanEdele, een naam die in haren oudsten form alsAdel, Athalonder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daadde edele (man),de adellikebeteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamenEkamametEkema, EcomaenEekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorveneAdelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon vanAthal.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen opmaeindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform opavan den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonloozeeis overgegaan; b. v.Ekema, nevensEkama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld:Attema, Aukema, Balkema,61enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamenBennoenOttozijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamenBennemaenOttema. Ook de mansvóórnaamKlaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaamKlasema, is bekend genoeg.KlasemaenLycklama(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, metKlaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolaien vele anderen, volkomen het zelfdebeteekenen.Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de anderema-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.
Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon opmaeindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eeneegevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. ByBeintema, GjaltemaenKlasema, afgeleid vanBeint, GjaltenKlaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamenFrankemaenJoostema, van de mansvóórnamenFrankenJoost.
De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eeneaop ’t einde werden geschreven (HummaofHomma, Hetta, Saka, tegenwoordigHomme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eeneoals sluitletter geboekstaafd; b. v.Eelke=Eelco, Otte=Otto, Rinse=Renso, Harke=Harco. Deois in deze namen van jongere dagteekening dan dea, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelikeatot eene toonloozeeverfloeide. Dezeois althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen,dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze metoweêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonloozee. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen dieoreeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonloozee, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslachtAlbertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam totAlberthomaverfraaiden.Albert Albertema(dat is:Albert Albertszoon) schreef zynen naam, alsdominus:Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!
By eenigema-namen is dieotot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. byDeroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, TacomaenTakoma, enz.
Velen van dezema-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevensEkemametEkamaenEcomaook de geslachtsnaamEekma; naastAbbema, Bokkema, Bottema, EikemaenHobbemakomen ookAbma, Bokma, Botma, EickmaenHobmavoor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. NamelikmanofzoonvanEke(zie bl. 120),Abbe, Bokke, Botte, EikeenHobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.
§46. Nevens dema-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die opnauitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met dema-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat dena-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen dema-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her degeslachtsnamenAttena, Habbena, Sydsena, Ottenaenz. nevensAttema, Habbema, SytsemaenOttemain Friesland tusschen Fli en Lauers.
Den oorsprong, intaalkundigenzin, dezerna-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgangnakan evenzeer alsma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgangmona(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaamFrouwanazoo wel uit den ouden vollen formFrouwa-monaontstaan zijn, als de groningsch-friesche naamFrouwama. Het hedendaagsche verschil tusschenmennkan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgangnakan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform open, welke in §40besproken is. De omstandigheid dat deze oud-frieschena-form in geschriften uit de 15deen 16deeeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform open, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15deen 16deeeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze alsAyolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze alsAyolt Wybengeschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelikAyolt, (zoon) vanWibeofWybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens alsThiark Jellena, dan eens alsTjarck Jellenvermeld. En een derde nu eens alsSibad Atsena, dan eens alsSybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15deeeu levende, wordt in oude oorkonden nu eensMarten Sitzena, dan weêrMartinus Sytzengenoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af alsFokke UkenenFocke Ukena. En geen wonder! In die dagenverstondenen gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnentoen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15deen 16deeeusche Friesen was het even duidelik of zyMarten Sytsenazeiden en schreven, ofMerten SytsemaofMaerten SitzenofSytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten:Marten, zoon vanSytse, ofMarten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v.Epena, Epen, EpemaenEpesz, van den frieschen mansvóórnaamEpeafgeleid, en allen (zoon) vanEpobeteekenende.
Komen dena-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen dena-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter derna-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat derma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend danAltena, Bultena, Domna,62enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid.Domnab. v. vanDommeofDome, een mansnaam die in de lijsten vanLeendertznog vermeld wordt, en eveneens inFörstemann’sNamenbuch. De geslachtsnamenDommisse(zie bl. 99) en †Domazijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam.Doma-sateis nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaamDommedoor niemand in Frieslandmeer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaamDommeofDomeheeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoorddom, maar is oorspronkelik ons woorddoem(nog inverdoemenover), Oud-hoogduitschtuom, Oud-noorschtôm, enjudicium, oordeel, beteekenende. ZieFörstemann’sNamenbuchop den naamDom.
De namenBultenaenAltenadienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschapDe Bultby Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en datBultenawel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaamBult. Deze oude naam is, metBultet, een byform van den mansvóórnaamBulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamenBultemaenBultsmain Friesland, enBultynckin Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehuchtBultingeby Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehuchtBulthusenby Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).
Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaamAltenaaan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre alsAlteeen oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaamAltena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, alsal te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaamDenkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken;denk na!Niet te min isDenknaeenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaamDenkeDank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamenDanklef, Dankwart(Tanquart) enDankret(Tancred). En zoo heeft men ook dien naamAltenagegeven aan huizen en plaatsen, dieal te naby iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dusal te nadaar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stadAltona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum,Altenaheet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehuchtAltenaby Idsegahuizen, met het voormalige blokhuisAltenavlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteelAltenavlak buiten de Schoolpoort te Delft; metAltona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), metAltonaby Sengwarden in Jeverland, metAltonaby Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslachtAltenain Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikonAltena.
§47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die opsmaofsema,snaofsenaeindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geenafzonderlikegroep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van dema- enna-namen. Want oorspronkelik behoort desvansmaensnaniettot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvendema(ema) enna(ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechselmaenna, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamenHalbertsmaenGeertsemab. v. bestaan niet uit de lettergrepenHalbertensma,Geertensema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uitHalbertsenma, uitGeertse(omzetting vanGeertes) enma. En dies, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechselma, is werkelikniets meer of minder dan des, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt.Halbertsmawil dus eenvoudig zeggen: demaofman, dat is: de zoon of de volgeling vanHalbert, van den stamvader dieHalbertheet; dusHalberts man. EnGeertsemaisGeertes man, de zoon vanGeert.
Uit eentaalkundigoogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgangma), als saksische of frankische (desin den tweeden-naamval). Het patronymikon opmavan de mansvóórnamenHalbrechtenGerhartzoude in zuiver oud-frieschen formHalbertamaenGertamamoeten zijn. Desma- (ensema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. Desma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkelea, opinga,maennauitgaan. In de 13deeeu mogen er reeds hier en daar enkelen van dezesma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudstesma-namen, my bekend, is die van het geslacht derBolesmonadat in de 13deeeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was.Bolesmona, Bolesmona, dat is: deBolesmannen, de mannen vanBole, enBole(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naamBolesmonatreedt later alsBolesmaenBolsmavoor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook deSirikesmonaen deBrungersmonavermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen vanSirik, Sierken vanBrungar, Brongerbeteekenende,komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamenSierksmaenBrongersmavoor.
De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, alsBolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen opsmaeindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263den hedendaagschen geslachtsnaamSjuksmaalsSiukismageschreven. (Aangaande dit byzonder-friescheisin plaats vanes, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die opisuitgaan, en die in §39behandeld zijn). De man die in dat stukBenka Siukismagenoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664voor alsBeenka Siukesma, en in eene andere van 144265alsBeenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaamSiuk(Sjoek), alsSjuksmagespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechselsmauitesmaenismaaantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschriftEen en ander over friesche eigennamenkan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.
§48. Desma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door desema-namen vervangen. Desma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelikesma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgangsmate voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in §64en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld.Van het groote getal oorbeeldigesma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:Albertsma, Arendsma, Barendsma,66enz. Van dezen namen zijnAlbertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsmamet de verwante formenMeinderdsma, Meindersma, MindertsmaenMindersma, PietersmametPetersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, vanAlbert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert(Meinart, Meginhart),PieterenPeter, SigerofZeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamenDure(zie bl. 46 en 47),Gelder, Hoite, Jorrit(zie bl. 116),Nammen, Riemer(Redmar),Sierd(Siard, Sîghart),Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer(Thiadmar),WigerenWierd(Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aanDuursma, Geldersma, Hoitsma, enz. NevensArendsmakomen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formenAartsmaenArensma(oudtijds ook †Aarnsma) voor; nevensBrandsmanogBrantsmaenBransma; verderFolkersmaenVolkersmanevensFolkertsma; LammersmanevensLammertsma; SiersmaenWiersmanevensSierdsmaenWierdsma(oudtijds ook †Syardsmaen †Wyardsma);Wiegersma, WygersmaenWiggersmanevensWigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaamGelder, waarGeldersmavan afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaamGeldra; overSierdzie men bl. 115; en overSteenbl. 106.Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamenTiemersmaenTymersmaten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken formThiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfdennaam stammen ook de geslachtsnamen †Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ookDiemerenDiemersmetDethmers(vanDietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamenTjamsweer(samengetrokken uitTiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam;Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland);Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds alsTiedmarum(dat is,Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmarswoonplaats) geschreven werd;Timertsma-statete Idaart, enz.