[Inhoud]De stad Naarden.De stad Naarden.DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.DESTADNAARDEN.Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjenNaarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.In dien tijd ondervond deSpanjaard, en heeft het meermaals ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder[2]de oogen durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de Voorzienigheid insluit:Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,En op zo krank een steunsel bouwt,Heeft ongetwijfeld God vergeten;Hij echter, uit wiens hand wij eeten,Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.Wat vooreerst betreft deLIGGINGVanNaarden, die is in ’t oosterdeel van Nederland, ten noorden vanHolland, en wel bepaaldlijk in ’tGooiland1, waarvan het[3]de hoofdstad is,aan de Zuiderzee, niet verre van de grenzen van ’t sticht vanUtrecht: aan drie zijden is de stad omringd van hoog heiland, terwijl zij alleenlijk aan de westzijde laage weilanden heeft.NAAMSOORSPRONG.Over deeze wordt bij de oudheidkundigen verscheidene gissingen gemaakt, doch wij gaan dezelven met stilzwijgen voorbij, alzo de eene zo ongegrond als de andere is, en zij derhalven onzen Leezer weinig vermaaks kunnen geeven:Gooilandvinden wij dat weleerNardingerlandheette, waarschijnelijk naar eene bezitster of bezitter, zo als de naamGooilandook ontstaan is, (zie bladz. 2 in Nota,)NardingofNardingergeheten, en daar het steedjen waarvan wij thans spreeken de hoofdstad van dat grondgebied was, is het te begrijpen hoe hetzelve dan den naam vanNaardenheeft bekomen.STICHTINGENGROOTTE.Het tegenwoordigNaardenligt op eenen geheel anderen grond, dan de oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den naam vanOud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een monnikkenwoning geweest.Oud-naarden, of liever geheelNardingerland, ook welNaardinklandgenoemd, werd, vermoedelijk doorJan van Arkel, den zeven - en veertigsten Bisschop vanUtrecht, verwoest, zodanig dat de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is: sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald welken,) eenigen[4]tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet, boven water ziet komen.Nardinklandis vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van eenestad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks ofgeheelof voor hetgrootste gedeelte verlatenzal betekenen, dit is zeker, dat GraafWillem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest verleende om weder eene stadNaardente bouwen, zijnde dezelve datNaarden’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant vanAmsteldam, om reden dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.Men kan dan zeggen datNaardenin den Jaare 1350 gesticht is door GraafWillem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw gelast: de handvest zegt datNaardendoor den Graaf weder werd herbouwd;om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen wezen.De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732,vier honderd en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,) geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehuchtLaag-bussem, wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.[5]Naardenis vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken, gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden Ingenieur Baronvan Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van denVechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk deAmsterdamscheen deAmersfoordsche: deezen zijn geen onaartige gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van deAmsteldamsche poortis uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ. ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde getallen voor de andere poort, (deAmersfoordsche,) is CIↃ. ICC. LXXXII, en 1775.’TWAPEN.Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN,De voornaamste deezer is de Gereformeerde Kerk, welke bediend wordt door drie Predikanten: het gebouw van binnen is groot en ruim, en pronkt met de begraafplaats, (versierd met een deftig opschrift,) van den geleerden RectorLambertus Hortensius, dien onze Lezer ook nader zal leeren kennen; hij was rector der Latijnsche schoole: ook vindt men in de kerk, een in wit marmer uitgehouwen gedenkstuk.[6]ter eere van PrinsWillem den Derden, (wat de aanleiding daartoe gegeven heeft, zal onze leezer in ’t vervolg van dit blad te duidelijk kunnen opmaaken, dan dat wij er hier iet van behoeven te zeggen; dit alleen kunnen wij hem verzekeren, dat het zijne geboorte niet verschuldigd is aan eene domme zucht, maar aan erkentenis voor wezenlijke verdiensten,) voords heeft deeze Kerk een fraai orgel, benevens een choor; vóór dezelve leest men het jaartal 1648, denkelijk het jaar waarin zij gebouwd is: de toren die er op staat te redelijk groot, en steekt te meer uit om dat de grond der stad tamelijk hoog is.Er is ook eeneFransche Gereformeerde Kerk, die door één’ predikant bediend wordt;EenRoomschedie één’ pastoor heeft;EenJoodsche Sijnagoge; maar er is geeneLuthersche Kerk.De verdere Godsdienstige gebouwen zijn eenDiaken Weeshuis; het zelve is gesticht in den jaare 1747, en dient zo wel ter herberginge van oude mannen en vrouwen, als van kinderen; het getal der gasten welken zig daarin bevinden is veertig.HetBurgerweeshuis, gesticht in den jaare 1644, bezit zeer aanmerkelijke goederen en inkomsten; echter heeft het thans niet meer dan vier kinderen te voeden.WERELDLIJKE GEBOUWEN.’T voornaamste van deezen is het Stadhuis, een gebouw ’t welk het steedjen eere aandoet, zijnde in zijne soort zeer fraai, pronkende van binnen met eenige kunstige schilderijen; het is van buiten versierd met een net toorentjen, waarin een klok hangt, op die wijze als men meermaals in kleine steden vindt: men wil dat het hout tot dit[7]gebouw gebruikt, gehaald zoude weezen uit het zogenaamdeGoojer-bosch, dat weleer ten zuiden van het dorpHilversumgestaan heeft: van buiten boven den ingang pronkt het met drie wèl gehouwene beelden, vertoonende deGerechtigheid, aan wier rechterhand deGodsdienst, en aan de linkerhand deHoopstaat; onder deeze beelden leest men:GOD REGIERT AL.Anno 1601.In de gevel staat:IS ’T LEIJDEN IS ’T VREVGT,DRÆGTET SOO ’T GOD VERGT.Het oude Stadhuis, in ’t welk weleer een gruwel gepleegd werd, waarvan wij onzen Leezer straks verslag zullen doen, dient thans voor eenWaag; voor dezelve ziet men, in drie steenen, afgebeeld, nevens bijschriften, in rijmen van dien tijd, het treurig voorval, ’t welk wij zo even bedoelden.Voords zijn inNaardentwee magazijnen, waarvan het eene een zeer schoon gebouw, en wel der bezichtiginge waardig is.Weleer, doch in zeer veel vroeger tijd, moetNaardenook eene Latijnsche School gehad hebben, want de Rector daarvan heeft zig in deSpaansche beroerteneenen naam verworven: (zie bladz 11.)Zo in de stad als tusschen de wallen vindt men verscheidene gebouwen, die echter niet meer dan schuuren zijn, waarin eene toerijkende hoeveelheid van amunitie in voorraad is,REGEERING.Deeze bestaat uit den Bailluw vanGooiland, zijnde thans de WelEd. HeerCorver Hooft, den Schout, drie regeerende Burgemeesters en zeven Schepenen, die woensdag vóór den middag ten half tien uure vergaderen; een-en-dertig Vroedschappen, benevens een Thesaurier, drie Weesmeesteren,[8]en twee Secretarissen: de Magistraatsverandering geschiedt op den 2 Februarij.Naardenbezit de volgendeVOORRECHTEN,Welke haar meestal ten tijde der Graaven geschonken zijn.Weleer werd het stedeke mede onder deHollandsche stedenter dagvaart beschreven, doch van die waardigheid, of dat voorrecht, is het sedert beroofd; dat zeker jammer is, wantNaardenheeft ook haare bijzondere belangen, en zelfs heeft het allergeringste steedjen die, ja ook het platte land.… dit echter is een point buiten ons bestek, derhalven dringen wij het niet dieper door: het doorzoekend oog van den burger heeft het in onze laatste onlusten ook doorzocht.Willem van Beieren, haaren stichter, gaf haar het voorrecht van vrijheid van zekere tollen, en van het arrest op haare goederen, ook schonk hij haar eene eigene rechtbank en Schepens: in 1357 verkreeg zij het stapelrecht, op de visscherijen, van die visschen, „die men landen zal inHolland, Kennemerland, enFriesland;” dit was eene vergelding voor eene dappere overwinning door deNaardersop die vanAmersfoordbehaald; HertogJan van BeierenheeftNaardenvergund de heirvaarten, togten, en ’t heffen van ’s Lands lasten, als mede dat zij sluizen mogt leggen waar ’t haar goed dacht:Carel van Bourgondiënverzekerde haar ook, dat het geheeleGooilandnooit van den Lande vanHollandzoude gescheiden worden.Dit tot ons oogmerk genoeg gezegd zijnde, moeten wij, alvoorens van de aanmerkelijke historie der stad te spreeken, nog iet aanstippen van derzelver[9]GILDEN.Deezen zijn drie in getal, als 1.) het Timmermans en Metzelaars, 2.) het Kleeremaakers gild, en 3.) dat van de zijdenstoffeweevers; dan dit is thans bijna geheel vervallen.SCHUTTERIJ.Niet anders hebben wij hiervan kunnen opspooren, als datNaarden, slechts sedert drie-en-twintig jaaren, gerekend van het jaar der jongstledene omwenteling van zaaken, eene gewapende schutterij heeft gehad; in het gemelde jaar, 1787, bestond dezelve uit twee compagniën, ieder van zestig man; doch in dat jaar hebben zij het lot van veele anderen Schutters ondergaan, zij zijn naamlijk ontwapend, of (dat thans het zelfde zegt,) hunne geweeren zijn opgehaald, en zij afgezet; hunne plaats is echter vervuld met drie compagniën soldaaten, ieder van circa vijftig mannen, voetvolk, ofschoon er sedert twintig jaaren geene melitie in gelegen heeft; niet mede gerekend een beevend corps van 80 knikkende grijsaarts, onder den naam van invaliden: deezen hebben lange jaaren alleen de bewaring der sterke stad op hunne zwakke schouderen getorscht: thans houden zij deAmsterdamsche poortbezet.BEZIGHEDENENVERMAAKEN.Vermaaken!—deezen zijn bij die vanNaardenbijna onbekend, indien men daaronder niet betrekt, in ’t zondagspakjen langs de schansen te sukkelen, of te hoop op de aankomende schuiten te staan tuuren, om de darteleAmsteldammerste zien aanlanden; waaronder dikwijls veelen gevonden worden, dom genoeg om met de schamelheid van ’t steedjen te lagchen.De bezigheden van die vanNaarden, bestaan meest in ’t laakenweeven, voords in ’t verrichten van die bezigheden welken in de zameleving onontbeerelijk zijn—er is niet meer dan één koornmolen: langs de schans vindt men eene vrij groote touwbaan.[10]GESCHIEDENISDERSTAD.Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe GraafFloris de Vijfde, in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige inwooners vanNaarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartigeGerrit van Velzenzijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, deNaarderszouden in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:Niet ver vanKronenburg, daar siet men in de velden,DeNaardenaars, die straks haar in de wapens stelden;HeerGerritrijdtvoor uit, en vraagt wat dat se doen?Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.HeerGerritwijkt te rugh, en naar de Grave steekt,Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,Alzo deNaardenaarshaar op de hielen waren;Van Velzensteekt den Graaf enz.Toen in den jaare 1481, deUtrechtscheneene overwinning op deHollandersbehaald hadden, meenden zij met listNaardeninteneemen, daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen; onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die vanNaardenmoeten derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij verdelgden toen naamlijk de sloten vanEmmenesenWestbroek, waarbij niet minder dan 1500Utrechtschenhet leven verloren; de dappereNaardersbehaalden daarbij ook zo groot[11]een buit dat zij uit dezelve een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met bijvoeginge van de woorden: „zwijgUtrecht!”In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voorOranjeverklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching afgeslagen; doch op het bericht datDon Fredrikmet geheel zijn heir op de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school,Lambertus Hortensius, denSpanjaardtegen; onder weg ontmoetten deeze den wreedaartigen bevelhebber,Juliaan Romero, die hun verklaarde datDon Fredrik, de zaak der stadNaardenaan hem gelaten had, waarvan het gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trokRomerobinnen, en werd bijGerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid? na den maaltijd deedRomero, door eenen trommelslager omroepen, dat alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen in deGasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven[12]zig derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder deSpanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridderHooft, „’t aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord die toe gepleegd werd; deSpanjaardsbonsden de deur open en schoten in ’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren; vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had men het geheele heir derSpanjaardenbinnen de muuren, de roovers in de huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen, kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals, ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het lichaam gesneden; maagden, en meisjens[13]van dertien of veertien jaaren werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in het dorpHuizenaan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.… maar genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker dichter:Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagenAl wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.Sedert gingNaardenaan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als het Batavieren voegt.In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het versterken vanNaarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het versterken achterbleef.Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren vanNaarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag doortestaan; in den oorlog metFrankrijknaamlijk (1672.) nam de Markgraaf vanRochefort,Naardenin, waarvan den Prins vanOranjede schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin gelegen.In ’t volgende jaar kwam de Prins vanCondéin persoon derwaards, en werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd:Willem de Derdeheeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve uit de magt derFranschente rukken, en der Republiek wederteschenken: dat deFranscheninNaardenlagen was de Staaten een doorn in den[14]voet; wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd: intusschen hadden deFranscheneenige oude vestingwerken aldaar laaten verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnenNaardeneen Gouverneur,Van Pasgenoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid en dapperheid;Oranjeechter ondernam den aanslag; om den vijand te misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant vanBrabandmarcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloegOranjehet beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna bemagtigd.Van dien tijd af heeftNaardenniet veel deels in de staatsverschillen, waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden, gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtigAmsteldam, om ’t welke het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne verdediging verwacht!De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven teNaardengeenzins vergeeten; de Colonelvan Matha, werd met toerijkende manschap derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap van WapenoefeningTot nut der Schutterij, trok den 8 September des jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve, in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen marsch derwaards, ontvingen zij bericht, datMathahun niet zoude toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een patent van de Provinciaale Staaten.[15]Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men dePruissenin het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig haddenNaardente winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Majorvon Kalckreuthuit het leger bijAmersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn regiment, benevens het eerste bataillon vanEichmanderwaards afgezonden, om met den CommandeurMathain onderhandeling te treeden, en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van gemelden dag kwamen dePruissenvoorNaarden, en legerden zig op eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen;Naardenheeft zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van deVechtte gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans geheel verloren was, en alles metPruissische troupenbezet werd, heeft ookNaardendezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen verloor; of ’t op dePruissengemunt was is ons echter onbekend, zo ja, zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied weezen, datKalckreuthzig voor het steedjen nêersloeg.BIJZONDERHEDEN.DieNaardengaat bezichtigen vraage vooral naarOud-naarden, zo genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van deZuiderzee.[16]De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer salpeterachtig en onaangenaam.De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde huis vanJan Tabak.LOGEMENTEN.DeKeizers kroon.Hetvliegende Hart.Voor den burger.HetJaagschuitjen,Een tweede, ook zo genoemd.Hetbonte Paard.Hetwitte Paard.REISGELEGENHEDEN.Alle dagen vaaren er 6 Schuiten van daar, doorMuiden, opAmsteldam, en komen er ook evenveel aan: deArnhemschepostwagen passeert er ook; men vindt er mede niet ver van deAmsterdamsche poort, eene zeer geschikte uitspanning, alwaar men ten allen tijde een rijtuig kan bekomen.[1]1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑
[Inhoud]De stad Naarden.De stad Naarden.DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.DESTADNAARDEN.Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjenNaarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.In dien tijd ondervond deSpanjaard, en heeft het meermaals ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder[2]de oogen durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de Voorzienigheid insluit:Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,En op zo krank een steunsel bouwt,Heeft ongetwijfeld God vergeten;Hij echter, uit wiens hand wij eeten,Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.Wat vooreerst betreft deLIGGINGVanNaarden, die is in ’t oosterdeel van Nederland, ten noorden vanHolland, en wel bepaaldlijk in ’tGooiland1, waarvan het[3]de hoofdstad is,aan de Zuiderzee, niet verre van de grenzen van ’t sticht vanUtrecht: aan drie zijden is de stad omringd van hoog heiland, terwijl zij alleenlijk aan de westzijde laage weilanden heeft.NAAMSOORSPRONG.Over deeze wordt bij de oudheidkundigen verscheidene gissingen gemaakt, doch wij gaan dezelven met stilzwijgen voorbij, alzo de eene zo ongegrond als de andere is, en zij derhalven onzen Leezer weinig vermaaks kunnen geeven:Gooilandvinden wij dat weleerNardingerlandheette, waarschijnelijk naar eene bezitster of bezitter, zo als de naamGooilandook ontstaan is, (zie bladz. 2 in Nota,)NardingofNardingergeheten, en daar het steedjen waarvan wij thans spreeken de hoofdstad van dat grondgebied was, is het te begrijpen hoe hetzelve dan den naam vanNaardenheeft bekomen.STICHTINGENGROOTTE.Het tegenwoordigNaardenligt op eenen geheel anderen grond, dan de oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den naam vanOud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een monnikkenwoning geweest.Oud-naarden, of liever geheelNardingerland, ook welNaardinklandgenoemd, werd, vermoedelijk doorJan van Arkel, den zeven - en veertigsten Bisschop vanUtrecht, verwoest, zodanig dat de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is: sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald welken,) eenigen[4]tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet, boven water ziet komen.Nardinklandis vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van eenestad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks ofgeheelof voor hetgrootste gedeelte verlatenzal betekenen, dit is zeker, dat GraafWillem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest verleende om weder eene stadNaardente bouwen, zijnde dezelve datNaarden’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant vanAmsteldam, om reden dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.Men kan dan zeggen datNaardenin den Jaare 1350 gesticht is door GraafWillem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw gelast: de handvest zegt datNaardendoor den Graaf weder werd herbouwd;om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen wezen.De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732,vier honderd en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,) geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehuchtLaag-bussem, wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.[5]Naardenis vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken, gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden Ingenieur Baronvan Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van denVechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk deAmsterdamscheen deAmersfoordsche: deezen zijn geen onaartige gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van deAmsteldamsche poortis uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ. ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde getallen voor de andere poort, (deAmersfoordsche,) is CIↃ. ICC. LXXXII, en 1775.’TWAPEN.Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN,De voornaamste deezer is de Gereformeerde Kerk, welke bediend wordt door drie Predikanten: het gebouw van binnen is groot en ruim, en pronkt met de begraafplaats, (versierd met een deftig opschrift,) van den geleerden RectorLambertus Hortensius, dien onze Lezer ook nader zal leeren kennen; hij was rector der Latijnsche schoole: ook vindt men in de kerk, een in wit marmer uitgehouwen gedenkstuk.[6]ter eere van PrinsWillem den Derden, (wat de aanleiding daartoe gegeven heeft, zal onze leezer in ’t vervolg van dit blad te duidelijk kunnen opmaaken, dan dat wij er hier iet van behoeven te zeggen; dit alleen kunnen wij hem verzekeren, dat het zijne geboorte niet verschuldigd is aan eene domme zucht, maar aan erkentenis voor wezenlijke verdiensten,) voords heeft deeze Kerk een fraai orgel, benevens een choor; vóór dezelve leest men het jaartal 1648, denkelijk het jaar waarin zij gebouwd is: de toren die er op staat te redelijk groot, en steekt te meer uit om dat de grond der stad tamelijk hoog is.Er is ook eeneFransche Gereformeerde Kerk, die door één’ predikant bediend wordt;EenRoomschedie één’ pastoor heeft;EenJoodsche Sijnagoge; maar er is geeneLuthersche Kerk.De verdere Godsdienstige gebouwen zijn eenDiaken Weeshuis; het zelve is gesticht in den jaare 1747, en dient zo wel ter herberginge van oude mannen en vrouwen, als van kinderen; het getal der gasten welken zig daarin bevinden is veertig.HetBurgerweeshuis, gesticht in den jaare 1644, bezit zeer aanmerkelijke goederen en inkomsten; echter heeft het thans niet meer dan vier kinderen te voeden.WERELDLIJKE GEBOUWEN.’T voornaamste van deezen is het Stadhuis, een gebouw ’t welk het steedjen eere aandoet, zijnde in zijne soort zeer fraai, pronkende van binnen met eenige kunstige schilderijen; het is van buiten versierd met een net toorentjen, waarin een klok hangt, op die wijze als men meermaals in kleine steden vindt: men wil dat het hout tot dit[7]gebouw gebruikt, gehaald zoude weezen uit het zogenaamdeGoojer-bosch, dat weleer ten zuiden van het dorpHilversumgestaan heeft: van buiten boven den ingang pronkt het met drie wèl gehouwene beelden, vertoonende deGerechtigheid, aan wier rechterhand deGodsdienst, en aan de linkerhand deHoopstaat; onder deeze beelden leest men:GOD REGIERT AL.Anno 1601.In de gevel staat:IS ’T LEIJDEN IS ’T VREVGT,DRÆGTET SOO ’T GOD VERGT.Het oude Stadhuis, in ’t welk weleer een gruwel gepleegd werd, waarvan wij onzen Leezer straks verslag zullen doen, dient thans voor eenWaag; voor dezelve ziet men, in drie steenen, afgebeeld, nevens bijschriften, in rijmen van dien tijd, het treurig voorval, ’t welk wij zo even bedoelden.Voords zijn inNaardentwee magazijnen, waarvan het eene een zeer schoon gebouw, en wel der bezichtiginge waardig is.Weleer, doch in zeer veel vroeger tijd, moetNaardenook eene Latijnsche School gehad hebben, want de Rector daarvan heeft zig in deSpaansche beroerteneenen naam verworven: (zie bladz 11.)Zo in de stad als tusschen de wallen vindt men verscheidene gebouwen, die echter niet meer dan schuuren zijn, waarin eene toerijkende hoeveelheid van amunitie in voorraad is,REGEERING.Deeze bestaat uit den Bailluw vanGooiland, zijnde thans de WelEd. HeerCorver Hooft, den Schout, drie regeerende Burgemeesters en zeven Schepenen, die woensdag vóór den middag ten half tien uure vergaderen; een-en-dertig Vroedschappen, benevens een Thesaurier, drie Weesmeesteren,[8]en twee Secretarissen: de Magistraatsverandering geschiedt op den 2 Februarij.Naardenbezit de volgendeVOORRECHTEN,Welke haar meestal ten tijde der Graaven geschonken zijn.Weleer werd het stedeke mede onder deHollandsche stedenter dagvaart beschreven, doch van die waardigheid, of dat voorrecht, is het sedert beroofd; dat zeker jammer is, wantNaardenheeft ook haare bijzondere belangen, en zelfs heeft het allergeringste steedjen die, ja ook het platte land.… dit echter is een point buiten ons bestek, derhalven dringen wij het niet dieper door: het doorzoekend oog van den burger heeft het in onze laatste onlusten ook doorzocht.Willem van Beieren, haaren stichter, gaf haar het voorrecht van vrijheid van zekere tollen, en van het arrest op haare goederen, ook schonk hij haar eene eigene rechtbank en Schepens: in 1357 verkreeg zij het stapelrecht, op de visscherijen, van die visschen, „die men landen zal inHolland, Kennemerland, enFriesland;” dit was eene vergelding voor eene dappere overwinning door deNaardersop die vanAmersfoordbehaald; HertogJan van BeierenheeftNaardenvergund de heirvaarten, togten, en ’t heffen van ’s Lands lasten, als mede dat zij sluizen mogt leggen waar ’t haar goed dacht:Carel van Bourgondiënverzekerde haar ook, dat het geheeleGooilandnooit van den Lande vanHollandzoude gescheiden worden.Dit tot ons oogmerk genoeg gezegd zijnde, moeten wij, alvoorens van de aanmerkelijke historie der stad te spreeken, nog iet aanstippen van derzelver[9]GILDEN.Deezen zijn drie in getal, als 1.) het Timmermans en Metzelaars, 2.) het Kleeremaakers gild, en 3.) dat van de zijdenstoffeweevers; dan dit is thans bijna geheel vervallen.SCHUTTERIJ.Niet anders hebben wij hiervan kunnen opspooren, als datNaarden, slechts sedert drie-en-twintig jaaren, gerekend van het jaar der jongstledene omwenteling van zaaken, eene gewapende schutterij heeft gehad; in het gemelde jaar, 1787, bestond dezelve uit twee compagniën, ieder van zestig man; doch in dat jaar hebben zij het lot van veele anderen Schutters ondergaan, zij zijn naamlijk ontwapend, of (dat thans het zelfde zegt,) hunne geweeren zijn opgehaald, en zij afgezet; hunne plaats is echter vervuld met drie compagniën soldaaten, ieder van circa vijftig mannen, voetvolk, ofschoon er sedert twintig jaaren geene melitie in gelegen heeft; niet mede gerekend een beevend corps van 80 knikkende grijsaarts, onder den naam van invaliden: deezen hebben lange jaaren alleen de bewaring der sterke stad op hunne zwakke schouderen getorscht: thans houden zij deAmsterdamsche poortbezet.BEZIGHEDENENVERMAAKEN.Vermaaken!—deezen zijn bij die vanNaardenbijna onbekend, indien men daaronder niet betrekt, in ’t zondagspakjen langs de schansen te sukkelen, of te hoop op de aankomende schuiten te staan tuuren, om de darteleAmsteldammerste zien aanlanden; waaronder dikwijls veelen gevonden worden, dom genoeg om met de schamelheid van ’t steedjen te lagchen.De bezigheden van die vanNaarden, bestaan meest in ’t laakenweeven, voords in ’t verrichten van die bezigheden welken in de zameleving onontbeerelijk zijn—er is niet meer dan één koornmolen: langs de schans vindt men eene vrij groote touwbaan.[10]GESCHIEDENISDERSTAD.Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe GraafFloris de Vijfde, in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige inwooners vanNaarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartigeGerrit van Velzenzijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, deNaarderszouden in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:Niet ver vanKronenburg, daar siet men in de velden,DeNaardenaars, die straks haar in de wapens stelden;HeerGerritrijdtvoor uit, en vraagt wat dat se doen?Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.HeerGerritwijkt te rugh, en naar de Grave steekt,Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,Alzo deNaardenaarshaar op de hielen waren;Van Velzensteekt den Graaf enz.Toen in den jaare 1481, deUtrechtscheneene overwinning op deHollandersbehaald hadden, meenden zij met listNaardeninteneemen, daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen; onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die vanNaardenmoeten derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij verdelgden toen naamlijk de sloten vanEmmenesenWestbroek, waarbij niet minder dan 1500Utrechtschenhet leven verloren; de dappereNaardersbehaalden daarbij ook zo groot[11]een buit dat zij uit dezelve een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met bijvoeginge van de woorden: „zwijgUtrecht!”In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voorOranjeverklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching afgeslagen; doch op het bericht datDon Fredrikmet geheel zijn heir op de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school,Lambertus Hortensius, denSpanjaardtegen; onder weg ontmoetten deeze den wreedaartigen bevelhebber,Juliaan Romero, die hun verklaarde datDon Fredrik, de zaak der stadNaardenaan hem gelaten had, waarvan het gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trokRomerobinnen, en werd bijGerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid? na den maaltijd deedRomero, door eenen trommelslager omroepen, dat alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen in deGasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven[12]zig derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder deSpanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridderHooft, „’t aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord die toe gepleegd werd; deSpanjaardsbonsden de deur open en schoten in ’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren; vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had men het geheele heir derSpanjaardenbinnen de muuren, de roovers in de huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen, kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals, ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het lichaam gesneden; maagden, en meisjens[13]van dertien of veertien jaaren werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in het dorpHuizenaan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.… maar genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker dichter:Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagenAl wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.Sedert gingNaardenaan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als het Batavieren voegt.In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het versterken vanNaarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het versterken achterbleef.Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren vanNaarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag doortestaan; in den oorlog metFrankrijknaamlijk (1672.) nam de Markgraaf vanRochefort,Naardenin, waarvan den Prins vanOranjede schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin gelegen.In ’t volgende jaar kwam de Prins vanCondéin persoon derwaards, en werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd:Willem de Derdeheeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve uit de magt derFranschente rukken, en der Republiek wederteschenken: dat deFranscheninNaardenlagen was de Staaten een doorn in den[14]voet; wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd: intusschen hadden deFranscheneenige oude vestingwerken aldaar laaten verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnenNaardeneen Gouverneur,Van Pasgenoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid en dapperheid;Oranjeechter ondernam den aanslag; om den vijand te misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant vanBrabandmarcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloegOranjehet beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna bemagtigd.Van dien tijd af heeftNaardenniet veel deels in de staatsverschillen, waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden, gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtigAmsteldam, om ’t welke het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne verdediging verwacht!De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven teNaardengeenzins vergeeten; de Colonelvan Matha, werd met toerijkende manschap derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap van WapenoefeningTot nut der Schutterij, trok den 8 September des jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve, in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen marsch derwaards, ontvingen zij bericht, datMathahun niet zoude toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een patent van de Provinciaale Staaten.[15]Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men dePruissenin het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig haddenNaardente winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Majorvon Kalckreuthuit het leger bijAmersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn regiment, benevens het eerste bataillon vanEichmanderwaards afgezonden, om met den CommandeurMathain onderhandeling te treeden, en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van gemelden dag kwamen dePruissenvoorNaarden, en legerden zig op eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen;Naardenheeft zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van deVechtte gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans geheel verloren was, en alles metPruissische troupenbezet werd, heeft ookNaardendezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen verloor; of ’t op dePruissengemunt was is ons echter onbekend, zo ja, zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied weezen, datKalckreuthzig voor het steedjen nêersloeg.BIJZONDERHEDEN.DieNaardengaat bezichtigen vraage vooral naarOud-naarden, zo genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van deZuiderzee.[16]De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer salpeterachtig en onaangenaam.De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde huis vanJan Tabak.LOGEMENTEN.DeKeizers kroon.Hetvliegende Hart.Voor den burger.HetJaagschuitjen,Een tweede, ook zo genoemd.Hetbonte Paard.Hetwitte Paard.REISGELEGENHEDEN.Alle dagen vaaren er 6 Schuiten van daar, doorMuiden, opAmsteldam, en komen er ook evenveel aan: deArnhemschepostwagen passeert er ook; men vindt er mede niet ver van deAmsterdamsche poort, eene zeer geschikte uitspanning, alwaar men ten allen tijde een rijtuig kan bekomen.[1]1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑
De stad Naarden.De stad Naarden.DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.DESTADNAARDEN.
De stad Naarden.De stad Naarden.DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.
De stad Naarden.
DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.
DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.
DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,Schier overstroomd van burgerbloedMoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)Ontfangen, is des steedsVerdrukt door zo veel leeds.
DeGooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,
Leed door deStichtenaarswerd door hetSpaansch gebroed,
Schier overstroomd van burgerbloed
MoestPruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)
Ontfangen, is des steeds
Verdrukt door zo veel leeds.
Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjenNaarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.In dien tijd ondervond deSpanjaard, en heeft het meermaals ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder[2]de oogen durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de Voorzienigheid insluit:Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,En op zo krank een steunsel bouwt,Heeft ongetwijfeld God vergeten;Hij echter, uit wiens hand wij eeten,Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.Wat vooreerst betreft deLIGGINGVanNaarden, die is in ’t oosterdeel van Nederland, ten noorden vanHolland, en wel bepaaldlijk in ’tGooiland1, waarvan het[3]de hoofdstad is,aan de Zuiderzee, niet verre van de grenzen van ’t sticht vanUtrecht: aan drie zijden is de stad omringd van hoog heiland, terwijl zij alleenlijk aan de westzijde laage weilanden heeft.NAAMSOORSPRONG.Over deeze wordt bij de oudheidkundigen verscheidene gissingen gemaakt, doch wij gaan dezelven met stilzwijgen voorbij, alzo de eene zo ongegrond als de andere is, en zij derhalven onzen Leezer weinig vermaaks kunnen geeven:Gooilandvinden wij dat weleerNardingerlandheette, waarschijnelijk naar eene bezitster of bezitter, zo als de naamGooilandook ontstaan is, (zie bladz. 2 in Nota,)NardingofNardingergeheten, en daar het steedjen waarvan wij thans spreeken de hoofdstad van dat grondgebied was, is het te begrijpen hoe hetzelve dan den naam vanNaardenheeft bekomen.STICHTINGENGROOTTE.Het tegenwoordigNaardenligt op eenen geheel anderen grond, dan de oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den naam vanOud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een monnikkenwoning geweest.Oud-naarden, of liever geheelNardingerland, ook welNaardinklandgenoemd, werd, vermoedelijk doorJan van Arkel, den zeven - en veertigsten Bisschop vanUtrecht, verwoest, zodanig dat de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is: sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald welken,) eenigen[4]tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet, boven water ziet komen.Nardinklandis vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van eenestad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks ofgeheelof voor hetgrootste gedeelte verlatenzal betekenen, dit is zeker, dat GraafWillem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest verleende om weder eene stadNaardente bouwen, zijnde dezelve datNaarden’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant vanAmsteldam, om reden dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.Men kan dan zeggen datNaardenin den Jaare 1350 gesticht is door GraafWillem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw gelast: de handvest zegt datNaardendoor den Graaf weder werd herbouwd;om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen wezen.De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732,vier honderd en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,) geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehuchtLaag-bussem, wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.[5]Naardenis vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken, gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden Ingenieur Baronvan Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van denVechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk deAmsterdamscheen deAmersfoordsche: deezen zijn geen onaartige gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van deAmsteldamsche poortis uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ. ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde getallen voor de andere poort, (deAmersfoordsche,) is CIↃ. ICC. LXXXII, en 1775.’TWAPEN.Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN,De voornaamste deezer is de Gereformeerde Kerk, welke bediend wordt door drie Predikanten: het gebouw van binnen is groot en ruim, en pronkt met de begraafplaats, (versierd met een deftig opschrift,) van den geleerden RectorLambertus Hortensius, dien onze Lezer ook nader zal leeren kennen; hij was rector der Latijnsche schoole: ook vindt men in de kerk, een in wit marmer uitgehouwen gedenkstuk.[6]ter eere van PrinsWillem den Derden, (wat de aanleiding daartoe gegeven heeft, zal onze leezer in ’t vervolg van dit blad te duidelijk kunnen opmaaken, dan dat wij er hier iet van behoeven te zeggen; dit alleen kunnen wij hem verzekeren, dat het zijne geboorte niet verschuldigd is aan eene domme zucht, maar aan erkentenis voor wezenlijke verdiensten,) voords heeft deeze Kerk een fraai orgel, benevens een choor; vóór dezelve leest men het jaartal 1648, denkelijk het jaar waarin zij gebouwd is: de toren die er op staat te redelijk groot, en steekt te meer uit om dat de grond der stad tamelijk hoog is.Er is ook eeneFransche Gereformeerde Kerk, die door één’ predikant bediend wordt;EenRoomschedie één’ pastoor heeft;EenJoodsche Sijnagoge; maar er is geeneLuthersche Kerk.De verdere Godsdienstige gebouwen zijn eenDiaken Weeshuis; het zelve is gesticht in den jaare 1747, en dient zo wel ter herberginge van oude mannen en vrouwen, als van kinderen; het getal der gasten welken zig daarin bevinden is veertig.HetBurgerweeshuis, gesticht in den jaare 1644, bezit zeer aanmerkelijke goederen en inkomsten; echter heeft het thans niet meer dan vier kinderen te voeden.WERELDLIJKE GEBOUWEN.’T voornaamste van deezen is het Stadhuis, een gebouw ’t welk het steedjen eere aandoet, zijnde in zijne soort zeer fraai, pronkende van binnen met eenige kunstige schilderijen; het is van buiten versierd met een net toorentjen, waarin een klok hangt, op die wijze als men meermaals in kleine steden vindt: men wil dat het hout tot dit[7]gebouw gebruikt, gehaald zoude weezen uit het zogenaamdeGoojer-bosch, dat weleer ten zuiden van het dorpHilversumgestaan heeft: van buiten boven den ingang pronkt het met drie wèl gehouwene beelden, vertoonende deGerechtigheid, aan wier rechterhand deGodsdienst, en aan de linkerhand deHoopstaat; onder deeze beelden leest men:GOD REGIERT AL.Anno 1601.In de gevel staat:IS ’T LEIJDEN IS ’T VREVGT,DRÆGTET SOO ’T GOD VERGT.Het oude Stadhuis, in ’t welk weleer een gruwel gepleegd werd, waarvan wij onzen Leezer straks verslag zullen doen, dient thans voor eenWaag; voor dezelve ziet men, in drie steenen, afgebeeld, nevens bijschriften, in rijmen van dien tijd, het treurig voorval, ’t welk wij zo even bedoelden.Voords zijn inNaardentwee magazijnen, waarvan het eene een zeer schoon gebouw, en wel der bezichtiginge waardig is.Weleer, doch in zeer veel vroeger tijd, moetNaardenook eene Latijnsche School gehad hebben, want de Rector daarvan heeft zig in deSpaansche beroerteneenen naam verworven: (zie bladz 11.)Zo in de stad als tusschen de wallen vindt men verscheidene gebouwen, die echter niet meer dan schuuren zijn, waarin eene toerijkende hoeveelheid van amunitie in voorraad is,REGEERING.Deeze bestaat uit den Bailluw vanGooiland, zijnde thans de WelEd. HeerCorver Hooft, den Schout, drie regeerende Burgemeesters en zeven Schepenen, die woensdag vóór den middag ten half tien uure vergaderen; een-en-dertig Vroedschappen, benevens een Thesaurier, drie Weesmeesteren,[8]en twee Secretarissen: de Magistraatsverandering geschiedt op den 2 Februarij.Naardenbezit de volgendeVOORRECHTEN,Welke haar meestal ten tijde der Graaven geschonken zijn.Weleer werd het stedeke mede onder deHollandsche stedenter dagvaart beschreven, doch van die waardigheid, of dat voorrecht, is het sedert beroofd; dat zeker jammer is, wantNaardenheeft ook haare bijzondere belangen, en zelfs heeft het allergeringste steedjen die, ja ook het platte land.… dit echter is een point buiten ons bestek, derhalven dringen wij het niet dieper door: het doorzoekend oog van den burger heeft het in onze laatste onlusten ook doorzocht.Willem van Beieren, haaren stichter, gaf haar het voorrecht van vrijheid van zekere tollen, en van het arrest op haare goederen, ook schonk hij haar eene eigene rechtbank en Schepens: in 1357 verkreeg zij het stapelrecht, op de visscherijen, van die visschen, „die men landen zal inHolland, Kennemerland, enFriesland;” dit was eene vergelding voor eene dappere overwinning door deNaardersop die vanAmersfoordbehaald; HertogJan van BeierenheeftNaardenvergund de heirvaarten, togten, en ’t heffen van ’s Lands lasten, als mede dat zij sluizen mogt leggen waar ’t haar goed dacht:Carel van Bourgondiënverzekerde haar ook, dat het geheeleGooilandnooit van den Lande vanHollandzoude gescheiden worden.Dit tot ons oogmerk genoeg gezegd zijnde, moeten wij, alvoorens van de aanmerkelijke historie der stad te spreeken, nog iet aanstippen van derzelver[9]GILDEN.Deezen zijn drie in getal, als 1.) het Timmermans en Metzelaars, 2.) het Kleeremaakers gild, en 3.) dat van de zijdenstoffeweevers; dan dit is thans bijna geheel vervallen.SCHUTTERIJ.Niet anders hebben wij hiervan kunnen opspooren, als datNaarden, slechts sedert drie-en-twintig jaaren, gerekend van het jaar der jongstledene omwenteling van zaaken, eene gewapende schutterij heeft gehad; in het gemelde jaar, 1787, bestond dezelve uit twee compagniën, ieder van zestig man; doch in dat jaar hebben zij het lot van veele anderen Schutters ondergaan, zij zijn naamlijk ontwapend, of (dat thans het zelfde zegt,) hunne geweeren zijn opgehaald, en zij afgezet; hunne plaats is echter vervuld met drie compagniën soldaaten, ieder van circa vijftig mannen, voetvolk, ofschoon er sedert twintig jaaren geene melitie in gelegen heeft; niet mede gerekend een beevend corps van 80 knikkende grijsaarts, onder den naam van invaliden: deezen hebben lange jaaren alleen de bewaring der sterke stad op hunne zwakke schouderen getorscht: thans houden zij deAmsterdamsche poortbezet.BEZIGHEDENENVERMAAKEN.Vermaaken!—deezen zijn bij die vanNaardenbijna onbekend, indien men daaronder niet betrekt, in ’t zondagspakjen langs de schansen te sukkelen, of te hoop op de aankomende schuiten te staan tuuren, om de darteleAmsteldammerste zien aanlanden; waaronder dikwijls veelen gevonden worden, dom genoeg om met de schamelheid van ’t steedjen te lagchen.De bezigheden van die vanNaarden, bestaan meest in ’t laakenweeven, voords in ’t verrichten van die bezigheden welken in de zameleving onontbeerelijk zijn—er is niet meer dan één koornmolen: langs de schans vindt men eene vrij groote touwbaan.[10]GESCHIEDENISDERSTAD.Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe GraafFloris de Vijfde, in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige inwooners vanNaarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartigeGerrit van Velzenzijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, deNaarderszouden in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:Niet ver vanKronenburg, daar siet men in de velden,DeNaardenaars, die straks haar in de wapens stelden;HeerGerritrijdtvoor uit, en vraagt wat dat se doen?Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.HeerGerritwijkt te rugh, en naar de Grave steekt,Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,Alzo deNaardenaarshaar op de hielen waren;Van Velzensteekt den Graaf enz.Toen in den jaare 1481, deUtrechtscheneene overwinning op deHollandersbehaald hadden, meenden zij met listNaardeninteneemen, daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen; onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die vanNaardenmoeten derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij verdelgden toen naamlijk de sloten vanEmmenesenWestbroek, waarbij niet minder dan 1500Utrechtschenhet leven verloren; de dappereNaardersbehaalden daarbij ook zo groot[11]een buit dat zij uit dezelve een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met bijvoeginge van de woorden: „zwijgUtrecht!”In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voorOranjeverklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching afgeslagen; doch op het bericht datDon Fredrikmet geheel zijn heir op de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school,Lambertus Hortensius, denSpanjaardtegen; onder weg ontmoetten deeze den wreedaartigen bevelhebber,Juliaan Romero, die hun verklaarde datDon Fredrik, de zaak der stadNaardenaan hem gelaten had, waarvan het gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trokRomerobinnen, en werd bijGerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid? na den maaltijd deedRomero, door eenen trommelslager omroepen, dat alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen in deGasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven[12]zig derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder deSpanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridderHooft, „’t aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord die toe gepleegd werd; deSpanjaardsbonsden de deur open en schoten in ’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren; vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had men het geheele heir derSpanjaardenbinnen de muuren, de roovers in de huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen, kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals, ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het lichaam gesneden; maagden, en meisjens[13]van dertien of veertien jaaren werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in het dorpHuizenaan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.… maar genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker dichter:Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagenAl wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.Sedert gingNaardenaan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als het Batavieren voegt.In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het versterken vanNaarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het versterken achterbleef.Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren vanNaarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag doortestaan; in den oorlog metFrankrijknaamlijk (1672.) nam de Markgraaf vanRochefort,Naardenin, waarvan den Prins vanOranjede schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin gelegen.In ’t volgende jaar kwam de Prins vanCondéin persoon derwaards, en werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd:Willem de Derdeheeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve uit de magt derFranschente rukken, en der Republiek wederteschenken: dat deFranscheninNaardenlagen was de Staaten een doorn in den[14]voet; wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd: intusschen hadden deFranscheneenige oude vestingwerken aldaar laaten verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnenNaardeneen Gouverneur,Van Pasgenoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid en dapperheid;Oranjeechter ondernam den aanslag; om den vijand te misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant vanBrabandmarcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloegOranjehet beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna bemagtigd.Van dien tijd af heeftNaardenniet veel deels in de staatsverschillen, waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden, gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtigAmsteldam, om ’t welke het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne verdediging verwacht!De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven teNaardengeenzins vergeeten; de Colonelvan Matha, werd met toerijkende manschap derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap van WapenoefeningTot nut der Schutterij, trok den 8 September des jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve, in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen marsch derwaards, ontvingen zij bericht, datMathahun niet zoude toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een patent van de Provinciaale Staaten.[15]Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men dePruissenin het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig haddenNaardente winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Majorvon Kalckreuthuit het leger bijAmersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn regiment, benevens het eerste bataillon vanEichmanderwaards afgezonden, om met den CommandeurMathain onderhandeling te treeden, en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van gemelden dag kwamen dePruissenvoorNaarden, en legerden zig op eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen;Naardenheeft zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van deVechtte gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans geheel verloren was, en alles metPruissische troupenbezet werd, heeft ookNaardendezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen verloor; of ’t op dePruissengemunt was is ons echter onbekend, zo ja, zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied weezen, datKalckreuthzig voor het steedjen nêersloeg.BIJZONDERHEDEN.DieNaardengaat bezichtigen vraage vooral naarOud-naarden, zo genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van deZuiderzee.[16]De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer salpeterachtig en onaangenaam.De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde huis vanJan Tabak.LOGEMENTEN.DeKeizers kroon.Hetvliegende Hart.Voor den burger.HetJaagschuitjen,Een tweede, ook zo genoemd.Hetbonte Paard.Hetwitte Paard.REISGELEGENHEDEN.Alle dagen vaaren er 6 Schuiten van daar, doorMuiden, opAmsteldam, en komen er ook evenveel aan: deArnhemschepostwagen passeert er ook; men vindt er mede niet ver van deAmsterdamsche poort, eene zeer geschikte uitspanning, alwaar men ten allen tijde een rijtuig kan bekomen.[1]
Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjenNaarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:
——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.
——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,
Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,
Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,
Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,
Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,
Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.
In dien tijd ondervond deSpanjaard, en heeft het meermaals ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder[2]de oogen durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de Voorzienigheid insluit:
Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,En op zo krank een steunsel bouwt,Heeft ongetwijfeld God vergeten;Hij echter, uit wiens hand wij eeten,Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.
Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,
En op zo krank een steunsel bouwt,
Heeft ongetwijfeld God vergeten;
Hij echter, uit wiens hand wij eeten,
Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,
’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.
Wat vooreerst betreft de
LIGGING
VanNaarden, die is in ’t oosterdeel van Nederland, ten noorden vanHolland, en wel bepaaldlijk in ’tGooiland1, waarvan het[3]de hoofdstad is,aan de Zuiderzee, niet verre van de grenzen van ’t sticht vanUtrecht: aan drie zijden is de stad omringd van hoog heiland, terwijl zij alleenlijk aan de westzijde laage weilanden heeft.
NAAMSOORSPRONG.
Over deeze wordt bij de oudheidkundigen verscheidene gissingen gemaakt, doch wij gaan dezelven met stilzwijgen voorbij, alzo de eene zo ongegrond als de andere is, en zij derhalven onzen Leezer weinig vermaaks kunnen geeven:Gooilandvinden wij dat weleerNardingerlandheette, waarschijnelijk naar eene bezitster of bezitter, zo als de naamGooilandook ontstaan is, (zie bladz. 2 in Nota,)NardingofNardingergeheten, en daar het steedjen waarvan wij thans spreeken de hoofdstad van dat grondgebied was, is het te begrijpen hoe hetzelve dan den naam vanNaardenheeft bekomen.
STICHTINGENGROOTTE.
Het tegenwoordigNaardenligt op eenen geheel anderen grond, dan de oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den naam vanOud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een monnikkenwoning geweest.Oud-naarden, of liever geheelNardingerland, ook welNaardinklandgenoemd, werd, vermoedelijk doorJan van Arkel, den zeven - en veertigsten Bisschop vanUtrecht, verwoest, zodanig dat de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is: sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald welken,) eenigen[4]tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet, boven water ziet komen.
Nardinklandis vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van eenestad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks ofgeheelof voor hetgrootste gedeelte verlatenzal betekenen, dit is zeker, dat GraafWillem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest verleende om weder eene stadNaardente bouwen, zijnde dezelve datNaarden’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant vanAmsteldam, om reden dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.
Men kan dan zeggen datNaardenin den Jaare 1350 gesticht is door GraafWillem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw gelast: de handvest zegt datNaardendoor den Graaf weder werd herbouwd;om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen wezen.
De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732,vier honderd en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,) geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehuchtLaag-bussem, wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.[5]
Naardenis vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken, gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden Ingenieur Baronvan Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van denVechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk deAmsterdamscheen deAmersfoordsche: deezen zijn geen onaartige gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van deAmsteldamsche poortis uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ. ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde getallen voor de andere poort, (deAmersfoordsche,) is CIↃ. ICC. LXXXII, en 1775.
’TWAPEN.
Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.
KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN,
De voornaamste deezer is de Gereformeerde Kerk, welke bediend wordt door drie Predikanten: het gebouw van binnen is groot en ruim, en pronkt met de begraafplaats, (versierd met een deftig opschrift,) van den geleerden RectorLambertus Hortensius, dien onze Lezer ook nader zal leeren kennen; hij was rector der Latijnsche schoole: ook vindt men in de kerk, een in wit marmer uitgehouwen gedenkstuk.[6]ter eere van PrinsWillem den Derden, (wat de aanleiding daartoe gegeven heeft, zal onze leezer in ’t vervolg van dit blad te duidelijk kunnen opmaaken, dan dat wij er hier iet van behoeven te zeggen; dit alleen kunnen wij hem verzekeren, dat het zijne geboorte niet verschuldigd is aan eene domme zucht, maar aan erkentenis voor wezenlijke verdiensten,) voords heeft deeze Kerk een fraai orgel, benevens een choor; vóór dezelve leest men het jaartal 1648, denkelijk het jaar waarin zij gebouwd is: de toren die er op staat te redelijk groot, en steekt te meer uit om dat de grond der stad tamelijk hoog is.
Er is ook eeneFransche Gereformeerde Kerk, die door één’ predikant bediend wordt;
EenRoomschedie één’ pastoor heeft;
EenJoodsche Sijnagoge; maar er is geeneLuthersche Kerk.
De verdere Godsdienstige gebouwen zijn eenDiaken Weeshuis; het zelve is gesticht in den jaare 1747, en dient zo wel ter herberginge van oude mannen en vrouwen, als van kinderen; het getal der gasten welken zig daarin bevinden is veertig.
HetBurgerweeshuis, gesticht in den jaare 1644, bezit zeer aanmerkelijke goederen en inkomsten; echter heeft het thans niet meer dan vier kinderen te voeden.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
’T voornaamste van deezen is het Stadhuis, een gebouw ’t welk het steedjen eere aandoet, zijnde in zijne soort zeer fraai, pronkende van binnen met eenige kunstige schilderijen; het is van buiten versierd met een net toorentjen, waarin een klok hangt, op die wijze als men meermaals in kleine steden vindt: men wil dat het hout tot dit[7]gebouw gebruikt, gehaald zoude weezen uit het zogenaamdeGoojer-bosch, dat weleer ten zuiden van het dorpHilversumgestaan heeft: van buiten boven den ingang pronkt het met drie wèl gehouwene beelden, vertoonende deGerechtigheid, aan wier rechterhand deGodsdienst, en aan de linkerhand deHoopstaat; onder deeze beelden leest men:
GOD REGIERT AL.Anno 1601.
In de gevel staat:
IS ’T LEIJDEN IS ’T VREVGT,DRÆGTET SOO ’T GOD VERGT.
Het oude Stadhuis, in ’t welk weleer een gruwel gepleegd werd, waarvan wij onzen Leezer straks verslag zullen doen, dient thans voor eenWaag; voor dezelve ziet men, in drie steenen, afgebeeld, nevens bijschriften, in rijmen van dien tijd, het treurig voorval, ’t welk wij zo even bedoelden.
Voords zijn inNaardentwee magazijnen, waarvan het eene een zeer schoon gebouw, en wel der bezichtiginge waardig is.
Weleer, doch in zeer veel vroeger tijd, moetNaardenook eene Latijnsche School gehad hebben, want de Rector daarvan heeft zig in deSpaansche beroerteneenen naam verworven: (zie bladz 11.)
Zo in de stad als tusschen de wallen vindt men verscheidene gebouwen, die echter niet meer dan schuuren zijn, waarin eene toerijkende hoeveelheid van amunitie in voorraad is,
REGEERING.
Deeze bestaat uit den Bailluw vanGooiland, zijnde thans de WelEd. HeerCorver Hooft, den Schout, drie regeerende Burgemeesters en zeven Schepenen, die woensdag vóór den middag ten half tien uure vergaderen; een-en-dertig Vroedschappen, benevens een Thesaurier, drie Weesmeesteren,[8]en twee Secretarissen: de Magistraatsverandering geschiedt op den 2 Februarij.
Naardenbezit de volgende
VOORRECHTEN,
Welke haar meestal ten tijde der Graaven geschonken zijn.
Weleer werd het stedeke mede onder deHollandsche stedenter dagvaart beschreven, doch van die waardigheid, of dat voorrecht, is het sedert beroofd; dat zeker jammer is, wantNaardenheeft ook haare bijzondere belangen, en zelfs heeft het allergeringste steedjen die, ja ook het platte land.… dit echter is een point buiten ons bestek, derhalven dringen wij het niet dieper door: het doorzoekend oog van den burger heeft het in onze laatste onlusten ook doorzocht.
Willem van Beieren, haaren stichter, gaf haar het voorrecht van vrijheid van zekere tollen, en van het arrest op haare goederen, ook schonk hij haar eene eigene rechtbank en Schepens: in 1357 verkreeg zij het stapelrecht, op de visscherijen, van die visschen, „die men landen zal inHolland, Kennemerland, enFriesland;” dit was eene vergelding voor eene dappere overwinning door deNaardersop die vanAmersfoordbehaald; HertogJan van BeierenheeftNaardenvergund de heirvaarten, togten, en ’t heffen van ’s Lands lasten, als mede dat zij sluizen mogt leggen waar ’t haar goed dacht:Carel van Bourgondiënverzekerde haar ook, dat het geheeleGooilandnooit van den Lande vanHollandzoude gescheiden worden.
Dit tot ons oogmerk genoeg gezegd zijnde, moeten wij, alvoorens van de aanmerkelijke historie der stad te spreeken, nog iet aanstippen van derzelver[9]
GILDEN.
Deezen zijn drie in getal, als 1.) het Timmermans en Metzelaars, 2.) het Kleeremaakers gild, en 3.) dat van de zijdenstoffeweevers; dan dit is thans bijna geheel vervallen.
SCHUTTERIJ.
Niet anders hebben wij hiervan kunnen opspooren, als datNaarden, slechts sedert drie-en-twintig jaaren, gerekend van het jaar der jongstledene omwenteling van zaaken, eene gewapende schutterij heeft gehad; in het gemelde jaar, 1787, bestond dezelve uit twee compagniën, ieder van zestig man; doch in dat jaar hebben zij het lot van veele anderen Schutters ondergaan, zij zijn naamlijk ontwapend, of (dat thans het zelfde zegt,) hunne geweeren zijn opgehaald, en zij afgezet; hunne plaats is echter vervuld met drie compagniën soldaaten, ieder van circa vijftig mannen, voetvolk, ofschoon er sedert twintig jaaren geene melitie in gelegen heeft; niet mede gerekend een beevend corps van 80 knikkende grijsaarts, onder den naam van invaliden: deezen hebben lange jaaren alleen de bewaring der sterke stad op hunne zwakke schouderen getorscht: thans houden zij deAmsterdamsche poortbezet.
BEZIGHEDENENVERMAAKEN.
Vermaaken!—deezen zijn bij die vanNaardenbijna onbekend, indien men daaronder niet betrekt, in ’t zondagspakjen langs de schansen te sukkelen, of te hoop op de aankomende schuiten te staan tuuren, om de darteleAmsteldammerste zien aanlanden; waaronder dikwijls veelen gevonden worden, dom genoeg om met de schamelheid van ’t steedjen te lagchen.
De bezigheden van die vanNaarden, bestaan meest in ’t laakenweeven, voords in ’t verrichten van die bezigheden welken in de zameleving onontbeerelijk zijn—er is niet meer dan één koornmolen: langs de schans vindt men eene vrij groote touwbaan.[10]
GESCHIEDENISDERSTAD.
Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe GraafFloris de Vijfde, in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige inwooners vanNaarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartigeGerrit van Velzenzijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, deNaarderszouden in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:
Niet ver vanKronenburg, daar siet men in de velden,DeNaardenaars, die straks haar in de wapens stelden;HeerGerritrijdtvoor uit, en vraagt wat dat se doen?Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.HeerGerritwijkt te rugh, en naar de Grave steekt,Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,Alzo deNaardenaarshaar op de hielen waren;Van Velzensteekt den Graaf enz.
Niet ver vanKronenburg, daar siet men in de velden,
DeNaardenaars, die straks haar in de wapens stelden;
HeerGerritrijdtvoor uit, en vraagt wat dat se doen?
Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?
D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:
Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.
HeerGerritwijkt te rugh, en naar de Grave steekt,
Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,
Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,
Alzo deNaardenaarshaar op de hielen waren;
Van Velzensteekt den Graaf enz.
Toen in den jaare 1481, deUtrechtscheneene overwinning op deHollandersbehaald hadden, meenden zij met listNaardeninteneemen, daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen; onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die vanNaardenmoeten derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij verdelgden toen naamlijk de sloten vanEmmenesenWestbroek, waarbij niet minder dan 1500Utrechtschenhet leven verloren; de dappereNaardersbehaalden daarbij ook zo groot[11]een buit dat zij uit dezelve een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met bijvoeginge van de woorden: „zwijgUtrecht!”
In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.
Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voorOranjeverklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching afgeslagen; doch op het bericht datDon Fredrikmet geheel zijn heir op de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school,Lambertus Hortensius, denSpanjaardtegen; onder weg ontmoetten deeze den wreedaartigen bevelhebber,Juliaan Romero, die hun verklaarde datDon Fredrik, de zaak der stadNaardenaan hem gelaten had, waarvan het gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trokRomerobinnen, en werd bijGerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid? na den maaltijd deedRomero, door eenen trommelslager omroepen, dat alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen in deGasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven[12]zig derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder deSpanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridderHooft, „’t aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord die toe gepleegd werd; deSpanjaardsbonsden de deur open en schoten in ’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren; vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.
Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had men het geheele heir derSpanjaardenbinnen de muuren, de roovers in de huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen, kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals, ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het lichaam gesneden; maagden, en meisjens[13]van dertien of veertien jaaren werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in het dorpHuizenaan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.… maar genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker dichter:
Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagenAl wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.
Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,
Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,
Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,
Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagen
Al wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,
De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.
Sedert gingNaardenaan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als het Batavieren voegt.
In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het versterken vanNaarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het versterken achterbleef.
Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren vanNaarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag doortestaan; in den oorlog metFrankrijknaamlijk (1672.) nam de Markgraaf vanRochefort,Naardenin, waarvan den Prins vanOranjede schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin gelegen.
In ’t volgende jaar kwam de Prins vanCondéin persoon derwaards, en werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd:Willem de Derdeheeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve uit de magt derFranschente rukken, en der Republiek wederteschenken: dat deFranscheninNaardenlagen was de Staaten een doorn in den[14]voet; wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd: intusschen hadden deFranscheneenige oude vestingwerken aldaar laaten verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnenNaardeneen Gouverneur,Van Pasgenoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid en dapperheid;Oranjeechter ondernam den aanslag; om den vijand te misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant vanBrabandmarcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloegOranjehet beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna bemagtigd.
Van dien tijd af heeftNaardenniet veel deels in de staatsverschillen, waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden, gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtigAmsteldam, om ’t welke het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne verdediging verwacht!
De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven teNaardengeenzins vergeeten; de Colonelvan Matha, werd met toerijkende manschap derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap van WapenoefeningTot nut der Schutterij, trok den 8 September des jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve, in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen marsch derwaards, ontvingen zij bericht, datMathahun niet zoude toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een patent van de Provinciaale Staaten.[15]
Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men dePruissenin het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig haddenNaardente winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Majorvon Kalckreuthuit het leger bijAmersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn regiment, benevens het eerste bataillon vanEichmanderwaards afgezonden, om met den CommandeurMathain onderhandeling te treeden, en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van gemelden dag kwamen dePruissenvoorNaarden, en legerden zig op eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen;Naardenheeft zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van deVechtte gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans geheel verloren was, en alles metPruissische troupenbezet werd, heeft ookNaardendezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen verloor; of ’t op dePruissengemunt was is ons echter onbekend, zo ja, zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied weezen, datKalckreuthzig voor het steedjen nêersloeg.
BIJZONDERHEDEN.
DieNaardengaat bezichtigen vraage vooral naarOud-naarden, zo genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van deZuiderzee.[16]
De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer salpeterachtig en onaangenaam.
De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.
Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde huis vanJan Tabak.
LOGEMENTEN.
Voor den burger.
REISGELEGENHEDEN.
Alle dagen vaaren er 6 Schuiten van daar, doorMuiden, opAmsteldam, en komen er ook evenveel aan: deArnhemschepostwagen passeert er ook; men vindt er mede niet ver van deAmsterdamsche poort, eene zeer geschikte uitspanning, alwaar men ten allen tijde een rijtuig kan bekomen.[1]
1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑
1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑
1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑
1Dit grondgebied werd door KeizerOtto den Tweedengeschonken aan zekere AbdisseGoedela,waarvan het den naam bekwam vanGoedelaland,dat ishet land vanGoedela;deeze naam, (Goedelaland,)is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst inGoeiland,en daarna inGooiland.↑