E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.

E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.F.Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).G.Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.

E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.F.Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).G.Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.

E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.F.Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).G.Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.

E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.

E.Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.

§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.

§135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel:»het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by deeiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werkDe UithangteekensvanVan LennepenTer Gouwkan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:de Karsseboomende Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verderde Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appelende Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten.Hein, de worteleboer, werd al spoedigHein Wortelgenoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde menBartel CoolsaetofBarthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam vanPier Peper. EnLevi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlangLevi Citroen, terwijl menKrijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende alsKrijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.

Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamenBoom, De Boom, Ten BoomenOnder den Boom. OmdatBoomook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaamVan Boomliefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid.Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:Appelboom, KersenboomenCarsseboom, Lindeboom, NoteboomenNeuteboom, Palmboom, Peereboom, RozeboomenRooseboom, Denneboom, SparreboomenMastboom(zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook hetMastboschby Breda en elders). Dan nogVygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamenEykelboomenEikelenboomverklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam vanekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden vanekkelkoffi(fijn gestampte gebrande eikels), vanekkelspek(het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaamEkkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel isaker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heetteDe Akerboom. De geslachtsnamenAkerboomenAkerenboomblyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaamZevenboomvertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ooksevenboom,savenboom,savelboomnoemt, dien de geleerdenJuniperus Sabinanoemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaamSlijboomhoud ik voor eene verbastering vanSleeboom, het welk de naam is van denPrunus spinosa, dien men ookSleedoornnoemt. Te meer wijl desleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerlandsleienworden genoemd. In den geslachtsnaamSlebosvindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug;slebos, verbastering vansleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaamSchleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echterSchlebuschook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaamSlebosook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is,am Ende, de dorpsnaamSchlebuschook weêr ontleend aan den naam van densleeboom. Deteeboom, waaraan de geslachtsnaamTeeboomzynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen iskienboom.Kilianusheeft »Kien-boom, kien-hout,pinus,teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaamKieboom.

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woordboomdaar achter. Dit zijnHagedoornenHaeghedoorn, Hulst, De HulstenD’Hulst. VerderDe Linde(kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) enDe Lynde, LouwerierenLourier(hollandsche uitspraak vanlaurier),PalmenPopelier.

Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamenRosenstokenWijnstokzijn oorspronkelik deze woorden.

Een zeer oude germaansche naam voorboomis het woordthriu,tere,traofdro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft alstree, en in de skandinaafsche alsträdentræ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namenApeldoorn(oud-saksischApoldro, appelboom),Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, enAppelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam vanmispelteer, de vlierboom heet daarholenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woordHolunder(der= boom); en de jeneverstruikwachelteer, hoogduitschWacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ookappelteer, appelteir, appeltere,overeenkomende met het engelscheappletree, en den noteboomnotelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijnMispelter, Mispeltieren, als patronymikon,Mispelters. EnNotelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamenHagedoorn, Haghedoorn, enz. enDoornbosch, Dorenbos, Hoogendoornenz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.

Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreeplaar(lare,laere,leer,lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenenappelaar, voor appelboom; van eenenkerselaar,mispelaar,neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namenAppelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’HaselaerenD’Haseleire(haselaar= haselnoteboom),Kersselaers, Kriekelaer, MispelaereenMespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, RoseleerenRooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aanboomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamenHuyboom, ToortelboomenRaeckelboomniet te verklaren; enGöljenboomevenmin. OokBoerenboom, BoerboomenBourboomzijn my zoo min duidelik alsSlotboomenSoeteboom. De geslachtsnamenGraanboomenMeelboomkan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan.Bosboomkan eene misspelling zijn vanboschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden alsbosboom,boksboom,buksboom, hoogduitschBuxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam vanpalmdraagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamenKwekkeboomenQuekeboomschuilt een oudwoordkwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woordkwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaamQuekkeboorne(zie §165).KwekkeboomenQuekeboomzijn dus, met den geslachtsnaamGroeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamenDorreboomenDorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, DikboomenOldenboom(oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaamHeyligenboomzal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaamMeiboomenMeyboomkan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naamBierboomis my niet duidelik. Zoude het oorspronkelikbeerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?

Nevens dezeboomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woordhoutzijn samengesteld, en die met deboomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen:Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. VerderLanghout, en, in saksischen formLankholt, Witholt, KromhoutenCromhout, Drijfhout,Dorhout, enz. De naamEekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; alsEechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form alsEicholtz, enz. Verder nogVan den Eeckhoutte, Van den EeckhautteenVan den Eechaute. De geslachtsnaamBeukenhoutkomt ook voor alsBuekenhautenBuekenhoudt, in brabantschen form; alsBoekholdenBoekholt, in saksischen form; alsBouchoutenBouckhout, in vlaamschen form; verder nog alsBoekhout, Bucholtz, enz.Schelfhoutkomt in Brabant ook alsSchelfautenSchelfhauttevoor.BurgerhoudtenTuinhoutbehooren mede tot deze groep. EveneensVan ’t LindenhoutenRoegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.

De geslachtsnamenEekhof, Eekhoff, Eeckhoff, EkhofenEckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende,Beukenhof, BerckhofenBerckenhof, Appelhof, ookLindenhoviusin verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v.Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nogVan den PeereboomenVan den Peireboom, Van den Kieboom(zie bl. 403),Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamenVijf-Eiken, metVan Vijfeykenen het kwalik gespeldeVeyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naardrieeiken heet; te wetenvanDreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaamAgtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder dezeeiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen alsEik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend.EkinVan EkenVan Eckkan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” VerderVan der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, VerwilghenenUtterwulghe(zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den ElsenenVan den ElzenmetVerelzen.Verbueken, metVerbuecken, is een brabantsche form voorVer-ofVan der Beuken. NevensVan der Linde(dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nogVan der Linden, VerlindeenVerlinden, enVerlindtmetVerlint. Dan nogIn den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme(olmis de zuid-nederlandsche naam van den yp),Van de Peppel(peppelofpappelofpopelis de nederlandsche volksnaam van den populier).Van de WijngaertmetVan de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, alsVan den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van debin eenemby verkeerde uitspraak, alsVan den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehuchtAbeeleop het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaamVan der Palmeindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboomin naturakomt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamenVan den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt(zie bl. 253),Van den Boom,Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.

§136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten:Byvoet, ook in patronymikalen form alsByvoetsvoorkomende;Hoppe, Thijm, BraamenBraem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, KlaverenDe Klaver, Coorevitse(zie §151),Vlas, Dopheide, BiesenBiese, Quakernaat, Gras, GraanenDe Graan, TarweenTaerwe, Rogge, Geerste, Haver, SpeltenKoorn. De geslachtsnaamHeederikvertegenwoordigt den naam van denhederikof krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echterHederik, Hadarikook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchkan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaamHeederik, in Duitschland alsHederichvoorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamenOudegerstenOltroggemoeten ook tot de graannamen worden gerekend, even alsTervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—MosenSchimmelzijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaamSchimmeldaar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamenKruid, Kruyt(hier kan ookbuskruitbedoeld zijn) enOnkruid.

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier:Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad(metKleeblad, klaverblad),Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, PitenKern.

In de maagschapsnamenBlomenBloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam,BlumenBlume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woordbloem. ImmersBlom, Bluomais een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.

De maagschapsnamenStam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aanalgemeenewoorden ontleend. Meerbyzonderzijn de geslachtsnamen, van de namen vanbyzonderebloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamenDe Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, metWitteroosenMeyroos. VerderLelie, De Lelie, LelyenVan der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” VervolgensTulp, Boterbloem, Distelbloem, VlasbloemenVlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamenGoublommeenGaublomme(beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaamBlauwblommeeischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden.Kleinbloesemis een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.

De maagschapsnamenMispelblomenGelderblomzijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in §128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom”wasafgebeeldop het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd.Van LennepenTer Gouwzeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementende Geldersche Blomuit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”

Dat de geslachtsnaamRoos, Rooze, Rose, enz. inallegevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. ImmersRos, Roseis een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig inFörstemann’sAltdeutsches Namenbuchvermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldtLeendertzin zyneNaamlijst(NavorscherXXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam,Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formenRoos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, datRoos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeeneVrugt, BesenNootmetNeutenDe Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen:Appel, Den AppelenHoutappel(ook in hoogduitschen formHolzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom).Citroen, Pruim(zie echter bl. 212),Olijff, Vijgh, DruyffenRozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, CorstanjeenCarstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.

Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamenBloemzaadenTuinzaadmetQuasaetenQuaesaet(kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamenKoolsaetenCoolsaet, LijnzaadenKennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namenRaepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, RipsaamenRiepsame.

De geslachtsnamenPeperkornenKokkelkoornbehooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneensHaverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.

Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamenPeper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, Comijn, KomijnenComeyn, Annijs, Salie, DilleenKervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toebacken zelfsTobback. VerderZoethout(met het hoogduitscheSüssholz),Siepel, Juyn(sipelis de friesche,juynofjuun(ajuin) de zeeusche naam van de uie),Juynboll, Peperwortel, Radijs, LangeraapenDe Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamenBalsem, PikenHarste worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.

F.Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).

F.Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.

§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).

§137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.

Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vindenwy als zoodanig de geslachtsnamenGoudenZilver, metGold, SilverenZulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. VerderKoper, Yzer, LoodenLoot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamenStaal, Koudstaal, Coudyser, CoudyzerenCaudyzermetHardyzer.KoperdraatenYzerdraad(met het hoogduitscheEisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamenVan KoperenenVan Yzerenbreng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.

In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn:Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, SaphierenDiamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75en kan aan den geslachtsnaamDiamantten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam vanThopasdraagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaamAgaatheeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76De geslachtsnamenPecsteen, WecksteenenWeeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. MaarWetsteinis aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukkerHendrik Wetsteinbewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17deeeu.77Of de hedendaagsche maagschapWetsteinechter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik.HoeksteinenHoeksteen, metEcksteinin hoogduitschen form, en metExsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. VerderSmalt, Gips, Krijt, Roodzant, SchulpzandenStuivesandmetStuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaamRoodzantniet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamenMoerenclaeyenMoerentorf(moer, moeras;claey, klei;torf, turf) metKuindertorf(turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).

G.Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.

G.Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.

§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.

§138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamenZon, Son, Maan, Maen, De Maan, De MaenenVan der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der StarenVan der Starrete verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede vanMorgenster, SevensterenSevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis vanKlaasje Zevensterhet geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamenZonligtenManeschijn, die ook in hoogduitschen form alsSonstralenSonnenscheinin de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamenAvontroodtenSchemeringzijn als de tegenhangersvanZonligtenManeschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:LugtenDe Lugt, De WindenDe Windt, Storm, StormeenSturm78, enz. De maagschapsnamenRegenboogenRegenbogenkomen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naamRegenbogenmeen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelikRegenbogegeweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,bage). Door onverstand, meenende inbogeeenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eenenachter gevoegd. De geslachtsnaamRenneboogvertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woordregenalsreinenrainvoorkomt. De maagschapsnaamVonkis, ook in den formVonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, alsVonksenVonckxkomt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.

De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamenLente, ZomerenSomer, HerfstenWinter, metDe WinterenDe Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man dieBoudewyn de Wyntereheette.79De geslachtsnaamLentekan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehuchtLenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaamVan Lenthezonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naamLente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaamLante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is.Bronsvermeldt in zyneFriesische NamenLenteals een vrouenaam. De patronymikaLentink, in Nederland als geslachtsnaam, enLenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaamLenteaan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaamLentelink, die geformd is van den verkleinformLentele(Lentelyn).

Suomar, Sumar, Somar, Someris een oud-germaansche mansvóórnaam, ook doorFörstemannvermeld. De hedendaagsche geslachtsnaamSomer, Zomerkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formenSomersenSomering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.

Wintarvind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam inFörstemann’sNamenbuchvermeld.WintarenSumar(WinterenZomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaamWinidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamenWintersenWinterinkzijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamenMeert, April, De MeyenJulij. Zonder twyfel zijn de namenAprilenDe Meyin der daad aan de namen der maanden ontleend. InJulijkan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaamJulius. TerwijlMeerteene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaamMartinus, die in sommige nederlandsche gouspraken totMeertengeworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaamMeertens. InKoelemeyschuilt mede de naam van de maand Mei.

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te wetenZondag, Sondag, Sundag, SontagenSonntagmetVrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitscheFreitagen in patronymikalen formVrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamenMaandagenMaendagh, DinsdagmetDingsdagenSaterdagmy slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld:Nieuwjaar, met het hoogduitscheNeujahren het patronymikaleNieuwejaers.Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men inVan LennepenTer Gouw’sUithangteekens(dl. II, bl. 76) nalezen mag. VerderVastavonden als oneigenlike vadersnaamVastenavondts; dan nogPaschenenPinkstermetVan PaesschenenVan Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamenVierdagenHeylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching vanHalliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. VerderMesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft eenvandaarby genomen, en heet nuVan Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form alsVan PaesschenenVan Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eenetachter sommige letters (zie §156). Zoodoende komt de naamMesdagook voor alsMestdaghenMestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamenNieuwentijtenOuendag, Tijdgaat(zie §148),De Zaeytijdt, DuurentijdtenOntijdvermeld worden.


Back to IndexNext