DEGAASP.

[Inhoud]DEGAASP.In onze voorgaande beschrijving vanWeesper-kerspelin ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vierStokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dierStokken, deBijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder deGaasp, boven gemeld.Wat betreft deszelfsLIGGING.Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stadWeesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.NAAMSOORSPRONG.Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij[2]nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook denGaasopgenoemd.De afzonderlijkeGROOTTEVan den grond, in den eigenlijken omvang vande Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen overWeesper-kerspelin ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er inGaaspnog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam vanReigersbroekpronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heerenvan Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming vanMeesters, ofBewaarders van den Reigerbosschestelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.Het gezegde getal van huizen inde Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardigeinundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtigeFransche volk—’t is echter zeer te vreezen.… maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders[3]dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.Hetwapenvan deGaasp, kan gezegd worden dat vanWeesper-Kerspelte weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.Kerklijkeofwereldlijke gebouwenzijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel,kerklijke regeeringniets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkelregeeringin onze beschrijving vanWeesper-Kerspelin ’t algemeen, de bewooners moeten voords teAbcoudeof teWeespter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’tGein—wat voords dewereldlijke regeeringbetreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving vanWeesper-kerspelgesproken.DeBEZIGHEDENVan de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd wordende Gaaspte bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.GESCHIEDENISSEN.Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, watde Gaaspbetreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners vande Gaaspbetrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van denPruissischen Soldaathadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die vande Gaaspook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van[4]geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:Soldaat zij vijand of zij vrind,Hij neemt wat hij kan krijgen,Doet door geweld den klaager zwijgen,Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.Hoe zeer dePruissenzig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van deHollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachementPruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, deHollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één derHollanderenverlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van denHollanderdoodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot denPruisvan het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.Bijzonderhedenzijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geenereisgelegenheden, ofherbergen, veel minlogementen, voorhanden zijn: aan het eind van deBijlemer, of begin van deGaasp, ligt de aangenaame herberg,Gaasperzicht, waarvan wij onder deBijlemerreeds gesproken hebben.[5]

[Inhoud]DEGAASP.In onze voorgaande beschrijving vanWeesper-kerspelin ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vierStokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dierStokken, deBijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder deGaasp, boven gemeld.Wat betreft deszelfsLIGGING.Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stadWeesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.NAAMSOORSPRONG.Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij[2]nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook denGaasopgenoemd.De afzonderlijkeGROOTTEVan den grond, in den eigenlijken omvang vande Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen overWeesper-kerspelin ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er inGaaspnog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam vanReigersbroekpronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heerenvan Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming vanMeesters, ofBewaarders van den Reigerbosschestelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.Het gezegde getal van huizen inde Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardigeinundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtigeFransche volk—’t is echter zeer te vreezen.… maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders[3]dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.Hetwapenvan deGaasp, kan gezegd worden dat vanWeesper-Kerspelte weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.Kerklijkeofwereldlijke gebouwenzijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel,kerklijke regeeringniets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkelregeeringin onze beschrijving vanWeesper-Kerspelin ’t algemeen, de bewooners moeten voords teAbcoudeof teWeespter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’tGein—wat voords dewereldlijke regeeringbetreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving vanWeesper-kerspelgesproken.DeBEZIGHEDENVan de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd wordende Gaaspte bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.GESCHIEDENISSEN.Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, watde Gaaspbetreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners vande Gaaspbetrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van denPruissischen Soldaathadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die vande Gaaspook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van[4]geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:Soldaat zij vijand of zij vrind,Hij neemt wat hij kan krijgen,Doet door geweld den klaager zwijgen,Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.Hoe zeer dePruissenzig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van deHollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachementPruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, deHollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één derHollanderenverlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van denHollanderdoodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot denPruisvan het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.Bijzonderhedenzijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geenereisgelegenheden, ofherbergen, veel minlogementen, voorhanden zijn: aan het eind van deBijlemer, of begin van deGaasp, ligt de aangenaame herberg,Gaasperzicht, waarvan wij onder deBijlemerreeds gesproken hebben.[5]

DEGAASP.

In onze voorgaande beschrijving vanWeesper-kerspelin ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vierStokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dierStokken, deBijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder deGaasp, boven gemeld.Wat betreft deszelfsLIGGING.Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stadWeesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.NAAMSOORSPRONG.Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij[2]nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook denGaasopgenoemd.De afzonderlijkeGROOTTEVan den grond, in den eigenlijken omvang vande Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen overWeesper-kerspelin ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er inGaaspnog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam vanReigersbroekpronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heerenvan Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming vanMeesters, ofBewaarders van den Reigerbosschestelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.Het gezegde getal van huizen inde Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardigeinundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtigeFransche volk—’t is echter zeer te vreezen.… maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders[3]dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.Hetwapenvan deGaasp, kan gezegd worden dat vanWeesper-Kerspelte weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.Kerklijkeofwereldlijke gebouwenzijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel,kerklijke regeeringniets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkelregeeringin onze beschrijving vanWeesper-Kerspelin ’t algemeen, de bewooners moeten voords teAbcoudeof teWeespter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’tGein—wat voords dewereldlijke regeeringbetreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving vanWeesper-kerspelgesproken.DeBEZIGHEDENVan de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd wordende Gaaspte bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.GESCHIEDENISSEN.Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, watde Gaaspbetreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners vande Gaaspbetrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van denPruissischen Soldaathadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die vande Gaaspook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van[4]geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:Soldaat zij vijand of zij vrind,Hij neemt wat hij kan krijgen,Doet door geweld den klaager zwijgen,Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.Hoe zeer dePruissenzig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van deHollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachementPruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, deHollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één derHollanderenverlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van denHollanderdoodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot denPruisvan het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.Bijzonderhedenzijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geenereisgelegenheden, ofherbergen, veel minlogementen, voorhanden zijn: aan het eind van deBijlemer, of begin van deGaasp, ligt de aangenaame herberg,Gaasperzicht, waarvan wij onder deBijlemerreeds gesproken hebben.[5]

In onze voorgaande beschrijving vanWeesper-kerspelin ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vierStokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dierStokken, deBijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder deGaasp, boven gemeld.

Wat betreft deszelfs

LIGGING.

Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stadWeesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.

NAAMSOORSPRONG.

Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij[2]nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook denGaasopgenoemd.

De afzonderlijke

GROOTTE

Van den grond, in den eigenlijken omvang vande Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen overWeesper-kerspelin ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er inGaaspnog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam vanReigersbroekpronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heerenvan Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming vanMeesters, ofBewaarders van den Reigerbosschestelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.

Het gezegde getal van huizen inde Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardigeinundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtigeFransche volk—’t is echter zeer te vreezen.… maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders[3]dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.

Hetwapenvan deGaasp, kan gezegd worden dat vanWeesper-Kerspelte weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.

Kerklijkeofwereldlijke gebouwenzijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel,kerklijke regeeringniets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkelregeeringin onze beschrijving vanWeesper-Kerspelin ’t algemeen, de bewooners moeten voords teAbcoudeof teWeespter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’tGein—wat voords dewereldlijke regeeringbetreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving vanWeesper-kerspelgesproken.

De

BEZIGHEDEN

Van de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd wordende Gaaspte bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.

GESCHIEDENISSEN.

Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, watde Gaaspbetreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners vande Gaaspbetrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van denPruissischen Soldaathadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die vande Gaaspook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van[4]geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:

Soldaat zij vijand of zij vrind,Hij neemt wat hij kan krijgen,Doet door geweld den klaager zwijgen,Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.

Soldaat zij vijand of zij vrind,

Hij neemt wat hij kan krijgen,

Doet door geweld den klaager zwijgen,

Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.

Hoe zeer dePruissenzig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van deHollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachementPruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, deHollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één derHollanderenverlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van denHollanderdoodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot denPruisvan het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.

Bijzonderhedenzijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geenereisgelegenheden, ofherbergen, veel minlogementen, voorhanden zijn: aan het eind van deBijlemer, of begin van deGaasp, ligt de aangenaame herberg,Gaasperzicht, waarvan wij onder deBijlemerreeds gesproken hebben.[5]


Back to IndexNext