§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.
§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.
§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.
§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.
§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.
§66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam vanDe Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naamby verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.
Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.
§67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.
DuitscherenDen DuitsofDenduitsmetDuytscheenDen Duytsen, ook op hoogduitsche wyze alsDeutscherenDeutschmanngeschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaaren gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nognederduitsch, zelfs welduitschslechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17deen 18deeeu.
»Wij spreken immers altemaal,Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”
»Wij spreken immers altemaal,
Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”
gelijkLangendijkin een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. EnHugo de Grootspreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelalBovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naamNederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naamDuitscherweinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamenDe SwaefenDe Swaaf, metSwaapenZwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naamSchwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. VerderDe Hes, HesenHesse; VelingenVelingermetWestfaalenWestphal. De formVeling(beter wareFeling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eeneninboorling van Westfalen met dezen naam. De formVelinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik.Westfaalis verhollandscht van den hoogduitschen formWestphal, die nog, uit den pruiketijd, eenephin plaats vanfvertoont.Munsterlanderis iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt.Saks, Sax, SachsenSachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam,Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. VerderDe Beyer, Beyer, Beyerman, BayerenBayermann.Beyermankan echter ook beteekenen: iemand diebeiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken.Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformenFränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter isFrank, metFranke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaamFrankkan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie §69.
Of de maagschapsnamenDuyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling alsDeutzhier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaamDuut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel,Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadjeDeutzaan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaamLallemaneene verdietsching van het franscheL’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.
Als men den maagschapsnaamStadlanderbeschout als aanduidende een man die inStadlandt’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers hetStadlandis eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.
In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woordenstadenland, gaf men dezen naamStadlanderwel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op hetland, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eenerstad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, deStadlandermet name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaamStadlanderook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van denGroninger Volksalmanakvindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naamStadlanderzoude aangenomen hebben.
Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, EngelanderenBritt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.
Schot, Schott, Schotsmanen ook als patronymikon, in den tweeden-naamval,Schotsmans. De overeenkomst, in de 17deen 18deeeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie §164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.
Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebbenzich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamenZweedenSweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den DeneenJut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in §104nader vermeld is. Maar de maagschapsnaamJutbehoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17deen 18deeeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.
In West-Vlaanderen is de maagschapsnaamDaenekindtinheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaamDaeninck, ookDaeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16deeeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaamDen Dene. Ook de geslachtsnamenDaane, Daene, Danen, met het hoogduitscheDaehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldtFörstemannin zijnAltdeutsches Namenbucheenen oud-germaanschen mansvóórnaamDano(toch ook in de beteekenis van den volksnaamDeen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.
De maagschapsnamenZwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsformZwitzers, metSwitsar, ZweitzerenSchweitzer, vereischen geene nadere verklaring.
Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:
Franschman, Fransman, Frantzmann(zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), metFrancois, Le FrancoisenGallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden formFranswa.Francoiskan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam.Franco, in vreemden form, enDe Francwil ik hier liever als verscheidenheden vanFranschmanrekenen, dan ze totFrank(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.
Normandduidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, enPicardiemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formenPiccardt, Piccaerdt, PikaarenPickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.
Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamenDe Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen formWahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteernop zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie §164.
De namenSpanjaard, SpanjaerdtenSpanjer(ook in de fransche en hoogduitsche formenEspagniolenSpanierby ons voorkomende),Portegies, Italiaander, Lombard, LombaerdtenWallachvereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den formItaliaander, overeenkomende met het hoogduitscheItaliäner, voor het meer boekscheItaliaan. EnPortegies, in plaats vanPortugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamenLombard, De Lombaerde, De Lombaertduiden iemand aan uit Lombardye; terwijlWallachiemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook alsWallichenWalchvoor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaamBlochvermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde alsWallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaamBlochdoor duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woordWallach= Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, alsblochuitgesproken;walch,wolch,wloch,bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier:Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naamvan hunnen landaard—WallachenBloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamenBlogenBlok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe.Blogis eene misspelling vanBloch, enBlokis eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden alsich,fluch,machen, enz., in het Nederduitschik,vloek,maken; dies ookBloch=Blok.
Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:
RusenRusmanmetMoscoviter, PoolenPolak, ookPohlenPolack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naamPolakhier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. OfPoolman(metPohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitschePoelman—afgeleid vanpoel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaamCourlander. De geslachtsnamenBosnak, iemand uit Bosnie,GriekenDeGrieck, enSlowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.
De naamOostinjerzal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namenDe Jode, De Joode, De JeudeenDe Judemoeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevensTurk, Turcq, De Turck, enDen Turck, enMoor, De Moor—metMohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of denamenMoormanenMohrmannhier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel eenMoorman(de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2Toch komt het my waarschijnliker voor datMoormaneenvoudigmoermanofveenmanbeteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzenmooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamenStapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., enMoormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namenMoermanenVeenmankomen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.
Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamenRomein, RomeynenRomijn, met den hoogduitschen formRömer, en waarschijnlik ookRomerenRomar—enBatavier.Romeinzal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn.Römer, RomerenRomarkunnenook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaamRodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeerkunnenzy de byzondere naam van een drinkglas wezen, alsromernog heden in Friesland in volle gebruik.
Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamenOosterling, OosterlynckenDen Oosterlingh, metWesterlinckenDe Westelinck, en misschien ook metWestermanenOstermann.
Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten alsNiederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander inonzenzin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”
In Vlaanderen komt de geslachtsnaamStragiervoor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekentvreemdeling.Stragieris een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het franscheétrangeren het engelschestrangerden zelfden oorsprong heeft.3De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaamLandsaat, ook in misspelling alsLandzaadvoorkomende.
§68. Maar niet slechts van de namen vanvreemdevolken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen vaninlandschevolksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaamDe Vriesaan, metDe Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, FresemanenVrieslander. De naamDe Vrieskomt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naamDe Vrieszoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen enDe Vriesheeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaambehielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamenDe Vries, by dikwijls in het geheel niet verwanteisraëlitischegeslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naamDe Vriesschijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naamDe Vriesmaar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen formVrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naamDe Vriesgeenszins zeldzaam, terwijl hy ook alsFrieseenFresein Duitschland, alsFrisonte Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaamDe Vriese, De Vriesalmede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4
De geslachtsnamenDrentenDrenth, GeldersmanenGelderlander, zekerlik ookGeldermanen het patronymikaleGeldermans;verderHollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, ZeelanderenZélander(sic),Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymikaFleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nogDe Brabander, Brabänder, BrabänterenDe Brabandereeischen geene nadere verklaring, evenmin alsTwent(iemand uit Twente),Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—GooyerenGoyjer(iemand uit het Gooiland), enDe Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, KempenaarsenKempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.
Van onze eilandbewoners zijn de namenSchellinger, Vlielander, Tesselaar, SchokkerenBevelanderafkomstig. OokJuister, van ’t oostfriesche eiland Juist.
§69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v.Friesinga, Sassink, Frankema, BeyerinckenBeyering, Swavink, Daeninck(zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namenFries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formenFresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing(met latynschen uitgangFresenius), enSassingametSassingvoorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn:Frisia(saamgetrokken uitFrisinga),Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena(zie §46);Frankena, Franckena, Francken, Franken(Vranckenkomt ook voor),Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammelingof zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.
Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaamProvinciael, waar ik den geslachtsnaamVan Hoofdstadtaan den eenen kant, en de maagschapsnamenSteemanenStheemanaan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namenVan der StadenVan Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaamEilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ookalgemeeneaardrijkskundige namen (zie §94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.
§70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in §66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenenZwolsman, den anderenLeyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.
Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v.GulikerenDe Guliker, Munsterman, Oldenburger,5enz., van de stedenGulik, MunsterenOldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen:Altorfer(vanAltorf, eene stad in Zwitserland),Augsburger(vanAugsburg, stad in Zwaben, Beieren),Berliner, Binger(vanBingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v.Darmstädter.
De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namenvan inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordjevan. BehalvenZwolsmanenLeyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend:Bruggeling(een ingezetene van de vlaamsche hoofdstadBrugge),Oostburger(van het stedekeOostburgin Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamenOpzoomer, OpzomerenOpsomerbehooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaamBergopzomer8zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stedeBergen-op-Zoom. Mijn eigen naamWinklerbehoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorpWinkelby Medemblik in West-Friesland. De naamWinkler, ookWinckler, Winkeler, Winklaar, WinkelaarenWynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn dieWinkelheeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ookin Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam alsWynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaamWynkeleer, metDe Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht alsDe Winquelairen misschien ookVinqueleir.
Eindelik nog dient de geslachtsnaamSuringarhier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door datarop ’t einde in plaats van het meer gewoneerwel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorpSurich(ofZurigenZurich), en dusSuricherzoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaamSurichontleend, werkeliksuringluidde. In hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgangarin plaats vaner, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaamSwitsertoch hebben wy ookSwitsar(zie bl. 195); nevensRomerookRomar(zie bl. 198).
§71. Met het boven besprokene achtervoechselerofaar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechselstrain het Friesch. Ditstrais Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Frieschster; b. v. friesch:de boarnster tûr== de toren van het dorp(Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van deLemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:Tiettzerckstera dela, heden ten dageTietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorpTietjerkgenoemd is;Kiestra sîl, tegenwoordigKeester zijl, de sluis by het slotKieofKee, enz.
In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechselstraeindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van dezestra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen operofaaruitgaande.Balkstra(van het vlekBalk);RiedstraenRiestra(van hetdorpRied);Speerstra(van het gehuchtSpeers, ook welSpeersterhuizen, oudtijdsSpeerstrahusengenoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9
§71. De oude Nederlanders, vooral in de 16deen 17deeeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§22en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in §167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan.Jacob Harmenszoon van Oudewater(hy was van het zuidhollandsche stadjeOudewatergeboortig) b. v. vertaalde zynen naam inJacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekereHendrik, in het drentsche dorpBeilengeboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zynegeboorteplaats hing. Hij noemde zichHenricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v.Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamenAkkrum, een dorp in Friesland, van de stadNymegen, en vanRolde, een dorp in Drente.10ZekereRuurd, vanAkkrumgeboortig, een herformd predikant in de 16deeeu, verlatynschte zynen naam inRuardus Acronius.11Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.
§72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namengeformduit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar deenkelenamen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren,zonderdie namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komennog onder ons voor; b. v.Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechselvan. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring.AmericaenOostindiëzijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, inAmerikaen inOost-Indiëhadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren.Spitsbergenis de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17deeeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaamSpitsbergen(die ook, volgens den hollandschen tongval, alsSpisbergenvoorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland.Zuidstrandis de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaamZuidstranddus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaamNoordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eilandNoordstrandis sedert de 17deeeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.
De maagschapsnaamBeeuwzieris oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaapBeachy-headaan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam vanBrevesier, BeevsierofBeeuwzier, en dit is eene verbasteringvanPevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12
Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog:Beyeren, Holsteinen het misspeldeHolstijn, Maltha, enz.13Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamenBrabant(met den patronymikalen formBrabants),Betuwe, Gaasterland(in Friesland),Gelderland, Holland(met de patronymikale formenHollandsenHollandts),Maaskant, StellingwerfenStellingwerff(in Friesland),VlaanderenenVlieland. En den geslachtsnaamZeekantmag men hier ook wel toe rekenen, even alsJuist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nogNederland.
Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemdeplaatsenzijn, noem ik hier, behalvenBelgradoenJerusalem, nog:Barnouw(Barnow, dorp in Pommeren),Bakewel(in Engelland),BethlehemenBetlem, Bourdeau, enz.14De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onzevoorouders de stadDanzigaan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” enDanswijckkomt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamenRomenyenRummenieook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadjeRomneyin Engelland, naby deSingels(Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan hetNau van Kalesgelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook isRomenyeenvoudig de naam vanromenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.
Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen vanpoolschesteden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naamKonijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dierkonijnontleend zy. Waar die zelfde naam, ook alsConijnvoorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naamHaas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.
Dat reeds in de 17deeeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert onsCornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naamCompostelis oorspronkelik de naam van de stadSint-Jacob van CompostellaofSantiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaamSantiago de Compostellais, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynscheSanctus Jacobus Apostolus.15En dat die spaansche verbasteringCompostellain Nederland op hare beurt niet slechts totCompostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschriftDe Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van CompostelleofStelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaamStelleden spaanschen naamCompostellaen het latynsche woordapostolusvermoeden?
§73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan;Anspach, Bamberg(Ansbach, ook even vaakAnspachgeschreven, enBambergzijn steden in Frankenland, Beieren);BerlijnenBerlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stadBielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. VerderBreslauenBreslou, Darmstadt, DortmundenDortmond,16enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden inDuitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen:Achenbach(dorp by Siegen in Westfalen),Ahaus(stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen),Aurik(stad in Oost-Friesland).17In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v.BoerlageenBuurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats vanBurlage, Geilenkirchen,GildehausenMörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.
Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:Bischoffsheim(dorp in Rijn-Hessen),Breidenbach, ook in hollandsche misspelling alsBrijdenbach, en verdietscht alsBreedenbeek(dorp in Hessen aan de Lahn),Görlitz(stad in het koninkrijk Saksen),Kaub(stadje aan den Rijn in Nassau),MärkelbachenMerkelbach, ook in misspelling alsMarkelbach(dorp in Nassau),Oppenheim(stadje in Rijn-Hessen),Oschatz(stad in het koninkrijk Saksen),Stevenhagen(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd totStemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadjeStavenhagenin Mecklenburg),Trarbach(stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),Wertheim(stad aan de Main in Baden), enz.
De geslachtsnaamSarlouisis ontleend aan den naam van het stadjeSarlouisofSaarluis, in Lotharingen. Ook alsSarluisenSerlui, en zelfs geheel verbasterd alsScharlewiekomt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaamCharlouisook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamenSjaarlouis, SjaarloosenSaarloos, van den naam van het overmaassche dorpCharlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.
Hernalsis de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenHernalsteen, ErnalsteenenErnaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren.Misschienligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam vanHernals-steinvoert, enkunnenvan dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17deen18deeeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letterhinErnalsteenverloren gegaan, en toontErnaelsteennog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.
De geslachtsnaamNederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorpNiederkornofNieder-Korn(daar is ook eenOber-Korn), in Luxemburg.
De geslachtsnamenEmmerikenEmrikeindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stadEmmerikin de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens.Emmerik, Emmerichis echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaamkandus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikonEmmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.
§74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden:Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamenzijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn:Bakhuizen(een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland),Reen(gehucht by Lutke-Wierum, Friesland),Tjallewal(gehucht by Schagen, West-Friesland),KnossensenCnossens(gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland),Bobeldijk(gehucht by Berkhout, Noord-Holland),DelfgaauwenDelfgou(gehucht by de stad Delft),Harscamp(een landgoed by ’t geldersche dorp Ede),Onsenoort(gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamenStroobosenValomveel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchtenStroobosin Achtkarspelen, enValomin Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v.Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland,Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg;Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by hetvlek de Joure;Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem;Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamenHoogerbeetsenHogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekendeRombout Hoogerbeetsvoerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichterJohan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waarRomboutenJohandeel van uitmaakten.19Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaamBeetsin Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorpBeets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaamGonggrijpis eigenlik de naam van het dorpkeGoingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. MaarDeutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaamDeutinchem(stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaamNierop(even alsVan Nierop), ook nog meer samengetrokken alsNierpvoorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorpNiedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpenRansdorp, Abekenwoude, BerkwoudeenBodegraven. Den maagschapsnaamTra(Traakomt ook voor, metVan Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaamTer-Aaook niet op het eerste gezicht aan.Ter-AaofNieuwer-ter-Aavoluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaamKranen(»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, alsTrakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20De naam van het dorpStolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamenGrolenGrollzijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedekeGroenlooin den volksmond draagt.Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak vanOldenzaal,het stadje in Twente. De geslachtsnaamBellingwoutmoet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorpsBellingawoldein Groningerland. Maar de maagschapsnamenWildervankenWildervanckzijn niet ontleend aan den naam van het vlekWildervankin Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naarAdriaan Geerts WildervanckofWildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”,jagerbeteekent.
HolierookenOlierookzijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam vanHooglede(Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en degwerd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eenej(ofi,y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menigeealsi(eealsie,been=bien), deed mede haren infloed op den naamHoogledegelden. Met dat gevolg datHoogledein den mond des volks nog slechts voorkwam alsHooilee, Holee, HolyofHoli. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten dehgeerne achterwege in hunne uitspraak, zoo datHolynog meer inkromp enOliwerd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huisHooglede, deHooglederwegdus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naamOlikon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woordolie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamenvinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik inVan Hoyledeen inVan Holy.
Zeker oord in de nabyheid van het huisHoogledewerd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, deHooglederhoekgenoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam vanHooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelikeHoogledetotHolywas verbasterd, zoo maakte het volk vanHooglederhoekookHolyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. inWitkamp’sAardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden vanHooglederhoekofHoliërhoekkapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak diehweêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam:’oliër’oek, Olieroek. Met dezen formOlieroekweet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dusOlierookvan. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maarolieenrookzijn toch twee woorden die het volkkent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamenOlierookenHolierookwaarvan de laatste ten minste nog de beginletterhbewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaamHooglederhoek, en daarvan verbasterd.
§75. De geslachtsnamenDuinkerkenenHazebroekmoeten hier ook genoemd worden, zoowel alsBelle, PeeneenLinzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stadHazebroekvele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (metVan Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaamHautryve(metVan Houtryve) is ontleendaan den naam van het westvlaamsche dorpHautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong:alta ripa,haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamenDoornik, LuikenLuykzijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België.Slechtsvoor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.