Chapter 12

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.

InDe Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens rechtSeerp Tjallingsheeten moest, naar z’n vaderTjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenootenSeerp Grietjesgenoemd, omdat-i onder den plak zucht vanGriet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkelSeerp GrietjesofJan Trijntjeszich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”

De heerP. Leendertz Wz. antwoordde hierop, inDe Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heerWinklermeent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend,Maaikes, Pietjensen dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens,Grietjeis in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maarTjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vaderTjallingis kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moederGrietjeis blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, nietSeerp Tjallings, maarSeerp Grietjesheet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. vanKlaas van Niesje, Aart van Naatje.”

Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd:Betse-Rinse-Piet, dat is:Pieter, zoon vanRins(Rins, Rinskeis een bekende friesche vrouenaam), dochter vanBetje(zieFriesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken eenSymen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat isSymen(oorspronkelikSîgman, nietSimon), zoon vanDirk, zoon vanPieter, zoon vanKee(Cornelis), zoon vanNeeltje(Cornelia); zieDe Taalgids, dl. IV, bl. 206.

Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-FriesC. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, enMerret Lorens Petersen Hahngenoemd werd.Dat is:Merret, de dochter vanLorens, die een zoon was vanPeter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heetteMoiken Manne Jens Eben, dat is:Moiken, de dochter vanManne, de zoon vanJens, de zoon vanEbe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.

In hetOstfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedichtErinnerungen an Borkum, de volgende regels:

Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.

Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s JohannundGeertrud’s Klaassind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.

Verder nog schrijftLeendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven:Hughe Fs. vheilsoeten(d. i.Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrouHeilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heerF. Calanduitgegeven; en van eenen ouden dichterClays ver Brechten sonegewaagtMaerlant,Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”

Ik kan hier nog byvoegen den naam vanJohannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79Swane, in verkleinformSwaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die alsSwaantje, Zwaantjenog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.

Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldtvan den Bergh.80Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K.,Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is:Pieter, zoon vanAaght(Agatha);Heine, zoon vanZuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje(zie hier boven);Hallink, zoon van vrouwLieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaamLiefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijlLieveeen vrouenaam was, even alsLieveneen mansnaam.

Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend:Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, TruyensenWillemijns. En in de tweede plaats:Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken.

Aagtjesis: de zoon vanAagtje, ook alsAagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaamAgatha.—Agneessensbeteekent: zoon vanAgnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam.MaayenenMaaikes, metMaeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamenMaaienMaaike(Maey, Maeyken), en dit zijn, metMaryenMaryke(Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemdekoseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamMaria.—GrietensenGrietjens, MagdaleensenWillemijns, vanGriete, Grietje, verkortingvanMargaretha, vanMagdalenaenWilhelmina, zijn duidelik genoeg.TrynesenTrynekensmetTrinesenTrienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid vanTrijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaamCatharina. EnTruyenskomt vanTrui, eene volkseigene afkorting vanGeertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen vanMaeykensenTrynekens. Thans zijn deMaaikestot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland.Trijntjesvindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande;GrietjesenTruitjesnog meer, ook in de steden. De namenAgatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, CatharinaenGeertruidazijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.

Iets anders is het met de geslachtsnamenAafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, LeentjesenPietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren.AafkeofAafjeis wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik.Duifje, Duvekeis een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt.Leentje(MagdalenaofHelena) enPietje(Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, vanAve(waar van de geslachtsnaamAvis, zie bl. 98), vanDuif(waarvanDuyvis, zie bl. 90), vanLeen, Leendert; en vanPiet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zookunnende geslachtsnamenAafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.

»MaarBetjesenElskensook?” zal allicht gevraagd worden. »BetjeenElsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaamElisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd.Betjekan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaamBette. Deze naamBettelevert met den mansvóórnaamBotte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet.BetteenBottezijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; deeen deozijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamenJelleenJolle, JelmerenJolmer, HelmerenHolmer, WerpenWorp, MelleenMolle, JetteenJotte, en de woordentherpenthorp(in Kollumerland),delendol, (visch-)netennot,gersengors(te Molkwerum),bernenbornofbenenbon(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinformBetse(eigenlikBettse, Bet-tse==Betke, frieschts==k) komt de mansnaamBettenog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamenBetting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, BetzenBetszijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamenBetteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland);Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland;Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.

Elskenskan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaamElske, Elsje(Elisabeth) of van den vroueliken form vanElse, als een patronymikon van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansnaamAlis, Eliso, die in den formElse, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten vanWassenberghenLeendertzgevonden wordt. Van dezen mansvóórnaamElsezijn nog afgeleid de geslachtsnamenElsingenElzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, ElzengaenElsen, met de plaatsnamenElswert, een gehucht by Kantens;Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;Elseghem(Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen;Elsom(Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen;Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.

Leenesonne(zie bl. 83) enLyseseune(zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen.Leenesonnekan zoo wel de zoon vanLeen(Magdalena, Helena), als vanLeen(Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. EnLyseseuneis naar myne meening wel: zoon vanLyse, Lijsje, Lize(Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamLis, doorFörstemannvermeld. AlsLisseenLisekomt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten vanLeendertzenBronsgevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v.Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaamLisegebruikelik is, heeft men erEliza, Elisavan gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen datLiseniet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaanscheLis, Lisemet de oud-hebreeusche namenElisaenEliasnatuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamenLiezingaenLyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneensLysen. En tevens de plaatsnamenLiesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein;Liessem(Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.

De metronymikale geslachtsnamenVan Gertruyden, Van LysebethenVan Lysebettenvertoonenweêreenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamenVan Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formenVan Geertruyden, Van Geertruyenen zelfs versleten alsVan Geetruyenvoor.

Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aanspotterny. My zijn slechts bekend:Cathelijn(Cathelyne, Cathelineis een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form vanCatharina),Henriette, Leysbeth(Elisabeth),Naatje(de gewone hollandsche verkorting en verkleinform vanAnnaofWilhelmina, of van eenigen anderen opnaeindigenden vrouenaam),Salomé, Sophie, Suzanne,Susanna,SusanenSoesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets inDe Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaamXantippevoorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.

§60.Veris eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woordvrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt:Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in deAnnales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd:Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordjevermaakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen,Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, VerjuttenenVernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke methersamengesteld, en in §52en 53 beschreven zijn.

Veraechtens, met den volleren formVeraechtenszeuneen met den afgesletenen formVeraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent:Vrou-Aachten-zoon, de zoon vanVrou-Aagt, van de vrou dieAgathaheet.Vreven, enVreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking vanVereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’szoon, de zoon van vrouEva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik.Vertruyenis: zoon vanVrou-Truye, van de vrou dieTrui, Truda(Gertruda) heet.Vergrietensis: zoon vanVrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesoneis: zoon vanVrou-Heyle, van de vrou dieHeileheet.Heile,(in verkleinform ookHeilkeenHeiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik.VerjansenVerjuttenbeiden beteekenen: zoon vanVrou-Johanna. ImmersJans, Jansjeis nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemdekoseformvanJohannain gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naamJohannain het dageliksche leven totJutte.

Vernalekeneindelik is:der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue)Aleke, de zoon van de vrou dieAlekeheet. EnAleke(Aaltje) is een verkleinform vanAle, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is vanA(de)la, Adela, Athala, (ookEdele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graafKarel de Goede; zy was eene dochter van koningKnutvan Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen formAdèlede eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formenAaltjeenAaltiennog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.

In de middeleeuen treffen wy de metronymika metverer voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ikBouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.

De friesche taal kent de lettervniet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woordvrouin het Friesch alsfrouluidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitschefrau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene formfervoor, in plaats vanver, als elders in de Nederlanden. Ditfertreffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam †Ferhildema(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) vanFer-Hilda, vanvrou Hilde), een echt metronymikon.Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaamHildema(zonder het voorvoechselfer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naamHildis, Hilda, ook in hare samenstellingenBerchthildis, Machthildis(Mathilde),Hlothildis, Chlothildis(Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den formHiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke(Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.

In den vlaamschen geslachtsnaamVerannemantreffen wy ditver==vrouook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot demoedersnamen rekenen.Verannemantoch beteekent niet dezoonvanVrou-Anna, maar deman, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstmandier vroue. Zie §45.

Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamenMoederzoon, Meyskens, Nonnekens, VrouwesenWyvekensvermeld worden.Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formenMoyersoenenMoeyersoonvoorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval alsMoyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woordmetronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaamVaarzonenVaarson(vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woordpatronymikonkan beschoud worden. EenJan Vaderszoonwordt vermeld inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens, bl. 404.Meyskens, de zoon van eenmeysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. MaarNonnekensenNonkesbehoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamenMunniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, MuynckxenMunniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maarNonnekensenNonkeskunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, doorFörstemannvermelden mansvóórnaamNunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono.Deze naam komt, ook in verlatynschten form alsNonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen †Nonninga, versleten tot †Nonia(zie §29), en †Nonekavan den verkleinformNoneke(even alsNonnekensenNonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikonNuningakomt nog heden in Groningerland voor, in spelling totNuinengaverhollandscht. Eindelik nogNoninckxenNoeninckx, NüninghoffenNunninghaven(zie bl. 52). DeNonia-sateis te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), enNünningenis een dorp by Fallingborstel in Hanover.

De geslachtsnamenVrouwesenVrouwe(afgesletene form vanVrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voordvrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaamFrau, Vrou. Het woordvrouheeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woordfraujaheer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan alsfrou(domina). DatFraw, Frau, Froeen oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men inFörstemann’sNamenbuchvinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamenVrouwesenVrouwe, met †Froukana, †Frouwamaen †Fraukema(van den verkleinformFrauke), enFroma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast eenFroma-heert, en te Niehove eeneFroma-satevinden.

Wyvekensis, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woordwijf, in verkleinformwyveke,wijfke,wijfje(dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaamMannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaamWyveke, verkleinform vanWiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. VolgensLeendertz’snaamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardformWivinakomt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook alsWyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden formWyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekensis zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.

De maagschapsnaamDer Weduwebehoort ook tot deze afdeeling. Debeteekeniser van,zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt,Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam alsDer Weduwé—eenigszins verfranscht.

Zoo eenvoudig en duidelik de naamDer Weduwete verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaamDer Kinderenaan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook alsVan der KinderenenDer Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam,Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die’T Kintgenoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zichJanofPiet Des Kindsmoeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform:Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen,de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naarde kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon byde kinderen. Heet die knechtPieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneensPieterheet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hemPieter der kinderente heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.

Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, isWitvrouwen. De afgesletene formenWitvrouwe, WitvrouwenWittevrouwkomen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een waremoedersnaam beschouen, maar, even alsDer Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namenDer Weduwe, Der KinderenenWitvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.

§61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.

De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.

Aertgeerts, de zoon vanAert-Geert, vanArend-Geraart.—Hansates, de zoon vanHans-Ate.—Hansis de algemeen bekende inkrimping vanJohannes, enAteis een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik.De geslachtsnamenAtes, AatsenAtenmetAtingaenAtemaen †Aatsma, en de plaatsnamenAteburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), enAtens(Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaamAte.

CoppejansenCoppieters, de zoon vanJacob-JanofJacob-Johannes, en die vanJacob-PieterofJacob-Petrus. DatCop, Coppe, Kopoud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaamJacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »CoppeofftJacop Meluszoen.”81Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaamKop. De geslachtsnamenKops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschteKoppiuszijn er van afgeleid.—Koopmeinersis de zoon vanKoop-Meiner, vanJacob-MeinertofJacob-Meinhart. Want even alsKop, zoo is ookKoop, metJaap, KobenenKobus, ook metJapikenJappe, en misschien metJakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaamJacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, isKoopals een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamenKopingaenCopinga, Koopsma, Koops, CoopsenKopenzijn er van afgeleid. Het patronymikonCoping, de weêrga van de friesche vadersnamenKopingaenCopinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even alsCoppingsykenog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).

Jansegersis de zoon vanJan-Seger, vanJohannes-Segher.—Segeris een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook alsSieger, Siger, in Holland alsZegernog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamenSiegerink, SigersmaenSiegersma, Siegers, SegersenZegers, met †Sigeraafgeleid, en de plaatsnamenSigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en eengehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verderZegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen;Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.

Kortjanseis: de zoon vanKort-Jan, vanKoenraad-Johannes. WantKort, metKoort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaamKoenraad. BehalvenKoenraadsenConradizijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van:Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty(zie bl. 74),Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ookKuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders detweeklankoealsueuitspreken (groen=gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaamKortjanseeen patronymikon zy vanKort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”

De maagschapsnamenJanclaesenPieterhanseischen geene nadere verklaring.Perclaesis:Peter-Klaas; Per, Peer, Peerkenis in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform vanPetrus.—Woutermaartenseindelik enWautermaertens(deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.

De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v.Langewoutersbeteekent zoon van den langenWouter; Langejanis duidelik genoeg. OokJongejanenJongejans; Oudejan, OuwejanenOudejans, metOljans, in versletenen saksischen form;Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, OuweneelenOldeneel(Neelis eene verkorting vanCornelis82;JongepierenAupiers(Pieris eene vlaamsche en friesche verkorting vanPieter, Petrus; Aupiersbeteekent: zoon van den oudenPieter, in brabantsche gouspraak: van den ouenPier, van denAu-Pier.) VerderRoodhansenRoothans, dat is: de roodeHans. Echter komtRoothaanook voor als geslachtsnaam (zie §132), enRoothanszoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik.Jongkees(Keesis de bekende volkseigene verkorting vanCornelis),KleynhensenCleynhens(Hens, Hans, Johannes),Ouweleen(Leenals verkorting vanLeendert),Sterkendries, LangendriesenLanghendries(Driesals verkorting vanAndries), eischen geen van allen naderen uitleg.Schoonhein; de schooneHeinofHendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaamSchönhain, die geheel iets anders beteekent.SchoonejansenNevejans, (zoon) vanNeef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ookSchonejans, Schoonjans, Schoniansen het half verfranschteSchoonéansaan, metNevejanenNeveyans. Een tegenhanger vanSchonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaamGrotrian, die nevensGroterjanvoorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als metGrotjohan, GrootjanenGrootjans.—Grotrian, Groterjan, GrotjohanenGrotjohannzijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen,Lütjohan, dat is: de kleineJohan, enLüthenning, de kleineHenning; Henningis het patronymikon vanHenne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naamGrootjanvindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaamGroshansen in den oorspronkelik franschen maagschapsnaamGrosjean, even alsKleinjaninPetitjean; in Engelland komtLittlejohnals geslachtsnaamvoor.Wilderjansis zeker wel (zoon) van den wildenJan, en doet door dierook aan hoogduitschen infloed denken; terwijlHeetjansmy tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoordheet=warmgedacht worden? of aanheeth,heede,heide?Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlikTijs(Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf.Kroeseklaasis dekroese, dekroes-ofkrulharigeKlaasofNicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen.Poggenklaasis minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene paddepogge; zie §133.Appeljanis oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenenJandie appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had.TimmerhansenTimmerjanszijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenenHansen eenenJan, die timmerlieden waren, en diesTimmer-HansenTimmer-Janwerden genoemd.Schipperheynis oorspronkelik de bynaam van eenen schipper dieHein, Hendrikheette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam alsSchippereinvoorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, dehverloren.

Quahannenseindelik, ook alsQuatannens, Quattannens, enQuathannensvoorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon vanQua-Hannesof vanQuaet-Hanne, van denkwadenJohannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man dieHannesofHanne(Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappende kwadeHannes, Qua-Hannesgenoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke metkwaadsamengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. EenPietere Quaclaeys(Pieter, de zoon van den kwadenKlaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie deAnnales ducomité flamand de France, 1853, bl. 236.)En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heetteElisabethQuaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabethdroeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaamQua-Betteontfangen. Ook keizerKarel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoeElisabethde menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.

By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord nietvoor, maarachterden oorspronkeliken mansnaam geplaatst:Dirkzwager(een tegenhanger vanNevejan) enDirkmaat, JanmaatenPietermaat.Maatis een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook welgoede-vriendbeduidt;goede-maats,goede-maatjesmet iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort totbootsmaat;koksmaat,timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurmanmate; bedoeld is: dematevan den schipper of kapitein. EnJanmaatis de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamenJanbaasenJanknegtbehoeven geen uitleg.Leentvaaris een gemoedelike naam voorVader-Leendert,even alsKeesomvoorOom-Kees(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraakomvooroomoudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli.Janbroersis: de zoon vanBroêr-Jan, vanbroederJan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo alsWoutermaartensis. ImmersBroeris een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, dieFörstemannreeds alsBrotharvermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen:Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens(van den verkleinformBrörke), enz.

§62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, alseenigenamen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog nietbegonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.

Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn:Alewijn(Adelwyn, Adelwin, Athalwin== edele vriend).Allewaert(Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamenAlverdinken †Alvaarsmaafkomstig zijn).Beerewoud(Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaamBarwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid).BlomhertenBlommaert(zie bl. 93 en 94).BurghardtenBorchart, ook, by letterkeer,Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamenBorgrink, Burgerding, Burgers, Borchertsafstammen.Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamenDetmering, DetmersenDethmers, metVan Ditmar(zie bl. 130 en 148).Eerebout(Erbalt).Einhout(EginholdofAginald).ElewautenEllewaut, en in samengetrokkenen formElout(met den plaatsnaamEllewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland).Gheerbrant, GillebaertenGillebert.Ghiselin(Gyselyn, een verkleinform vanGise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamenGiezing, GyssenenGiezen).Gisolf.Haanraadt(dat is oorspronkelikHagenrad).HarrewijnenHerrewijn(oorspronkelikHerwin, Hariwin).Herrebaut, HeerboutenHerreboudt(Haribald).Herrebrandt.Hillegeer(Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaamHilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenHilgerinkenHillegers.Hillewaert(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaamHilwert, waar de patronymikale maagschapsnamenHilwerdaenHilverda, HilwertsenHilwers, Hilverding, HilverdinkenHilverinkvan afgeleid zijn, met de plaatsnamenHilversum(Hilwarthisheim, Hilwart’swoonplaats), een vlek in het Gooiland;Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand(oorspronkelikHuldbrant; eenHulbrand Sicka zen, dat is:Holbrand, de zoon vanSicko, ofSikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84IsenbaertenYsebaert(Isanbercht, later in Holland en Friesland ookYsbrecht, waar van de plaatsnaamYsbrechtum, dat is:Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland).Merwart.Oortwijn(Ortwinis wel bekend uit de Gudrun-sage).Meilof(oorspronkelik en voluitMeginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeerMeinlofen eindelikMeilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor ditofeenehwas verloren gegaan, heeft men dezen versletenen formMeilofweêr veranderd inMeilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt.OswoldenOsewoudt(Oswald, Ansowald).Rooryck(oorspronkelikRoderyk, Rodrik, Hrodrik, alsRoderichin Duitschland, alsRodrigoin Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende).Ryckewaert(Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen †RickwardsmaenRiquards.Snellebrand.ThiebautenThiebout(Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145).Volbout(Folcbald), in FrieslandFolcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamenVolbeding(Folcbalding) enVolbeda(Folcbalda).VramboutenVroombout(Frombald, Frumold).

Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen:Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, alsAlbertnog in volle gebruik.Baudewijn, BoudewijnenBoldewijn, ook verfranscht alsBauduin(Baldwin).Everwijn(Eburwin, zie bl. 116).Godschalk, Gosschalk(Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar).HillebrandenHildebrandt.Bertram(Berchtraven).DittlofenDitloff(Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamenDitlofs,Detelfs, DetlefsenenDetheleven.Leopold(Luitpold, Liutbald).Librecht(Liudbrecht), verbasterd alsLiebert, LibbertenLubbertnog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamenLiebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, LubbersenLubberden(zie bl. 101).WalravenenWalraf.Wibaut(Wigbald), alsWiboltnog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen †Wibalda, †Wibolda, †Wyboltsma, Wigboldy, Wiebolsen de plaatsnaamWybelsum(Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland.Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamenWilmerink, Wilmering, Wilmers.Wolfgang.Udo.WyboenWibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formenWybeenWiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamenWybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinformWiebeking, patronymikon vanWibeke, zijn er van afgeleid.

Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeeroudeformen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunnehedendaagscheformen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn:Beernaert, tegenwoordigBernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid.Everard, Eberhardt, tegenwoordigEvert, ook als patronymikale geslachtsnamenEveraarts, Everaedts, Eberhardi, metEverda(zie §44),Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz.Gheeraert(Gerhard), tegenwoordigGerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvanGerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, GeertsemaenGeertsma, enz.HughebaertenHuygebaert(Hugibercht), tegenwoordigHubrecht, Huibert, waarvanHuiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz.Meynhardt(Meginhart), tegenwoordigMeindert(zie bl. 129).Volkwaert(Fulcwart), tegenwoordigFolkert, Volkert(welke versletene form echter eveneens uitFulchartontstaan is), en waarvan de geslachtsnamenFolkerts, Folkertsma(zie bl. 129) enVolquardsen.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in §37behoorden vermeld te worden. Het zijn:Ganglofs(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, alsWolfgang).Gerrebrands(Gerbrandis in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik);Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymikaGerbrandsin algemeen-nederlandschen,Gerbrandain frieschen,Gerbrandyin verlatynschten form.Gevaerts, en in versletenen formGevers; de volle, oorspronkelike formGebhardkomt ook als geslachtsnaam voor.Reinouts(Reginhald) metReinalda(zie bl. 113).Roelants(Hrodlant), metRolands.SyboutsenSibolts(Sîgbald), metSybeda(oudtijds in minder versletene formen als †Sybaldaen †Sybadavoorkomende), †Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamenSebaldaburen, dorp in hetWester-kwartier, enSiboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland;Sibada-statete Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland);Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, enSibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland.Volkmaars(Fulcmar), versleten totFolmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamenVöllmar, FolmersenVolmers, VolmerinckenVolmerink, enz.

§63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamenAbsalon, Baruch, Boas, DavidenDavyt.85Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamenAnanias, Bartholomeus,86enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, vanLucasenStephanus, afkomstig zijn. VanLucaskomen:Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ookLoeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,Lukenga, Luikenga, Luikinga. En vanStephanus, in het dageliksche levenStevenenSteffen, komen:StephaniSteveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamenIsraël(ookIsraëls),Tobias, Daniël(ookDaniëls),Emmanuël, GabriëlenRaphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.

Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamenFazingaenFaasma(oudtijds ookPhaesmageboekstaafd), inFasenenVaassezoo terstond den kerkeliken mansvóórnaamBonifacius, verkort totFaas? Of inBleesing(†Blesingha),BlesenenBlesmaden naamBlasius, die oudtijds door het nederlandsche volk alsBleesgesproken werd? Of inKopinga, Jacob? inTiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? inKastmaenKassen,Christianus,Karstiaan, Karst? inCenten, Vincentius? inCeelen, Marcelis?

Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v.Augustinus(Augustinikomt ook voor),Bonefaes, Clement, Dominicus,87enz.

Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v.CaesarenCezar, Milo, Plato, Scipio, FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.


Back to IndexNext