Chapter 5

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgangingeen der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschersung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel vanL. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, inA. De Jager’sArchief voor Nederlandsche taalkunde(Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, datingachter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat ditingdan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v.Wolfert, die een zoon vanBennowas, noemde zichWolfert Benning; dat is:Wolfert, zoon vanBenno.

Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, opinguitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischenTravellersungb. v. lezen we:

»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.

»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.

Dat is:Fin, de zoon vanFolkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon vanElisa, Elisinggenoemd, en draagt de zoon van zekerenGodvulfden toenaam vanGodvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de FriesenHengistenHorsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:

»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders,HengistenHorsa, die warenWichtgilseszonen.Wichtgilswas de zoon vanWitta, Wittade zoon vanWecta, Wectade zoon vanWodan.

Eindelik nog in deSaxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:

»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. InzynenAlthochdeutscher SprachschatznoemtGraffeene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, opinguitgaande patronymika op; b. v.Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamenAnno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho(Wibeke, Wibein verkleinform; zieWiebekingop bl. 28 en 29),Puzo.

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegselingvan mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren deThuringenofThuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als deSilingenby de Wandalen;ThuringenenSilingenheetten zoo naar hunne stamvadersThuroenSilo. Onder de Gothen werden verder nog deHastings, afstammelingen van zekerenHasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heetteArding; dat van de AvarenIring, dat van de WarinenBilling, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan deMerovingen, deCarolingen, deCapetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvadersMerowikofMerou, KarelenKapet.

§8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maaroorspronkelikeneigenlikkomen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heetAnso, en zyne zonen heetenBennoenImmo; dan dragen beide die zonen het patronymikonAnsing, met volle recht, als toenaam:Benno AnsingenImmo Ansing, dat is:Benno, de zoon vanAnso, enImmo, de zoon vanAnso.Benno Ansingkrijgt later eenen zoon, dien hyBenhartnoemt, enImmo Ansingwordteveneens vader van eenen zoon, die door hemImhartgenoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, dieBenhart, de zoon vanBenno, het patronymikonBenningvoeren, en niet het patronymikonAnsing, ’t welk zijn vaderBennovoerde naar den naam van zynen grootvader, den oudenAnso. En eveneensImhart, de zoon vanImmo Ansing, moest zichImhart Immingnoemen, naar zynen vadersnaamImmo, en nietImhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts deneigenen zonenvan dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.

Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen,door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wyHarlewillen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15deeeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik vanHaio Harles(dat isHaio, zoon vanHarle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze FriesHarlewerd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoonSîgbern(Sybrenin ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikonHarlingaofHarlingvoerde, van dennaamzijns vadersHarloontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. EnSîgbern Harlinga’sbroeders en zusters, die natuurliker wyze allen ookHarlingaheetten, allen ookHarlingen, dat is: kinderen vanHarlewaren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen,Sîgbern Harlinga’skinderen, en dekinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al dieHarlinga’sofHarlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oudeHarlozich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eerHarlozich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik gato denHarlingen; naar deHarlingenofHarlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Ditto denHarlingenwerd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken:to ’nHarlingen,toHarlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meerverstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik gato denHarlingen, of ik woonto (den)Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heetHarlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aanVan Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaamHarlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.

Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstelEen en ander over friesche eigennamen, inDe Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ookTaylor’sWords and places.

Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegseling; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als ingeslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1

§9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen dooringachter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Menverstondde beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woordzoonachter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika metingte formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.

Het gebruik om patronymika metingte formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankischevolksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.

Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortomplaatsen, met die oospronkelike patronymika, met dieingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt byRacer,Overijsselsche gedenkstukkenVII, 52–73, vinden wy onder anderen de namenSmedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamenRotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12deeeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: hetsmedink’sche erve, dewesseling’sche hoeve, hettemming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien oudenRutger, van dien eerstenWessel, dat dieRotgerinksen dieWesselingseens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. eenImminkop de erveLenderink, en eenWolterinkop de erveElekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest.Herbert Folkringb.v. die op de erveSmedinkkwam wonen, werd weldra door zyne nieue burenHerbert Smedinkgenoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente,in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid.Geertwas de zoon van eenen man, dieAlbertheette, en dieAlbert de Jagergenoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaamde Jagerreeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoonAlbertna hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoonAlbertwaren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden.Geert, de zoon vanAlbert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluitGeert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boerenPoppinkuitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaarssteeds het ervePoppinkgenoemd werd, naar den SaksPoppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijlGeert Albertsz. de Jagernu ’t ervePoppinkin eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oudePoppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaamde Jagerraakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts alsGeert Poppinkbekend, ofschoon hy eigenlik geenPoppinkwas, en geen recht op dien naam had. De zoon vanGeert de Jager, diePoppinkgenoemd werd, heetteHarmen. DezeHarmenkreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onzeHarmen Geertsz. den toenaamPoppinkin vast gebruik, en noemde zichHerman PoppinkofHarmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het ervePoppinkin eigendom had bewoond. Het nageslacht vanHerman Poppinkbehield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich alsPoppinkinschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.

In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als hetGeert de Jager, gezegdPoppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.

Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v.Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op dezelfde wyze als in ’t voorbeeld vanGeert de Jager-Poppinkaangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.

Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v.Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v.Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v.Eizengaen ook(Van) Eisenganevens(Van) Eysinga, Kammenganevens (Van)Cammingha, Buttinganevens(Van) Buttingha, ZytsemanevensSytsema, FynjenevensFinia, enz.

§10. De forming, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v.Benning, Hilverding, Otting,patronymika van de mansnamenBenno(in FrieslandBinne),HilwarthenOtto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt ditingalsinkuitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken,Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men ditinkalsynkuit, met langei, en schrijft dan gewoonlikynck; van daar de westvlaamsche patronymikaGellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelikeingin hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nogingk,ingh,inghe,inge,eng,ung,ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, alsigenikvoor.

By de Friesen neemt het achtervoegselinga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, dieingeninkby de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgangingais ook werkelik anders niet dan hetingder andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamenBenninga, Bollinga, Poppingain oorsprong volkomen overeen metBenningenBennink, metBollingenBollynck, metPopping, PoppingeenPoppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen isingade zuiverste en oorspronkelikste form, even alsingby d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens ditinga; namelikenga(Bottenga),ingha(Van Julsingha),unga(Hayunga), enz. En tevens de versletene formenega(Mennega),ia(Hania), enz.

Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.

§11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken forminguitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden isdezeingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika opinger ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byforminkvertoonen.

Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:Alting, Benning, Damming.2Zy zijn afgeleid van de mansnamenAlte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon vanAlto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, dieAlteheet; deBenno’sechter, vooral ook in den gewyzigden formBinne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naamDammeis geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamenAlting, BenningenDammingtreft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn:Althing, Alting, AlthesenAlts; in FrieslandAlta, †Aldinga, †Aldesna, Altena(deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie §46), †AltamaenVan Altema.Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in FrieslandBenninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in EngelandBenson.Dammen, Dammes, in FrieslandDammingaenDamsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend:Alting, een gehucht by Beilen in Drente;Altikon, saamgetrokken uitAltinkhoven, een dorp in Zwitserland;Bennekom, dat is oorspronkelikBenninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorpBingum, dat isBinningheim);Benningbroek, dorp in Noord-Holland, enBenningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland;Bennebroek, dorp in Kennemerland;Benninghusum, dorp in Noord-Friesland;Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Bennington,in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamenVan BennekomenVan Bingumontleend. Eindelik nogDamsum(Damsheim, Dammo’swoonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.

De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend.Jan, inJanning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namenFokke, Hart, Imme, Kampo, MennoofMinne, Onno, Poppe, RensoofRinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te wetenEelkingvanEelke, Eelco, oorspronkelikEle(Edele, Athal), enWiebekingvanWibeke, oorspronkelikWibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. DatLeffringeen patronymikon is vanLeffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en datNoltingvan den verkorten naamformNolt, voluitArnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamenGroening, Huising, UilingenVeeringzou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelikGronoofGruno, Huso, UloenFaro, die men allen inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvinden kan.GrunoofGronokomt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, enHusoevenmin; maarUlois in de verkleinformenUulke, Uultje(Uilke, Ulco, Uiltje) enUultsenin Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, enFere(de friesche form vanFaro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. MetGroening, Huising, UilingenVeeringzijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namenGruno, Huso, UloenFaroafkomstig:Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ookGrüning)Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje.Groningen,de bekende stad;Groeningen, dorp in Noord-Brabant;Grons, sate by Burgwert in Friesland;Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg;Gröningen, vlek in Zwaben enGröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamenVan Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. VanHuso:Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in FrieslandHuisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder:Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinformHuyskes, †HuisamaenHuisma.Huisingeis een dorp in Groningerland, enHuysingheeen dorp in Zuid-Brabant. VanUlo:Ulens, Uilsma, en in Oost-FrieslandUhlen.Uilsmahornis eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland,Ulbargeneen dorp by Aurich in Oost-Friesland,Uhlebülleen gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,Uhlentrup(dat isUlendorp) een dorp by Beckum in Munsterland,Uhlingeneen dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, enUlgeweer(Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. VanFaro, Fere: behalveVeeringnogFehring, FeringaenVan Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, VeersmaenVeersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaamFeringenis de geslachtsnaamFeringerafgeleid; eindelik nogFeerwerteen dorp in Groningerland enFeringa-satete Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaamFerekan echter ook eene samentrekking zijn vanFeder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaamFederingahet patronymikon is. Van dezen vollen formFederingazou danFeringaeen saamgetrokken form kunnen wezen.

De mansnaamTede, waar de geslachtsnaamTedingvan is afgeleid, is nog heden, met de byformenTade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. MetTedingzijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen:Tedinga, Thedinga, †ThedemaenTedema. VanTedingazijn de geslachtsnamen †Theengaen, in den tweeden naamval,Teengsweêr versletene formen, even alsThemavanThedema.Thedingawas de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de16deeeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven.Thedinga-kloosternamelik heette oorspronkelik en eigenlikSyna. Het werd door eenen ryken Groninger,Hatebrandgeheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heetteTheda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abtTheda: »(he) heft dorch syne vramheid(vroomheid)de gemeene lueden aen sich getagen(getogen, getrokken)und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen,SynaenThedinga, nog in gebruik; want de abtSibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3De naamThedinga-monnikenwil dus zeggen: monniken vanTheda, en het patronymikonThedingais hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaamTede(Thedo) en van ’t patronymikonTedingafgeleid, zijn:Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe;Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Thedema-ofThema-burchtte Noordwolde, enThema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland);Tedema-statete Roden in Drente; eindelik nogDedesdorf, oudtijdsThedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).

Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikonLeffring(zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aanden hedendaagschen plaatsnaamLeffrynchoucke(Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.

Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchnaslaan, waar we eenenAltingreeds in ’t jaar 793 vinden, eenenHusincook reeds in de 8steeeu, eenenBenningin de 9deeeu, en eenenImmincenUlincvóór het jaar 1100.Wibichinc(Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).

Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.

§12. De oude Nederlanders schreven den uitganginggewoonlik alsinghen ook wel alsinghe; b. v.coningh,oeffeningh,vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnameningook wel alsingheninghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. byAbbingh, Bussingh, Coelingh.4Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden forminghevertoonen; dit zijnMuntinghe, HuisingheenSinninghe. Al dezeingh-eninghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid.Wolter(Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaamWoltringhten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. MaarAbbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, MensoofMinse, Rein, TabeenSinnezijntot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen,HertaanHerdingh, BusseaanBussingh, WeitaanWeytinghenz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchte vinden.

Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam vanD. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen.Buddinghmeende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook alsBuddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaamBuddingheen oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaamBudde, Butte, Botte.Buddinghis dus de weêrga van †Buttingheen vanBottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, metBottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.

§13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal opingeindigen, in den ouden form alsingeuit; b. v.bloedinge,waarschouinge,bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonloozeeook hooren achter den patronymikalen uitgangder geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, opingeeindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch:Alinge, Buninge, Dillinge.6Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. InAlinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willingeherkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamenAle, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une(Oene) enWille(Wiltje, WilkeofWilco). Maar ook byBuninge, Dillinge, Hachtinge, Santingeen de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp vanFörstemann’sNamenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.

By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgangingeeenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegselingtot den byzonder-frieschen forminga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamenBuninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santingebestaan ookBuyningenBuininga; EbbinkenEbbinga; Epping(ook in Engeland),EppinkenEppinga; Eeling, Elink, ElingaenElenga; Hiddingh, Hiddink, HiddingaenHiddenga; Zantinga, ZantengaenZanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon vanBuno, vanEbbe, vanEppe, vanEle, vanHidde, vanSante.

Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfdennaam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam alsHesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volleingaer achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, alsHesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam alsHesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam alsHesselingboekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfdenHessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.

Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens alsFolkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr alsFolkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddingageschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijftAppingadam, Mensingaweer, BellingawoldaenEppingaweer; de andereAppingedam, Mensingeweer, BellingewoldeenEppingeweer, of ook welBellingwoldaenEppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel byeeneenkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.

Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijdsnu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachtenBuninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waningeoorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachtenBuininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, UningaofUnia, enz. Of ook als de geslachtenBuyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentscheEppinge’sen de zutfenscheEppink’sen de friescheEppinga’sen de engelscheEpping’svan vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaamEppodroegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.

§14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgangungstaat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgangingvertoonen (openingenöffnung,bevrydingenbefreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden opinguitgaan, soms opung. Een paar van die geslachtsnamen, opungeindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v.Amelung, Hartung(nevens het inheemscheHarting) enWeidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaamHallungiusbehoort oorspronkelik tot deze groep.

Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelikeingofinktotongenenkveranderd is. My zijn slechts bekendHartong(nevensHartingen Hartung);Wallenk(naastWallink) enWittenck(naast het uitgestorveneWittinga). Ook komt deze verbasterde formenknog voor in de samengestelde geslachtsnamenGussenklo(welke naam ook wel ten onrechte alsGussenk’logeboekstaafd wordt) enPippenghegen.—Gussenklobeteekent: eikenbosch vanGussink, van den nakomeling des mans, dieGusse(Gosse?Guse?) heette. EnPippenghegenbeduidt: dehegeof haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, vanPipping, van den afstammeling des mans die den naam vanPippodroeg. Dit woordhege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaamBerghegeen tevens inHeeger, dat is:Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaamEhrenghaus, dat isEhringhaus, het huis derEringen.

§15. Naast den oorspronkeliken forming, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den forminkvoor. Ditinkis slechts eene andere uitspraak vaning. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgangingin het algemeen alsinkwordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze opinkeindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulkeink-namen als toenamen in gebruik;Hugo Radinckb. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaamRadoafgeleid, komt, alsRatinkgeschreven, reeds in 709 voor, zooalsFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeldt, ja, alsReding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaamRadink.8Over het geheel genomenzijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.

Ofschoon dezeinknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als inonzesaksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitganginkgewoonlikinckgeschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende:Arink, Beernink, Bennink.9Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. byDirckinck, vanDirck, Diederik.—Beerninkis eene samentrekking vanBernharding, uit den mansvóórnaamBernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land alsBerend, Beernuitgesproken.—Lamrinck(metLamringenLammerding) is oorspronkelikLammerdink, Lambrechting, Landbrechting, vanLandbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerinkis versleten vanReinmering, van den mansvóórnaamReimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerinkkomt van den mansvóórnaamSieger, Siegher, Sîgher,Zeger, dat is gezeidVictor, de overwinnaar.—VolmerinckvanFolmer, Fulmar.—WolberinkvanWolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke(Sicco),Teie(Teye), waar de patronymikaBenninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, SikkinkenTeyinckvan afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen.Tenckinckkomt vanTenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform vanTenno, welke mansvóórnaam, volgensFörstemann’snaamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is vanTanno. Van ditTannois weêr de friesche geslachtsnaamTanningaafgeleid, die meest in versletenen form alsTania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht alsTanjévoorkomt. Even alsTenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamenEvekink, Duyckinck, Ikink, OnnekinkenTilekinkniet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel vanEveke, Duike, Ike, OnnekeenTileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formenOnno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.

De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamenJohanninckenTeuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten vanJohan, Johannesen vanTeun, Teunis, Antonius. VanJohanneszijn ook nog de patronymikaJannink, JansinghenJanningaontleend, met den samengestelden naamJohanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook §58.

§16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantalinknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland:Abbink, Eggink, Makkink.10Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijnAbbe, Egge, Makke, Melle, Roelf(Roelof) enTemme(Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik.ReerinkenReering, dat is oorspronkelikReerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaamRethart, Redert; zie §48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen formReeringavoor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen formRörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzenReurink’s, Rörink’senRörik’s(dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaamHöpink.RörinkenHöpinkzijn oorbeeldige grensnamen.Wilbrenninckkomt vanWilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaamBrantoorsprong gegeven aan het patronymikonBrennink, versleten vanBranding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaamBrenninkmeyer.—De maagschapsnaamRoelvink, en ookRoolvink, moest eigenlik met eenefin plaats van met eenevgeschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaamRoelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroinkeindelik komt van den mansvóórnaamStro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †Stroma, StroosmaenStrooismaafgeleid zijn; zie §168.

Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksischeinknamen behooren. Namelik:GyseweeninkenJanweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudigWeenink; zy zijn oorspronkelikWeeninken. Twee broeders uit de maagschapWeenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamenGise(Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) enJan. Ten einde nu die talryke kinderen dertwee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten eindeHarbertenBartha Weeninkvan den eenen broeder te onderkennen vanHarbertenBartha Weeninkvan den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongeliedenHarbert GiseweeninkenBartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van dieHarbrechtsenBartjesover, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.

Ten slotte nog een paarincknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:CnapelinckookCnapelynck(en, in den tweeden naamvalCnapelincx, Cnapelinckx),Gebberlinck, GhellinckenGhellynck, Plettinck, SlabbinckenVlietinck.Ghellinckis afgeleid van den mansvóórnaamGelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaamGellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. inGellekomofGellicum(Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamenTerlinckenTeirlinckzijn mogelik slechts het woordteerling(cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namenCnapelinck, PlettinckenVlietinckis de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, vanWassenbergh, LeendertzenBronsgeene mansnamenKnapele, PletofVliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaamVlietdroeg; hy heetteVliet Kluizenaar11.Förstemannvermeldt eenen oud-germaanschen mansnaamFlidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstamFlid, Vliet, waarvan het patronymikonVlietinck, begrepen.

§17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den formynckvertoonen. Deze schrijfwyzederialsyberust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen dezeyncknamen in geen enkel opzicht van deinck-,ink- eninknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van:Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren.Belle(Belke),Bulle(Boele),Halle, Kempe(Kempo, Kampo) enWyte(Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft.Ghellynekis op de vorige bladz. reeds verklaard.HebbelynckenGyselynckzijn ontleend aanHebbeleenGisele, dat weêr verkleinformen (HebbelynenGiselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamenHebbeofHabboenGijs(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.

Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaamBellynckhebben wy den frieschen maagschapsnaamBellinga. Even zooBullinganevensBullynck; Gelkinga(afgeleid vanGelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform vanGelle) byGhellynck; HallinganaastHallynck, KempinganaastKempynck. En nevensWytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geenWitinga, maar toch wel eenWytemaenWitema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met †Hwytnynghain het Oud-friesch, enWhitingin ’t Engelsch.

Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaamHwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling alsWitteningazoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland deivan den uitganging, in dit gevalinga, ook welals eeneygeschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamenBeninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften alsBenynghaenBenynghe, alsHummynghaenIdsynghavoor.—

De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen opingeninkuitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woordengofenk, dat volgensVan Dale’sNieuw Woordenboek der nederlandsche taalbeteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheidden Enghen de ridderhofstadden Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesateEnghuizenin de geldersche gemeente Hummelo,—het gehuchtWestenengin de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v.Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar dezeeng- enenknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juistte dezer plaatsed’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgangingofink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordjeengofenk. De verwisseling van d’ onvolkomeneevóórnmet d’ onvolkomeneivóórn(b. v.brengenenbringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woordengmet den uitgangingin het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, deing- enink-namen van d’eng- enenk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandschevolk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.


Back to IndexNext