§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.
§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.
§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.
§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.
§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.
§119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van §108af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik dehandwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamenKeizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamenBakker, Smid, De Boer, De Jagerdragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamenKeizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen.Van LennepenTer Gouwvermelden er velen in hun werkDe Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden.Leenaert Heyndricks-zoonb. v. die in het huisDe Keyser van Duytschlandtwoonde, noemde men al spoedig niet meerLeenaert Heyndricksz, maarLeen in »de Keyser.”Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd hetLeen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood vanLeenaert Heyndrickszwel op zynen zoonHeyndrick Leenaertszover, vooral als dezeook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den oudenLeendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.
Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.
Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.
Keizer, De Keizer, KeyserenDe Keyser; het hoogduitscheKaiserkomt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Connincken het hoogduitscheKönig.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitscheHerzogen het franscheLe Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het franscheLe Comte. Misschien ookDe Groof? Dan nogVorsten het verlatynschteVorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika:Keizers, Konings, Conincks,Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamenHoogvorstenD’ Hoogvorstmeen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong.Vorst,voorst,forst,foorst,foreestis een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. DusHoogvorstis het hooge woud.
Nu volgtCeurvorst, Prins, De Prins, De Prince(als patronymikonPrinsen, Prinssen, Prinsse, zelfsPrince),Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De BorchgraveenBorggreve, metBorchgrevinkals patronymikon (zie bl. 76).Baron, Edelman, Edeling, Adeling(zie bl. 120).Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, JonckheereenJonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak,De RuddereenDe Rudder.De Bontridderbehoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, StedehouderenStehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, LeenheerenAmbachtsheermetAmbagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, alsHeer, De Heer, DheereenD’ Heere. Dit woordheerzal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, alsheergeldt. De patronymikaHeeresenHeerenmeen ik echter niet van den titelheer, maar van den frieschen mansvóórnaamHeroofHere, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamenHeringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woordheerook als geslachtsnaam voor. Te weten alsMijnheer, MenheerenMenheere.
Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, deeinierdenoferfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberneis in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaamWelborenafkomstig. In deInformacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt.Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam vanVelserboer(zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.
De geslachtsnaamHooggeboren, een tegenhanger vanWelboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, enironicebedoeld.
Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren:Goeverneur, Senator, Burgemeestermet den byformBurgemeestre, BaljuenBailyu, Droste, Drost(misschien ook welTroste),Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, SchauteetenenSchautetten(de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling),Schout, Scholte, Schultemet den hoogduitschen formSchulze, enz. Over deze namenSchout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamenCommissaris, Klerk, SchryverenSchrieverzullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naamKlerkenDe Klerk, ook als patronymikonKlerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen:Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.
De geslachtsnamenRegter, Richter(ook als patronymikaRigtersenRichters),Raadsheer, BoerrichterenBoerrigtermetDorprechter, Procureur, AdvokaatenAdvookaat, met het oud-nederlandscheTaalman, DeurwaerderenDeDeurwaerder, Diender, De BeuleenDe Beulvertegenwoordigen de rechterlike macht, even alsDoctor, Dokter, Doctermet het patronymikonDocters, ArtsenDe Stadbaderden geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangesteldenbaderofstovenhouder, denstadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.
Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamenRectorenSchoolmeester(ook als patronymikonSchoolmeesters) enOnderwyzerontleend. De geslachtsnamenMeester, De MeesterenMeestersmetMestersvoeg ik ook hier by. Anderemeestersworden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamenBouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, RentmeesterenRentmeesters, Waagmeester, De Meulemeesteren eindelikKeukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds eenOeswalt Koeckenmestergenoemd.12De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamenHoveling, Kamerling, Camerlinck, CamerlynkenCamerlingh(als patronymikonKemerlinckx), enSchenkworden aangeduid.Schenkis eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namenWijnschenkenBierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, alsSchenkius, als geslachtsnaam voor.
De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren welvrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam vanlaten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamenDe LaatenDe Laetontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamenDe PoortereenDe Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymikaBorghers, BurghersenBurgersvan dit woordburgerzouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaamBorchart, Borgert, Burkhard, Burgertkan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.
De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten:Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle(als patronymikon in den tweeden-naamvalGesellenenGezellen), enLeerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamenKnegt, KnechtenDe Knegt, ook inBouwknecht, WagenknechtenStalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaamKoetsierenCoetsier. OokKoetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitscheKutscher. De beteekenis van den naamLeenknechtis my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form vanLeendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamenJanknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam,Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwardenvoor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. ZouSlaaffhier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaamSchlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woordslaapeen geslachtsnaam formt; zie §146.
Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamenKrijgsman(metKriegsman), enRuiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rangVeldheer; vervolgensMaarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd alsDe MaeschalckenDe Maesschalckvoorkomende. VerderOverste, Majoor, Kapitein(zie bl. 307),Hoofdman, HooftmanenHopman(een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik),Ritmeester, Sergeant, KorporaalenCorporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikonVendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter(handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), enSchildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamenAdmiraal, KonstabelenBottelierontleend. Dan komen nogTrompetter, TamboerenPyper, met het patronymikonPypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft,Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijnDe Gyselaar, en, als patronymikon,Ghiseleers.
§120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.
Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamenKerckheer, De KerckheerenDe Paap, ookPaap, PapeenDe Paepe, met de patronymikaPaaps, Spapen, Spaapenen het versleteneSpaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaamDe Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woordboelte denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. MaarLangpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik:Paus, en misschien ookPous. (Neemt men in aanmerking datPau, Pauwin gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaamPaulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaamPaus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaamPau; b. v.Karel PauszoonofKarel Pausz, d. i.Karelde zoon vanPauofPaulus). VerderCardinaal, Bisschop, De BisschopenDen Bisschopmet het verbasterdeBusschopen het hoogduitscheBischoff. DanPriesterenDe Priester, Pastooren, als patronymika,PastoorsenPasteursmetPasteurenenPasteure.ProostenDe Proost, De DekenenDen Deken, Dominé, AbtenDen Abt, Prior, PaterenDe Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De MunckenDe Muynck, met de patronymikaMunniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, SmeunincksenMunninksma; zie bl. 166. EindelikJeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broederBenedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamenDe BroederenDen Broederook zeer wel een monnik schuilenkan.Cluysenaer, Cluysenaar, HeeremietenPelgrim, ookPelgrumenPellegrom, met het hoogduitschePilger, en de patronymikaPelgrimsenPylgroms. Het woordpelgrim, in den frieschen formPylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dienmansvóórnaamontleend zijn, en niet aan hetwoordpelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaamRabbiebekend.
Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen:Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschteCosterusen de patronymikaKosters, Custers, Ceusters, ook alsCustodisin goed Latyn overgezet. VerderVoorzangermet het hoogduitscheVorsänger, enOrgelist.
Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamenApostel, ProfeetenDe MaertelaeremetDe Maerteleire(martelaar). Zoo ookDen Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.
§121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd:Alijt Weefster.Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum:Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon vanAlijt Weefster(ook al had dezeAlijtmisschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. nietWillem Weefsterheeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn.
Toch komt de geslachtsnaamSangstervoor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woordzangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naamSangstereene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaamSongster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien vanzangerheeft. Even zoo is het met het engelsche woordwebster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, tochwever, nietweefster. De geslachtsnaamWebster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.
Iets anders is het met de geslachtsnamenBeghyn, De NonneenQuanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non”kunnennog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam doorVan LennepenTer Gouwvermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. MaarQuanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.
§122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie §167en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaamBakkertotPistoriusgeworden,KuipertotViëtorenz.
Zie hier eene lijst van die namen:Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woordsartor;Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woordsutor;Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” alsFabriciusenFabritiusvoorkomende, en in patronymikalen form alsFabri, FabryenFaberi, dat is:Smids,des smids zoon.RusticusenAgricola, de boer of de landman;Textor, wever;CarbasiusenVelius, zeilmaker;Cantor, de zanger;Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17deeeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen.Pistoriusis niet de eenigste vreemde form, waarin de naamBakkeris omgezet geworden. ImmersSyds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D.Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaamNauta, met het ontaalkundigeVan Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naamSchipper. Immers het woord schipper is in het Latynnauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namenNautain der daad het geval is. Maar deze naamkanook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie §44) van den oud-germaanschen mansvóórnaamNauto, Naute, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaamNautseen vadersnaam is.
In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang,usofius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd:Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog:Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, alsSchrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. VerderVorstius, Schenkius(zie bl. 327),Stamperius(Stamper, Poerstamper, zie bl. 318),Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaamSmedicusmy toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woordsmid.
Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namenDoctor, Prior, Rector,Senator, in §119reeds vermeld, noem ik hier nogPraetoriusenSindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.
De geslachtsnamenEstor, ProctorenToxopeushebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.
§123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v.KnipscheerenVingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker;Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). VerderHoefnagel, de bynaam van den hoefsmid;Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. alsKnyrimenKnierum, Vingerhoedt, door uitslyting derhalsVingeroedt, ook als patronymikonVingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikonHoefnagels, in Vlaanderen alsHouvenaghelenHouvenaeghel, in hoogduitschen form alsHufnagel, enz.
Dikwijls ook is het voorvoechselvan derofvan dengeplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemdVan der Bijl, de kleêrmakerVan der Naald, de schoenmakerVan der ElsofVan der Leest, de timmermanVan den Hamer, Van der ZaagofVan der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zichOsinga, de slachterBylsma, de schoenmakerElsinga, de glazemakerGlasstra, de timmermanLatsma, de schipperScheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houdende herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namenVan der Els(zie bl. 256 en §135),Osinga, Elsinga(zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook §129.