§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.
§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.
§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.
§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.
§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.
§32. Behalve de oude, oping, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangseling(ink,inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, opsenen, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woordzoon, meestal verkort alsson,sen, soms ook tot eene enkelesofzversleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkelea, opmaenna, opsma,sema,sna,senauit.Bruining, Bruinink, Bruiningab. v. zijn oude patronymika;Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsmazijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, †Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.
Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannenals toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een manAlbert, zijn zoonHendriknoemde zichHendrik Albertszoon, zyne dochterBrechtawerdBrechtje Albertsdochtergenoemd. De toenaam, het patronymikonAlbertszoon, spoedig door het vele gebruik totAlbertsenversleten, of totAlbertsingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen vanHendrik Albertszoonin gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam vanBrecht Albertsdochterverdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.
De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging vaning,ink,inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. Debeteekenisvan dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Menverstond nietmeer wat zulke namen alsHuging, Ernestink, Hommingaeigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.
Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin.Jan Smitb.v., die een zoon is vanHendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten,Jan Hendriksz. Smit, ofJan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandschegeslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.
§33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woordzoondaar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijnEgbertszoonenJacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaamMoederzooneveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In §60zal deze byzondere naam nader besproken worden.
Dat het woordzoonin vorige eeuen niet aldus, maar alszone,zoone,sone,soone,soen,soongespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden opzoonuitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woordzoonnog in zulke oude spellingen vertoonen:Baertsoen, van den mansvóórnaamBaart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone(over den mansnaamBettezie men §59);BoecksooneenBoucksoone. De mansvóórnaamBoek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlikde oud-germaansche, inFörstemann’sNamenbuchvermelde naamBucco, die alsBokke(waar van de geslachtsnamenBokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den formBoek, Boekevinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamenBoeckxin Vlaanderen,Boekema, †BoekmaenBoekenin Friesland, allen ook patronymikale formen.BucingenBocingkwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35voor. Dat de geslachtsnamenBeukinga, BeukemaenBeuckensook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.
Claeissonekomt vanClaei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting vanNicolaasis. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde alsKlaassenin Holland,Klasemain Friesland,Claussonin Neder-Duitschland,Nicholsonin Engelland.Florizoone, vanFloris, heeft eenesverloren, even alsFlorison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam.HuyssooneenHuyssoon, van den mansnaamHuso(zie bl. 29 en 30).JansoneenJanssone, vanJan, zijn duidelik genoeg.LiefsoonsenLievesoonsstammen van den mansvóórnaamLieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegdes, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon vanLieven.—Mabesooneweet ik niet te verklaren, even min alsTierssooneenTryssesoone.—Moyersoenis een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemdeMoederzoon.—Verheyllesoneeindelik is een byzonder metronymikon en wordt in §60nader besproken.
Het woordzoon,soonis achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen.Johnson, Thomsonaan den westeliken,Erikson, Björnsonaan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaamvoor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen:Derkson, Hanson, JanssonmetJansonenJohansson,36enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting.Derk, de oorspronkelike naam waarDerksonvan is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form vanDirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier(waar vanPierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting vanPieter, Petrus. OverHemmingsonzie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon vanHemmo. Eerst toen men het patronymikonHemmingniet meer verstond, kon men er toe komen om er nog eensonachter te voegen. De mansvóórnaamTammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaamTamsonten grondslag, even als aanTamminga, Tammes, Tammingenz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaamMuyssonten grondslag ligt, zie men het tijdschriftDe Navorscherdl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80.Neetesonis waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaamNato, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook alsNattovoorkomt, zijn ook de geslachtsnamenNettinga, †Nettema, NettesenNetten, metNettekovenontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen formNettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.
Deze geslachtsnaamNeetesonkomt te Antwerpen voor onder den afwykenden formNeettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamenHeylesonne, Leenesonne, Meiresonne.
Patronymikale maagschapsnamen opsoneindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. Enmet deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v.Abrahamson, Davidson, Benjaminson, LevisonmetLevisson, Salomonson, enz. Eenige namen opsohnuitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v.Behrensohn, Elsensohn, LevyssohnenLeefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.
Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgangsonby eenige nederlandsche geslachtsnamen totzongeworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namenGerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz.Gerben, de naam die aanGerbenzonten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamenGerbensenGerbensma.—Gosenzonbeteekent: zoon vanGosen, vanGosewynofGodeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswinimmers beteekentGods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamenGozens, Gosens, Goossen, Goossensafgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaamBrouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling alsBroeksondient geschreven te worden. Nevens ditBrouckxonkomen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamenBrouckx, BroecxenBroeckxvoor, even als in de friesche gouenBroekema, Broeksma, BroeksemaenBroekens, allen (zoon) vanBroek, Broeke(Bruco) beteekenende. Dat ditBroekeeen oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.
In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woordzoonalszeun,seunofseune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijnGoudezeuneenGoudeseune, JanseuneenJanszeune, enLyseseune. De mansvóórnaamGoude, die aanGoudeseuneoorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam alsGoue, die, meestal in den verkleinformGouke, nog heden by de Friesen in volle gebruikis. De friesche geslachtsnamenGouma, GoukemaenGoukeszijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamenDola-Goutum, meestal enkelGoutumgenoemd, enScharne-Goutum. De geslachtsnaamGouwe(Gouwen? een tweede-naamval vanGoue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. OverLyse, de stamnaam vanLyseseune, zie men nader §59.
§34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegselzoon,soonnog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik totzen,sen,seen zelfs tot eene enkelezof enkeles. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formenson,zon,soone, enz. uitgaan.
Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelikesoonofzoontotsenofzenis verbasterd:Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, JanzenenJansen, KlaassenenKlaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, vanFreerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting vanFrederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen formFritsverdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.
By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform ops, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegselsenofzenbehouden gebleven, terwijl diesin andere namen niet meer geschreven wordt. ByHarmszenenJanssen(Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; byJansen(Jan-sen) enPietersen(Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl dezesonmiddellik voorafgaat aan desofzwaarmeê de lettergreepsen,zenbegint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.
By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts desvan den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form opes, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachtervolgt dan nog het totsenversletene woordzoon. Die namen zijnGerdessenenHugessen.—Gerd(Gert, saamgetrokken vanGerhart), in ouden tweeden-naamvalsformGerdes, metsen,zoondaarachter, maaktGerdessen. Even zooHugo, Huge, in tweeden-naamvalHuges, metsener achter:Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.
De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtolliges, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond.Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens,DiercksensenDierckxsens, Janssens, Thijssenszijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen.Janssensb. v. beteekent: zoon van den zoon vanJan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen.Dierckxsensis ook buitendien nog een monster van wanspelling.
My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen,wijl het aanhangselsentotsingeworden is.BruinssinsenLampsinszijn deze namen.Bruinssinsbeteekent: zoon van den zoon vanBruno.—Lampsinskomt van den mansvóórnaamLampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen vanWassenberghenLeendertznog voorkomt, en ook, alsLampo, inFörstemann’sNamenbuchvermeld staat. MetLampsinszijn ook de geslachtsnamenLamping, Lampsma, Lampen, benevensLampsonin Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.
§35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegselsenook nog denverloren heeft ensegeworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders,latengeerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-nachter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelikeMichielszoon, Michielszen, weldraMichielszeofMichielsegeworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangselseachter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is vansen,zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-nachter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, diebepaaldelikin de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaamJarichontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden FriesJarich.Echtfriesche tegenhangers van dezen geslachtsnaamJarigsezijn de geslachtsnamen †JarigaenJarichsmametJarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaamJapikseheeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verreJapikheden ten dage een meest friesche verbastering is van den naamJacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichterGysbert Japicxdenkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naamJacobin den formJapikenJappickvoor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekerenJoos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naamJapikseis de geslachtsnaamJacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam’S Jacob.
Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika opse:Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaamBaaf, die aan den geslachtsnaamBaafseten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynscheBavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friescheBaue(zie bl. 62). In den verkleinformBaafjekomt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor.Faassekomt vanFaas, eene verkorting vanBonifacius. Van dit zelfdeFaaszijn nog afgeleid de geslachtsnamenFasingaenFazingaenFaasma; terwijl het patronymikonFaassenog in allerlei formen, alsFaassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfsVase, als geslachtsnaam voorkomt.Lieven, waarvanLievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naamLiefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form vanLiwijnvoorkomt; zie ook bl. 82.
Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika opseeindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen,welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v.Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38
De geslachtsnaamCruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namenopse, wijl hy eigenlik alsKruisse(Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den formKruysseals geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamenKroeseenKroezeslechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschenkanaan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten:kroes, krullend; zie §126. Waarschijnlik is de geslachtsnaamBourceook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (franscheouin plaats van nederlandscheoe) spelling vanBoerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even alsBoeren, BoersenBoersma, van den mansvóórnaamBoere; zie bl. 79.
§36. In sommige geslachtsnamen is het woordzoon,soonnog meer verkort, dan totzen,senofse; het is samengekrompen tot eene enkelez, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niethoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met diezer achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beidenJan De Boerheeten, maar de een is een zoon vanWillem De Boer, en de vader van den anderen heetteHendrik—dan noemt de eerste zichJan Willemsz. De Boer, en de andereJan Hendriksz. De Boer, ofJan De Boer Willemsz.enJan De Boer Hendriksz., voluit:Jan Willems-zoon De BoerenJan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenlikengeslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts vanJan Willemsz.enJan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.
Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend.Balt, (Bold, Bout) enHilbert(Hildbrecht), de wortels vanBaltenszenHilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel vanDuivensz, met den mansvóórnaamDuif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten vanWassenbergh,BronsenLeendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwardenâ€, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen vanDuyff Jellesin Sintte Jacobstraet†te Leeuwarden. Hier isDuyff, Duif’s mans vóórnaam;Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaamJelle, de toenaam vanDuif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaamDubi, die inFörstemann’sNamenbuchvoorkomt. Even alsDuyvenszstammen ook de geslachtsnamenDuyfsenDuyvisvan den mansnaamDuifaf, metDuifjesenDuyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkeleDuif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamenDuiven, Duivenee, Duivendyke,Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpenDuveneckby Hoya in Hanover,Duvenstedtby Hamburg, enDüverodtby Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.
Een groot gedeelte van de geslachtsnamen opszuitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan:Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede(Edo),GelfofGerlif, Halbe, Ige(Ygo),Lolke(verkleinform vanLolle),Meine, Melle, Nanne, Oeble(Oebele(Ubolyn) verkleinform vanOebe, Ubo),Ome(komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform alsOomke, Omke, Umke, Umcovoor—van daar de geslachtsnaamOomkens),Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe(is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,Seba, Seebaen te Amsterdam verhollandschtZeeba),Sibble, SibeofSybo, SikkeofSicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.
De geslachtsnaamAmeszis het patronymikon van den ouden, byFörstemannalsAmo, byLeendertzalsAmevermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam †Amamaeen friesch patronymikon is.Benszkomt vanBenne(zie bl. 28) enLelszvanLelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel doorFörstemann, als doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorpLellensin Fivelgo (Groningen), metLellingen, een dorp in Luxemburg, enLelm(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.
Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkelezachter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van des, het kenmerk van dentweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijnArentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41van de mansvóórnamenArend, BarendenLeendert, die welbekend, enBaart, Kloot, Feite, LootenReit, die minder bekend zijn.Baart, Baert, ookBeert, is eene verbastering vanBarend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaamKlootis my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echtermoetbestaan hebben, getuigen, nevensClootz, nog de geslachtsnamenCloots, Kloots, Klootsema, ookClootens, CloetensenCluytens; misschien ook, in versletenen form,KloosenKlosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamenClotinckenCloetingh, en den naam van het dorpKloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaamKlootsamenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form,Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is andersLode, Lude, Luite. Deze naamLode, Lotegeeft de verklaring van den geslachtsnaamLootz, metLoots—ditkanook een beroepsnaam ijn,loods—,Looten, Loten, LotingaenLootsma.—FeiteenReit, vanFeitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en vanReitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, ReidsmaenReits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.
§37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegselzoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v.Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg.Commer, Kommeris een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt.KoertenCoenderszijnbeide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaamKoenraad; zie bl. 74.Koop, de wortelnaam vanKoopsenCoops, is eene verbastering vanJacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamenKopinga, CopingaenKoopsmaoorsprong gaf.SiboutofSibolt, voluitSîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den formSiboutmeest in Friesland, alsSiboltmeer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamenSyboutsin het eerste,Siboltsin het laatstgenoemde gewest voor.
Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamenontleendzijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, totvastetoenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn:Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43De mansnaamArkenboutis nog alsArchimbaldin Engelland in gebruik.Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven.Petrus Bloemerts(dat isBloemerts-zoon)Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamenVan Bloemersma(Bloemersma-sateis te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), enBlommerde,beiden patronymika; buitendien nogBlomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in DuitschlandBlumhart.Bloemhartis een samengestelde naam, vanBloemenHart, even alsEvert, EverhartvanEverenHart; Rykert, Richard, vanRijkenHart, enz. De enkele wortel van dezen naamBloemwas oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamenBloeming, Bloeminkin Twente,Bluminkin Duitschland,Bloomingtonin Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nogBloema, Bloemsma, Blomsma, BloemsenBloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudigeBloem, metBlom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdatWassenbergh,LeendertzenBronsde mansnamenBloemenBloemhartniet in hunne lijsten opgenomen hebben, enFörstemannslechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.
De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven.Gerolt(Gerholt, Gerout) b. v. aan †Gerrolluma, †Gerroltsma, †Van Gerolsma, †Gralda, †Graalda, †Grolda, †Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden formGreultis deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. VanHelmer(Helimar) komt †Helmersma, HelmeringenHelmar. VanRemmer(Reginmar) komtRemmersma, Remmersna, Remmers. VanWigmar, alsWiemerby de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalveWyemarsenWiemersnogWiemerink.
In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daaralgemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot hetplatte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstrab. v. enAuke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts alsSybren VeldstraenAuke Sikkemavermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts alsSibren TjeerdsofAuke Sjoerdsbekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamenVeldstraenSikkemazijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden;Boeles, Bokkes, Binkes.44De wortels dezer geslachtsnamenBoele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen:Boelema, BoelmaenBoelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, BoelsenenBoelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams:Boeltjes, BoeltjensenBoelken. VanFeddekomenFeddinga, Feddema, FeddenenFeddens. VanRinke, verkleinform vanRinne, Renno, komenRinkema, RinkenenRinkens, †Rinnema, Renninghoff, Renningin Engelland,RenkemaenRenken, Rentjema, Rintjema, enRintjes.
§38. De oude Nederlanders schreven veelal eenexin plaats van eeneks; zy spelden de woordenbliksem,fluks,hoekskealsblixem,flux,hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In §19zijn reeds eenigen van die namen (opincxuitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eenektot eindletter hebben; b. v.Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben dieknog vóór dexbehouden; by anderen is die letter volkomen in dexversmolten. Als voorbeelden noemen we:Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar vanBakxenBaxtweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die inFörstemann’sNamenbuchalsBaccovermeld wordt, en waar de geslachtsnamenBaksma, BakkesenBakken, en, middellik,BakhuizenenVan Bakkumook van afkomstig zijn.Boeckxis op bl. 81 en 82 besproken.DerxisDerks, vanDerk, de saksische form vanDirk; zie bl. 83.FarxisFarks, vanFarke, een verkleinform van den ouden mansnaamFarre, Fare, Faro, die doorFörstemannenLeendertzvermeld wordt. De friesche patronymikaFaringaen †Farniazijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelscheFarringdonenFarrington; en misschien ook welVaartjes, van den verkleinform.Hake, Hacois de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel doorFörstemannals doorLeendertzin hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaamHaex(Haeks) van afgeleid is, metHaakma, HaaksmaenHaaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr metxin plaats vanksgeschreven.Marxeindelik is de tweede-naamval van den mansnaamMarco, Marke, Mark(niet te verwarren metMarco, Marc, verkortingen van den bybelschen naamMarcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den formMarkskomt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaamMark,Merknog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aanMarkens, Merks, Merkens, enz.
Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaamWincqz. In eenvoudiger spelling is deze naamWinks, een tweede-naamval van den mansnaamWinke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaamWinne, WyneofWin, Wyn, ’t welkvriendbeteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woordwinofwynsamengesteld; b. v.Alewijn(Adelwin),Boudewijn(Boldwin, Bolduin),Liefwijn(zie bl. 82 en 88),Harrewijn, Oortwijn, enz. AlsWinneenWyne, WynkeenWinkezijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamenWinsma, Wynsma, Wyninga, Winia(zie §29),Wynen, Wijnne, WijnkesenWienken. Misschien ook aanWindsma; zie bl. 63.
§39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet opesof eene enkeles, maar opiseindigen; b. v.Avis, Duyvis.Uitsluitendaan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyzeisin plaats vanesachter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenisvanhet Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden†kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand alsHemka Reenkys zoenvermeld; dat isHemka,Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komtJarich Joenkis zoenvoor; dat is:Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht wegJarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld:Bauke Sickis—in plaats vanSickes, zoon vanSikke—46,Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou vanSjoerd Buikes (zoon)—47,Jan Nannis48,Jan Mennis49,Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld,Take Sapis.51
Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen opiseniszheden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.
De geslachtsnamen opisenisz, my bekend, zijn de volgenden:Alvis, Arisz, Avis.52Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaamAvewordt doorLeendertzvermeld. In verkleinform, alsAafjeofAafkeis hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naamDuif, waarvanDuyviseen nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; overFene, de stamnaam vanVeenis, bl. 58.Jonxiskomt vanJonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamenJonks, en †Joenkemaoorsprong gaf, en zekerlik één is met denfrieschen mansvóórnaamJonge. Zoo dat ook de geslachtsnamenJongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonksenz. metJonxisuit den zelfden wortel voortspruiten.Gale, tegenwoordig in Friesland ook alsGealevoorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, metGalis, nog de geslachtsnamenGalamaenGalema, GalenenGales, en, van den verkleinform,Gaaljemaafgeleid zijn.
Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgangisin plaats vanes, ook in eenige metsen(zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamenAlberdissen(Alberdeszoon,Albertszoon),Breunissen(vanBruno? of vanBronno?),Domissen(als tegenhanger vanDomisenDommisse, dat denverloren heeft, (van den ouden mansnaamDomme; zie §46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in §34zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika opis, als b. v.BruinssinstotBruinssens, GerdessentotGerdes.
§40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten opsen open:Dirkshuis enDirkenhuis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form openverworpen, en dien opsbehouden.Hedenten dage is de genitivus opengeheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog vanDirken wægen, Gijsen skoit, Louen seunenKrijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechtsDirks wagen, Gijsbrechts schuitofGijs z’n schuit,Laurens’ zoonofLou z’n zoonenKrijns dochterofde dochter van Quirinuskent.
Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo open. Zulke namen en toenamen alsMarten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoonenHarm Foppen seunkan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woordzoonsleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over:Marten Huyghen, Govert ThysenofThyssen(zóó geschreven om den scherpen klank dersaf te beelden, om te verhoeden dat menThyzenzou lezen),Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam.Laurens, de zoon vanJoost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam alsLaurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen ops. Dat komt omdat reeds sedert de 16deeeu de schrijftaal den form opsbegunstigde boven dien open, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. vanDirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan)Dirkengenoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel alsDirksofDirkszhebben neêrgesteld, wijlde modedat eischte.
Zie hier eenigen van die geslachtsnamen open, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders.Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen inoud-hollandsche afkortingen:Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo),JorisenGoris(oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaamGeorgius, George),Joost, Kerst(Kerstiaan, Christiaan),Luik(Lucas),Nolt(Arnold),Onno, Otto, Rijk, Thijs(Mattheus).Keesis de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaamCornelis. De patronymikaKeessen, Krelissen, Nelissen, KnelisseenCornelissenstammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaamWyn, waarvanWynenenWijnnezie men bl. 97. Aan den geslachtsnaamAlderdenligt de volle oud-nederlandsche mansnaamAldert, in Friesland meestAllert, ookAllart, voluitAdelhart, ten grondslag. De geslachtsnamenAldringaenVan Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, AllertsmaenAllersma, Alers, Alerding, Alring, metAldringenAldringtonin Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamenAldringtonin Sussex, Engelland;Aldringa-burchtte Bedum in Hunsego, Groningerland;Audrehem, dat isAlderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats vanAldert, in Artesie, Frankrijk;Aldersbachby Vilshofen in Beieren;Allersma-heertte Godlinse in Fivelgo, Groningerland; enAlerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.
De geslachtsnaamAlderdenkomt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nogmeerwas, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. BehalveAlderdenbestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamenLubberden(vanLubbert, Ludbert, Ludbrecht),Syberden(vanSybert, Sîgbrecht),Jooren(vanJore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die doorWassenbergh,LeendertzenBronsin hunne lijstenwordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamenJoors(aan de Zaan) enJorink(in Twente), en aan den plaatsnaamJorum(Jora-heim, woonplaats vanJore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaamKommerden(zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevensBlommerde(vanBloemhart, zie bl. 93 en 94) enRemmerde(vanRemmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.
Byallegeslachtsnamen, patronymika open, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen:Binken, BlankenenBlenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamenBinke, verkleinform vanBinne, Benno(zie bl. 28),Foppe(waarvan ook de geslachtsnamenFoppema, Fopma, Foppes, Foppens),Hedde(waarvanHeddinga, Heddema, Heddes, enHeddingin Engelland),HeereofHero, Luit, (in verkleinformLuutzen)Makke, OkkeofOcco, Poppe, RenseofRensoofRinse, Sine(zie bl. 72),TemmeofTammo, UnekeofUnico, ookOenke, Oentsen, alles verkleinformen vanUno, Oene; WarreenWobbe, in verkleinformWobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika.Blank, Blanco, waarvanBlankenenBlenken, even alsBlanksmaenBlanks, is een oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamenCoelen, Koelinga, Coelingh, ColinckenKoelinck, metKoolsmaenCoolsma, CoolenenCoole, metColesin Engelland (Coleshillheet eene stad in Warwickshire, Engelland; enKoolskampis een dorp in West-Vlaanderen); metKooltjes, van den verkleinform, misschien ook metKoolenCool, wyzen duidelikop eenen mansvóórnaamKoeleofKole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet.Hubben(de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaamHubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaamHobbeis in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamenHobbing, Hobbema, Hobma, HobbesenHobbie(zie bl. 70) alle in friesche gouen;HobbesenHobsonkomen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaamPollen, zoo mede aanPollemaenPolsmametPolsiusin Friesland,Pollingin Drente, aanPolsenPollsen, waarschijnlik ook aanPol(in Friesland), en aan de plaatsnamenPolleben, dorp by Eisleben in Saksen;Polling, dorp by Weilheim in Beieren;Pollhornby Rendsburg in Holstein,moeteen mansvóórnaamPolofPolleten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamenPelleenPalle, waarvanPelsma, Pels, Pellensen middellikVan Pellecom, metPalma, PalsmaenPals. Het patronymikonSnelleneindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaamSnel, doorLeendertzenBronsvermeld, en welke naam, volgensFörstemann, alsSnello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamenSnellensenSnellings, metSneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkeleSnel, en de plaatsnamenSnelleghem(Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen,Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden enSchnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af vanSnello, dat is gezeid: de snelle,de vlugge.
By eenige geslachtsnamen, patronymika open, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamenDyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, VinkenenVossenmeervoudsformen te zien van de woorden,dijk,roos,staal,ster,struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijnzy dit laatste in der daad. Over de namenFeneenFere, waar vanVeenenenVeeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan.Dike, waarDykenvan komt, metDykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, DykensenDijksen, ook metDiekengaenDikenain Oost-Friesland, en met †Dicingdat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking vanDideke, dat weêr een verkleinform is vanDide.—Roozen, metRoosen, misschien ook metRoseenRoos, stamt van den oud-nederlandschen, doorLeendertzvermelden mansnaamRoos, die ook doorFörstemannals oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaamRoosoudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijnRosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozengain onze friesche gouen,Rösingin Oost-Friesland,Roosens, RoosesenReusensin Vlaanderen; en van de verkleinformen:Roosjenin Friesland,RoosjesenRoskesin Holland en Brabant,Röskensin Oost-Friesland.