§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.
§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.
§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.
§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.
§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.
§64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.
Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aardaangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen,quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik deconditio sine qua nonder vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.
De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dusRutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steedsSmitgenoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlikRutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutgerde zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan metLieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudigVendrikgenoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudigMulderwerd genoemd. Immers die kinderen noemde menWarner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.
Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ikkan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen.Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88De geslachtsnaamBierstekers(het enkeleBierstekerkomt ook voor, even alsBeerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt.Ketelbuetersis een brabantsche form voorketelboeters, d. i. de zoon van denketelboeterofketellapper. Wat een man uitvoert dielatynhouweris, waarvan de geslachtsnaamLatynhouwers, beken ik niet te weten.
Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin,verschillendewyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform ops, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform openvertoonen, of dien met het totsverkorte lidwoorddesvóór zich hebben. Zulke namen zijn:Prinsen(enPrincen) met den versletenen formPrinse, die ook alsPrincegeschreven wordt;Greven, de zoon van dengreve, den graaf;SchoutenmetSchoute, ScholtenmetScholte, SchultenmetSchulte, alles de zoon van denscholteof van denschoutbeteekenende, ’t zy men aan ditschulteenscholtede saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie.Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schoutetenis oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen formSchoutheet, Schultet, Schuldheiss.In latynschen form komt deze geslachtsnaam alsScultetusvoor. DatSchoute, Schulte, Scholteechter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld.BoerenenBoere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. ByPrinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als byKeizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woordkeizer,koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie §119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen alsPasteure, Paaps, PapenenPape(metSpapenen †Papinga),Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksmaenz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woordenpasteurofpastoor,paap,monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden.Bottemanne(Bottemannen, de zoon van denbotteman, van denbotvisscherofbotverkooperofbotboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.
Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegdes(desin den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in §51en 52 vermeld is) zijn de volgenden:’S Hertogenen’SHertoghen, ook samengetrokken totSertogen, de zoon van den hertog;Smeyers, de zoon van den meier;Smeysters, van denmeysterof meester;Smessemaeckers—van den messemaker;Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaamMoltmakerkomt ook voor, als tegenhanger vanSmoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout,Schmalz= gesmolten vet).Smeuninx, de zoon van den monnik;Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg.Snaeyers, de zoon vandennaaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76);Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen.Sroevers, zoon van den roover? Het enkeleRoevers, nevensRoversenDe Roever, De Roverkomt ook voor.Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden vanWeerts(zie bl. 115) en vanSweers, het patronymikon van den mansvóórnaamSweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naamAhasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet,Sweermoesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nogSwevers, de zoon van den wever, en’S Heeren, de zoon van den heer.
De maagschapsnamenSauwen, de zoon van denauwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van denouden(man).SlangenenSlanghen, des langen (mans zoon), enSwalensdes Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ookSwildens, ZwildensenSwillens(des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.
In de spelwyze van de geslachtsnamen’S Graeuwenen’S Graauwenis, even als in die van’S Heeren, ’SHertogen, ’S Jongers, desmet het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelikeDes, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met ditdeszijn samengesteld, wordt meestal die versletene form’Sonmiddellik, als gewoneS, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte,SmuldersSwolfs, enz. Zie ookSgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbindingsgrvolkomen zóó alsschr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam’SGrauendroeg, haren naam thans alsSchrauenspelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paarandere geslachtsnamen is de oorspronkelike’S GofSgook inSchovergegaan. Te weten, bySchravemade(oorspronkelik’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), byVan SchravesandeenVan Schravendijk, die aan de plaatsnamen’s-Gravesandeen’s-Gravendijkontleend zijn. En tevens bySchoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar dewasch, hetwaschgoed, en het gooische dorp’s-Gravelandbedoeld worden.
’S Graeuwen, enz. beteekent:des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogeneDe Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe Graauwekomt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel alsDe Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie §126.’S Graeuwen, vooral’S Grauenzoude echter ookkunnenbeduiden: desgrauen, desgraven(zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89
Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die dennieustentweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetselvan(zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamenVan den BoerenVan Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) vanKoster, van den man die den beroepsnaamkosterreeds als eigennaam voerde.
Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamenGraafsma, Jagersma, Koksma, KuipersmaenRiddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg.Bykersmais afgeleid van het friesche woordbyker, ookymker(zie §153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille,byenofymen,immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus.Fabersmais een merkweerdige naam, wijlin dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn.Fabertoch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voorsmid(men vergelyke hier den naamLeefsmaop bl. 130).Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg vande turk, is een tegenhanger vanSwalens(zie bl. 185) en vanVlaemynckx, Sassen, Frankema(zie §69), enz.Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld.BoersmaenBoersemakunnenzoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaamVan den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaamBoer, Buredenken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ookBurema, Buurma, BuiremaenBuirmaontleend; zie bl. 79.
Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §108–121 behandeld zijn.
§65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, ops, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in dengevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over.Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats vanJan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoonofJan, de zoon vanSnoek,—Hein, de zoon vanRoô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, nietrechtstreeksen op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maarmiddellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen.Asselberghb. v. enBruylantzijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamenAsselbergs, enBruylantsenBruylandtsvoor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaamAsselbergofBruylantdroeg, b. v.Karel Asselbergsnoemde, ofFerdinand Bruylants, dat isKarel, Asselbergh’szoon,—Karel, de zoon vanAsselbergh, enz.
Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden:Boogaerts, BrabantsenHollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.