[Inhoud]’t Dorp Laaren’t Dorp LaarenZo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.HETDORPLAAREN.Dit zeer aangenaame dorp, wordt gehouden voor het oudste van geheelGooiland, ofschoon ter plaatse zelve geene blijken daarvan voorhanden zijn; dit is zeker dat het één der vermaaklijksten van alle deGooische dorpengenoemd mag worden.DeszelfsLIGGINGIs meer zuidwaards vanNaarden, danBlaricum, doch de afstand van die stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp, naamlijk omtrent één en half uur.De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid[2]verrukt er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in graangewassen.Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders inGooiland,) het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die menMeente, ofGemeene weidenoemt: een onzer waardigste begunstigers in deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district vanGooiland, vindt men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot stuk weiland, ’t welk gewoonlijk deMeentgenaamd wordt; van deeze Heide enMeent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemdeMeentekreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene goedkeuring van HertogAlbrecht van Beieren, in den jaare 1404; en HertogJan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat de gemeente inGooilandzoude gebruikt worden gelijk van ouds de gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn, welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o) „voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden van deGooische Heide, niet anders te doen als na dat die vanGooilanddaar over zullen zijn gehoord, enderzelverconsideratien daar over zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen bij de Graaflijkheid, en bij die vanGooilandgenoten en geprofiteerd worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen opGooilandwederom vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die[3]vanGooilandgesamenlijk een begin zullen doen maaken met deGooische Heideaftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal geoordeelt worden,zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz. gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz.Gooise Heidein tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter’s Gravelandliggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.„Jaarlijks word, op den 27 maart, teNaardeneene vergadering van Stad en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone vergaderingen, uit alle de plaatsen vanGooiland, één of twee Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet bepaald tot het beweiden van hunne bijzondereMeent, maar ieder Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welkeMeenthij wil, doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon begeven heeft.”In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breedeWillekeurofSchaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald wordt, datBlaricumzal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is beoosten deHuijser weg, die vanHuijsenopLaarenloopt, strekkende ten oostentotaan hetTafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden breedte benoorden hetTafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van hetTafelbergje, van daar op deLeeuwberg, en van daar op deKruisberg, tot aan deBlaricummer engegelegen is, en van deKruisbergnoordwestwaards op tot aanCraailoo, en westwaards[4]op tot aan den ordinairen weg die vanCraailooopLaarenloopt: nog de heijde die over denzelven weg westwaards op, benoorden de suijderBotwegtot den nieuwenAmersfoortschenweg is liggende, ook deinschikkeling, loopende ten westen van hetCraailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het selve aldaar gelegen is, tusschenCraailooen den voorn. nieuwenAmersfoortschen weg, en densuijdelijkstenHuijser Botweg, (des datLaarenvan ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschenLaarenenBlaricumis liggende, langs de Neng vanLaarenwestwaards op tot aan denNaarder wegopLaaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50 roeden, en van denselvenNaarder wegtot suijdwestwaards op aan de voorn.Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte van deLaarder Nengaf tot aan den suidelijkstenHuijser Botweg.)„Beneden de Neng tusschenLaarenenBlaricum, sal het dorpBlaricumbehouden en genieten al het gemelde veld van denKoedijkaf, (liggende aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan deGooijer grachtover deEmenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen deLaarder Neng, en de voorn.Gooijer grachtin sijne breedte, sijn bepaling en scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan deGooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuweCamps bosch,en de voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding ligt, sal aanBlaricumbehooren, en is tot voorkoming van ’t verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan deGooijer gracht, roijende lijnrecht op malkanderen.”In een volgend artijkel wordt gezegd,[5]„Laarenzal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat aanHuijsen, Blaricum, NaardenenBussemhier voor reeds is toegeschikt —— —— verder sal de scheiding tusschenHilversumenLaarenzijn, uit het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van deLaarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende tusschenHilversumen hetLaarder Kerkhofdaar de voetpaden vanHilversumopLaarenin één loopen, en van daar opArdjesbergenLangehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten noorden gelegen is aanLaaren, en ten suijden van dezelven aanHilversumgelaten wordt.”Van dennaamsoorspronghebben wij weder geenig bericht hoegenaamd, kunnen inwinnen, even weinig als van destichtingdes dorps: de oorzaak derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar omtrent onzeNederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen, derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft kunnen toeleggen op[6]het beschermen en aankweeken van de vindingen des vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten, eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de buurt tot een dorp zal verheven weezen.DeGROOTTEVanLaaren, vinden wij aangetekend op, (wat de schotbaare landen betreft,) 107 zwad, 7½ voet weiland, 126 morgen, 37 akkers, 12½ dam weiland, 126 morgen, 656 roeden best geestland, 129 morgen, 622 roeden slecht geestland, en 15 vullingen: in 1732 stonden er volgends de verpondings lijsten alstoen opgemaakt, 152 huizen, in andere lijsten beloopt dat getal slechts 118: thans worden de wooningen begroot op 195.[7]HetWAPENVan dit dorp is een roodeWarrekram, op eenzilveren veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.DeGereformeerde kerk, die hier in de eerste plaats genoemd moet worden, stond weleer alwaar nu hetLaarder kerkhofgevonden wordt; dit draagt nog heden den naam van ’tSt. Jans kerkhof, gelijk ook de kerk aanJoannesden dooperwas toegewijd: de huislieden waren in deSpaansche beroertenniet magtig om deeze kerk vrij te houden, van het geboefte dat er zig dikwijls in legerde, en sterkte; des werd zij, op last van ’s Lands Staaten, afgebroken; „en de ingezetenen,” dus luidt het geen wij desaangaande leezen, „behielpen zig met de kapelle, die in het dorp stond, en welke de tegenwoordige kerk is: zij was,” dus gaat de beschrijver desaangaande voord: „in den jaare 1618, zo zeer vervallen, dat de ingezetenen zig onmagtig vonden, om ze te herstellen, waarom zij bij de Staaten verzochten, dat dit gebouw, voor die enkele reize, uit ’s Lands middelen, in behoorlijken stand gebragt mogte worden, met belofte dat zij in ’t vervolg van tijd, voor het onderhoud zouden zorg draagen:” niettegenstaande de gezegde herstelling, vertoont het gebouw zig zeer oud; er staat een agtkanten toren op, naar denGottischen bouwordeingericht; verder heeft zij, van binnen, niets aanmerkelijks genoeg om er eenige melding van te maaken.De Gemeente alhier, gecombineerd met die vanBlaricum, wordt, gelijk onderBlaricumreeds gezegd is, bediend door den Wel-Eerwaarden HeereCarel Aeijelts, behoorende onder de Classis vanAmsteldam: het schoolhuis is er vrij goed.Wat het voorgemelde kerkhof betreft, hetzelve ligt ten westen vanLaaren, naar den kant vanHilversum; het beslaat een vierkant pleintjen, gelegen op een heuvel, en omringd van een aardene borstweering: „deRoomschgezinden”, zegt men,„hebben[8]ergrooteeerbied voor, en vorderen dat aldaar verscheidene mirakelen zouden gebeurd zijn, ja men wil zelfs, dat ze er nog hunne aandacht, bij wijze van bedevaart, verrichten: veelen, zeker; verkiezen er begraven te worden: men vindt in het opschrift van eene zerk,” dit leezen wij elders, dat hier één hunner Pastooren begraven is.De laatstgemelde Gemeente (deRoomsche,) heeft alhier eene zeer wèl gebouwde Statie, die door een Wereldsch Priester bediend wordt; thans door den Wel-Eerwaarden HeereNicolaus van Veen.In ons artijkelwereldlijke gebouwen, hebben wij, dit dorp betreffende, niets aantetekenen.DeKERKLIJKE REGEERING.Bestaat teLaaren, gecombineerd metBlaricum, uit den Predikant, twee Ouderlingen en twee Diaconen.Wegens dewereldlijke regeeringkunnen wij ook niets bijzonders aantekenen: men zie desaangaande onze beschrijving vanHilversumen vanBlaricum.Voorrechtenofverpligtingenzijn omtrentLaarenniet.DeBEZIGHEDENAldaar bestaan voornaamlijk in den landbouw, maar ook zijn er 50 à 60 weeverijen, die door onvermoeiden ijver in goeden stand gehouden worden.Degeschiedenissenkomen na genoeg met die van geheelGooilandovereen: debijzonderhedenzijn geenen.DeLOGEMENTENOFHERBERGENZijn’tBonte paard, dePostwagen, en ’tRad van Avontuuren.DeREISGELEGENHEDENZijn ’t naast dat men zig naarNaardenbegeeft, en aldaar van de gelegenheid gebruik maakt.[1]
[Inhoud]’t Dorp Laaren’t Dorp LaarenZo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.HETDORPLAAREN.Dit zeer aangenaame dorp, wordt gehouden voor het oudste van geheelGooiland, ofschoon ter plaatse zelve geene blijken daarvan voorhanden zijn; dit is zeker dat het één der vermaaklijksten van alle deGooische dorpengenoemd mag worden.DeszelfsLIGGINGIs meer zuidwaards vanNaarden, danBlaricum, doch de afstand van die stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp, naamlijk omtrent één en half uur.De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid[2]verrukt er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in graangewassen.Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders inGooiland,) het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die menMeente, ofGemeene weidenoemt: een onzer waardigste begunstigers in deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district vanGooiland, vindt men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot stuk weiland, ’t welk gewoonlijk deMeentgenaamd wordt; van deeze Heide enMeent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemdeMeentekreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene goedkeuring van HertogAlbrecht van Beieren, in den jaare 1404; en HertogJan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat de gemeente inGooilandzoude gebruikt worden gelijk van ouds de gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn, welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o) „voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden van deGooische Heide, niet anders te doen als na dat die vanGooilanddaar over zullen zijn gehoord, enderzelverconsideratien daar over zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen bij de Graaflijkheid, en bij die vanGooilandgenoten en geprofiteerd worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen opGooilandwederom vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die[3]vanGooilandgesamenlijk een begin zullen doen maaken met deGooische Heideaftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal geoordeelt worden,zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz. gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz.Gooise Heidein tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter’s Gravelandliggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.„Jaarlijks word, op den 27 maart, teNaardeneene vergadering van Stad en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone vergaderingen, uit alle de plaatsen vanGooiland, één of twee Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet bepaald tot het beweiden van hunne bijzondereMeent, maar ieder Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welkeMeenthij wil, doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon begeven heeft.”In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breedeWillekeurofSchaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald wordt, datBlaricumzal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is beoosten deHuijser weg, die vanHuijsenopLaarenloopt, strekkende ten oostentotaan hetTafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden breedte benoorden hetTafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van hetTafelbergje, van daar op deLeeuwberg, en van daar op deKruisberg, tot aan deBlaricummer engegelegen is, en van deKruisbergnoordwestwaards op tot aanCraailoo, en westwaards[4]op tot aan den ordinairen weg die vanCraailooopLaarenloopt: nog de heijde die over denzelven weg westwaards op, benoorden de suijderBotwegtot den nieuwenAmersfoortschenweg is liggende, ook deinschikkeling, loopende ten westen van hetCraailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het selve aldaar gelegen is, tusschenCraailooen den voorn. nieuwenAmersfoortschen weg, en densuijdelijkstenHuijser Botweg, (des datLaarenvan ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschenLaarenenBlaricumis liggende, langs de Neng vanLaarenwestwaards op tot aan denNaarder wegopLaaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50 roeden, en van denselvenNaarder wegtot suijdwestwaards op aan de voorn.Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte van deLaarder Nengaf tot aan den suidelijkstenHuijser Botweg.)„Beneden de Neng tusschenLaarenenBlaricum, sal het dorpBlaricumbehouden en genieten al het gemelde veld van denKoedijkaf, (liggende aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan deGooijer grachtover deEmenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen deLaarder Neng, en de voorn.Gooijer grachtin sijne breedte, sijn bepaling en scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan deGooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuweCamps bosch,en de voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding ligt, sal aanBlaricumbehooren, en is tot voorkoming van ’t verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan deGooijer gracht, roijende lijnrecht op malkanderen.”In een volgend artijkel wordt gezegd,[5]„Laarenzal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat aanHuijsen, Blaricum, NaardenenBussemhier voor reeds is toegeschikt —— —— verder sal de scheiding tusschenHilversumenLaarenzijn, uit het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van deLaarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende tusschenHilversumen hetLaarder Kerkhofdaar de voetpaden vanHilversumopLaarenin één loopen, en van daar opArdjesbergenLangehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten noorden gelegen is aanLaaren, en ten suijden van dezelven aanHilversumgelaten wordt.”Van dennaamsoorspronghebben wij weder geenig bericht hoegenaamd, kunnen inwinnen, even weinig als van destichtingdes dorps: de oorzaak derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar omtrent onzeNederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen, derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft kunnen toeleggen op[6]het beschermen en aankweeken van de vindingen des vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten, eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de buurt tot een dorp zal verheven weezen.DeGROOTTEVanLaaren, vinden wij aangetekend op, (wat de schotbaare landen betreft,) 107 zwad, 7½ voet weiland, 126 morgen, 37 akkers, 12½ dam weiland, 126 morgen, 656 roeden best geestland, 129 morgen, 622 roeden slecht geestland, en 15 vullingen: in 1732 stonden er volgends de verpondings lijsten alstoen opgemaakt, 152 huizen, in andere lijsten beloopt dat getal slechts 118: thans worden de wooningen begroot op 195.[7]HetWAPENVan dit dorp is een roodeWarrekram, op eenzilveren veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.DeGereformeerde kerk, die hier in de eerste plaats genoemd moet worden, stond weleer alwaar nu hetLaarder kerkhofgevonden wordt; dit draagt nog heden den naam van ’tSt. Jans kerkhof, gelijk ook de kerk aanJoannesden dooperwas toegewijd: de huislieden waren in deSpaansche beroertenniet magtig om deeze kerk vrij te houden, van het geboefte dat er zig dikwijls in legerde, en sterkte; des werd zij, op last van ’s Lands Staaten, afgebroken; „en de ingezetenen,” dus luidt het geen wij desaangaande leezen, „behielpen zig met de kapelle, die in het dorp stond, en welke de tegenwoordige kerk is: zij was,” dus gaat de beschrijver desaangaande voord: „in den jaare 1618, zo zeer vervallen, dat de ingezetenen zig onmagtig vonden, om ze te herstellen, waarom zij bij de Staaten verzochten, dat dit gebouw, voor die enkele reize, uit ’s Lands middelen, in behoorlijken stand gebragt mogte worden, met belofte dat zij in ’t vervolg van tijd, voor het onderhoud zouden zorg draagen:” niettegenstaande de gezegde herstelling, vertoont het gebouw zig zeer oud; er staat een agtkanten toren op, naar denGottischen bouwordeingericht; verder heeft zij, van binnen, niets aanmerkelijks genoeg om er eenige melding van te maaken.De Gemeente alhier, gecombineerd met die vanBlaricum, wordt, gelijk onderBlaricumreeds gezegd is, bediend door den Wel-Eerwaarden HeereCarel Aeijelts, behoorende onder de Classis vanAmsteldam: het schoolhuis is er vrij goed.Wat het voorgemelde kerkhof betreft, hetzelve ligt ten westen vanLaaren, naar den kant vanHilversum; het beslaat een vierkant pleintjen, gelegen op een heuvel, en omringd van een aardene borstweering: „deRoomschgezinden”, zegt men,„hebben[8]ergrooteeerbied voor, en vorderen dat aldaar verscheidene mirakelen zouden gebeurd zijn, ja men wil zelfs, dat ze er nog hunne aandacht, bij wijze van bedevaart, verrichten: veelen, zeker; verkiezen er begraven te worden: men vindt in het opschrift van eene zerk,” dit leezen wij elders, dat hier één hunner Pastooren begraven is.De laatstgemelde Gemeente (deRoomsche,) heeft alhier eene zeer wèl gebouwde Statie, die door een Wereldsch Priester bediend wordt; thans door den Wel-Eerwaarden HeereNicolaus van Veen.In ons artijkelwereldlijke gebouwen, hebben wij, dit dorp betreffende, niets aantetekenen.DeKERKLIJKE REGEERING.Bestaat teLaaren, gecombineerd metBlaricum, uit den Predikant, twee Ouderlingen en twee Diaconen.Wegens dewereldlijke regeeringkunnen wij ook niets bijzonders aantekenen: men zie desaangaande onze beschrijving vanHilversumen vanBlaricum.Voorrechtenofverpligtingenzijn omtrentLaarenniet.DeBEZIGHEDENAldaar bestaan voornaamlijk in den landbouw, maar ook zijn er 50 à 60 weeverijen, die door onvermoeiden ijver in goeden stand gehouden worden.Degeschiedenissenkomen na genoeg met die van geheelGooilandovereen: debijzonderhedenzijn geenen.DeLOGEMENTENOFHERBERGENZijn’tBonte paard, dePostwagen, en ’tRad van Avontuuren.DeREISGELEGENHEDENZijn ’t naast dat men zig naarNaardenbegeeft, en aldaar van de gelegenheid gebruik maakt.[1]
’t Dorp Laaren’t Dorp LaarenZo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.HETDORPLAAREN.
’t Dorp Laaren’t Dorp LaarenZo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.
’t Dorp Laaren
Zo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.
Zo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.
Zo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.
Zo lang het landlijk schoon denBatavierbehaagt,
En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt,
Zo lang hij naar de stem vanNeêrlandsheil zal hooren,
Zo lang zal LAAREN ook denBatavierbekooren.
Dit zeer aangenaame dorp, wordt gehouden voor het oudste van geheelGooiland, ofschoon ter plaatse zelve geene blijken daarvan voorhanden zijn; dit is zeker dat het één der vermaaklijksten van alle deGooische dorpengenoemd mag worden.DeszelfsLIGGINGIs meer zuidwaards vanNaarden, danBlaricum, doch de afstand van die stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp, naamlijk omtrent één en half uur.De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid[2]verrukt er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in graangewassen.Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders inGooiland,) het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die menMeente, ofGemeene weidenoemt: een onzer waardigste begunstigers in deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district vanGooiland, vindt men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot stuk weiland, ’t welk gewoonlijk deMeentgenaamd wordt; van deeze Heide enMeent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemdeMeentekreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene goedkeuring van HertogAlbrecht van Beieren, in den jaare 1404; en HertogJan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat de gemeente inGooilandzoude gebruikt worden gelijk van ouds de gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn, welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o) „voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden van deGooische Heide, niet anders te doen als na dat die vanGooilanddaar over zullen zijn gehoord, enderzelverconsideratien daar over zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen bij de Graaflijkheid, en bij die vanGooilandgenoten en geprofiteerd worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen opGooilandwederom vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die[3]vanGooilandgesamenlijk een begin zullen doen maaken met deGooische Heideaftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal geoordeelt worden,zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz. gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz.Gooise Heidein tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter’s Gravelandliggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.„Jaarlijks word, op den 27 maart, teNaardeneene vergadering van Stad en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone vergaderingen, uit alle de plaatsen vanGooiland, één of twee Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet bepaald tot het beweiden van hunne bijzondereMeent, maar ieder Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welkeMeenthij wil, doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon begeven heeft.”In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breedeWillekeurofSchaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald wordt, datBlaricumzal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is beoosten deHuijser weg, die vanHuijsenopLaarenloopt, strekkende ten oostentotaan hetTafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden breedte benoorden hetTafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van hetTafelbergje, van daar op deLeeuwberg, en van daar op deKruisberg, tot aan deBlaricummer engegelegen is, en van deKruisbergnoordwestwaards op tot aanCraailoo, en westwaards[4]op tot aan den ordinairen weg die vanCraailooopLaarenloopt: nog de heijde die over denzelven weg westwaards op, benoorden de suijderBotwegtot den nieuwenAmersfoortschenweg is liggende, ook deinschikkeling, loopende ten westen van hetCraailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het selve aldaar gelegen is, tusschenCraailooen den voorn. nieuwenAmersfoortschen weg, en densuijdelijkstenHuijser Botweg, (des datLaarenvan ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschenLaarenenBlaricumis liggende, langs de Neng vanLaarenwestwaards op tot aan denNaarder wegopLaaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50 roeden, en van denselvenNaarder wegtot suijdwestwaards op aan de voorn.Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte van deLaarder Nengaf tot aan den suidelijkstenHuijser Botweg.)„Beneden de Neng tusschenLaarenenBlaricum, sal het dorpBlaricumbehouden en genieten al het gemelde veld van denKoedijkaf, (liggende aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan deGooijer grachtover deEmenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen deLaarder Neng, en de voorn.Gooijer grachtin sijne breedte, sijn bepaling en scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan deGooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuweCamps bosch,en de voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding ligt, sal aanBlaricumbehooren, en is tot voorkoming van ’t verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan deGooijer gracht, roijende lijnrecht op malkanderen.”In een volgend artijkel wordt gezegd,[5]„Laarenzal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat aanHuijsen, Blaricum, NaardenenBussemhier voor reeds is toegeschikt —— —— verder sal de scheiding tusschenHilversumenLaarenzijn, uit het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van deLaarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende tusschenHilversumen hetLaarder Kerkhofdaar de voetpaden vanHilversumopLaarenin één loopen, en van daar opArdjesbergenLangehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten noorden gelegen is aanLaaren, en ten suijden van dezelven aanHilversumgelaten wordt.”Van dennaamsoorspronghebben wij weder geenig bericht hoegenaamd, kunnen inwinnen, even weinig als van destichtingdes dorps: de oorzaak derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar omtrent onzeNederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen, derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft kunnen toeleggen op[6]het beschermen en aankweeken van de vindingen des vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten, eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de buurt tot een dorp zal verheven weezen.DeGROOTTEVanLaaren, vinden wij aangetekend op, (wat de schotbaare landen betreft,) 107 zwad, 7½ voet weiland, 126 morgen, 37 akkers, 12½ dam weiland, 126 morgen, 656 roeden best geestland, 129 morgen, 622 roeden slecht geestland, en 15 vullingen: in 1732 stonden er volgends de verpondings lijsten alstoen opgemaakt, 152 huizen, in andere lijsten beloopt dat getal slechts 118: thans worden de wooningen begroot op 195.[7]HetWAPENVan dit dorp is een roodeWarrekram, op eenzilveren veld.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.DeGereformeerde kerk, die hier in de eerste plaats genoemd moet worden, stond weleer alwaar nu hetLaarder kerkhofgevonden wordt; dit draagt nog heden den naam van ’tSt. Jans kerkhof, gelijk ook de kerk aanJoannesden dooperwas toegewijd: de huislieden waren in deSpaansche beroertenniet magtig om deeze kerk vrij te houden, van het geboefte dat er zig dikwijls in legerde, en sterkte; des werd zij, op last van ’s Lands Staaten, afgebroken; „en de ingezetenen,” dus luidt het geen wij desaangaande leezen, „behielpen zig met de kapelle, die in het dorp stond, en welke de tegenwoordige kerk is: zij was,” dus gaat de beschrijver desaangaande voord: „in den jaare 1618, zo zeer vervallen, dat de ingezetenen zig onmagtig vonden, om ze te herstellen, waarom zij bij de Staaten verzochten, dat dit gebouw, voor die enkele reize, uit ’s Lands middelen, in behoorlijken stand gebragt mogte worden, met belofte dat zij in ’t vervolg van tijd, voor het onderhoud zouden zorg draagen:” niettegenstaande de gezegde herstelling, vertoont het gebouw zig zeer oud; er staat een agtkanten toren op, naar denGottischen bouwordeingericht; verder heeft zij, van binnen, niets aanmerkelijks genoeg om er eenige melding van te maaken.De Gemeente alhier, gecombineerd met die vanBlaricum, wordt, gelijk onderBlaricumreeds gezegd is, bediend door den Wel-Eerwaarden HeereCarel Aeijelts, behoorende onder de Classis vanAmsteldam: het schoolhuis is er vrij goed.Wat het voorgemelde kerkhof betreft, hetzelve ligt ten westen vanLaaren, naar den kant vanHilversum; het beslaat een vierkant pleintjen, gelegen op een heuvel, en omringd van een aardene borstweering: „deRoomschgezinden”, zegt men,„hebben[8]ergrooteeerbied voor, en vorderen dat aldaar verscheidene mirakelen zouden gebeurd zijn, ja men wil zelfs, dat ze er nog hunne aandacht, bij wijze van bedevaart, verrichten: veelen, zeker; verkiezen er begraven te worden: men vindt in het opschrift van eene zerk,” dit leezen wij elders, dat hier één hunner Pastooren begraven is.De laatstgemelde Gemeente (deRoomsche,) heeft alhier eene zeer wèl gebouwde Statie, die door een Wereldsch Priester bediend wordt; thans door den Wel-Eerwaarden HeereNicolaus van Veen.In ons artijkelwereldlijke gebouwen, hebben wij, dit dorp betreffende, niets aantetekenen.DeKERKLIJKE REGEERING.Bestaat teLaaren, gecombineerd metBlaricum, uit den Predikant, twee Ouderlingen en twee Diaconen.Wegens dewereldlijke regeeringkunnen wij ook niets bijzonders aantekenen: men zie desaangaande onze beschrijving vanHilversumen vanBlaricum.Voorrechtenofverpligtingenzijn omtrentLaarenniet.DeBEZIGHEDENAldaar bestaan voornaamlijk in den landbouw, maar ook zijn er 50 à 60 weeverijen, die door onvermoeiden ijver in goeden stand gehouden worden.Degeschiedenissenkomen na genoeg met die van geheelGooilandovereen: debijzonderhedenzijn geenen.DeLOGEMENTENOFHERBERGENZijn’tBonte paard, dePostwagen, en ’tRad van Avontuuren.DeREISGELEGENHEDENZijn ’t naast dat men zig naarNaardenbegeeft, en aldaar van de gelegenheid gebruik maakt.[1]
Dit zeer aangenaame dorp, wordt gehouden voor het oudste van geheelGooiland, ofschoon ter plaatse zelve geene blijken daarvan voorhanden zijn; dit is zeker dat het één der vermaaklijksten van alle deGooische dorpengenoemd mag worden.
Deszelfs
LIGGING
Is meer zuidwaards vanNaarden, danBlaricum, doch de afstand van die stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp, naamlijk omtrent één en half uur.
De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid[2]verrukt er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in graangewassen.
Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders inGooiland,) het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die menMeente, ofGemeene weidenoemt: een onzer waardigste begunstigers in deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district vanGooiland, vindt men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot stuk weiland, ’t welk gewoonlijk deMeentgenaamd wordt; van deeze Heide enMeent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemdeMeentekreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene goedkeuring van HertogAlbrecht van Beieren, in den jaare 1404; en HertogJan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat de gemeente inGooilandzoude gebruikt worden gelijk van ouds de gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn, welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o) „voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden van deGooische Heide, niet anders te doen als na dat die vanGooilanddaar over zullen zijn gehoord, enderzelverconsideratien daar over zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen bij de Graaflijkheid, en bij die vanGooilandgenoten en geprofiteerd worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen opGooilandwederom vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die[3]vanGooilandgesamenlijk een begin zullen doen maaken met deGooische Heideaftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal geoordeelt worden,zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz. gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz.Gooise Heidein tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter’s Gravelandliggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.
„Jaarlijks word, op den 27 maart, teNaardeneene vergadering van Stad en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone vergaderingen, uit alle de plaatsen vanGooiland, één of twee Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.
„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet bepaald tot het beweiden van hunne bijzondereMeent, maar ieder Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welkeMeenthij wil, doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon begeven heeft.”
In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breedeWillekeurofSchaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald wordt, datBlaricumzal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is beoosten deHuijser weg, die vanHuijsenopLaarenloopt, strekkende ten oostentotaan hetTafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden breedte benoorden hetTafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van hetTafelbergje, van daar op deLeeuwberg, en van daar op deKruisberg, tot aan deBlaricummer engegelegen is, en van deKruisbergnoordwestwaards op tot aanCraailoo, en westwaards[4]op tot aan den ordinairen weg die vanCraailooopLaarenloopt: nog de heijde die over denzelven weg westwaards op, benoorden de suijderBotwegtot den nieuwenAmersfoortschenweg is liggende, ook deinschikkeling, loopende ten westen van hetCraailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het selve aldaar gelegen is, tusschenCraailooen den voorn. nieuwenAmersfoortschen weg, en densuijdelijkstenHuijser Botweg, (des datLaarenvan ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschenLaarenenBlaricumis liggende, langs de Neng vanLaarenwestwaards op tot aan denNaarder wegopLaaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50 roeden, en van denselvenNaarder wegtot suijdwestwaards op aan de voorn.Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte van deLaarder Nengaf tot aan den suidelijkstenHuijser Botweg.)
„Beneden de Neng tusschenLaarenenBlaricum, sal het dorpBlaricumbehouden en genieten al het gemelde veld van denKoedijkaf, (liggende aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan deGooijer grachtover deEmenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen deLaarder Neng, en de voorn.Gooijer grachtin sijne breedte, sijn bepaling en scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan deGooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuweCamps bosch,en de voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding ligt, sal aanBlaricumbehooren, en is tot voorkoming van ’t verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan deGooijer gracht, roijende lijnrecht op malkanderen.”
In een volgend artijkel wordt gezegd,[5]
„Laarenzal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat aanHuijsen, Blaricum, NaardenenBussemhier voor reeds is toegeschikt —— —— verder sal de scheiding tusschenHilversumenLaarenzijn, uit het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van deLaarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende tusschenHilversumen hetLaarder Kerkhofdaar de voetpaden vanHilversumopLaarenin één loopen, en van daar opArdjesbergenLangehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten noorden gelegen is aanLaaren, en ten suijden van dezelven aanHilversumgelaten wordt.”
Van dennaamsoorspronghebben wij weder geenig bericht hoegenaamd, kunnen inwinnen, even weinig als van destichtingdes dorps: de oorzaak derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar omtrent onzeNederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen, derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft kunnen toeleggen op[6]het beschermen en aankweeken van de vindingen des vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten, eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de buurt tot een dorp zal verheven weezen.
De
GROOTTE
VanLaaren, vinden wij aangetekend op, (wat de schotbaare landen betreft,) 107 zwad, 7½ voet weiland, 126 morgen, 37 akkers, 12½ dam weiland, 126 morgen, 656 roeden best geestland, 129 morgen, 622 roeden slecht geestland, en 15 vullingen: in 1732 stonden er volgends de verpondings lijsten alstoen opgemaakt, 152 huizen, in andere lijsten beloopt dat getal slechts 118: thans worden de wooningen begroot op 195.[7]
Het
WAPEN
Van dit dorp is een roodeWarrekram, op eenzilveren veld.
KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
DeGereformeerde kerk, die hier in de eerste plaats genoemd moet worden, stond weleer alwaar nu hetLaarder kerkhofgevonden wordt; dit draagt nog heden den naam van ’tSt. Jans kerkhof, gelijk ook de kerk aanJoannesden dooperwas toegewijd: de huislieden waren in deSpaansche beroertenniet magtig om deeze kerk vrij te houden, van het geboefte dat er zig dikwijls in legerde, en sterkte; des werd zij, op last van ’s Lands Staaten, afgebroken; „en de ingezetenen,” dus luidt het geen wij desaangaande leezen, „behielpen zig met de kapelle, die in het dorp stond, en welke de tegenwoordige kerk is: zij was,” dus gaat de beschrijver desaangaande voord: „in den jaare 1618, zo zeer vervallen, dat de ingezetenen zig onmagtig vonden, om ze te herstellen, waarom zij bij de Staaten verzochten, dat dit gebouw, voor die enkele reize, uit ’s Lands middelen, in behoorlijken stand gebragt mogte worden, met belofte dat zij in ’t vervolg van tijd, voor het onderhoud zouden zorg draagen:” niettegenstaande de gezegde herstelling, vertoont het gebouw zig zeer oud; er staat een agtkanten toren op, naar denGottischen bouwordeingericht; verder heeft zij, van binnen, niets aanmerkelijks genoeg om er eenige melding van te maaken.
De Gemeente alhier, gecombineerd met die vanBlaricum, wordt, gelijk onderBlaricumreeds gezegd is, bediend door den Wel-Eerwaarden HeereCarel Aeijelts, behoorende onder de Classis vanAmsteldam: het schoolhuis is er vrij goed.
Wat het voorgemelde kerkhof betreft, hetzelve ligt ten westen vanLaaren, naar den kant vanHilversum; het beslaat een vierkant pleintjen, gelegen op een heuvel, en omringd van een aardene borstweering: „deRoomschgezinden”, zegt men,„hebben[8]ergrooteeerbied voor, en vorderen dat aldaar verscheidene mirakelen zouden gebeurd zijn, ja men wil zelfs, dat ze er nog hunne aandacht, bij wijze van bedevaart, verrichten: veelen, zeker; verkiezen er begraven te worden: men vindt in het opschrift van eene zerk,” dit leezen wij elders, dat hier één hunner Pastooren begraven is.
De laatstgemelde Gemeente (deRoomsche,) heeft alhier eene zeer wèl gebouwde Statie, die door een Wereldsch Priester bediend wordt; thans door den Wel-Eerwaarden HeereNicolaus van Veen.
In ons artijkelwereldlijke gebouwen, hebben wij, dit dorp betreffende, niets aantetekenen.
De
KERKLIJKE REGEERING.
Bestaat teLaaren, gecombineerd metBlaricum, uit den Predikant, twee Ouderlingen en twee Diaconen.
Wegens dewereldlijke regeeringkunnen wij ook niets bijzonders aantekenen: men zie desaangaande onze beschrijving vanHilversumen vanBlaricum.
Voorrechtenofverpligtingenzijn omtrentLaarenniet.
De
BEZIGHEDEN
Aldaar bestaan voornaamlijk in den landbouw, maar ook zijn er 50 à 60 weeverijen, die door onvermoeiden ijver in goeden stand gehouden worden.
Degeschiedenissenkomen na genoeg met die van geheelGooilandovereen: debijzonderhedenzijn geenen.
De
LOGEMENTENOFHERBERGEN
Zijn’tBonte paard, dePostwagen, en ’tRad van Avontuuren.
De
REISGELEGENHEDEN
Zijn ’t naast dat men zig naarNaardenbegeeft, en aldaar van de gelegenheid gebruik maakt.[1]