Utrecht.

Utrecht.In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.Soest en Hoogeland (zie bl.25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groepapart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl.26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.Spakenburg.Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgrondenvan Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl.27,28,29.)Het haar wordt opgestoken, met een zwartbandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl.28,29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl.27en29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl.27en29.)De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover denslippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witteonderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl.27,28,29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het warekappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl.27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt deroode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek isaltijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die doorde heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: deschulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.Die constructie is zeer opmerkelijk.Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jongemeisjesin voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: hetbrung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ookappeltjes-brung.De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruidwit.Over dit jak wordt een zwart zijden schortgedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl.28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd:de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant eengoud krapje, een gesp of ander soortige versiering.De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komthet voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.Zuid-Holland.In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of in het Gooi.Te Katwijk (zie bl.31) en Noordwijk (zie bl.30)heeft de visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar ’t belangrijkste van wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie bl.32,33.)Scheveningen.Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs vankleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men demop-muts, genaamd: de “moppes”, met oorijzer, waarin deparel-spelden, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in destukken, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: “de klappen”. Deze mutsen zijn ’s Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van “kamerdoek”.De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.Over dit costume wordt ’s winters deschoor-mantel(schouder-mantel) gedragen, die ’s Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen “stukken”, maar “boeken”, vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl.33.)De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de “kurketrekkers” van goud langs de slapen, die men “krullen” noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.Zeeland.Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.Daar waait in dit eilanden-domijn een heelandere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot “den mensch” sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel “ver-civiliseerde” Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.A. Walcheren.Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeervoortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht,omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, huninteressantegezichten geteekend heeft.En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen,te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl.34.)De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul)onder de muts uitkomt. (Zie bl.34,35,36,37,38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.In den wintertrotseertde gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.Dat is dekindermuts, zooals die op heelWalcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl.38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl.37.)De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl.38.)Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl.26.)Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl.40,41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoogroot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl.42.)Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.B. Zuid-Beveland.Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantschedrachten op het eiland bestaat, (zie bl.44,45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl.46,47.)Bovendien is debeuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl.46,47,48met bl.50,51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl.43tot en met51.)Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van eenlief-keus, (lijf-rok), datis een rok waaraan een lijfje vast is, en van eenrand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.Over die rokken komt een dof-blinkend zwartschort, van zijde of satinet.De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover eenhemd-rokmet korten mouwen, van voren sluitend.Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.Over dit hemd-rok komt debeuk.Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maarin de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk dekrap-lapofkra-lapofkrop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van dekap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl.46,47,48.)Dedoekis een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doekwordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl.46,47,48,49,50,51.)Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl.43.) Over het haar gaat degouden beugelvan zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkantebladeneindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt detip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen eenblauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl.48.)De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl.46,51.)De mutsen der Roomschen worden ietwat metblauwselgestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn decantille-speldenin de tip-muts gestoken. (Zie bl.46.) Daarboven steekt men deboven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.Dan komt daar nog debloedkoralen halskettingen het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl.46,47,48en bl.50,51.)Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl.43.) Endat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd doorpols-mouwenofmitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamdfriesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl.43.)In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in deoester-puttenbij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeftenvan het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.C. Zeeuwsch-Vlaanderen.In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl.54,55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht,maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één vanmoiré, en daarover een van zwart satijn of franschmerinos.Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.Dan volgt de bekende beuk en de doek.De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijkekoralen-versieringaan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl.54,55,56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl.54,56.)Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Hetgeheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl.54,55,56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soortcornet-mutsmet ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetschjak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Ditjak, rok en schort zijn (meest) allenvan dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.D. Noord-Beveland.Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en langeflodder-muts, die over een witteonder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doetdenken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)Friesland.Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op blijft zich in die kleedij testeken, zoodra zij zich als Friezen in het openbaar leven wil vertoonen.Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het werkelijke leven als uit de “rommelkamers” en oude koffers. Het “moderne geslacht” hecht niet meer aan “familie-stukken.”Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins terug in de Zaanstreek.Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, wasnietsdan het beroemdeoorijzer, waarin echter, in den vorm waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.Uit deze serie blijkt in ieder geval—om hierzoo min mogelijk op historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit nogal wijdejakken(tot de knie) en rokken, meestal in zijde van allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het schort gedragen worden. (Zie bl.57,58,59.)Deze doek en schort, zijn evenals de witteflodder-mutsvan dikwijls zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl.59.)De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uitdewitte tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer en daarover deflodder-muts, met de twee gouden “knoppen” aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts uitkomend.Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden,als het origineele friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830–60, vermengd met achtiend’ eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend’eeuwsch cachet. Dat neemt niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is zeer “charmant” door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.Hindeloopen.Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl.61,62,63.)Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweestzijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar ’t waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als “levende schilderijtjes” in elkaar zijn gezet.Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend’eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl.62,63.)Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet “de skoote” en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.Over dit keurs-lijf komen twee “oelofs” (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwenvan gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven “het geweid” (het gewaad).Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met eenveter, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwdenrechts, bij ongetrouwdenlinks.De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd “voorspeld-doek”, dat onder het oelof wordt gestoken.Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen “dewentke”, de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl.61,62,64.)Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het “kassakijntje”.De kleur van deze wentke is zeer verschillend,men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook hetschort, dat vanOost-Indisch bontweefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door denstrijker, een ring of speld van goud.Deze das wordt door de getrouwde vrouwenlinkstusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjesrechts(ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links metde prak, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralenbeugeltaschmet slot.De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de “de blinker” noemt.Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men ’t zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk defoar flechterheet (of:huidje= hoedje). Daarover komt “de flip” en de “zondook”, de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de “foar flechter” met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusenvorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.Deze “zondook” is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen “foar flechter” dragen.Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.De bruiden (zie bl.63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi—die hier slechts zeer in ’t kort is beschreven—een witten sluier, het “witmoer” geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter eenbruids-fristel, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds—jammer genoeg—zijn afgeschaft. (Zie bl.64.)

Utrecht.In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.Soest en Hoogeland (zie bl.25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groepapart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl.26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.Spakenburg.Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgrondenvan Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl.27,28,29.)Het haar wordt opgestoken, met een zwartbandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl.28,29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl.27en29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl.27en29.)De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover denslippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witteonderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl.27,28,29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het warekappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl.27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt deroode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek isaltijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die doorde heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: deschulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.Die constructie is zeer opmerkelijk.Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jongemeisjesin voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: hetbrung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ookappeltjes-brung.De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruidwit.Over dit jak wordt een zwart zijden schortgedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl.28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd:de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant eengoud krapje, een gesp of ander soortige versiering.De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komthet voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.Zuid-Holland.In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of in het Gooi.Te Katwijk (zie bl.31) en Noordwijk (zie bl.30)heeft de visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar ’t belangrijkste van wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie bl.32,33.)Scheveningen.Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs vankleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men demop-muts, genaamd: de “moppes”, met oorijzer, waarin deparel-spelden, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in destukken, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: “de klappen”. Deze mutsen zijn ’s Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van “kamerdoek”.De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.Over dit costume wordt ’s winters deschoor-mantel(schouder-mantel) gedragen, die ’s Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen “stukken”, maar “boeken”, vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl.33.)De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de “kurketrekkers” van goud langs de slapen, die men “krullen” noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.Zeeland.Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.Daar waait in dit eilanden-domijn een heelandere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot “den mensch” sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel “ver-civiliseerde” Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.A. Walcheren.Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeervoortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht,omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, huninteressantegezichten geteekend heeft.En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen,te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl.34.)De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul)onder de muts uitkomt. (Zie bl.34,35,36,37,38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.In den wintertrotseertde gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.Dat is dekindermuts, zooals die op heelWalcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl.38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl.37.)De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl.38.)Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl.26.)Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl.40,41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoogroot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl.42.)Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.B. Zuid-Beveland.Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantschedrachten op het eiland bestaat, (zie bl.44,45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl.46,47.)Bovendien is debeuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl.46,47,48met bl.50,51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl.43tot en met51.)Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van eenlief-keus, (lijf-rok), datis een rok waaraan een lijfje vast is, en van eenrand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.Over die rokken komt een dof-blinkend zwartschort, van zijde of satinet.De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover eenhemd-rokmet korten mouwen, van voren sluitend.Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.Over dit hemd-rok komt debeuk.Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maarin de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk dekrap-lapofkra-lapofkrop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van dekap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl.46,47,48.)Dedoekis een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doekwordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl.46,47,48,49,50,51.)Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl.43.) Over het haar gaat degouden beugelvan zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkantebladeneindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt detip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen eenblauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl.48.)De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl.46,51.)De mutsen der Roomschen worden ietwat metblauwselgestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn decantille-speldenin de tip-muts gestoken. (Zie bl.46.) Daarboven steekt men deboven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.Dan komt daar nog debloedkoralen halskettingen het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl.46,47,48en bl.50,51.)Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl.43.) Endat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd doorpols-mouwenofmitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamdfriesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl.43.)In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in deoester-puttenbij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeftenvan het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.C. Zeeuwsch-Vlaanderen.In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl.54,55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht,maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één vanmoiré, en daarover een van zwart satijn of franschmerinos.Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.Dan volgt de bekende beuk en de doek.De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijkekoralen-versieringaan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl.54,55,56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl.54,56.)Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Hetgeheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl.54,55,56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soortcornet-mutsmet ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetschjak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Ditjak, rok en schort zijn (meest) allenvan dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.D. Noord-Beveland.Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en langeflodder-muts, die over een witteonder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doetdenken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)Friesland.Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op blijft zich in die kleedij testeken, zoodra zij zich als Friezen in het openbaar leven wil vertoonen.Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het werkelijke leven als uit de “rommelkamers” en oude koffers. Het “moderne geslacht” hecht niet meer aan “familie-stukken.”Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins terug in de Zaanstreek.Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, wasnietsdan het beroemdeoorijzer, waarin echter, in den vorm waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.Uit deze serie blijkt in ieder geval—om hierzoo min mogelijk op historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit nogal wijdejakken(tot de knie) en rokken, meestal in zijde van allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het schort gedragen worden. (Zie bl.57,58,59.)Deze doek en schort, zijn evenals de witteflodder-mutsvan dikwijls zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl.59.)De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uitdewitte tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer en daarover deflodder-muts, met de twee gouden “knoppen” aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts uitkomend.Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden,als het origineele friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830–60, vermengd met achtiend’ eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend’eeuwsch cachet. Dat neemt niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is zeer “charmant” door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.Hindeloopen.Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl.61,62,63.)Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweestzijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar ’t waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als “levende schilderijtjes” in elkaar zijn gezet.Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend’eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl.62,63.)Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet “de skoote” en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.Over dit keurs-lijf komen twee “oelofs” (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwenvan gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven “het geweid” (het gewaad).Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met eenveter, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwdenrechts, bij ongetrouwdenlinks.De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd “voorspeld-doek”, dat onder het oelof wordt gestoken.Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen “dewentke”, de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl.61,62,64.)Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het “kassakijntje”.De kleur van deze wentke is zeer verschillend,men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook hetschort, dat vanOost-Indisch bontweefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door denstrijker, een ring of speld van goud.Deze das wordt door de getrouwde vrouwenlinkstusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjesrechts(ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links metde prak, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralenbeugeltaschmet slot.De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de “de blinker” noemt.Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men ’t zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk defoar flechterheet (of:huidje= hoedje). Daarover komt “de flip” en de “zondook”, de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de “foar flechter” met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusenvorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.Deze “zondook” is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen “foar flechter” dragen.Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.De bruiden (zie bl.63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi—die hier slechts zeer in ’t kort is beschreven—een witten sluier, het “witmoer” geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter eenbruids-fristel, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds—jammer genoeg—zijn afgeschaft. (Zie bl.64.)

Utrecht.In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.Soest en Hoogeland (zie bl.25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groepapart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl.26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.Spakenburg.Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgrondenvan Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl.27,28,29.)Het haar wordt opgestoken, met een zwartbandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl.28,29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl.27en29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl.27en29.)De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover denslippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witteonderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl.27,28,29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het warekappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl.27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt deroode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek isaltijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die doorde heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: deschulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.Die constructie is zeer opmerkelijk.Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jongemeisjesin voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: hetbrung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ookappeltjes-brung.De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruidwit.Over dit jak wordt een zwart zijden schortgedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl.28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd:de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant eengoud krapje, een gesp of ander soortige versiering.De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komthet voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.

In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.

Soest en Hoogeland (zie bl.25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groepapart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl.26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.

Spakenburg.Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgrondenvan Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl.27,28,29.)Het haar wordt opgestoken, met een zwartbandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl.28,29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl.27en29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl.27en29.)De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover denslippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witteonderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl.27,28,29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het warekappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl.27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt deroode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek isaltijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die doorde heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: deschulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.Die constructie is zeer opmerkelijk.Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jongemeisjesin voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: hetbrung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ookappeltjes-brung.De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruidwit.Over dit jak wordt een zwart zijden schortgedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl.28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd:de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant eengoud krapje, een gesp of ander soortige versiering.De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komthet voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.

Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgrondenvan Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.

In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.

De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.

Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.

De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl.27,28,29.)

Het haar wordt opgestoken, met een zwartbandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl.28,29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl.27en29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl.27en29.)

De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover denslippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witteonderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl.27,28,29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het warekappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl.27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt deroode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek isaltijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.

De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die doorde heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: deschulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.

Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.

Die constructie is zeer opmerkelijk.

Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jongemeisjesin voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.

Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: hetbrung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ookappeltjes-brung.

De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.

Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.

De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruidwit.

Over dit jak wordt een zwart zijden schortgedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.

’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl.28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.

De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.

De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.

De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd:de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant eengoud krapje, een gesp of ander soortige versiering.

De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komthet voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.

Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.

In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.

Zuid-Holland.In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of in het Gooi.Te Katwijk (zie bl.31) en Noordwijk (zie bl.30)heeft de visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar ’t belangrijkste van wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie bl.32,33.)Scheveningen.Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs vankleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men demop-muts, genaamd: de “moppes”, met oorijzer, waarin deparel-spelden, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in destukken, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: “de klappen”. Deze mutsen zijn ’s Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van “kamerdoek”.De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.Over dit costume wordt ’s winters deschoor-mantel(schouder-mantel) gedragen, die ’s Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen “stukken”, maar “boeken”, vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl.33.)De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de “kurketrekkers” van goud langs de slapen, die men “krullen” noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.

In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of in het Gooi.

Te Katwijk (zie bl.31) en Noordwijk (zie bl.30)heeft de visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar ’t belangrijkste van wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie bl.32,33.)

Scheveningen.Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs vankleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men demop-muts, genaamd: de “moppes”, met oorijzer, waarin deparel-spelden, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in destukken, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: “de klappen”. Deze mutsen zijn ’s Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van “kamerdoek”.De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.Over dit costume wordt ’s winters deschoor-mantel(schouder-mantel) gedragen, die ’s Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen “stukken”, maar “boeken”, vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl.33.)De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de “kurketrekkers” van goud langs de slapen, die men “krullen” noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.

Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.

En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.

De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs vankleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men demop-muts, genaamd: de “moppes”, met oorijzer, waarin deparel-spelden, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in destukken, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: “de klappen”. Deze mutsen zijn ’s Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van “kamerdoek”.

De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.

Over dit costume wordt ’s winters deschoor-mantel(schouder-mantel) gedragen, die ’s Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.

Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.

De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen “stukken”, maar “boeken”, vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.

Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.

Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl.33.)

De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de “kurketrekkers” van goud langs de slapen, die men “krullen” noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.

Zeeland.Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.Daar waait in dit eilanden-domijn een heelandere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot “den mensch” sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel “ver-civiliseerde” Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.A. Walcheren.Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeervoortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht,omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, huninteressantegezichten geteekend heeft.En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen,te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl.34.)De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul)onder de muts uitkomt. (Zie bl.34,35,36,37,38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.In den wintertrotseertde gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.Dat is dekindermuts, zooals die op heelWalcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl.38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl.37.)De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl.38.)Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl.26.)Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl.40,41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoogroot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl.42.)Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.B. Zuid-Beveland.Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantschedrachten op het eiland bestaat, (zie bl.44,45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl.46,47.)Bovendien is debeuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl.46,47,48met bl.50,51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl.43tot en met51.)Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van eenlief-keus, (lijf-rok), datis een rok waaraan een lijfje vast is, en van eenrand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.Over die rokken komt een dof-blinkend zwartschort, van zijde of satinet.De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover eenhemd-rokmet korten mouwen, van voren sluitend.Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.Over dit hemd-rok komt debeuk.Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maarin de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk dekrap-lapofkra-lapofkrop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van dekap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl.46,47,48.)Dedoekis een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doekwordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl.46,47,48,49,50,51.)Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl.43.) Over het haar gaat degouden beugelvan zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkantebladeneindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt detip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen eenblauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl.48.)De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl.46,51.)De mutsen der Roomschen worden ietwat metblauwselgestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn decantille-speldenin de tip-muts gestoken. (Zie bl.46.) Daarboven steekt men deboven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.Dan komt daar nog debloedkoralen halskettingen het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl.46,47,48en bl.50,51.)Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl.43.) Endat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd doorpols-mouwenofmitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamdfriesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl.43.)In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in deoester-puttenbij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeftenvan het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.C. Zeeuwsch-Vlaanderen.In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl.54,55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht,maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één vanmoiré, en daarover een van zwart satijn of franschmerinos.Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.Dan volgt de bekende beuk en de doek.De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijkekoralen-versieringaan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl.54,55,56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl.54,56.)Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Hetgeheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl.54,55,56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soortcornet-mutsmet ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetschjak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Ditjak, rok en schort zijn (meest) allenvan dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.D. Noord-Beveland.Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en langeflodder-muts, die over een witteonder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doetdenken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)

Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.

Daar waait in dit eilanden-domijn een heelandere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot “den mensch” sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.

Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel “ver-civiliseerde” Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.

A. Walcheren.Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeervoortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht,omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, huninteressantegezichten geteekend heeft.En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen,te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl.34.)De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul)onder de muts uitkomt. (Zie bl.34,35,36,37,38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.In den wintertrotseertde gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.Dat is dekindermuts, zooals die op heelWalcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl.38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl.37.)De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl.38.)Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl.26.)Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl.40,41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoogroot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl.42.)Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.

Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeervoortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht,omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.

En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, huninteressantegezichten geteekend heeft.

En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen,te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.

De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.

Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl.34.)

De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul)onder de muts uitkomt. (Zie bl.34,35,36,37,38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.

De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.

In den wintertrotseertde gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.

Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.

De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.

Dat is dekindermuts, zooals die op heelWalcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl.38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl.37.)

De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl.38.)

Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.

Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl.26.)

Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.

Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.

Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.

Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl.40,41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoogroot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl.42.)

Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.

B. Zuid-Beveland.Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantschedrachten op het eiland bestaat, (zie bl.44,45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl.46,47.)Bovendien is debeuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl.46,47,48met bl.50,51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl.43tot en met51.)Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van eenlief-keus, (lijf-rok), datis een rok waaraan een lijfje vast is, en van eenrand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.Over die rokken komt een dof-blinkend zwartschort, van zijde of satinet.De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover eenhemd-rokmet korten mouwen, van voren sluitend.Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.Over dit hemd-rok komt debeuk.Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maarin de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk dekrap-lapofkra-lapofkrop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van dekap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl.46,47,48.)Dedoekis een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doekwordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl.46,47,48,49,50,51.)Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl.43.) Over het haar gaat degouden beugelvan zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkantebladeneindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt detip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen eenblauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl.48.)De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl.46,51.)De mutsen der Roomschen worden ietwat metblauwselgestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn decantille-speldenin de tip-muts gestoken. (Zie bl.46.) Daarboven steekt men deboven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.Dan komt daar nog debloedkoralen halskettingen het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl.46,47,48en bl.50,51.)Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl.43.) Endat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd doorpols-mouwenofmitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamdfriesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl.43.)In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in deoester-puttenbij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeftenvan het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.

Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.

Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantschedrachten op het eiland bestaat, (zie bl.44,45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.

De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.

De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl.46,47.)

Bovendien is debeuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl.46,47,48met bl.50,51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl.43tot en met51.)

Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van eenlief-keus, (lijf-rok), datis een rok waaraan een lijfje vast is, en van eenrand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.

Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.

Over die rokken komt een dof-blinkend zwartschort, van zijde of satinet.

De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.

Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover eenhemd-rokmet korten mouwen, van voren sluitend.

Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.

Over dit hemd-rok komt debeuk.

Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.

De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maarin de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk dekrap-lapofkra-lapofkrop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.

Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.

De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van dekap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.

De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl.46,47,48.)

Dedoekis een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doekwordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl.46,47,48,49,50,51.)

Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.

De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl.43.) Over het haar gaat degouden beugelvan zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkantebladeneindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt detip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.

Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen eenblauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl.48.)

De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.

Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl.46,51.)

De mutsen der Roomschen worden ietwat metblauwselgestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.

Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn decantille-speldenin de tip-muts gestoken. (Zie bl.46.) Daarboven steekt men deboven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.

Dan komt daar nog debloedkoralen halskettingen het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl.46,47,48en bl.50,51.)

Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl.43.) Endat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.

De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd doorpols-mouwenofmitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.

Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamdfriesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl.43.)

In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.

Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in deoester-puttenbij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeftenvan het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.

C. Zeeuwsch-Vlaanderen.In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl.54,55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht,maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één vanmoiré, en daarover een van zwart satijn of franschmerinos.Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.Dan volgt de bekende beuk en de doek.De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijkekoralen-versieringaan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl.54,55,56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl.54,56.)Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Hetgeheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl.54,55,56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soortcornet-mutsmet ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetschjak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Ditjak, rok en schort zijn (meest) allenvan dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.

In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.

Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl.54,55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.

Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht,maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één vanmoiré, en daarover een van zwart satijn of franschmerinos.

Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.

Dan volgt de bekende beuk en de doek.

De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijkekoralen-versieringaan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl.54,55,56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl.54,56.)

Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Hetgeheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl.54,55,56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.

De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.

In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soortcornet-mutsmet ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetschjak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Ditjak, rok en schort zijn (meest) allenvan dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.

Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.

In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.

D. Noord-Beveland.Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en langeflodder-muts, die over een witteonder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doetdenken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)

Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.

De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en langeflodder-muts, die over een witteonder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doetdenken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.

De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)

Friesland.Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op blijft zich in die kleedij testeken, zoodra zij zich als Friezen in het openbaar leven wil vertoonen.Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het werkelijke leven als uit de “rommelkamers” en oude koffers. Het “moderne geslacht” hecht niet meer aan “familie-stukken.”Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins terug in de Zaanstreek.Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, wasnietsdan het beroemdeoorijzer, waarin echter, in den vorm waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.Uit deze serie blijkt in ieder geval—om hierzoo min mogelijk op historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit nogal wijdejakken(tot de knie) en rokken, meestal in zijde van allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het schort gedragen worden. (Zie bl.57,58,59.)Deze doek en schort, zijn evenals de witteflodder-mutsvan dikwijls zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl.59.)De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uitdewitte tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer en daarover deflodder-muts, met de twee gouden “knoppen” aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts uitkomend.Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden,als het origineele friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830–60, vermengd met achtiend’ eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend’eeuwsch cachet. Dat neemt niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is zeer “charmant” door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.Hindeloopen.Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl.61,62,63.)Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweestzijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar ’t waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als “levende schilderijtjes” in elkaar zijn gezet.Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend’eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl.62,63.)Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet “de skoote” en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.Over dit keurs-lijf komen twee “oelofs” (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwenvan gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven “het geweid” (het gewaad).Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met eenveter, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwdenrechts, bij ongetrouwdenlinks.De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd “voorspeld-doek”, dat onder het oelof wordt gestoken.Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen “dewentke”, de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl.61,62,64.)Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het “kassakijntje”.De kleur van deze wentke is zeer verschillend,men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook hetschort, dat vanOost-Indisch bontweefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door denstrijker, een ring of speld van goud.Deze das wordt door de getrouwde vrouwenlinkstusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjesrechts(ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links metde prak, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralenbeugeltaschmet slot.De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de “de blinker” noemt.Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men ’t zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk defoar flechterheet (of:huidje= hoedje). Daarover komt “de flip” en de “zondook”, de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de “foar flechter” met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusenvorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.Deze “zondook” is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen “foar flechter” dragen.Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.De bruiden (zie bl.63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi—die hier slechts zeer in ’t kort is beschreven—een witten sluier, het “witmoer” geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter eenbruids-fristel, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds—jammer genoeg—zijn afgeschaft. (Zie bl.64.)

Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op blijft zich in die kleedij testeken, zoodra zij zich als Friezen in het openbaar leven wil vertoonen.

Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het werkelijke leven als uit de “rommelkamers” en oude koffers. Het “moderne geslacht” hecht niet meer aan “familie-stukken.”

Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins terug in de Zaanstreek.

Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, wasnietsdan het beroemdeoorijzer, waarin echter, in den vorm waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.

In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.

Uit deze serie blijkt in ieder geval—om hierzoo min mogelijk op historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit nogal wijdejakken(tot de knie) en rokken, meestal in zijde van allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het schort gedragen worden. (Zie bl.57,58,59.)

Deze doek en schort, zijn evenals de witteflodder-mutsvan dikwijls zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl.59.)

De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uitdewitte tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer en daarover deflodder-muts, met de twee gouden “knoppen” aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts uitkomend.

Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden,als het origineele friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830–60, vermengd met achtiend’ eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend’eeuwsch cachet. Dat neemt niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is zeer “charmant” door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.

Hindeloopen.Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl.61,62,63.)Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweestzijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar ’t waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als “levende schilderijtjes” in elkaar zijn gezet.Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend’eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl.62,63.)Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet “de skoote” en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.Over dit keurs-lijf komen twee “oelofs” (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwenvan gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven “het geweid” (het gewaad).Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met eenveter, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwdenrechts, bij ongetrouwdenlinks.De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd “voorspeld-doek”, dat onder het oelof wordt gestoken.Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen “dewentke”, de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl.61,62,64.)Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het “kassakijntje”.De kleur van deze wentke is zeer verschillend,men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook hetschort, dat vanOost-Indisch bontweefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door denstrijker, een ring of speld van goud.Deze das wordt door de getrouwde vrouwenlinkstusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjesrechts(ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links metde prak, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralenbeugeltaschmet slot.De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de “de blinker” noemt.Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men ’t zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk defoar flechterheet (of:huidje= hoedje). Daarover komt “de flip” en de “zondook”, de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de “foar flechter” met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusenvorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.Deze “zondook” is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen “foar flechter” dragen.Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.De bruiden (zie bl.63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi—die hier slechts zeer in ’t kort is beschreven—een witten sluier, het “witmoer” geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter eenbruids-fristel, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds—jammer genoeg—zijn afgeschaft. (Zie bl.64.)

Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl.61,62,63.)

Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweestzijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar ’t waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als “levende schilderijtjes” in elkaar zijn gezet.

Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend’eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl.62,63.)

Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.

De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet “de skoote” en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.

Over dit keurs-lijf komen twee “oelofs” (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwenvan gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven “het geweid” (het gewaad).

Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met eenveter, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwdenrechts, bij ongetrouwdenlinks.

De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd “voorspeld-doek”, dat onder het oelof wordt gestoken.

Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen “dewentke”, de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl.61,62,64.)

Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het “kassakijntje”.

De kleur van deze wentke is zeer verschillend,men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.

Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook hetschort, dat vanOost-Indisch bontweefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).

Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door denstrijker, een ring of speld van goud.

Deze das wordt door de getrouwde vrouwenlinkstusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjesrechts(ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).

Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links metde prak, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralenbeugeltaschmet slot.

De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.

Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de “de blinker” noemt.

Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men ’t zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk defoar flechterheet (of:huidje= hoedje). Daarover komt “de flip” en de “zondook”, de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de “foar flechter” met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusenvorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.

Deze “zondook” is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen “foar flechter” dragen.

Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.

De bruiden (zie bl.63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi—die hier slechts zeer in ’t kort is beschreven—een witten sluier, het “witmoer” geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter eenbruids-fristel, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.

Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.

Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.

Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds—jammer genoeg—zijn afgeschaft. (Zie bl.64.)


Back to IndexNext