§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.
§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.
§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.
§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.
§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.
§94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v.berg,bosch,meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v.terp,gracht,dam), noem ikalgemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van debyzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezenalgemeenennaam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl debyzonderenamen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamenDijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer(Opmeer),Voor Duin(Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter(dat is:te der)Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namenVan den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijkvoeren? Te recht moet men zulke namenalgemeene aardrijkskundige geslachtsnamennoemen.
Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder eenverstaatze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor.
De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v.AkkerenAcker, Baan, Beek.41Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v.De Baan, De Bergh, De Brinke,42enz.Winkel, in den naamDe Winkel, meen ik hier in de beteekenis vanhoekte moeten duiden, zie ook bl. 204.Sas, in den naam’T Sas(het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woordsluis; in de plaatsnamenSas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensaskomt het eveneens voor.Geest, inDe GeestenDe Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den formgastnog in volle gebruik. In de geslachtsnamenVan der GeestenTer Gastkomt dit woord nog voor, even als inDorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamenOegstgeest, Uitgeest, Groote-enLutje-Gast, Addinga-Gast, enz.
Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetselvaner voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen:Van AckerenVan Ackere, Van DaleenVan Daele, Van Dam,43enz.Ledeen het versleteneleein de namenVan LedeenVan Leebeteekent, even alsleiin de namenVan der Lei, VerleyenenBy de Lei, eene(ge)lede,(ge)leide, eeneleiding, eenewaterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenisnog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehuchtDe Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eeneleie, eenewaterleidinggelegen is.Rodeofrade, in plaatsnamen ook alsroodenraad, raed, roth, rathgeschreven en in versletene formen alsrooi,roy, raeyenray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomengerood,gerooid, uitgeroeidzijn. Behalven inVan Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamenWinderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St.Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaalHarkenrothenHerkenraai(waarvan de geslachtsnamen †HarkenrothenHerckenrath), in het HoogduitschHerzogenrath, in het FranschRode-le-Duc, samengefloeid totRolduc.—Ooieindelik inVan Ooi, Van OyeenVan Oyenis eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woordode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woordoede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt:Amersode(Ammerzoden, Amersooi),St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerdSt-Josse-ten-Noodegeschreven, enz.44Zijleindelik, inVan Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der ZijlenVerzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woordsîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaamZylstra.
In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkelvaner voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, alsVan den,Van deenVan der(’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) enVan het, dat meestal in samentrekking alsVan ’tvoorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn:Van den Acker, Van der Baan,Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45enz.
Verder nog:Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke;broek(brook,broick,bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door watergebrokenveld. Het woordbroekkomt in vele geslachtsnamen,Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook §141.
Van den BilckeenVan den Bulcke;bilkofbulkis een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. Deossebilkis in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaamVan Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven alsVan Keirsbilckvoorkomende, treft men dit woord ook aan.
Van de BreggeenVan der Breggenis het zelfde alsVan de Brug.Breggeis de friesche form van dit woord, enin de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland.Ter Bregge(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaamBreggemankomt deze form voor.
Van den Dries.Drieschofdriesis een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. ZieDe Bo,Westvlaamsch Idioticon, op het woorddries. Men vergelyke ook den geslachtsnaamOptendrees, in §96.
Van den HornenVan den Hoorn;horn,hoorn(herna,horna,herne,horne) is het friesche woord voorhoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamenDijkshoornenDijkxhoorn, enDroghornvoor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.
Van der Horst. Eenhorstis een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook welhorst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als:Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.
Van der KooghenVan der KoogmetVan der Kaag.Koog,kaag,keegzijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, datpolderbeteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koogop Tessel,Koogaan de Zaan,de Kaagby Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog).Keegstrais de friesche tegenhanger vanVan der Koog.
Van de Krekeis een zeeusche geslachtsnaam, enkreke,kreekis een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.
Van der Made. Eenemadeis een grasveld, datgemaad,gemaaidwordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamenVermadeenSchoonmadekomt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).
Van der Meersch, in vlaamsche spellingVan der Meirsch, in versletenen formVermeersch, Vermeirschen zelfsVermeesch.Een vlaamsch woord is ditmeersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord alsmerschenmarsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling vangeest,gast(zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekentmarschde vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamenVan der Marsch, Ter MarschenOvermarstreffen wy dit zelfde woord aan.
Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woordputispitofpitte. In den geslachtsnaamWullepitkomt deze form ook voor.
Van ’t Verlaat, Van ’t ZetenVan der Zwetzijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woordenverlaat(dubbele sluis),zetof beterset(veer, overzetover een water), enzwette,swette(grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaamZwetheulkomt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woordheul,heule, waarvan de maagschapsnamenVan der HeulenVerheul, misschien ookVerhuelafkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.
Van der WielenenVan de Wiele, metVan de Wielen het ontaalkundigeVan den Wielen. Eenwielis een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het watergewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschapVan der Wielendraagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de KleineWielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.
In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor eenwater floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam vanrui; b. v. deSuikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaamBlockkeruymeen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den formBlockeryeaan een ander vlaamsch geslacht, en onder den formVan de Blocqueryaan eene in Holland gezetene maagschap eigen.
§95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetselVan, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.
Het voorzetselvanen het verbogene lidwoordderzijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordjever.Vermeerby voorbeeld, enVersluyszijn samengetrokken uitVan der MeerenVan der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden:Verbaan, VerbeekmetVerbeeck, VerbekeenVerbeken, VerbruggemetVerbruggen, VerbruggheenVerbrugghen,46enz. Zoo als de aard dezer zakemeêbrengt, komen de volle formen dezer namen, metvan der, in den regelnevens de versletene, metver, voor. B. v.VerbaannaastVan der Baan, VerkerckhovennevensVan der Kerkhove, VerscheldenaastVan der Schelden, enz.
§96. Het voorzetselvanis geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even alsvan, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen dievanby zich hebben.
Die voorzetsels zijn:aan,by,onder,over,te,uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.
Metaan:Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den BoomenAen den Boom. Het voorzetselaanwordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, alsanuitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaamAn de Weg.
Metby:By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en inBey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is.Bymholtbehoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking vanBi ’m Holt,Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, alsBimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.
Een tegenhanger vanBymholtis de geslachtsnaamBiederlack(Bi der Lack, by de lak of lek).Lackoflak(het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aanKurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg),lackoflak,laak,leekoflekis de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woordenlekkenenleken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t warelekkende, uit eenen grooteren waterstroomvoortfloeit. In onzen riviernaamDe Lek, in den groningerlandschen dorpsnaamDe Leek, in den naamMedemblikofMemelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijdsMiddenleekofMedemelaca, vinden wy dit woord terug.Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam alsBymholt, Bütefür,Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaamTer Laakis de zuiver-nederlandsche tegenhanger vanBiederlack.
Metbuiten:Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.
Metbinnen:Binnendijck, Binneweg.
Metop:Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul(coul, dat is limburgsche gouspraak voorkuil),Oppedijk(versleten vanOp den dijk),Op ’t Einde; OpteyndeenOp den Ende, Op de Hoek, Op den HoffenOp den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley(zie bl. 243),Op de Macks(een naam die my duister van beteekenis is),Op de WeerdenOp de Woerd. De maagschapsnaamOp den Oortkomt ook, door verharding derdin eenet, wegens de voorafgaandep, alsOptenoortvoor; ook alsOppenoorth, by geheele wegslyting derdvan het lidwoord, even als inOppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, alsOp ten Noort. Het woordoortofoordbeteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid eenweertofwaard, dat oorspronkelik, metwoerdenwierdeenwier, wel een en het zelfde woord alsoortzal wezen. De nederlandsche maagschapsnamenOp den Oort, OptenoortenOppenoorthvinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamenAuf ’n OrteenAufmorth(eene samentrekking vanAuf’m Orth, Auf dem Orth) en inAus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaamOppenoorth genaamd Auffmorth(zieHaarlemsche Courantvan 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaamreeds oud is, bewijstHarman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zieRegister van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).
De zelfde verharding vandtott, die inOptenoortvoorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamenOptenberg, (oorspronkelikOp den Berg) enOptendrees, (dat is:Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woorddreesofdries, zie men bl. 250).
De geslachtsnaamOp den Ziekeschijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds herhet Ziekenofhet Ziekeheet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyzede ziekenals by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide:ten ziekenofby de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op hetZieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid:Op den Zieke.
De maagschapsnaamOpsteltenbehoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetselop, maarsteltenschijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaamOpscholtenniet duidelik.
Metonder:Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.
Metvoor:Voor den Haak(het hoogduitscheVor der Hakekomt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitscheVor der Wullbecke),Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.
Metachter:Achterberg, Agter den BoschenAchternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is:achter den eik.
Metover:Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve(dulveis een zeeusch woord voor sloot, gedolvenwaterloop, ofdelfin het Oud-nederlandsch);Overdiep(groningerlandschdeipofdiepvoor waterstroom, zie bl. 245);Overeem(zie bl. 244);Overgaauw(over het rivierkede Gouwe, byGouda)? VerderOver de Linde(rivierke in Friesland? of lindeboom?);Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet(zie bl. 251).
Metmet:Mettepenningen(zie §142en 168);Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy:met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie §148. Beide deze namen, met het voorvoechselmetsamengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.
Metin:Incoul(inkuil, in denkuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaamOp de Coul, en, meer verhollandscht, inLeemkoel. VerderInthof(beterIn ’t Hofgeschreven);In den Klef(ditklefzal hier wel het zelfde woord zijn alskleef,kleve,klief,klif, en beteekent dan:hellingvan eenen heuvel, eene hellende vlakte),In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.
Metuit:Uit de BroeckenUyttenbroeck(zie bl. 249);Uyttendaele, Uitterdijk, UytterhaegenenUitenhage, Uit den Hoef, UytterhoevenenUyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. OokUyterelstenUytterelst, in welke namen het woordelstde beteekenis heeft vanelsenbosch, even als in de maagschapsnamenVan der ElstenVerelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed dertvanuitis in bovenstaande namen dedvan het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eenetverhard; b. v.Uitenboschin plaats vanUit den Bosch, Uitterschootin stede vanUit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen,byUyt de BroeckenUit den Hoefis de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.
Het woordjeuitluidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, alsuut(ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaamUut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woordhuis, dat, in overeenstemming metuut, hierhuushad moeten wezen. Ook in den maagschapsnaamUtenhovevinden wy ditût,uut, in plaats vanuit.Utenhoveis de oude form van dezen naam, die ook metvaner voor, alsVan Utenhovevoorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form,Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor.Utermöhlenis een maagschapsnaam, die, blijkens deöh, van platduitschen oorsprong is; enUtermarkwaarschijnlik ook.
In de middeleeuen werd het woordjeuit,uyt,uutgewoonlik alswtgeschreven, omdat dewoorspronkelik anders niet en is als eene dubbeleu(uu,vv,w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nogdubbeld-ouof ookdobbeld-ou(met den klank van het woordrouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd devalsuve, dewalsdubbeld-uvete noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze vanuitalswtnog voor. Dat zijnWtteneng(uit den eng;eng,ing,engheis groenland, grasland, weide; zie bl. 43);Wttewaal, Van Wttberghe, WtenweerdemetWtenweerdenenWtterwulghe.Wulgeis de vlaamsche form van het woordwilg, zekere boomsoort. Dus iswtterwulghe,wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. NevensWttewaalenWtterwulghebestaan ook nog de nieuere formenUyttewaal, UytewaalenUtterwulgheals hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze vanuitalswtniet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert dezeuitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eeneiuitgevallen is, tusschen dewen detweg, en sprekenWttewaaldan alsWittewaaluit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. NevensWtterwulgheenUtterwulgheis er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam alsWitterwulgheschrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaamWittenroodzijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelikWttenrood, Wtenrode(uit denrode—zie bl. 248) geweest zy.
§97. In het belangryke werk vanJos. Habets,De Wederdoopers te Maastricht(Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16deeeu leefde. Die naam staat daar vermeld alsArnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaamin gen Esschenbroekheeft klaarblykelik de beteekenis van:in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat dezeArnoldin eene plaats woonde, die den naam droeg van deEsschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naamEssenbruchdraagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. AlzooArnold in den Esschenbroekwerd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, doorHabetsvermeld, staat: »ingenEsschenbroek.” Is datgendan eene drukfout voorden?
Geenszins!—»IngenEsschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt den, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemdenasaal-n, dusongeveer alsnguitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dusangenin de plaats vanang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordjeonderte Sittard steeds alsonger; oorspronkelikongder, maar dedis daar uit gesleten. En zoo sleet ook dieduitangen(ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uitingen(ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt ded, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze vooring(d)en, in den Esschenbroek.
Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt inJos. Habets’werkHet vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe(gaat)al die syder straet langs...... voert teWinckelneven ’t feldt op genQuaeckmeer,die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op genDoussenbergh” enz.Op genstaat hier voorop den.
Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn:Aengeveld, Angemeer, Aangevoort(aang (d)e Voorde),Aangevaren(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik),Angenent(ang(d)en Ent)48, enz.Ingenbroichis: in denbroich; enbroichis de form die tusschen Rijn en Maasgeldt voorbroek,brook,bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamenMecklenbroickenHucklenbroickkomt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken:Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaamIngenbroichtweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort.Ingenhouszis: in den huize;houszofhous(huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even alscoulvoor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor alsIngenhoesgespeld.Ingenluyffis: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche formluif, in plaats van den hollandschen formluifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal.Luifis zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord danluifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamschelove, het hoogduitscheLaube49. In den maagschapsnaamOpgenhaaffe, op denhaaffe, op denhafe, op denhave, op denhove, treffen wy nog den ouden formopgenaan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.
§98. Behalven het zoo algemeen voorkomendevan, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetselte, in verschillende formen, alstoe,tot,thoe, en in verschillende samenstellingen, alstenenter,thor,tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die metvansamengesteld zijn. Dezete-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong dervan-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter dezete-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, dieachter het voorvoechseltevolgen; b. v.Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boerGeertb. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erveLintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagenGeert te Lintumgenoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50
Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetseltesamengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden:Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51enz.Brakezal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woordbroek(zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamenTer BrakeenTen Brake(het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook inBraakenburgenBrakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eenehby in het spel is; zoo is de geslachtsnaamTe Hollebeekein die streken totThollebeekegeworden.
Het voorzetseltewerd oudtijds ook wel alsthegeschreven. Van daar de geslachtsnaamThe Pass, gewoonlik alsThepasgeschreven, die nevensTe Passvoorkomt. In den maagschapsnaamTheepasmeen ik dit zelfde voorzetseltheoftete moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maarin den geslachtsnaamTho Passis de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den formThopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen,topaas, kan denken.Pasis een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamenBerkenpasenWilgenpasduidelik van beteekenis. Zoo ookUilenpas(paswaaruilennestelen) enBerenpas,paswaarberen, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan deberenvan den brummel- of braamstruik te denken hebben.Braamis de hollandsche,brommel,brummelde friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamenBraamcampenBrummelkampmetBrommelcamp. De geslachtsnaamWeerpasis my niet duidelik, al vind ik er dit woordjepasin. Maar de naamPasmanzal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eenepasstond.
Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetselteluidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken alsto, en werd oudtijds alsthoen ook alsthoegeschreven. Ditthoemaakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetselzu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baronGeorg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansbergschreef zynen naam alsThoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrouDoed Holdingagehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslachtHarinxmawas in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als(Van) Harinxma thoe Sneeken(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap(Van) Beymabezat en bewoonde oudtijds deKingmastatete Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaamthoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht isVan Beyma thoe Kingmanog de vaste naam.
Deze oude form van het voorzetselte, zonderhalstoegeschreven, komt nog voor in de maagschapsnamenToe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe RippelenToe Reppel(deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn),Toe Set(dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), enToe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naamTe Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetseltoe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord:Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.
Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetselvanwel met het verbogene vrouelike lidwoorddersamengesmolten is tot het voorvoechselver. Dit is ook het geval met het voorzetselteen het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoordden, als met het verbogene vrouelike lidwoordder. En deze samenfloeiing vanteenden, vanteenderis zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immerste denente derkomen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formentenenterwel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetseltevoorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die mettenentersamengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:
Metten:Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz.
Metter:Ter Hazeborg, Ter Horst(zie bl. 250),Ter Haar,53enz.
Even alsthoenevenstoe, zoo komen ook eene enkele maalthenenthernevenstenentervoor. Dit is het geval in de geslachtsnamenThen Berge(naastTen Berge) enTher Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.
De oude friesche en friso-saksische formentho,thoe,to,toekomen ook met het lidwoord samengetrokken alsthorenthom,torentomvoor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaamThorbeckevast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend:Tombal(to’m Bal),Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, ThomputteenTomputte.TongrondeisTo’n Gronde,to den gronde, aan, by of in dengrondof het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamenGrondstraenGrunstra(zie §103.)Thorbeckeistho’r Becke,to’r Becke,to der Becke,to der Beke, by debeekofter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitscheZumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaamBy de Beek, met den frieschenBeekstra.54Verder nog:Tor Weele(Torweele) nevensTer Weele(weele==wiele,wiel? zie bl. 251), enThor Westen.
De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats vante, dit zelfde voorzetsel ook wel in den formtot.Teentot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjestotin plaats vante. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoordadres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dittotsamengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achtertotvolgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is.(Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.
Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v.Van in ’t Veld(meestalVanintveldgeschreven),Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, datIn-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Boschreeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, doorvaner voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.
Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor:Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamenAchteropenVoorbybehooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naamVan Ginder-achter.
§99. De geslachtsnamenTen KateenTen Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woordkatezijn samengesteld.Kateofkaatis een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woordkateis oorspronkelik één en het zelfde woord alskeetenkot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woordkeetis de geslachtsnaamHoutekeetafgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formenHautekeet, Autekeet, HautekietenHoutekiet. Terwijl vankotde geslachtsnamenOldenkot, WalkotenDamkotgeformd zijn; zie ookSevecotiusop bl. 207. VerderVan Cooth, Koot, enz. De saksische formkateschijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.
BehalvenTen CateenTen Katenoem ik hier, als voorbeelden van dezekate-namen:Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat(met den byformLoosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt),Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate(met den bovenvermelden byformWalkot) enWyvekate. Waar de lettergreep die aan het woordkatevoorafgaat, op eeneseindigt, daar zijn die naast elkanderen komendesenk,sk, totschverbasterd. Deze letterverbindingsktoch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaatsschhebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamenTen DoesschateenTen Wytschate, uit de oorspronkelike formenTen Does-kateenTen Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamenColmschate, oorspronkelikColms-kate, dorp in Salland (Overijssel), enWytschate, oorspronkelikWyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstelWytschaete, in het brugsche tijdschriftRond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.
Datkateenkotoorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naarozweemende uitspraak der saksischea), blijkt ook uit de geslachtsnamenWalkotenWalkotten, HaverkotteenHavekotte, die nevensHaverkateenWalkatevoorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komtdeze geslachtsnaamHaverkateofHaverkotteook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, totHaberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maarHabekottevan. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naamHaberkotte, die reeds totHabekotteversleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatsteevan zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak,Habekottévan. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen formHabecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaamHabecoteeook zeker onder §149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.
§100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt.Van den Bergb. v. enTen Berge, omdat het woordbergmannelik is. EnVan de WerfenVan der WalenTer Stege, omdat de woordenwerf,walensteegvan het vrouelike geslacht zijn. Maaraltijdis dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woordwalin de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaamVan der Wal, en nietVan den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmondhier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woordwalkomt in sommigen onzer gouspraken alswallevoor. De geslachtsnamenDe WalleenVan der Wallestemmen hier ook mede overeen. Het woordhoekheeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaamVan der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en nietVan den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woordburcht, ookborcht,burg,borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamenVan den BurgenVan den Borgstemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamenVan de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter BurgenTer Hazeborgzijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadjeTer Borchis dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamenTen Brake, Ter BrakeenTe Braakeen in menigen anderen naam. Zie §157.
§101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen metvan, of metvanen een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkeleaof den lettergreepstra. Deze enkeleaen dit aanhangselstrazijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. Dea, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in §44vermeld is, en van geslachtsnamen aanbyzondereplaatsnamen ontleend, zoo als in §91behandeld is. Enstraals middel om vanbyzondereplaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in §71en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingenkan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechselsaenstrawil kennen, verwyzen.
De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkeleaachter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkelevansamengesteld zijn. De geslachtsnaamBergab. v. beteekent in letterlike vertaling:Van Berg. De maagschapsnaamBosscha(Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt alsBoskaenBuska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nogBurga, Heida, Porta(vanporte, poort), enz.VoordaenVoerdakomen van het oude woordforth,ford,voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaamMudakomt van het oude woordmude, dat nog alsmuide,muidenin zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, EmuidenofEmden, Ymuiden, Arnemuiden), en alsmouthin zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, enmond, riviermond, beteekent.Haga, ook in den versletenen formHage, en tevens alsTer HaaghaenVan Hagavoorkomende, van het woordhaag?MorraenMoorazijn afgeleid van het woordmorre,moor, moer, moeras.Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaamWerdakomt van het woordwerd,ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend:Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaamOpwyrda(Op Wyrdaware beter spelling,Op Wierdanog beter) isWierda, van het friesche woordwierde—in den plaatsnaamHolwierde(Fivelgo)—, en het voorzetselop.
Swaga, verhollandscht totZwaga, komt ook in versletene formen alsSwageenZwagevoor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woordsweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten formzwaag. Een dorp by Hoorn in West-Frieslandheet enkelZwaag. Ook vindt men daar een gehuchtZwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchtenBeetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt:ScheemderzwaagenEeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehuchtSwoog(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomeneabyna also) ofSchwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. inZwaagstra, SwaagstraenVan der Zwaag, in Friesland;Ter Zweegein Drente;ZwaagmanenZweegman. Zoo mede in het westfaalscheSchweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.
Het oud-friesche woordwald,waltis het zelfde woord als het saksischewolden het algemeen-nederlandschewoud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkelea, afgeleid; namelikWalda, Walta, WoldaenWouda.—BuwaldaenBuwoldakomen van eenen frieschen plaatsnaamBuwald, Buwold, Buwoud(Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben.Steentillaeindelik beteekent: van de steenen brug.Tilletoch, ook voorkomende in de plaatsnamenKingmatilleenEnumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.
§102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te wetenBerga, Bosscha, Burga, Heida, Woltazoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid.Berg, Boske, Burg, Heit, Woltimmers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaamBergkan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaamBosscha, Buskaten grondslag ligt,kanzijn de mansvóórnaamBoske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaamBos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform alsBosico, dat isBoske, wordt inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man dieBose Eelzes Kingmaheet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken formBoso, Bos, hebben wy de geslachtsnamenBosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ookBusma, Bussink, Bussing, Bussenen waarschijnlikBuisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamenBosum, dorp in Friesland;Beusichem, gezegdBeusekom, oudtijdsBosinchem, dat is:Bosinga-heim, de woonplaats derBosingenof afstammelingen vanBoso; het is een dorp in Gelderland. VerderBosseghem, enBoeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluitBossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland);Büsum, vlek in Ditmarschen;Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinformBoske, Buskekomen de geslachtsnamenBoskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uitBoskinga(men vergete niet dat de Friesenschalsskuitspreken)Boskenen misschienBosch; verderBusken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ookBöesekenenBuyskes.
Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting vanBurgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133.Heit, Heite, Heideis een oud-friesche mansvóórnaam, die alsHaido, HeidobyFörstemannvermeld staat, en die in den verkleinformHeitse, Haitse(beter schrijfwyze wareHeittse, Haittse, dat is:Heitke, Haitke; frieschts=k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen:Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, HaitingenHaitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, HeitsmaenHeitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaamWalteeindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den formWoldodoorFörstemannvermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ookWassenbergh,LeendertzenBronsgetuigen. Deze naamkanook aan de geslachtsnamenWalta, Walda, WoldaenWoudaten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen †Waltinga, Woldinga, WoltingeenWoldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.
§103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen opstraeindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in §71vermeld), noem ik hier de volgenden:Bergstra, Bogtstra(vanbochtof kromming in straat of weg),Broekstra(vanbroek, moeras; zie bl. 249),Damstra,56enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval byBartstra, vanbarte, het friesche woord voorvonderofvondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonderruitgesproken: van daar de geslachtsnaamBatstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, isbird(men spreekt uitbud); de geslachtsnaamBudstra(Birdstraware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamende Budofde Bird, een gehucht by ’t dorp Grou,Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht totbert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel alsTjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamenMiddelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorpdeBeerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamenBeertaenBeerdazijn er aan ontleend. Aangaande dit woordbirdleze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in hetTijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.