Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):»Omme te hebbene tseren hulde.”74Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.
Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):»Omme te hebbene tseren hulde.”74Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.
Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):»Omme te hebbene tseren hulde.”74Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.
Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):»Omme te hebbene tseren hulde.”74Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.
Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):»Omme te hebbene tseren hulde.”74Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.
Een byzondere friesche geslachtsnaam isLeefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaamLevi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-frieschesma-namen opgemaakt. Dat men vanLeviensmanietLevismagemaakt heeft, is niet vreemd. De formLevismadruischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de formLeefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men defniet te scherp uitspreekt, maar ongeveerLeevsmazeit. Buitendien wordt de vóórnaamLeviby de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort alsLeev, Leefuitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, alsLöv, Löw, en zelfs alsLöb. Onze nederlandsche formLeip(ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte formLeefmaakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaamLeefmans.Leefsmais de friesche wederga van de geslachtsnamenLevyssohnenDe Levie(de= van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by desma-namen te bepalen:Abelsma, Jacobsma, Simonsma(metSiemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor,omdatAbel, JacobenSimonmansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijlLevitot de Israëliten beperkt is.67
Sommigesma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon,naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaamVan Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen datReesemaeen patronymikon opma(en niet opsma) ware van den oud-germaanschen mansnaamRese, die in de naamlijst vanBronsvoorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaamReesinkvan afgeleid is. MaarReesemawerd in de vorige eeu nogReersemageschreven, dat eene samentrekking is vanRedersma.Reer, Reder, Redertis een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten formRedart, Redhartis. In de 15deeeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form alsRedartsma. Toen wasRedart Redartsmadeken van Oldehove te Leeuwarden.68In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook alsRedertsma, RedersmaenReedersmavoor.Rethardisnais een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook totReersnaverloopen is, even alsRedartsmatotReersemaenReesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamenReterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamenRederstall, een dorp in Ditmarschen;Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren;Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen;Reersum(dat isRethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.
Bergsma, Brugsma, HamersmaenWakkersmazijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woordenberg,brug,hamerenwakkerzoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslachtBergsmavoert zelfs een varken, frieschbaerch,barg, als sprekend wapen. InKiliaan’sWoordenboekkomt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aanBargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag.BergofBargis eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaamBercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (AdelbrechtofAlbert, HarbrechtofHerbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn:Bergema, Bergen, BergsenBargen; misschien ookBergman, Bergmans, Barchmans.—BergsmaenBargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen alsAlbregtenAlbracht, HermansenHarms, GerritsenenGarritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.
Brugsmais een versletene vadersnaam van den mansvóórnaamBrucht, die, ook alsBrugt, zelfs alsBruggeschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, alsBruchtertofBurgert(Burghart, Borchart) enz. MetBrugsmakomen nog de geslachtsnamenBrugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, BruchtsenBrugs, waarschijnlik ookBurga, en de plaatsnaamBurchsum(Burch’s heim, Bruchtswoonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaamBurcht.
De geslachtsnamenHamersmaenHammersma, metHamringa, Hameringa, †HammergaenHammers, en de plaatsnaamHammerum(Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, doorFörstemannook vermelden mansvóórnaamHamar(Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is alshamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aanThor’shamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens:Ger, Geer(Gerhart, Gerolf) = speer;Bronno= schild, harnas;Brant(Hildubrant, Hadubrant,Adelbrant) = zwaard, enz.
Wakkersmaeindelik, metWakkersen misschienWakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaamWakker, byFörstemannalsVacar, Wacchar, voorkomende.
§49. Tusschen de geslachtsnamen die opsmaen die opsemaeindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak.Smakomt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor,semain Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v.Geertsmain d’ eene,Geertsemain d’ andere gou. En zoo is ’t ook metBonsmaenBonsema, metBoersmaenBoersema, BylsmaenBylsema, DuursmaenDuursema, HansmaenHansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval opisofes. Van den mansvóórnaamGeertb. v. maakten zy in den tweeden-naamvalGeertisofGeertes. Kwam daar nu het oude woordmaachter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaamGeertismaofGeertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14deen 15deeeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form;Aylufsisma(laterAlofsma),Juwisma(Jouwsma),Jarichisma(Jarichsma),Siukesma(Sjoeksma),Siwrdesma(Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16deen 17deeeu in. Zy verloren hunne toonloozeiofe, en werdenAlofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonloozeein deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formenJeltisma, Geertesmazelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen vanJeltesmatotJeltsema, vanGeertesmatotGeertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak menesalsseuit. De oorspronkelike formenGeertesmaenHoekesmawerden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken totGeertsmaenHoeksma, by de oosterlauersche totGeertsemaenHoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.
Eenige weinigesma-namen, allen in Friesland tusschen Fli enLauers inheemsch, hebben deze samentrekking vanismaofesmatotsmaniet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v.Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, SibesmametSiebesmaenSybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamenAge, Auke, MinneofMenno, PebeofPiboenSibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nuAagsma, Auksma, Minsma, PeepsmaenSypsmaluiden.
De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden dersema-namen gelden:Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar vanIlpsemais de oorsprong my duister.Franssemais vanFransafgeleid, datweêreene verkorting is van den kerkeliken naamFranciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaamFrankligt er aan ten grondslag.Roelfsemais duidelik genoeg, en stamt metRoelfzemaen het westerlauerscheRoelofsmaaf van den bekenden mansnaamRoelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 isKlootsemareeds verklaard.Ausemakomt van den frieschen mansvóórnaamAue, die hedendaags meest in verkleinform alsAukein gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †AuwemaenAuwenoorsprong gaf.Bansemakomt met de maagschapsnamenBanning, Olden-Banning, Nyen-BanningenBansvan den ouden mansvóórnaamBanno.—BrondsemaenBrontsema, metBruntink, BruntenenBrunt, stammen af vanBrontofBrunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naamBronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eenert, van den naamstamBron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende,althans van 1850–1870, dieBronno Bronsheet), stammen de geslachtsnamenBronninga, Bronnema, BronsemaenBrons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaamBronkemaeindelik is een patronymikon vanBronke, Brunnico, dat isBronnoin verkleinform.—Jelte, TieteenWeite, waarvanJeltsema, TietsemaenWeitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsemaeindelik enLuursemazijn met de geslachtsnamenLuurts, Luurs, Luirs, LührsenLuyrinkafgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: vanLuithart, Ludeharten vanLuiter, Luther, LotharofLiudheri, waarLuurtenLuurafgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formenLuurd, Luyert, Luyerkomen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamenLuurtsemaenLuursemazijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachtenLuyrtsmain Friesland bewesten Lauers,Lyursnain Friesland beoosten Eems.
Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds desals beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door dezvervangt, is by eenigen van desema-namen die uitgang inzemaveranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn:Gerzema(de goede formGersemakomt ook voor),Hoekzema(nevensHoeksema),Roelfzema(naastRoelfsema),Rinzema, Schultzema, WiertzemaenZetzema. En by sommigesma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, opkeindigt, is desvansmamet diektot eenexversmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namenBlinxma(zie bl. 46),Boxma, Haaxma(zieHaexop bl. 96),HarinxmaenVan Harinxma(de zuivere formHaringsmakomt ook voor),Looxma, Sixma(Siksmaen zelfsSixsmabestaan ook), enz.
Eenige geslachtsnamen zijn slechtssema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot dema-namen (zie §45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven opseeindigt; b. v.Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamenHaitsema, Reitsema, RitsemaenSytsemavan afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet inHaitensema, maar inHaitseenma,Reitseenma, enz.Haitse, Reitse, RitseenSytsezijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, alsHaitsma, Reitsma, RitsmaenSytsmavoor.
De geslachtsnamen die opsnaensenaeindigen (†Edzardsna, †Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke opnauitgaan (zie §46), als desmaensema-namen staan tot die welkematot uitgang hebben. Dezesna- ensena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen inDe vrije Fries, deelen XIII en XIV.
§50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetselvanvoor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past ditvanvolstrekt niet vóór deze namen.Vanpast slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen metvaner voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door ervanofvonvoor te zetten.70Die zoo deden, hebben niet bedachtdat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen,de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v.Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woordenstateensatewel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon opAbbinga”, en »ik kom vanAllinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen metvaner voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v.Van BaardaenVan Bloemersmaeigenlik in de plaats staan voorVan Baarda-stateenVan Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts indatgeval. Anders zijn namen alsVan HottingaenVan Bumain het Friesch even dwaas, als b. v.Van JansenenVan Pietersenin het Hollandsch wezen zouden, alsVon Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzerin het Hoogduitsch zijn. Zie ook §26.
Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v.Olferda-state), dien alouden naam metvaner voor, alsVan Olferdavoor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslachtOlferdanog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zichVan Olferda(-state), omdat hy opOlferda(-state)woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naamzondervan, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form metvaneenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met ditvanvoorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is ditvaneen byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16deof 17deeeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor,zondervan, ’t welk er ook niet by behoort.Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmaniazijn in de middeleeuen slechts alsCammingha, Bothnia, Burmaniabekend.
Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechselvan:Van GoslingaenVan Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema(zie bl. 132),Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zondervan:GoslingametGosliga;HagametTer Haagha71;EisingaenEizenga; HettingaenHettenga, HaniaenHanje; AbbemaenAbma; IetsmaenYtsma.
Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonkb. v. enCranendoncq, DerxenDerks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding;Kammingab. v. enKammenga, RaadersmaenRadersma, AttamaenAttema.
Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmeldenen vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v.ScheltingaenVan Scheltinga, Van EysingaenVan Eisenga(zie bl. 26 en 60),Van HarinxmaenHaringsma, Van HeemstraenHeemstra, Van Cammingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva, BuwaldaenBuwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.
§51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »deJan, dePieten deKlaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet:derWilhelm, derJoseph,dieMaria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs, Smertens, dat is:des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoorddes(tweede-naamval vande) is by deze namen tots(’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v.’s Heeren goedheid;’s prinsen beleid;’s mans berou; voluit:desHeeren goedheid, ofde goedheid van den Heer;het beleid van den prins;het berou van den man. Zoo ookSwolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man dieWolfheet.
BehalvenSwolfsenSmertenszijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend:Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook alsSmasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland totSchmasenverhoogduitscht voorkomt, is’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon vanMaas. EnMaasis eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaamThomas.—SpetersenSpiers, met de verwante en versletene formenSpeers, Spies, Spees, Speessen, is’s Piers, des Piers zoon, de zoon vanPier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemanskomt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaamTilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en alsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt.—StielenenStieltjeskomen eveneens vanTielenTieltje, dat is:Tyl, Tilo, welke naam alsTijl, en, in verkleinform, alsTilkinook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekentStieltjes: zoon van den kleinenTyl.—Stiemenseindelik staat in de plaats van’S Tiemens, des Tiemens zoon; enTiemen, Tymen, Tieman, Timan(niet te verwisselen met den griekschen mansnaamTimon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelikTiedman, Tiudmanis, stammen ook de geslachtsnamenTydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, TiemansenTiemensaf.
De oud-germaansche naamGodfried, vernederlandscht totGodefert, Godevaert, Govert, Govaert(waarvan de geslachtsnamenGovaerts, GoevaertenGovertz) is de naam waar aan de geslachtsnaamSchoevaertsontleend is. Deze zelfde naam komt ook alsSchovaers, SchoovaertenSchoevaartvoor.Schoevaertsis eene wanspelling voorSgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is:des Goevaerts zoon, de zoon vanGoevaertofGodfried. Wijl overigens de letterverbindingsgin het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taalniet voorkomt, zoo kwam men er toe omSgoevaertsalsSchoevaertste schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval deschalssgwordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging vansgdoorschkomt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaamKeerschieter, die oorspronkelikKeersgieterwas, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naamKeersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in §165). Zoo zag ik den naam der stad’s Gravenhageen dien van het dorp’s Gravezandewel geschreven alsSchravenhageenSchravezande, en de geslachtsnaam’S Grauwenkomt ook alsSchrauwenvoor; zie §64. In den geslachtsnaamSchoeversvinden wy ’t oorspronkelikeSchoevaerts, ’s Goevaertsnog meer verbasterd.
Deze geslachtsnamen met voorgevoegdes, afgesleten uitdes, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.
Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar desvandesniet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naamJacobzelve hier niet verbogen is. Ware het’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Dezes, vandesversleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in §64te vinden zijn.
§52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegdes, formen die geslachtsnamen welke metserentserbeginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woordher,(h)er,heerdaarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen.Serroelofsb. v. is:Sherroelofs,’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog:de zoon van Heer Roelof; immers het woordher,heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:des heeren Roelofs). Dehvanheris weggesleten, door den infloed der scherpesdie voorafgaat, en die deh, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak dehals beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.
De geslachtsnamen metserbeginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in deAnnales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekerenKarstiaen ser Boidekins soenevermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286.Karstiaen ser Boidekins soene, dat is:Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaamChristianus) de zoon van heerBoidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaamBode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamenBotinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.
Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep:Serarents, (Serarens, Serraris).72De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen,Arent, Bruno,Jacob, Lip(Philippus),Neel(Cornelis),Pieter, Rein(Regino, Ragin),Sander(Alexander),Simoen(oud-vlaamsche form vanSimon),Staas(Eustatius),Steven, Vrank(beterFrank) (zie bl. 135) enWouterzijn algemeen bekend.Serdobbelsis, gelijk het eveneens voorkomende enkeleDobbels, van den mansvóórnaamDobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haamDibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51.Seroyen, ook nog meer samengetrokken alsSroyenvoorkomende, beteekent:zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing vanOde, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamenSergeys, SergeyssensenSergeyselsis waarschijnlik de mansvóórnaamGeys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaamSerruis, welke naam ook alsSerruys, SeruisenSerruusvoorkomt, is nog minder zeker.Ruischis wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15deen 16deeeu te Amsterdam in gebruik was.73Maar datSerruisvan dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, deschop ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen.Ruischkon in hunnen mond dus moeielik totRuis(Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaamSerruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHuso, Huis, die in den vlaamschen mond dehverloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naamHusozie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naamSerruisin het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woordseruisof loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woordcéruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstofloodwitaan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kanSerruisals naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen.Weiten, de mansnaam waarSerweytensvan afgeleid is, komt nog hedenwel in Vlaanderen voor, even als in den formWeite, Weitin Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamenWeytingh(zie bl. 32),Weitema, Weitsema(zie bl. 135),WeitsenWeitzafgeleid zijn, met de plaatsnamenWeyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen enWeitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.
Een paar van deze geslachtsnamen hebben desop ’t einde verloren, en komen nu alsSerdobbelenSerwoutervoor. Zoo ookSerbrock, van den mansvóórnaamBrokkeafgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaamSerbrockblijkt my overtuigend dat een mansvóórnaamBrokkeofBrokeertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamenBrockemaenBroksma, BroxenBroks, zoo mede uit de plaatsnamenBroxeele(dat isBrok’s zele, Brokszaalofhalle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, enBrockum(Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.
Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eenetvóór desvansergevoegd. Het zijnTserclaes, TserstevensenTservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde lettertis niet het voorzetselte, en even min het lidwoordhet, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als’T SerclaesofT’ Serclaes, ’T SerstevensenT’ Servrancxschryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar dezetis anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelikedvandes. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, deeuit dit verbogene lidwoord verdween, en dedderhalven onmiddellik voor deskwam te staan, moest deze letter noodzakelik tottverscherpt worden.Tserentseren, in plaats vandes heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v.LekenspiegelII, 1, 70:
»Men weet dat ter waerheden,Dat Maria, na ende vore,Quam van tser Davids ore.”
»Men weet dat ter waerheden,
Dat Maria, na ende vore,
Quam van tser Davids ore.”
En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):
»Omme te hebbene tseren hulde.”74
»Omme te hebbene tseren hulde.”74
Dat overigens dit voorvoechselserby patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfdeseralssirvoorkomt. De namen toch van de gehuchtenSirhelsdorpby Kloetinge op Zuid-Beveland, en vanSirpoppekerkeby West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik’s Heer-Els-dorpen’s Heer-Poppen-kerke.
Met dezen formsirin bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaamSirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamenSirejacobsenSirejacobvoor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechselsir,seraangezien te hebben voor den ouden franschen titelsire,messire. De oud-vlaamsche naamSirjacobsis ook verfranscht totSirjacquesenSirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.
§53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegdeserin de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijnmethet woordheerofhersamengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn †Heriwesma, †Herjuwsmaen †Heer-Almauit onze friesche gewesten, enHereygensenHerreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nogHerrijgersenHerroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.
De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld:Heerjousmab. v. enHeerywesma; ookHer-Alma. Het zijn patronymika vanHeer-Jou, Heer-IvoenHeer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform alsJoukevoorkomende,IweofIvoenAllezijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.
De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekerenHeer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslachtHeriwesmaniet af.Heer Ivo Johanniswas de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16deeeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuisHero-Ivo-straatje, als of de naam van zekerenHero Ivoafkomstig ware (Herois een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken vanSerivestraatsje, met voorgevoegdes. Ook al een bewijs dat het voorvoechselserin de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van’s her, des heeren.
De patronymikaHereygens, Herrijgers, HerroelenenHerreilersbeteekenen: zoon vanHeer-Eige, zoon vanHeer-Roel(Roelof) en zoon vanHeer Eiler. De mansvóórnaamEigeofEigenis de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde naamEigen, Agino, Agin. EnRijger, beterReiger(zie ook §134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamReingar, Regingar, Ragingar. De naamEileris ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan isAgilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaamEilersis er mede van afgeleid.
§54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetselvan, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan:Van Alewijn, Van Ditmar,Van Frank,Van WalravenenVan Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.
Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland.Benjaminb. v. die een zoon is vanAron Mendes Chumaceiro, noemt zichBenjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is vanJosef Vaz Dias, noemt zichAron van Josef Vaz Dias, enEstherde dochter vanJacob Lopes Quiroswordt genoemd:Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymikaJan De Groot Corneliszoonb. v. ofSjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.
§55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v.Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namenReddingenJansengevoegd.
Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn:Antonides, HermanidesenHarmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides, allen van bekende mansnamen, vanAntonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulusenz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn:Gatsonides,Hajonides, Mensonides, Nolledes, OneidesenYnsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamenGatse, Haio, Menso, Nolle, Oene(Uno) enYnse. De geslachtsnaamHilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaamHilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En ditHilariusis op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaamHile, Hyle, Hille, ook in verkleinform alsHylke, Hylco, en voor vrouen alsHylkje, Hielkje(Hikein de wandeling) enHiltje(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamenHielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega(zie bl. 61),Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, HillenenHillenius, HillensenHillekensaf, met vele plaatsnamen. Misschien ookHiel; zie §139.
Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikonHajonidesin eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaandeDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.
§56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamenAdriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend.Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaamWinolditen grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamenWynaldaenWynolds, met den plaatsnaamWinaldum(Winalda-heim, woonplaats vanWinald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaamAllebrandiook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten vanAlbrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamenAlbrandaenAlbrandsen in †Ailbrandesna(zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamenAlbrandeweer(verkeerdelik meestalOlbrandeweergeschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland;Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; enAlbringsweer(voluitAlbrandingsweer), ookAlbrandswehr, een gehucht by Emden.
»MaarAllebrandiis een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaamAllebrandiis in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ookGaribaldienGiraldiitaliaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch:Garbald, Gerbout, enGerald, Gerhold, Gerout.
De geslachtsnaamGualtheriebehoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door deieop het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkeleizoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze.Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is eenwould-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaamWalther, Wolter, Wouter, die in het Fransch alsGauthierluidt.
Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijkWybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendomzijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:Gerbrandy, Idsardi(vanIdsard, Idsert),Ypey(vanIpe, Ype, verlatynscht totIpeus),Ysbrandi(vanYsbrand).76
De geslachtsnaamAeneæhoud ik voor een patronymikon, in latynschen form, vanAenea, oorspronkelikAne, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamenAninga, Anema, en, in verkleinform,Aantjes, met de plaatsnamenAnjum(oudtijds, en voluit,Aninga-hem, heimof woonplaats derAningen, der nakomelingen vanAne), een dorp in Dongeradeel (Friesland);Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.
Odolphieindelik is afgeleid vanOdolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen formAlef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: †AylvaenAleva(beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †Aylufsismaen †Alofsma, †Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis(zie bl. 98),Alfs, OleffsenOlfen. Buitendien nogAalvink(samengetrokken uitAlofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger vanRoelvink, op bl. 40 behandeld.
§57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgangiusachter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynschenamen, want dieius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in §22besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van:Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgangiuser slechts achter weg te nemen. De formenArntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen.Arntzen, Bols, HajenenHayen, HeinsenHeyns, Hillen(ook versleten alsHille),Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen(en het versleteneTiele),Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor.ArntzenisArnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon vanArnt, Arent; EyssonenJansson, zoon vanEyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon vanJan.—Borg(Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133);Haio; Hein(Hendrik);Hille(zie bl. 150);Jan; Matthes(Mattheus);Nolt(Arnold) enTiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen.Bol, Bolle, doorFörstemannalsBollovermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aanBols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aanBollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aanBolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aanBollington.—Metteis de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst vanBronsals een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamenMettenenMetteniusten grondslag ligt. ByFörstemannkomt deze zelfde naam alsMattovoor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: †Mettinga, Mettens, MetsenMetz(kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn),Metting, Mettjes, †Metsema, MetzenenMetskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig.StratenenStratenus, metStraatsma, StratinghenStraatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, doorFörstemannaangetoonde mansvóórnaamStratoaan ten grondslag ligt. In de lijsten vanWassenberghvindt men dezen naam,Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorpStratumzal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats vanStrato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaamVan Stratum.
§58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantalende onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen,van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naamJohannesafgeleid zijn.
De naam van den apostelJohannes, tevens die vanJohannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden.Johannesis een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hunJohn, de Skandinaviers hunJonenJens, de Duitschers hunJohannenHans, de Franschen hunJean, de Spanjaarden hunJuan, d’ Italianen hunGiovanni, de Russen hunIvan, Polen, Czechen en andere Slaven hunJan, Janko; de Nederlanders eindelik hunJohannes, Joannes(vooral in de roomsch-katholyke gewesten),Joan(meer in vorige eeuen, vooral in de 17de),Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed,Jan(overal in Nederland zeer algemeen),Hans(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),Janke, Jancko(als verkleinform in Friesland verouderd),Jentje(ook in Friesland, en in het geslachtWybrandiweêr verlatynscht totGentiusvoorkomende),Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formenJohanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijnweêrallerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden:Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78Enkelen van deze namen zijn myslechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al deJansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen deJansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland isJanseneen der algemeenste namen. EnStrackerjanvermeld in zijn werkDie Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn dieJansen, JanssenofJanszenheeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche formJanvan den mansnaamJohannesover geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.
§59. Al de geslachtsnamen, van §7af in dit werk behandelden vermeld, zijn patronymika,vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, demoedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen dermoedersvan de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus eenvrouenvóórnaam.