Chapter 27

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwamewerklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v.Claes Laeckenwever, ofClaes Egbertse Laeckenwever; Symoen de BackerofSimon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v.Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest(Proost), meesterAert Doctoor, enz. zijn zulke namen.

Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.

Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velenvinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.

§109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v.Bakker, Bleeker, Boekbinder,1enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v.De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2enz. Dit lidwoord wordt ook wel alsdenin plaats vandegeschreven; b. v.Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namenzonderlidwoord meer in de noordelike, en diemetlidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoorddenhebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.

Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v.Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In §64vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.

Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerken de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen:De Cupere, D’Huyvettere(dat is de leêrlooier),Harnisfeger, Raeymaecker(raey==raderen),De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.

§110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.

Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamenJagerenDe Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voorjagerisweiman; zoo ook noemde men dejachtwel hetweispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland.Weimankomt ook als maagschapsnaam voor, even alsWeyman, en in misspellingWijman. Een ander oud woord voorjageriswildschut, overeenkomende met het hoogduitscheSchütz,Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam isWildschutook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woordschutsamengesteld, isBusschut, iemand beteekenende die schiet met eenebusofbos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitscheBüchse, waarvoor men in nieu-nederlandschbukszegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaamBusschutdraagt.Een andere form van dezen zelfden naam isBosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamenHazejager, HoendervangerenSnepvangersbehooren tot de jagernamen, zoo medeVogelvanger, Vinkelaar, Finkeleren misschien het half verfranschteVinqueleir(zie bl. 205), enFlapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woordFinkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met eenflapnetallerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, eenflapperwordt genoemd. De geslachtsnaamFlapperis dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamenMollevangerenKraaivangermetCraeyvangerzijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers.De ValckenierenValkenier, metDe Valckenaer, Valkenaar, ValckenaarenValckenaerebehooren ook tot de jagernamen, even alsVogelaar, De Voghelaer, De Vogheleiren, in patronymikalen form,Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaamDe Strooper.

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamenVisschermetDe Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, FiskerenVissersalgemeener danJagerenDe Jager. Vooral in de friesche gewesten is dezealgemeenebedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen.Byzonderevisschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend danVarkevisser, Botvanger, BotschuyverenSchelvisvanger. Waarschijnlik behoorenBotmanenBottemanne(zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Frieschkraitegenoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaamBotschuyverontleend. Eenvarkenvisscheris natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Dezevischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren welzeevarkensofmeerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ookmarsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woordmar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam.Vismanis ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaamCommandeuraan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamenHerder, De Herder, De Harder, Den Herderhunnen oorsprong. Zoo ookSchaper—dat is schaapherder; enSchepermet het patronymikaleSchepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherderscheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandscheweêrgavan het hoogduitsche woordSchäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamenSchäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van denschaperis, in taalkundig opzicht, degeiter, de geitehoeder. In de formenDe GeyterenDe Geeterekomt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor.Veeman, SchaepmanmetSchaapmanenKoemanmetKoemansenCoeymans, benevensDe SchaepmeesterenDe Schaepdryverzijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamenKalverboerenBargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch,barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn.Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dierberggenoemd. Zie blad. 132. Het woordgeldofgildheeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoordgilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En eengilderis iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. InDe Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt menbergenvangilden.Bergis een gewezen beer;gildeen gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familieGildersgekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaamGildersook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaamMelkmanook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even alsDe KaesmaekerenDe CaesemaekermetWaaiboer, Waiboer, SoepboerenMolkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.

Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamenLandman, BouwmanenBoumanmetBouwknecht, De Zaayer, ZaayerenDe Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken.Tuinman, HovenierenHofman(metHoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.),BloemistmetGardenierenGerdenierbehooren hier ook toe. Eindelik nogPachterenDe Pachter.

In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd;huysman,hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamenHuisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.

De geslachtsnamenBoer, De Boer, Den Boerzijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest.BoersenBoerenmetBoere, (misschien ook de verfranschte (?) formenBoursseenBource?),als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namenBoerman(metBuhrman) enBoermansreken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamenBoerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boeringkan een patronymikon zijn van de soort die in §31is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaamBoere, Bure, Boreschuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woordboerook al als geslachtsnaam voor; in Friesland alsBoerke, in Holland alsBoertje.

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woordboerheeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v.Veenboer, Heyboer(heideboer),Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, WortelboerenWorteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben.Waaiboer, metWaiboer, MolkenboerenSoepboerzijn naverwante namen.Molkenis een oud-nederlandsch woord (Kiliaanvermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou deMolkenboerby denVeemanen denMelkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook deWaaiboeren deSoepboer, wier samen men in §140nader verklaard vindt.

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, denieuboer, denyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamenNieuwboer, Nieuweboer, Nyboeren ookNiebuhrhun ontstaan.GrooteboerenLutjeboerformen elkanders weêrga;lutje,lutke, overeenkomende met het friesche woordlîts, het engelschelittle, enz. is friso-saksisch voorklein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v.Lutje-Broekin noordelik Noord-Holland,Lutke-Wierumin Friesland,Lutje-Gastin Groningerland,Lutje-Woldein Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond.Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden:Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaamLedeboeris zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (alsLedeburen zelfsVon Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!”leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg vanLedeburofLedeboer. Volgens deze overlevering zouLedeboereigenlik »Boere-leider” beteekenen.Vilmarin zijnDeutsches Namenbüchlein(Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur(Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboerkan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naamHolzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynschespicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v.het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorpSpykerin Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar mynemeening, deel uit van den geslachtsnaamSpykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk eenspykerwoonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen metboersamengesteld.VelserboerenBeemsterboernamelik zijn afgeleid van de plaatsnamenVelsen, een dorp, en deBeemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boeris van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaamWildeboerontleend.Blaauboer, WitteboerenDubbelboerzijn my moeielik te verklaren. MetMeereboer, Ongerboer, Pinksterboer, SegboerenTraanboerweet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaamHatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehuchtHateboer, by Roermond.

Demeier-namen formen de weêrga van deboer-namen. Immers het woordmeier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden alspachter,boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezermeiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namenMeyer, MeierenDe MeiermetDe Meyerein zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen metmeier(in verschillende spellingen meteieney) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden:Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede vanBrockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren.Nieuwmeyer, metNymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger vanNieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ookGrootmeyerenGreutemeyermetGrooteboer; LuttikmeyermetLutjeboer; KloostermeiermetKloosterboer, enz. Een groot aantal dezermeier-namen vindt men opgenoemd inDe Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.

Een paar byzonderemeier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. InDe Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillendemeier-namen op, terwijl hy my demeieryenof landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees:dort wohnt derBrüggemeier,dort derNiermeier,da derObermeier,hier derErlenmeier, enz. Ten slotte nog:und da wohnt derDreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dienDreckmeier? Dat is oorspronkelik nietDreckmeiermaarDree-eek-meier. Zie maar! daar staan ookdree eeken(westfaalsch-nederduitsch voordrie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naamDreckmeierte vinden.”

Wien het vreemd moge schynen datdree-eektotdreck,drek, en niet totdreeksamengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklankeiofeetot onvolkomenee(ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen:eek; men spreekt te Leeuwarden vaneekenhout,eekeneplanken,’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden eeneekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van deneek, te Leeuwarden nieteekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandscheeikelen het hoogduitscheeichel, maarekkel.Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daarekkelkoffite drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op deneekof eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naamDreckmeier, van de westfaalschedree eeken, zijn de geslachtsnaamVijf-eeken(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaamSeveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaamSevenoake.

Uit den geslachtsnaamWedemeyer(ook komtWehdemeiervoor) is eenemverloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of menWedemeierdan welWedemmeyerzegge. Dewedemmeieris de boer die op de hoeve woont welke tot dewedemebehoort, of die op dewedemzelve woont, zoo deze eene boerehoeve is.Wedeme,wedem, ook versleten totweême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-frieschwithum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. Dewedemhoevewordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. Deweemezelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter ofmeier, dewedemmeier, wordtbemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamenWymstraenWeemstra(dat is gelyk aanVan der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.

§111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woordendie hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaatsZeeman, en danSchippermet het patronymikaleSchippers. Verder het patronymikaleZeevaarders, metSchipman, Koffeman, BuismanenBuysmanmetBuismans(de schipper van eene haringbuis),Stuurman, Schieman, BootsmanenBootsgezel, MatroosenSchuitevoerder. Of de maagschapsnaamKapitein, metKapteynenCapiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamenDe Reeder, LootsenTonneboeyerzijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneensKaper. De geslachtsnaamSchuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaamSchuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamenVeermanenDe Veirmanbehooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaamSchuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woordScutevarer, schuitevaarder, of, in het Frieschskutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16deeeu. Immers vinden wy in hetRegister van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenenClaes Scuteferger(bl. 4),Hilcke Scutefergier(bl. 5),Upke Scutefergier(bl. 13),Jetthie Scutefergier(bl. 13),Herman Scuteferger(bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaamSchuttevaereigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers ofschuitevaarders(skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.

§112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.

De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamenTimmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikonTimmermans. Het hoogduitscheZimmermannen het franscheCarpentierzijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend:SchrynemaeckersenSchryner, Kistemaker, KistemaeckerenKistemaeckers, SchuitemakerenSchuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, BreeuwerenBreeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aanWagenaarmet de byformenWagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formenWagnerenWegner. Dan aanDe WaegemaeckerenSwagemakers(zie bl. 184) en aanStelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het HoogduitschStellmacher.PloegmakersenDe Baeremaeckerbehooren er ook toe, even alsMolenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; enLeestemakerkan men er ook toe brengen. Ten slotte nogDrayer, De Saegher, misschien ookZaagmans, enHoutzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamenKuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formenCuperusenCouperus, met de oneigenlike vadersnamenKuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woordsmid, in allerlei formen, alsSmid, Smit, Smitt, Smidt, Smet,Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form:Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen:Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namenAnkersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, BeylsmitenBeilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitscheGuthschmidtenKleinschmit, en in verkleinformSmidje. OokSlotemaker. Den naamBroeksmitweet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voorkleêrmakerwou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namenZwaardemaker, BussemakerenBosgieter(bus,bosis de oud-nederlandsche form die met het hoogduitschebücksovereenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt menbuks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). VerderDe Mesmaecker(met de patronymikale formenMessemaeckersenSmessemaeckers, zie bl. 184),SwertvagherenHarnisfeger.—ZilversmitenSelversmet, GoudsmitenGoldsmitbehooren al mede hier toe. En dan nogSilvergieter, Blikslager(misschien ookBlikman),KetelaerenDe Ketelaere, metKetellapper, KetelbuetersenPanneboeter. Zoo medeTingieter, Potgieter, Kannegieter,metden hoogduitschen formKannengiesser, enz.

Nu mogen de steenarbeiders volgen:Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers(des metsers [metselaars] zoon), enMuirker(zie §153); ookOppermanenKalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen:Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formenDekkersenDeckersen den samengestelden formLaeyendecker, en metLeydekkersals patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaamQuadekker(de kwade dekker?) ook tot dezedekker-namen. Dan nogVerwerenDe Verwerin algemeen-nederlandschen, enVarwermetDe Varverin gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamenGlazemakermetGlaser(dat zekerlik wel vanhoogduitschen oorsprong is), enGlaaskermetGlasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. ZekerenSybren Glaeskervinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v.Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten formBakkerus, en als patronymikonBakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ookbakenenbakermet openea, in plaats van het hedendaagschebakkenenbakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakkerbatser(ba-tser;ts==k) noemden; de zeventiende-eeuscheGysbert Japicxschrijftbaetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord alsbaker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamenBaker, De BakerenDe Baecker, metBaekersals patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woordbaker(de Friesen zeggen naukeurigerbaekster) voor kraamwaarster, friesch:kreamwarsterofkreamheinster. De geslachtsnamenBekker, Becker, De BeckerenBeckerskomen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenenbakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamenBollebakker(bollewordt in Friesland gezeid voorwittebrood),Bonebakker, KoekebakkerenWafelbakker.

De maagschapsnamenDe KokerenDe Kokerehoud ik voor gelijkbeduidend metKok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam,Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen,allegeslachtsnamenKockzijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heetteNicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendomverdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, totHaan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelikKockvan. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappenKock BeylanusenKock Winkler.4

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan:SlagerenSlagter, Vleeschhouwer(zie bl. 320),BeenhouwerenBeenhakker. De namenVleesman(met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden formFleischmann) enSpekmanzijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namenVan der SpekenVan der Ham.

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamenBrouwer, Brouer, De Brouwer, De BrauwerenDe Brauwerezoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht alsBroueriusen in patronymikalen form alsBrouwers, komt deze naam ook voor.HoppenbrouwermetHoppenbrouwersbehooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam vankuit,kuyt,koit. Van daar de geslachtsnaamKuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamenMoltmakerenSmoutmaeckers—met voorgevoegdes, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam vanbiersteker, en deze naam is alsBiersteker, Bierstekersen (half saksisch, half hoogduitsch)Beerstechertot geslachtsnaam geworden.Biermanbehoort hier ook by.

§113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend:Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder,SnydersenSniedermetSnieders; ook de hoogduitscheSchneideris niet zeldzaam. De franscheTailleurkomt ook voor, zoo wel als de engelscheTaylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaamTeyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching vanTaylor. De geslachtsnamenDe Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ookkleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaamNeyrinckx, op bl. 76 besproken.Kiliaanheeft nog »naeyer==sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneenskleêrmakerbeduidt, isDe Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zieEdw. Gailliard’sGlossaire flamand, op het woord »scepper==tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening;Martin die Scepperewas in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zieAnnales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hemskrodare,schroder,schröder,schreuder,schrader. Nog heden is het woordskroar, uit het oudeskrodaresaamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog welschreur,schrörgenoemd.Skrodar,skroar,schröder,schreurbeteekent letterlik:snyder. Het oud-friesche werkwoordskroda, oud-vlaamschschrooden, thansschrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koningFilipsdie een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryversFilips de munteschroodereofmunteschrooier.5Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oudeskrodan,schroodenontleenen; b. v.Schreuder, dat zeer veel voorkomt,Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaamSchreudersenSchreurs, zoo mede het hoogduitschformigeSchröderofSchroeder. De samengestelde naamKampschreurbeteekent: dorpskleêrmaker.»Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche formSartorius(vansartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.

In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamenKousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ookCousseschepper.

Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamenPelsmaeker, Pelser, Pelsteroorsprong gaf. Het woordpelseris een oudfriesche form voor het woordpelsmakerofpelswerker, zoo als men nu veelal zegt. EenenJelke Pelservind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6Te Groningen is er nog eenePelserstraat(ook welPelsterstraatgenoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord,PelletierenPeltzer, Pelzerkomen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, alsPeltser.

HoedemakerenDe Hoedemakerkomen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer isDe Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, alsSchoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formenSchuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmakersutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch alssooteren in het Oud-Duitsch alssuter. Men zeide ookschuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woordschusteris daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterdenhet latynschesutoreveneens totsuter, en zetten er dan ook wel hun woordschoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy ditsuternog wel verder totsutter, zelfs totsitterensetter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamenDe Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaamKlompmaker.

§114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd:Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7In samenstellingen komt de naamMulderofMullerook geenszins zeldzaam voor; b. v.Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller(zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitscheWeissmüllerzijn?),Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaadslaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam vanslagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamenSlagmulder, Slachmulder, Slagmuylder,Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,Slagmolder, met het patronymikaleSlachmuyldersen metVan der Slagmolenontleend. De geslachtsnamenOlislager, Olislaeger, Dolislager(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), enOliemullerhebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamenGrutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; metGorter, De GorterenGortmaker. DeGruiterszijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en deGortersin de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regelgorterofgortmakergenoemd; zie ook §160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd,gepeldwordt, heet in Friesland eenpelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting:pel; b. v. »BaasPieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaamPel.

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamenPottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikonPotters.PotjerenPanjerzijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamenTichelaar, Tigchelaar, TiggelaarenSteenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam,ZieglerenZiegeleris mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, alsZiegelaarvoor. Zoo de geslachtsnamenBickerenBikkeraan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaamTeegelbeckersvindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam vanhuidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eeneHuyvettersstraetof eenHuidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamenHuyvetter, D’Huivetter, D’HuyvettereenD’Huvettere, in Vlaandereninheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting derdvan het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting derh, totDuyvettergeworden. De hollandsche geslachtsnaamDe Looyeris de weêrgade van den vlaamschenHuyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamenKeersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam vanzadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen formsattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamenDe Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleeren het half verfranschteDe Sadelairemet het patronymikaleSaelmaekersafgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenDe LeersnydermetDe Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker(tasschenmaker) enDe Scheemaeker. De naamTouwslagereischt geene verklaring, maarLijnslager, Seeldrayers, Reepmakerwel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman isReepslager; van daar nog deReepslagersbaan(Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Eenreepis een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamenWeverenDe Wever, met het patronymikaleWeversen het hoogduitscheWeberdat vry algemeen is;ZeilmakerenZeylemaker, met de latynsche formenVeliusenCarbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, MandemakerenKorfker(zie §153),De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namenCorverenKorverook te dezer plaatse, als beteekenendekorfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Frieschsieper(sjiëper), weêr verhollandscht totzeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.

De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamenBeeldsnyder, Schilder, HoutsnyderenHoltsnyder,De Munter, Graveur, DrukkerenDrucker, SchryverenSchriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikonLandmeeters; verderSangerenDe Zanger, Muzykant, Speelman(de oud-nederlandsche benaming van den muzikant),Trompetter, Bonger(zie bl. 292),Pyperen de hoogduitsche formenPfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formenDe Feifer, De Vijver, enz.

§115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:De WaardenDe WeerdtmetCasteleyn, KasteleinenHospes; Tapper, WijnschenkenBierschenk. De geslachtsnaamKrugerbehoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt:kroeg- of tappery-houder.Bleeker, De BleekerenDe Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ookWasman, behooren by elkanderen. VerderBarbierenBarbiers, Scheerder, PruikemakerenKapper; ookUitdrager, ColenbranderenLoteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamenWaerseggerenWaersegersontleend. De geslachtsnamenDe GidtsenLijdsman(Leidsman?),Tolk, Voerman, Reisiger, ReiserenReizer, De Bo, De Boo, De Boodt, BodeenBoodebehooren ook by elkanderen. Denkelik ookMinnebo(Minnebode?de dietsche weêrga van den franschenPostillon d’amour?) enSlotboo(debodevan hetslot, van het kasteel?).

TollenaarenTollnerdoen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dientolmoesten innen. Het hoogduitscheZöllnerkomt ook by ons voor, en ik houdde geslachtsnamenTullenaar, TullenerenTullner, met de patronymikale formen daarvan,Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam.De Rooveris ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamenRoversenRooversechter als vadersnamen van het woordrooverte beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaamHrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikonGoversvan den mansvóórnaamGovertkomt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen formGodfried, zoo komt ookRoversvanRovert, Rodfried. De oud-germaansche naamHrodfrid, Rodfriedis inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden, ook in den afgesletenen formRofred; vanRofredtotRovertis slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaamZiekenoppasser.

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamenKeetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, KruyerenBezorger, Karreman(en, in limburgschen form, als patronymikonKerremans),Poerstamper(poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht),Vischschraperenz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamenBaggerman, ModdermanenAschman. De geslachtsnamenAsmanenAsmansacht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. InAsman, enz. zie ik liever, metFörstemann, volgens diensAltdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadjeAssmannshausenaan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschenaschenas. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaamSchoyerontleend zijn. Zonderling datiemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.

Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaamKussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaamTafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan.HoendervoogtenPluimgraaf, KeukenmeesterenKeukenschryvermogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.

§116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudigeKoopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamenKoopmansenCoopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letterp,coomanin plaats vankoopman, en nog meer verbasterd,coomen, gelijk men ook vancoomenysprak in plaats vankoopmannyof koopmanschap. Uit de geslachtsnamenDe Cooman, Coomen, KoomenenKomenblijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formenKaufmannenMarchandontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamenHandelaar, Zeehandelaar, MakelaarenKramermet al de byformen van laatstgenoemden naam:Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, CremersenCreemers, en het verlatynschteCramerus.—MersemanenDe Merssemanduiden eenen marskramer aan; misschien ookMarsman; zie echter bl. 293.Kruidenier, De Crudeniereen, in patronymikalen formCruynierszijn duidelik van beteekenis; zoo ookBeddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, HuidekoperenHuydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper(dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen),Vellekoper, VischkooperenViskoper, enz. Een byzondere tegenhanger vanPaardekooperis de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaamHengstmangers. Immersmangerofmenger, met de byformenmongerenminger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek vanKiliaan, op het woord: »Mangher,Mengher,vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den formmengerofmingernog in de friesche taal in gebruik; zieWassenbergh,Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamenMangerenMenger.

§117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van §108af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woordensmidenmolenaarals maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woordenvleeschhouwerenrademaker(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn.Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitscheFleischhauer. DanRademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymikaRademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitscheRademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.

§118. »De vele geslachtsnamen opmanuitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegtJ. Soutendamin zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschriftEen wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen opmanuitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder dezeman-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeldspeckmanvoor varkensslachter;coolmanvoor groenteboer of warmoezier;brandewijnman,dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, opmanuitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:WijnmanenBierman, SpekmanenMostertman, Zoutman,8enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKoopman, Speelman, Tuinman,9enz. Eene andere groep van dezeman-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Dezeman-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.

Nevens deze eenvoudigeman-namen staan de patronymika daarvan,die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen ops, opmansuit. Velen van deze patronymikaleman-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v.Biermans, Appelmans, Mosselmans,10enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman,Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder dezemans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik:Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11enz.BeersmansenBreugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn vanBeersmanenBreugelman, in de beteekenis van: een man van of uitBeers, of van of uitBreugel.—BeersenBreugelbeide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamenLemmersmanenKuindersman, op bl. 204 vermeld.TielemansmetTielmans, enTillemansmetTilmanszijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaamTilman, Tielman. VerderHoosemans, vanhoseman, de man diehosen,hozen= kousen maakte of verkocht? EnGoemans, KoumansenCoumansmetWakkermans, vanGoeman(ook in dezen form voorkomende),KoumanenWakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?


Back to IndexNext