Chapter 22

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam vandeel; hetLangdeel, hetScroetsma-deelby verkorting’t Skroetgenoemd, hetNaudeel(nau==eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaamDeelstra(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woorddeelalsdol,dolteuitgesproken; b. v.de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaamDolstraafgeleid. Deze woordendeelendol (te)heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht totdelf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het FrieschDolstrahusenheet, in geijkt boeke-hollandsch alsDelfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaamDelfstraontleend.

Heem, in Frieslandhiem, is het zelfde woord als het hoogduitscheheimen het engelschehome. Alshiem,hiemingebeteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamenHiemstra, Heemstra, Van Heemstrazijn van dit woord afgeleid, even alsHooghiemstraen het half-verhollandschteHooghiemster.Horn,hern, verhollandscht tothoorn, zijn de friesche woorden voorhoek. De geslachtsnamenHornstra, HoornstraenHenstra(in plaats vanHernstra, omdat de Friesen in deze woorden derniet uitspreken) zijn er van afkomstig.HoekstraenHoeckstrabehooren ook hier toe. Over het woordkeeg, waarvan de geslachtsnaamKeegstra(misschien ook, by verbastering,KeekstraenKikstra), zie men bl. 250.Pyp,pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaamPypstra. De geslachtsnaamPolstrakomt, even alsVander PolenVan de Poll, van het friesche woordpolle, klein eilandje. Eenrak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaamRakstrais aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehuchtFranekerraksend(het einde van hetFranekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen welFraneker-accentvan maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurtenDamrakenRokin(hetrakin).—Over de woordensetensîl, waar de geslachtsnamenZetstraenZylstraaan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot,burg,stinszijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamenSlotstra, BurgstraenStinstra(Stinsstraware naukeuriger schrijfwyze).Van de Kasteele, Van den Casteele, Van KasteelmetVan den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eenestulpofstolpdie drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eenestjelp, verhollandscht totstelp, en in Noord-Holland eenestolp. Het algemeen-nederlandsche woordstulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamenStelpstra, versleten totStelstra, enStulpstra, en aan het hollandscheVan der Stolpeten grondslag. De woordenterpenwierhebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamenTerpstraenWierstrazijn afgeleid (zoo medeOpwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor.Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawierzijn namen van friesche dorpen; enHoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, metHeldewier, NoordewierenRollingswierzijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woordwierisweer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. inMensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allendorpen in Groningerland en Oost-Friesland.Langweeren deWonser-werenzijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamenWeerstra(juist in deWonser-wereninheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) enWalsweerdanken aan dit woordweerhun ontstaan. Het woordkerkis in het Frieschtsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form)Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamenTjerkstraen het half-verhollandschteKerkstrazijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaamWaldstravan het friesche woordwald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook alsWoudstraenHoutstravoor.

Velen van dezestra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetselvanen een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friescheBaanstraovereen met het algemeen-nederlandscheVan der Baanen metVerbaan; BoomstrametVan den Boom; KooistrametVan der Kooi(van het woordkooi, eendekooi);LaanstrametVan der Laan; LandstrametVan der Land; MeerstrametVan der MeerenVermeire(hollandsch en vlaamsch);WalstrametVan der Wal; WykstrametVan der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.

§104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook insamengesteldenform voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v.watermeulen, in den geslachtsnaamVerwatermeulen, nevens het eenvoudige woordmeulenofmolen, inVan der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden:Van den AardwegmetVan denEertweg, Van den ErtweghenVan den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie §151);Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering vanBlokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. VerderVerborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57En ookVan de Cleemputte. Dit woordkleemputis slechts een andere form vanleemput, eenputof kuil of poel waar menleemuitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalvenVan de CleemputtenogVan CleemputenVan Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel(ook als oneigenlike vadersnaamLeempoels),Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoulin Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht totLeemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.

Verder zijn nog samengesteld met het woordveldde geslachtsnamen:Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, SonneveltenZonneveld, Maarleveld.

Metland:Baeckelandt, Dorland, Hartland, HooglandenLaagland, Veenland, WeilandenWeitland.Wielandechter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.

Metakker:Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.

Metmade:Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade(zie § 186 en 143).

Methuis:Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, RodenhuisenRoodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaamNorbruisvoor. Zoo wordt ook de geslachtsnaamJelgerhuis(oorspronkelik en voluitJelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal totJellegruis, Jellegruusverbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaamNieuwenhuisdient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadjeNieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordigNeuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslachtNieuwenhuisheeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen,Jacob Nyegaardgeheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deenscheNyegaardin het hollandscheNieuwenhuisom. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58AlthuisenAlthuysenzijn geslachtsnamen die ook verlatynscht alsAlthusiusenAlthuysiusvoorkomen, en dezelatynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, totAlthuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamenHeshuysenenHeshusiustot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namenveldenhuiskomen beiden voor in den geslachtsnaamHuis-in-’t-Veld.

Methof:Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, EeckhoffenEekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschteLindenhovius.Hof,hove,havezijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpenMarienhaveenEngerhave, tegenwoordig ook wel alsMarienhafeenEngerhafe, zelfs wel door misverstand alsMarienhafenenMarienhavengeschreven, geenszins van het woordhavenafgeleid, maar integendeel vanhave,hove,hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamenTen Have, Van ’t Haaf, Van der HaveenVerhavemetOpgenhaaffe(zie bl. 259 en 260),Van Schevichaven, ManhaveenNunninghaven, misschien ook metSeynhaeveenSeynaeve, mijns inziens, samengesteld methave,hof, en niet methaven(portus). Dathavein der daad welhoveis, blijkt ook uit de geslachtsnamenVan Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, VerboeckhavenenVerbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok-ofboekhof,beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaamVan Schevinckhovenvoert;59zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig alsVan Schevichavenvoorkomt.

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamenVan de Haven, NoorderhavenenOosterhavenhet woordhaven(portus) te moeten erkennen.Noorderhavenkomt, als weêrga vanNorbruisuitNorberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form alsNoordravenvoor.

Opmerkelik is het, onder de talrykehofnamen, den formhoff, met twee lettersf, zoo veelvuldig aan te treffen.

Metoever:Van Goudoever, Kortenoever, metTen Oevere, Ten OeverenVan den Oever.

Metberg:Asselbergh(Asselbergsis hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188),BloembergenBloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woordbergzijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaamVan den Bergeen der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naamberg, zoo niethooge-bergvereerd. Dedalenzijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.

Metdal: behalvenVan DaleenVan Daele, nogEikendal, Lovendaal, BoterdaelenBotterdaele(ookVan BoterdaelenButterdael) en, als weêrga van dezen naam,Boterberg(beide te Brussel). VerderDiependaele, Candaele, Hennixdael(Hennink’s dal; zie bl. 52),Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.

Metduin:Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.

Metbeek:Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, NoordbeekenNoorbeek, Schaeverbeke, SwaanebeekenZwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woordbeekalsbek,bekkeuitgesproken. Van daar plaatsnamen als deBekkematte, buurt by Eibergen;Bekveld, buurt by Hengelo (O); deRammelbekkeofRammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen alsSchierbeck(het verhollandschteSchierbeekkomt ook voor),Thor BeckeofThorbecke(zie bl. 264),Uhlenbeck, BekhuisnevensBeekhuis, VisbecknevensVisbeek, Vor der Wullbecke(zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woordbeekalsbek(beck) ofbekkestrekt zich ookover geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen opbeckeindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen metbecksamengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die opbacheindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezerbach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu opbaghof opbaguitgaan. Zulke namen zijn:Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag(verhollandsching vanTiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitschebach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v.BreidenbachtotBreedenbeek; KalsbachtotKalsbeek; StolzenbachtotStoutenbeek, enz.

Een groot gedeelte van Nederland heeft geenebeken, maar zooveel te meerslooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woordbeeksamengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woordslootafgeleid zijn. BehalvenVan der Slootzijn my slechts bekend:DonkerslootenHelsloot(tegenhangers? zie §168),Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, WykerslootmetDe Wykersloothin half-franschen, dus onzinnigen form, enz.

Grachtenenvlietenzijn in Nederland al niet minder talrijk danslooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechtsVan der GrachtenVan der Graft, Berghgracht(eene min of meer zonderlinge samenstelling),SteengrachtenCoenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, alsCoenegrachtsvoor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, alsCoenegras. VerderGodvliet, PolvlietmetPolflietenPollefliet, SchyvlietenSneevlietmetVan Vliet, Van der VlietenVervliet.

Waterenaofaa(het oud-nederlandsche woord voorwater),broek,poel,moerofmoor(moeras),meer,vaartendiepzijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschenbodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen:Blankwater, BorrewaterenBornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, SlagwatermetVan de WaterenVan de Wateren.—Minderaa, WykeraaenVan Wiekeraa, Van der AaenVan der OuderaametVan der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, MeulebrouckmetMuelenbroock(in Duitschland isMühlenbrucheen tamelik algemeene maagschapsnaam),Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, metVan den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ookBroekerenBrooker, Brookmanen zelfsBrauckmann, metTen Brake, Braakman, enz. VerderVan der PoelenPoelstra, Toe Poel(zie bl. 263),PoelmanenPoelmans, misschien ookSpoelders(’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), enPoolman, metAbspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel(metVan Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naamVagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woordpoel, te wetenpoolofpohl, komt ook voor, nevensVagelpohl, in de maagschapsnamenCleypool, WeddepohlenPoolmanmetPohlmann; zie bl. 197. DanVan der MoeremetVan der MoerenVermoure, MoermanenMoorman(zie bl. 198). EindelikVan der MeermetBelkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, SchoffelmeerenZuidmeer; Van der VaartmetHeyvaert, PoldervaartenZuidervaart. Wat de maagschapsnaamHeyvaertaangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlikHaywardwas. Ook de geslachtsnaamEngelvaartdurf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woordvaartsamengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die deEngelenvaartheet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaamVan Engelen, en de maagschapsnaamEngelvaartheeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanderszeggen, zeer te recht,GodevaartvoorGodfried, Govert; zoo kan ookEngelvaarteen zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaamEngelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamenGodveerdeghemenHemelveerdeghem,heimof woonplaats derGodveerdingenen derHemelveerdingen, dat is: der nakomelingen vanGodveerd, Godevaert, Godfrieden vanHemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60Van het groningsch-friesche woorddiepvoor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaamWesterdiepontleend.

Waar water is, daar zijn ookdyken,dammen,sluisen,bruggen,verenenvoorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamenVan Dijk, zeer talrijk, enDykstra, eveneens. Verder inAckersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook inDijkmanenDijkmans. Deze metdijksamengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaamKerdijkook tot deze namen, met het woorddijksamengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren.Dam-namen zijnVan Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is;Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam(kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorpNieuwendamin Noord-Holland aan het Y; zie ook §156) enNydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—BeversluismetVan der SluisenVersluys, misschien ook metSluizer.—Van ’t Sasis de zeeusch-vlaamsche,Van Zijl(enZylstra) de friesche tegenhanger vanVan der Sluis. Het woordbrugvinden wy in de maagschapsnamenVan de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, inBarenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen(zie bl. 276),Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzentot ons gekomen zijn, en dannieue brugbeteekenen, naardien het woordnieuin sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, alsniggewordt uitgesproken. In de maagschapsnamenVan der VeerenVerveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) enWestveervinden wy ’t woordveer; misschien ook inDe Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woordveerheeft.De Veerzoude ook kunnen zijn het woordveêr,veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaamVedervoor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woordfeder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan alsfeer; en de maagschapsnaamVaderis niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, alsDe Vaerevoor. Het woordvoort,voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamenVan der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, WagenvoordeenTen Bengevoort(ten Benninge-voorde?).

Oortenweert,weide,veenenheide,boschenloo,houtenwoud,roode,marschengeest,donkenhorstformen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden:Van OortenVan Oorde, Op den Oort(zie bl. 254),Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, DuyvewaerdtenFlikweert; LagerweyenKlaverweydenmetVan der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz.Van den Bosch, Van den BusscheenVan den BosmetBoschman, Buschman, Bosman, misschien ook metBosscher, Busscher, BoskerenBusker, enBosgra, volgens het friesche taaleigen;Bysterbos,Doorenbosch, DoornboschenDoorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woordboschzynechverloren heeft.—Eenloois een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van alslooistofte gebruiken. Hangen onze woordenlooenlooienniet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamenVan de Loo, LomanmetLoomanen den hoogduitschen formLohmann(alle drie vry algemeen),Apperloo, Boschloo, BiddeloometBidlooen misschien ook metPitlo, en de versletene formenBeelooenBeelo; verder inDonkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaamDeurloo(zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaamAnslo(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet.C. Honighin zyneReisschetsen uit Noorwegen(De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichterReyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 inOslogeboren. Zyne nakomelingen voerden den uitOsloverbasterden geslachtsnaamAnsloo.”Oslois de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.

Over de beteekenis van het woordrodeofradezie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamenVan Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede,Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey(dat beduidt: des graven rade),Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.

Houtenwoudin frankischen,holtenwoldin saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamenVan Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamenBoekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhouten verwante formen (zie §135),Moerenhout, Schelfhout(de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor alsSchelfaut),Spitholt, Suyderhoud, VastenhoutenVastenoudt, Wechterholt, WentholtenWitholt. Deze namen, methout,holtsamengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met dewoud- enwold-namen het geval:BruinwoldenBruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ookGroenewold, dat metGroenewoud, Groenewoldten zelfs met het half en heel hoogduitscheGroenewaldenGrünewald, vry algemeen is.

GeestenGast(zie bl. 247), komen voor inVan der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, GeestraenGaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest.MarschofmerschenmeerschinVan der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook inMarsmanenMersman. Verder inVermeersch, Overmars, enz.

Het woordheidetreft men in de maagschapsnamenVan der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woorddonkinDonck, Van Donck, Van der DonkenVerdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, KranendonkenCranendoncq, StipdonckenSurendonk. Deze geslachtsnamen metdonksamengesteld, en eveneens de plaatsnamen opdonkeindigende,komen meest in de zuidelike Nederlanden voor.Horst(zie bl. 250) vindt men inVan der Horst, Ter Horst, IngenhorstenHorstman. Verder inBinkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.

Eindelik nog eenigeveen-namen:Van der VeenenVan der Feen, FeenstraenVeenstrakomen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder:Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, enRoveen, ZwarteveenenWitteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen,roodveen,witveenenzwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.

§105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als:burg,zeele,hoek,werf,brink,kamp,laanenbaanenweg,kuilenput,wijk,tuinengaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.

Metburgenborg(oorspronkelikburcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalveVan den Burg, enz.;Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, SterkenburgenStarkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulkeburg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieueburg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kentzulke nieuerwetscheburgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v.Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.

De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls opsteinofsteen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren vansteengeboud (stinsen,stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulkesteinnamen, even als deburgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v.Boekestein(ookBoekestijnkomt voor, in wanspelling—zie §157);Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),Quakkelsteyn, Sypesteyn, WecksteenmetWegsteenenWeeksteen, enz. VerderHoeksteinen de hoogduitsche weêrga daarvan,EksteinenEckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd alsExsteenvoorkomt; buitendien nogVan der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaamHoogstinsdient hier ook vermeld.

By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoonsaleofselegenoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woordhal,halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaanscheselenveelal waren, bestaat nog in ons woordzaal. En tevens, vooral ook in den formzele,zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen:Oldenzaalb. v. stad in Twente, enOudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder inScherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe;Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam.My zijn bekend:Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ookWittezaele. Buiten dien nogVerzele.

Stede,steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamenBorgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede(het weinig afwykendeHoogstadkomt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid vanHochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). VerderKolstee, Maalsteed(ook half hoogduitsch geschreven alsMahlstede),Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor inDamwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.

Methoeksamengesteld zijn de geslachtsnamen:Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek.Hornenhoornis het zelfde alshoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voorhoekiswinkel, waarvan ons woordwinkelhaak; zie ook bl. 204.Winkelis het tegenovergestelde vanhorn; het eerste woord beteekent eenbinnen-, het andere eenbuitenhoek. Het woordwinkelkomt voor in de geslachtsnamenBaerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien inVan de Wynckel. In den geslachtsnaamVettewinkelschijnt het woordwinkelmy toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel eenvettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoordvettewarier, vanvette waarafgeleid. De maagschapsnaamRooswinkelzal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorpRoswinkelin Drente.

Werf,brink,kamp,laan,baan,einde,weg,kuilenput,tuinengaardezijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:

Metwerfzijn samengesteld:Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.

Metbrink:Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman(deze naam is, alsBrinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen),Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. OokStornebrinkenStörnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, alsSteunebrinkvoorkomt.

Metkamp:Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, FeltkampenVeldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze alsRövekampgeschreven,Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.

Metlaan:Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.

Metbaan:Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.

Meteindeofende:Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling vanVan den Ende.

Metweg:Van der Weg, Wegstra, enWeistra(weg =weiin het Friesch),Breedeweg, Groenewegen, HarwegenHarwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.

Metkuil:Van der KuylenenVerkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitschTer Kuhlen; verderLeeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuylenVoskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook alsVoskuilenkomt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaamWolfskuylaan een wolvehol. Maar om het ontstaan van dengeslachtsnaamLeeuwenkuylte verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §128en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemdSimon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die metcoul, een andere form van het woordkuilzijn samengesteld, zie men bl. 256.

Metput:Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput(dat is een put vanversch,zoetwater, in tegenstelling vanbrakofzoutwater),Waelput, Wullepit. Overputenpit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.

Mettuin:Tuinstra, Houttuyn(de maagschapsnaamTuinhoutkomt ook voor; als tegenhanger? zie §168),Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woordhouttuinbeteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”

Metgaarde:Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naamOelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor denOlyfberg, anders gezeidGethsemane, of welHofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. OokVergaerde, samengetrokken uitVan der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaamMergaertmeen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.

De maagschapsnaamNoordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namenniet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naamNordsiegofNordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woordsiegofsieckin dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v.Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, UhlmansieckenWellensiekmetSiekman, SiegmanenZiekman. Middellik behoort de geslachtsnaamHagenziekerook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaamHagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naamHagenziekervoerde, zeker herkomstig; zie §70.

§106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamenKalkovenenTiggeloove(misspelling vanTicheloven),Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, SchapenstalenSchaaphok, HofstedeenHofstee, Hoogeboezem.Boezemheet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaamVan den Boezem. VerderVoorspuy, BinnekolkenStouwdam(een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ookstaugenoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nogNoordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldigen onder allerlei formen voor; als:Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove(dit is een vlaamsche form, zonderh);Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woordBoomgaardals maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake:Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor:Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfsBungartz, en verlatynscht totBogardus. De formenBongertenBongerechter, metBongertsenBongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eenebongeof blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.

Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uitalgemeeneaardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn vanbyzondereplaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’algemeeneplaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aanbyzondereaardrijkskundige namen ontleend, en die in §72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.

§107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan opmanuit, of, in patronymikalen form, opmans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam vanBruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wyBeekmanmetBeeckman, BeekmansenBeeckmans, BergmanmetBerghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling vanermetar,Bargman(zie bl. 133)—en vangofghmetch,Barchmans. VerderBrinkmanenBrinckman,63enz.Heimankan als eene samentrekking vanHeidemanenHeidtmangelden. Waar deze naam echter, ook alsHeyman, HeimansenHeymans, zelfs in wanspelling alsHijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaamHeiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. NevensBoschmanenWoltmanbehoort ookLoman, dat ook alsLooman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form alsLomann, Lohman, Lohmannvoorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woordloo,loh,leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelikeikenbosch(zie bl. 284). Van daar ookLomeyerenLomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naastStraatmanenStraetmanmetStraatmansenStraetmansmeen ik nogStrootmante moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaamIn der Stroth(in de straat,in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamenTe StroteenTer Stroot(zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaamEnkelstrothbehoort ongetwyfeld ook tot deze byzonderestraatnamen.Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland:Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.

Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al dezeman-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v.BrinkmannenBrinckmann, Mohrman, Mohrmann, WaldmanenWaltmann, enz.

Eenigen van de bovenvermelde namen, alsBruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by §118worden gevoegd.


Back to IndexNext