[Inhoud]’t Dorp Muiderberg’t Dorp MuiderbergWie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.MUIDERBERG.In het aangenaameGooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke, noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen vanGooiland, van heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op deZuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke lusthoven?”Al wat het oog verrukken kan;Vindt men hier bij elkander,Wat deel des gronds men ook betreed’,Het een is niet als ’t ander;Nu is ’t de ruimeZuiderzee,Dan duin, hier breede velden,Wier bloejend boekwijt, en wier graan,Den gunst des Scheppers melden;Gintsch is het welig kreupelbosch;Daar aangenaame dreeven;Al wat hier is kan ’s wandlaars oogEn hart voldoening geeven.Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet[2]alleen, maar ook de naaste stedelingen, als die vanNaarden,Muiden, maar voornaamlijk deAmsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken gronds te doen.DeLIGGING.VanMuiderberg, kan gezegd worden te zijn aan deZuiderzee, een klein uur gaans ten Zuidoosten vanNaarden, en een groot half uur ten noordwesten vanMuiden—SchoonMuiderbergthans onderGooilandgerekend worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onderAmstellandbehoord hebben; want GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam onder de Graaven vanHolland, beschrijft in eenen brief, gegeven in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande vanAmstel, begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande vanAmstel; hoe het echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap vanGooilandgekomen is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het bovengezegde blijkt dat de grond vanMuiderberg, hoewel over het algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden, voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht, zoude zig niet naarMuiderbergmoeten begeeven; de strand der zee krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen, een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids ontvangt, en welks klank door het geruis[3]der zee verdoofd wordt; hier zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand, of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee, schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die teMuiderberggenoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven, en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het plaatsjen niet weinig bevorderen.’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen van eenigen, GraafFloris de Vijfde, door de zamengezworenen is omgebragt; (zie onze beschrijving vanNaarden, Art.Geschiedenissen,) ’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op hetMuiderslotzoude geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichterAntonides van der Goes, in zijnenY-stroom, bladz. 108, ook zegt:Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,EnGooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends[4]den Dichter, ’s Graaven bloed denGooischen bodem, (niet den grond van deeze of geene kamer in hetMuiderslot,) geverwd heeft.NAAMSOORSPRONG.De naamsoorsprong vanMuiderberg, wordt voegelijk afgeleid, (ook is er geene andere bedenking over te maaken,) van de daar nabij gelegene stadMuiden, en de naastaanliggende hoogte; welke, voor zo verre die waarop het dorp ligt betreft, en met betrekking tot de doorgaande vlakke eigenschap van ons Land, den naam van berg verkregen heeft, als vrij hoog zijnde, en boven allen die rondsom liggen uitsteekende; deeze hoogte, of berg, nu (bijMuidenliggende,) zal dan den naam vanberg van MuidenofMuiderbergverkregen hebben, en voords het Dorp ook met dien naam benoemd weezen.STICHTINGENGROOTTE.WieMuiderbergeigenlijk gesticht of aangelegd zoude hebben, daarvan zijn geene bescheiden voorhanden: oud moet het zekerlijk zijn, uit aanmerkinge van den reeds gemelden Giftbrief van GraaveWillemvanHenegouwen, geschreven in den jaare 1324; want daarin wordt het, gelijk wij gezien hebben, reeds gespeld.Wat de grootte betreft, volgends de lijsten der verpondingen van den jaare 1632, stonden er toen 34 huizen, doch honderd jaaren laater, in 1732, bedroeg dat getal niet meer dan 28 huizen; weshalven het in de gezegde honderd jaaren, 6 huizen verminderd is; thans zijn er weder 6 minder, naamlijk slechts 22, het welk zeer ligtlijk het geval van dergelijke, schoon bloejende, dorpjens kan worden, want die bloei bestaat gemeenlijk in niet meer dan in eene genoegzaame broodwinning der bewooneren, ofschoon het daarom anderen, elders woonende, niet geraaden zij, zig aldaar met er woon te komen nederslaan, alzo zij welligt alles wat zij nog hadden verteerd zouden hebben,[5]aleer zij gelegenheid kreegen om door hun toedoen den bloei des dorpjens te vermeerderen, en derhalven zig zelven in eenen bloejenden staat te bevinden.Men schat het getal der inwooneren op omtrent 200, die, uitgenomen eenige weinige Roomschgezinden, allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn.Het schatbaar land onder het district vanMuiderbergbehoorende, wordt begroot op niet meer dan honderd en vijftig morgen.Eenwapenheeft dit dorpjen niet.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Dit Artijkel van ons plan betreffende kunnen wij, het tegenwoordige dorpjen aangaande, niet anders noemen dan de kerk, want Wees- of andere Gods-dienstige Gestichten zijn er niet voorhanden: de Weezen worden er bij de inwooners besteed.Van binnen is de kerk zeer zindelijk, doch ook zeer eenvoudig, hebbende volstrekt niets dat men kan zeggen een cieraad te weezen; ook is er geen orgel in.Derzelver vertooning van buiten, maakt zeer geloofwaardig het geen men er van aangetekend vindt, naamlijk dat het nog de capel zoude zijn welke deRoomschenin vroegere eeuwen aldaar gehad hebben; zij heeft in alles de gedaante van een capel, vooral van vooren; men gaat tot den ingang, (er is ook maar één ingang aan) door een laantjen van boomen, waar achter het bovenste gedeelte van de kerk zig verbergt: men wil dat dit gebouw gesticht zoude weezen, door den reeds meergemelden GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam; doch, en het geen van zelf spreekt, als eene capel, welke bij de Reformatie van binnen tot het oefenen van den Gereformeerden Godsdienst is toebereid.Thans staat op het gebouw een vierkante toren, zijnde van boven geheel plat; evenwel is dezelve zodanig niet altoos geweest; er heeft, zelfs nog in de tegenwoordige eeuw,[6]een spits op gestaan, doch hetzelve is er door een’ stormwind afgewaaid, en sedert is er geen ander spits op gezet.Niettegenstaande de gemeente teMuiderbergaltijd slechts bestaan hebbe uit omtrent 50 ledemaaten, heeft zij echter sinds het jaar 1687, haar eigen Predikant, zijnde sedert 17 Augustus, van den jaare 1783, de Wel-Eerw. en bij zijne gemeente zeer geliefde Heer,Kristiaan Johan Fruitier, behoorende onder de Classis vanAmsteldam.De eerste Predikant alhier wasNicolaas Bassecour, bevestigd den 17 Augustus 1687, en hem werdt den 13 October van het zelfde jaar, één Kerkraad, één Ouderling, en één Diacon toegevoegd, door een commissie uit de Classis vanAmsteldam: in het jaar 1698, is zijn Wel-Eerw. beroepen teSchiedam—Voords hebben de volgende Predikanten alhier gestaan:Geerard Midlum, is bevestigd den 27 April 1698, en beroepen te’s Graaveland1706.Petrus de Bye, is bevestigd den 30 Mei 1706, en hier overleden, den 14 Julij 1726.Roeland van Thiel, is bevestigd den 2 Febr. 1727, en heeft van zijnen dienst vrijwillig afgestaan 1747.Jan Rijser, is bevestigd den 28 Jan. 1748, en emeritus geworden in Sept. 1780.Carolus Pantekoek, is bevestigd den 29 April 1781, en op collatie vertrokken naarNiërvaart, gezegdde Klundert.De Pastorie is een vrij goed, en aangenaam gelegen gebouw.Het Schoolhuis voldoet mede allezins aan deszelfs oogmerk.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij niet anders brengen, dan het Rechthuis, dat voor 3 jaaren een ruime Herberg was; doch sedert in een schoone lusthof is veranderd.[7]KERKLIJKE REGEERING.Deeze bestaat sedert den 14 November, 1687,uit den Predikant, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen.Er zijn ook 2 Kerkmeesteren, die, in gevalle van afsterven, door Schout en Schepenen verkozen worden.WERELDLIJKE REGEERING.Deeze is als op de andere dorpen vanGooiland: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw en de Schepenen vanGooilands Hoofdstad, Naarden, de Civile rechtbank wordt gespannen door Schout en Schepenen, zijnde deeze laatsten vijf in getal.Voords zijn alhier mede twee Buurtmeesters en twee Kerkmeesters: van den eerstgemelden gaat jaarlijks één af.De Schepens worden verkozen door den Bailluw, uit een nominatie van een dubbeld getal, gemaakt door den Schout en Buurtmeesters: aan de nieuw verkozene Schepenen staat de verkiezing van den Buurtmeester, die voor dat jaar aankomt; zie boven.VoorrechtenheeftMuiderberg, voor zo verre ons bewust is, niet.DeBEZIGHEDENDer bewooneren, zijn meestal de landbouw, waartoe zij, gelijk wij hiervoor reeds zeiden, goede gelegenheid hebben: het zaajen van boekwijt en rogge, en het pooten van aardappelen, gaat er zeer sterk: voords vindt men er eenigen van die werklieden welken in de burgerlijke zamenleving volstrekt onontbeerelijk zijn.Wat aangaat de[8]GESCHIEDENISSEN,VanMuiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede plaats: in de oorlogsrampen vanMuidenenNaarden, heeft het zeer waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen, en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid, zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs, zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten, uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs, hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen, gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en hoogst verachtelijke soldaat.… doch welhaast wordt veelligt de dag geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.… dan op dien toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan overschreiden.[9]Door het vuur heeftMuiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van dat element beveiligd.„In den jaare 1673 hadden deFranschen,” dus luidt een gedeelte der historie van dit dorp, „zig opMuiderbergverschanst en batterijen opgeworpen tegen die vanMuiden, welke stad zij toen onder hunne magt hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door verscheidene uitleggers op deZuiderzee, die vanAmsteldamgezonden werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen maakte, die hen van de vaart tusschenMuidenenNaardenzo benaauwden, dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne onderneemingen lieten vaaren.”Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeftMuiderbergzeer veel geleden: door dePruissenzijn alle buitenplaatsen grootlijks, enRustrijk, die van den HeereAbbema, ook de Pastorij, geheel en al geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten vanHollandenWestvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.Onder deBIJZONDERHEDEN,Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de voorgaande eeuw aangelegd voor deHoogduitsche Jooden, van welken hier doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert een jaar aangelegd, voor deLutherschen[10]van ’tOude licht; doch tot heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot verkozen.Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den HeereAbbemagemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren zig opMuiderbergte komen verlustigen, en ook dat er verscheidene buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken, om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van den prachtigen aanleg, zodra hij het woordLogementer voor leest: vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt; de Edele HeerWillem Hooft, teAmsteldam, heeft er den zeer geleerden HeereMartinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk, waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het middenpunt des muurs tot dat van het[11]latwerk, van honderd twee- en twintig en een halven voetAmsteldamschemaat.Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander, maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de HeerHomoeteigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het Vaderlandsch Treurspel,Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht gegeven, reeds gesproken wordt van hetverstoord gebeente van dit cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.REISGELEGENHEDEN.Deezen zijn als die vanMuiden, want vanAmsteldammet de schuit tot daar gekomen zijnde, vaart men met deNaarderschuit tot deHakkelaarsbrug, alwaar men uitstapt om verder naarMuiderbergte wandelen—Terug gaat men weder, of naarMuiden, of naar deHakkelaarsbrugvoornoemd, en zo verder opAmsteldam.’T is voor een vaderlander nog al niet onaangenaam, aan[12]gezegde brug te moeten uitstappen, alzo hij aldaar vergast wordt op het zien van deStolp, de landlijkeretraite, van den nu zaligen onwaardeerbaaren BurgervaderHendrik HooftDanielsz., nog het voorwerp van aller braaven achting, en die op dat buitenverblijf zijnen hoogen ouderdom sleet, onder de aangename streelingen van een voldaan geweeten, niet alleen, maar ook van de hoop, van vóór zijn’ dood zijn vaderland, en met nadruk zijne geliefdeAmstelstadnog eenmaal gelukkig te zullen zien.LOGEMENTEN,Deeze zijn geene anderen dan de reeds gemelde plaats van den HeereAbbema; voords zijn er nog twee herbergen van mindere rang.[1]
[Inhoud]’t Dorp Muiderberg’t Dorp MuiderbergWie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.MUIDERBERG.In het aangenaameGooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke, noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen vanGooiland, van heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op deZuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke lusthoven?”Al wat het oog verrukken kan;Vindt men hier bij elkander,Wat deel des gronds men ook betreed’,Het een is niet als ’t ander;Nu is ’t de ruimeZuiderzee,Dan duin, hier breede velden,Wier bloejend boekwijt, en wier graan,Den gunst des Scheppers melden;Gintsch is het welig kreupelbosch;Daar aangenaame dreeven;Al wat hier is kan ’s wandlaars oogEn hart voldoening geeven.Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet[2]alleen, maar ook de naaste stedelingen, als die vanNaarden,Muiden, maar voornaamlijk deAmsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken gronds te doen.DeLIGGING.VanMuiderberg, kan gezegd worden te zijn aan deZuiderzee, een klein uur gaans ten Zuidoosten vanNaarden, en een groot half uur ten noordwesten vanMuiden—SchoonMuiderbergthans onderGooilandgerekend worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onderAmstellandbehoord hebben; want GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam onder de Graaven vanHolland, beschrijft in eenen brief, gegeven in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande vanAmstel, begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande vanAmstel; hoe het echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap vanGooilandgekomen is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het bovengezegde blijkt dat de grond vanMuiderberg, hoewel over het algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden, voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht, zoude zig niet naarMuiderbergmoeten begeeven; de strand der zee krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen, een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids ontvangt, en welks klank door het geruis[3]der zee verdoofd wordt; hier zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand, of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee, schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die teMuiderberggenoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven, en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het plaatsjen niet weinig bevorderen.’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen van eenigen, GraafFloris de Vijfde, door de zamengezworenen is omgebragt; (zie onze beschrijving vanNaarden, Art.Geschiedenissen,) ’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op hetMuiderslotzoude geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichterAntonides van der Goes, in zijnenY-stroom, bladz. 108, ook zegt:Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,EnGooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends[4]den Dichter, ’s Graaven bloed denGooischen bodem, (niet den grond van deeze of geene kamer in hetMuiderslot,) geverwd heeft.NAAMSOORSPRONG.De naamsoorsprong vanMuiderberg, wordt voegelijk afgeleid, (ook is er geene andere bedenking over te maaken,) van de daar nabij gelegene stadMuiden, en de naastaanliggende hoogte; welke, voor zo verre die waarop het dorp ligt betreft, en met betrekking tot de doorgaande vlakke eigenschap van ons Land, den naam van berg verkregen heeft, als vrij hoog zijnde, en boven allen die rondsom liggen uitsteekende; deeze hoogte, of berg, nu (bijMuidenliggende,) zal dan den naam vanberg van MuidenofMuiderbergverkregen hebben, en voords het Dorp ook met dien naam benoemd weezen.STICHTINGENGROOTTE.WieMuiderbergeigenlijk gesticht of aangelegd zoude hebben, daarvan zijn geene bescheiden voorhanden: oud moet het zekerlijk zijn, uit aanmerkinge van den reeds gemelden Giftbrief van GraaveWillemvanHenegouwen, geschreven in den jaare 1324; want daarin wordt het, gelijk wij gezien hebben, reeds gespeld.Wat de grootte betreft, volgends de lijsten der verpondingen van den jaare 1632, stonden er toen 34 huizen, doch honderd jaaren laater, in 1732, bedroeg dat getal niet meer dan 28 huizen; weshalven het in de gezegde honderd jaaren, 6 huizen verminderd is; thans zijn er weder 6 minder, naamlijk slechts 22, het welk zeer ligtlijk het geval van dergelijke, schoon bloejende, dorpjens kan worden, want die bloei bestaat gemeenlijk in niet meer dan in eene genoegzaame broodwinning der bewooneren, ofschoon het daarom anderen, elders woonende, niet geraaden zij, zig aldaar met er woon te komen nederslaan, alzo zij welligt alles wat zij nog hadden verteerd zouden hebben,[5]aleer zij gelegenheid kreegen om door hun toedoen den bloei des dorpjens te vermeerderen, en derhalven zig zelven in eenen bloejenden staat te bevinden.Men schat het getal der inwooneren op omtrent 200, die, uitgenomen eenige weinige Roomschgezinden, allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn.Het schatbaar land onder het district vanMuiderbergbehoorende, wordt begroot op niet meer dan honderd en vijftig morgen.Eenwapenheeft dit dorpjen niet.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Dit Artijkel van ons plan betreffende kunnen wij, het tegenwoordige dorpjen aangaande, niet anders noemen dan de kerk, want Wees- of andere Gods-dienstige Gestichten zijn er niet voorhanden: de Weezen worden er bij de inwooners besteed.Van binnen is de kerk zeer zindelijk, doch ook zeer eenvoudig, hebbende volstrekt niets dat men kan zeggen een cieraad te weezen; ook is er geen orgel in.Derzelver vertooning van buiten, maakt zeer geloofwaardig het geen men er van aangetekend vindt, naamlijk dat het nog de capel zoude zijn welke deRoomschenin vroegere eeuwen aldaar gehad hebben; zij heeft in alles de gedaante van een capel, vooral van vooren; men gaat tot den ingang, (er is ook maar één ingang aan) door een laantjen van boomen, waar achter het bovenste gedeelte van de kerk zig verbergt: men wil dat dit gebouw gesticht zoude weezen, door den reeds meergemelden GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam; doch, en het geen van zelf spreekt, als eene capel, welke bij de Reformatie van binnen tot het oefenen van den Gereformeerden Godsdienst is toebereid.Thans staat op het gebouw een vierkante toren, zijnde van boven geheel plat; evenwel is dezelve zodanig niet altoos geweest; er heeft, zelfs nog in de tegenwoordige eeuw,[6]een spits op gestaan, doch hetzelve is er door een’ stormwind afgewaaid, en sedert is er geen ander spits op gezet.Niettegenstaande de gemeente teMuiderbergaltijd slechts bestaan hebbe uit omtrent 50 ledemaaten, heeft zij echter sinds het jaar 1687, haar eigen Predikant, zijnde sedert 17 Augustus, van den jaare 1783, de Wel-Eerw. en bij zijne gemeente zeer geliefde Heer,Kristiaan Johan Fruitier, behoorende onder de Classis vanAmsteldam.De eerste Predikant alhier wasNicolaas Bassecour, bevestigd den 17 Augustus 1687, en hem werdt den 13 October van het zelfde jaar, één Kerkraad, één Ouderling, en één Diacon toegevoegd, door een commissie uit de Classis vanAmsteldam: in het jaar 1698, is zijn Wel-Eerw. beroepen teSchiedam—Voords hebben de volgende Predikanten alhier gestaan:Geerard Midlum, is bevestigd den 27 April 1698, en beroepen te’s Graaveland1706.Petrus de Bye, is bevestigd den 30 Mei 1706, en hier overleden, den 14 Julij 1726.Roeland van Thiel, is bevestigd den 2 Febr. 1727, en heeft van zijnen dienst vrijwillig afgestaan 1747.Jan Rijser, is bevestigd den 28 Jan. 1748, en emeritus geworden in Sept. 1780.Carolus Pantekoek, is bevestigd den 29 April 1781, en op collatie vertrokken naarNiërvaart, gezegdde Klundert.De Pastorie is een vrij goed, en aangenaam gelegen gebouw.Het Schoolhuis voldoet mede allezins aan deszelfs oogmerk.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij niet anders brengen, dan het Rechthuis, dat voor 3 jaaren een ruime Herberg was; doch sedert in een schoone lusthof is veranderd.[7]KERKLIJKE REGEERING.Deeze bestaat sedert den 14 November, 1687,uit den Predikant, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen.Er zijn ook 2 Kerkmeesteren, die, in gevalle van afsterven, door Schout en Schepenen verkozen worden.WERELDLIJKE REGEERING.Deeze is als op de andere dorpen vanGooiland: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw en de Schepenen vanGooilands Hoofdstad, Naarden, de Civile rechtbank wordt gespannen door Schout en Schepenen, zijnde deeze laatsten vijf in getal.Voords zijn alhier mede twee Buurtmeesters en twee Kerkmeesters: van den eerstgemelden gaat jaarlijks één af.De Schepens worden verkozen door den Bailluw, uit een nominatie van een dubbeld getal, gemaakt door den Schout en Buurtmeesters: aan de nieuw verkozene Schepenen staat de verkiezing van den Buurtmeester, die voor dat jaar aankomt; zie boven.VoorrechtenheeftMuiderberg, voor zo verre ons bewust is, niet.DeBEZIGHEDENDer bewooneren, zijn meestal de landbouw, waartoe zij, gelijk wij hiervoor reeds zeiden, goede gelegenheid hebben: het zaajen van boekwijt en rogge, en het pooten van aardappelen, gaat er zeer sterk: voords vindt men er eenigen van die werklieden welken in de burgerlijke zamenleving volstrekt onontbeerelijk zijn.Wat aangaat de[8]GESCHIEDENISSEN,VanMuiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede plaats: in de oorlogsrampen vanMuidenenNaarden, heeft het zeer waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen, en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid, zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs, zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten, uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs, hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen, gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en hoogst verachtelijke soldaat.… doch welhaast wordt veelligt de dag geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.… dan op dien toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan overschreiden.[9]Door het vuur heeftMuiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van dat element beveiligd.„In den jaare 1673 hadden deFranschen,” dus luidt een gedeelte der historie van dit dorp, „zig opMuiderbergverschanst en batterijen opgeworpen tegen die vanMuiden, welke stad zij toen onder hunne magt hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door verscheidene uitleggers op deZuiderzee, die vanAmsteldamgezonden werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen maakte, die hen van de vaart tusschenMuidenenNaardenzo benaauwden, dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne onderneemingen lieten vaaren.”Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeftMuiderbergzeer veel geleden: door dePruissenzijn alle buitenplaatsen grootlijks, enRustrijk, die van den HeereAbbema, ook de Pastorij, geheel en al geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten vanHollandenWestvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.Onder deBIJZONDERHEDEN,Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de voorgaande eeuw aangelegd voor deHoogduitsche Jooden, van welken hier doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert een jaar aangelegd, voor deLutherschen[10]van ’tOude licht; doch tot heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot verkozen.Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den HeereAbbemagemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren zig opMuiderbergte komen verlustigen, en ook dat er verscheidene buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken, om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van den prachtigen aanleg, zodra hij het woordLogementer voor leest: vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt; de Edele HeerWillem Hooft, teAmsteldam, heeft er den zeer geleerden HeereMartinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk, waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het middenpunt des muurs tot dat van het[11]latwerk, van honderd twee- en twintig en een halven voetAmsteldamschemaat.Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander, maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de HeerHomoeteigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het Vaderlandsch Treurspel,Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht gegeven, reeds gesproken wordt van hetverstoord gebeente van dit cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.REISGELEGENHEDEN.Deezen zijn als die vanMuiden, want vanAmsteldammet de schuit tot daar gekomen zijnde, vaart men met deNaarderschuit tot deHakkelaarsbrug, alwaar men uitstapt om verder naarMuiderbergte wandelen—Terug gaat men weder, of naarMuiden, of naar deHakkelaarsbrugvoornoemd, en zo verder opAmsteldam.’T is voor een vaderlander nog al niet onaangenaam, aan[12]gezegde brug te moeten uitstappen, alzo hij aldaar vergast wordt op het zien van deStolp, de landlijkeretraite, van den nu zaligen onwaardeerbaaren BurgervaderHendrik HooftDanielsz., nog het voorwerp van aller braaven achting, en die op dat buitenverblijf zijnen hoogen ouderdom sleet, onder de aangename streelingen van een voldaan geweeten, niet alleen, maar ook van de hoop, van vóór zijn’ dood zijn vaderland, en met nadruk zijne geliefdeAmstelstadnog eenmaal gelukkig te zullen zien.LOGEMENTEN,Deeze zijn geene anderen dan de reeds gemelde plaats van den HeereAbbema; voords zijn er nog twee herbergen van mindere rang.[1]
’t Dorp Muiderberg’t Dorp MuiderbergWie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.MUIDERBERG.
’t Dorp Muiderberg’t Dorp MuiderbergWie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.
’t Dorp Muiderberg
Wie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.
Wie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.
Wie Zee en lomrig hout bemint,Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,Met duinzand gaarne blinken ziet,Vergeete MUIDERBERG dan niet.
Wie Zee en lomrig hout bemint,
Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,
Met duinzand gaarne blinken ziet,
Vergeete MUIDERBERG dan niet.
In het aangenaameGooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke, noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen vanGooiland, van heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op deZuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke lusthoven?”Al wat het oog verrukken kan;Vindt men hier bij elkander,Wat deel des gronds men ook betreed’,Het een is niet als ’t ander;Nu is ’t de ruimeZuiderzee,Dan duin, hier breede velden,Wier bloejend boekwijt, en wier graan,Den gunst des Scheppers melden;Gintsch is het welig kreupelbosch;Daar aangenaame dreeven;Al wat hier is kan ’s wandlaars oogEn hart voldoening geeven.Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet[2]alleen, maar ook de naaste stedelingen, als die vanNaarden,Muiden, maar voornaamlijk deAmsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken gronds te doen.DeLIGGING.VanMuiderberg, kan gezegd worden te zijn aan deZuiderzee, een klein uur gaans ten Zuidoosten vanNaarden, en een groot half uur ten noordwesten vanMuiden—SchoonMuiderbergthans onderGooilandgerekend worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onderAmstellandbehoord hebben; want GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam onder de Graaven vanHolland, beschrijft in eenen brief, gegeven in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande vanAmstel, begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande vanAmstel; hoe het echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap vanGooilandgekomen is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het bovengezegde blijkt dat de grond vanMuiderberg, hoewel over het algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden, voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht, zoude zig niet naarMuiderbergmoeten begeeven; de strand der zee krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen, een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids ontvangt, en welks klank door het geruis[3]der zee verdoofd wordt; hier zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand, of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee, schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die teMuiderberggenoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven, en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het plaatsjen niet weinig bevorderen.’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen van eenigen, GraafFloris de Vijfde, door de zamengezworenen is omgebragt; (zie onze beschrijving vanNaarden, Art.Geschiedenissen,) ’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op hetMuiderslotzoude geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichterAntonides van der Goes, in zijnenY-stroom, bladz. 108, ook zegt:Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,EnGooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends[4]den Dichter, ’s Graaven bloed denGooischen bodem, (niet den grond van deeze of geene kamer in hetMuiderslot,) geverwd heeft.NAAMSOORSPRONG.De naamsoorsprong vanMuiderberg, wordt voegelijk afgeleid, (ook is er geene andere bedenking over te maaken,) van de daar nabij gelegene stadMuiden, en de naastaanliggende hoogte; welke, voor zo verre die waarop het dorp ligt betreft, en met betrekking tot de doorgaande vlakke eigenschap van ons Land, den naam van berg verkregen heeft, als vrij hoog zijnde, en boven allen die rondsom liggen uitsteekende; deeze hoogte, of berg, nu (bijMuidenliggende,) zal dan den naam vanberg van MuidenofMuiderbergverkregen hebben, en voords het Dorp ook met dien naam benoemd weezen.STICHTINGENGROOTTE.WieMuiderbergeigenlijk gesticht of aangelegd zoude hebben, daarvan zijn geene bescheiden voorhanden: oud moet het zekerlijk zijn, uit aanmerkinge van den reeds gemelden Giftbrief van GraaveWillemvanHenegouwen, geschreven in den jaare 1324; want daarin wordt het, gelijk wij gezien hebben, reeds gespeld.Wat de grootte betreft, volgends de lijsten der verpondingen van den jaare 1632, stonden er toen 34 huizen, doch honderd jaaren laater, in 1732, bedroeg dat getal niet meer dan 28 huizen; weshalven het in de gezegde honderd jaaren, 6 huizen verminderd is; thans zijn er weder 6 minder, naamlijk slechts 22, het welk zeer ligtlijk het geval van dergelijke, schoon bloejende, dorpjens kan worden, want die bloei bestaat gemeenlijk in niet meer dan in eene genoegzaame broodwinning der bewooneren, ofschoon het daarom anderen, elders woonende, niet geraaden zij, zig aldaar met er woon te komen nederslaan, alzo zij welligt alles wat zij nog hadden verteerd zouden hebben,[5]aleer zij gelegenheid kreegen om door hun toedoen den bloei des dorpjens te vermeerderen, en derhalven zig zelven in eenen bloejenden staat te bevinden.Men schat het getal der inwooneren op omtrent 200, die, uitgenomen eenige weinige Roomschgezinden, allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn.Het schatbaar land onder het district vanMuiderbergbehoorende, wordt begroot op niet meer dan honderd en vijftig morgen.Eenwapenheeft dit dorpjen niet.KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Dit Artijkel van ons plan betreffende kunnen wij, het tegenwoordige dorpjen aangaande, niet anders noemen dan de kerk, want Wees- of andere Gods-dienstige Gestichten zijn er niet voorhanden: de Weezen worden er bij de inwooners besteed.Van binnen is de kerk zeer zindelijk, doch ook zeer eenvoudig, hebbende volstrekt niets dat men kan zeggen een cieraad te weezen; ook is er geen orgel in.Derzelver vertooning van buiten, maakt zeer geloofwaardig het geen men er van aangetekend vindt, naamlijk dat het nog de capel zoude zijn welke deRoomschenin vroegere eeuwen aldaar gehad hebben; zij heeft in alles de gedaante van een capel, vooral van vooren; men gaat tot den ingang, (er is ook maar één ingang aan) door een laantjen van boomen, waar achter het bovenste gedeelte van de kerk zig verbergt: men wil dat dit gebouw gesticht zoude weezen, door den reeds meergemelden GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam; doch, en het geen van zelf spreekt, als eene capel, welke bij de Reformatie van binnen tot het oefenen van den Gereformeerden Godsdienst is toebereid.Thans staat op het gebouw een vierkante toren, zijnde van boven geheel plat; evenwel is dezelve zodanig niet altoos geweest; er heeft, zelfs nog in de tegenwoordige eeuw,[6]een spits op gestaan, doch hetzelve is er door een’ stormwind afgewaaid, en sedert is er geen ander spits op gezet.Niettegenstaande de gemeente teMuiderbergaltijd slechts bestaan hebbe uit omtrent 50 ledemaaten, heeft zij echter sinds het jaar 1687, haar eigen Predikant, zijnde sedert 17 Augustus, van den jaare 1783, de Wel-Eerw. en bij zijne gemeente zeer geliefde Heer,Kristiaan Johan Fruitier, behoorende onder de Classis vanAmsteldam.De eerste Predikant alhier wasNicolaas Bassecour, bevestigd den 17 Augustus 1687, en hem werdt den 13 October van het zelfde jaar, één Kerkraad, één Ouderling, en één Diacon toegevoegd, door een commissie uit de Classis vanAmsteldam: in het jaar 1698, is zijn Wel-Eerw. beroepen teSchiedam—Voords hebben de volgende Predikanten alhier gestaan:Geerard Midlum, is bevestigd den 27 April 1698, en beroepen te’s Graaveland1706.Petrus de Bye, is bevestigd den 30 Mei 1706, en hier overleden, den 14 Julij 1726.Roeland van Thiel, is bevestigd den 2 Febr. 1727, en heeft van zijnen dienst vrijwillig afgestaan 1747.Jan Rijser, is bevestigd den 28 Jan. 1748, en emeritus geworden in Sept. 1780.Carolus Pantekoek, is bevestigd den 29 April 1781, en op collatie vertrokken naarNiërvaart, gezegdde Klundert.De Pastorie is een vrij goed, en aangenaam gelegen gebouw.Het Schoolhuis voldoet mede allezins aan deszelfs oogmerk.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij niet anders brengen, dan het Rechthuis, dat voor 3 jaaren een ruime Herberg was; doch sedert in een schoone lusthof is veranderd.[7]KERKLIJKE REGEERING.Deeze bestaat sedert den 14 November, 1687,uit den Predikant, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen.Er zijn ook 2 Kerkmeesteren, die, in gevalle van afsterven, door Schout en Schepenen verkozen worden.WERELDLIJKE REGEERING.Deeze is als op de andere dorpen vanGooiland: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw en de Schepenen vanGooilands Hoofdstad, Naarden, de Civile rechtbank wordt gespannen door Schout en Schepenen, zijnde deeze laatsten vijf in getal.Voords zijn alhier mede twee Buurtmeesters en twee Kerkmeesters: van den eerstgemelden gaat jaarlijks één af.De Schepens worden verkozen door den Bailluw, uit een nominatie van een dubbeld getal, gemaakt door den Schout en Buurtmeesters: aan de nieuw verkozene Schepenen staat de verkiezing van den Buurtmeester, die voor dat jaar aankomt; zie boven.VoorrechtenheeftMuiderberg, voor zo verre ons bewust is, niet.DeBEZIGHEDENDer bewooneren, zijn meestal de landbouw, waartoe zij, gelijk wij hiervoor reeds zeiden, goede gelegenheid hebben: het zaajen van boekwijt en rogge, en het pooten van aardappelen, gaat er zeer sterk: voords vindt men er eenigen van die werklieden welken in de burgerlijke zamenleving volstrekt onontbeerelijk zijn.Wat aangaat de[8]GESCHIEDENISSEN,VanMuiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede plaats: in de oorlogsrampen vanMuidenenNaarden, heeft het zeer waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen, en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid, zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs, zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten, uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs, hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen, gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en hoogst verachtelijke soldaat.… doch welhaast wordt veelligt de dag geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.… dan op dien toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan overschreiden.[9]Door het vuur heeftMuiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van dat element beveiligd.„In den jaare 1673 hadden deFranschen,” dus luidt een gedeelte der historie van dit dorp, „zig opMuiderbergverschanst en batterijen opgeworpen tegen die vanMuiden, welke stad zij toen onder hunne magt hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door verscheidene uitleggers op deZuiderzee, die vanAmsteldamgezonden werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen maakte, die hen van de vaart tusschenMuidenenNaardenzo benaauwden, dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne onderneemingen lieten vaaren.”Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeftMuiderbergzeer veel geleden: door dePruissenzijn alle buitenplaatsen grootlijks, enRustrijk, die van den HeereAbbema, ook de Pastorij, geheel en al geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten vanHollandenWestvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.Onder deBIJZONDERHEDEN,Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de voorgaande eeuw aangelegd voor deHoogduitsche Jooden, van welken hier doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert een jaar aangelegd, voor deLutherschen[10]van ’tOude licht; doch tot heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot verkozen.Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den HeereAbbemagemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren zig opMuiderbergte komen verlustigen, en ook dat er verscheidene buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken, om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van den prachtigen aanleg, zodra hij het woordLogementer voor leest: vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt; de Edele HeerWillem Hooft, teAmsteldam, heeft er den zeer geleerden HeereMartinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk, waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het middenpunt des muurs tot dat van het[11]latwerk, van honderd twee- en twintig en een halven voetAmsteldamschemaat.Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander, maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de HeerHomoeteigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het Vaderlandsch Treurspel,Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht gegeven, reeds gesproken wordt van hetverstoord gebeente van dit cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.REISGELEGENHEDEN.Deezen zijn als die vanMuiden, want vanAmsteldammet de schuit tot daar gekomen zijnde, vaart men met deNaarderschuit tot deHakkelaarsbrug, alwaar men uitstapt om verder naarMuiderbergte wandelen—Terug gaat men weder, of naarMuiden, of naar deHakkelaarsbrugvoornoemd, en zo verder opAmsteldam.’T is voor een vaderlander nog al niet onaangenaam, aan[12]gezegde brug te moeten uitstappen, alzo hij aldaar vergast wordt op het zien van deStolp, de landlijkeretraite, van den nu zaligen onwaardeerbaaren BurgervaderHendrik HooftDanielsz., nog het voorwerp van aller braaven achting, en die op dat buitenverblijf zijnen hoogen ouderdom sleet, onder de aangename streelingen van een voldaan geweeten, niet alleen, maar ook van de hoop, van vóór zijn’ dood zijn vaderland, en met nadruk zijne geliefdeAmstelstadnog eenmaal gelukkig te zullen zien.LOGEMENTEN,Deeze zijn geene anderen dan de reeds gemelde plaats van den HeereAbbema; voords zijn er nog twee herbergen van mindere rang.[1]
In het aangenaameGooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke, noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen vanGooiland, van heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op deZuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke lusthoven?”
Al wat het oog verrukken kan;Vindt men hier bij elkander,Wat deel des gronds men ook betreed’,Het een is niet als ’t ander;Nu is ’t de ruimeZuiderzee,Dan duin, hier breede velden,Wier bloejend boekwijt, en wier graan,Den gunst des Scheppers melden;Gintsch is het welig kreupelbosch;Daar aangenaame dreeven;Al wat hier is kan ’s wandlaars oogEn hart voldoening geeven.
Al wat het oog verrukken kan;
Vindt men hier bij elkander,
Wat deel des gronds men ook betreed’,
Het een is niet als ’t ander;
Nu is ’t de ruimeZuiderzee,
Dan duin, hier breede velden,
Wier bloejend boekwijt, en wier graan,
Den gunst des Scheppers melden;
Gintsch is het welig kreupelbosch;
Daar aangenaame dreeven;
Al wat hier is kan ’s wandlaars oog
En hart voldoening geeven.
Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet[2]alleen, maar ook de naaste stedelingen, als die vanNaarden,Muiden, maar voornaamlijk deAmsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken gronds te doen.
De
LIGGING.
VanMuiderberg, kan gezegd worden te zijn aan deZuiderzee, een klein uur gaans ten Zuidoosten vanNaarden, en een groot half uur ten noordwesten vanMuiden—SchoonMuiderbergthans onderGooilandgerekend worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onderAmstellandbehoord hebben; want GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam onder de Graaven vanHolland, beschrijft in eenen brief, gegeven in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande vanAmstel, begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande vanAmstel; hoe het echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap vanGooilandgekomen is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het bovengezegde blijkt dat de grond vanMuiderberg, hoewel over het algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden, voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht, zoude zig niet naarMuiderbergmoeten begeeven; de strand der zee krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen, een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids ontvangt, en welks klank door het geruis[3]der zee verdoofd wordt; hier zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand, of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee, schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die teMuiderberggenoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven, en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het plaatsjen niet weinig bevorderen.
’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen van eenigen, GraafFloris de Vijfde, door de zamengezworenen is omgebragt; (zie onze beschrijving vanNaarden, Art.Geschiedenissen,) ’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op hetMuiderslotzoude geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichterAntonides van der Goes, in zijnenY-stroom, bladz. 108, ook zegt:
Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,EnGooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.
Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,
Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,
EnGooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.
Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends[4]den Dichter, ’s Graaven bloed denGooischen bodem, (niet den grond van deeze of geene kamer in hetMuiderslot,) geverwd heeft.
NAAMSOORSPRONG.
De naamsoorsprong vanMuiderberg, wordt voegelijk afgeleid, (ook is er geene andere bedenking over te maaken,) van de daar nabij gelegene stadMuiden, en de naastaanliggende hoogte; welke, voor zo verre die waarop het dorp ligt betreft, en met betrekking tot de doorgaande vlakke eigenschap van ons Land, den naam van berg verkregen heeft, als vrij hoog zijnde, en boven allen die rondsom liggen uitsteekende; deeze hoogte, of berg, nu (bijMuidenliggende,) zal dan den naam vanberg van MuidenofMuiderbergverkregen hebben, en voords het Dorp ook met dien naam benoemd weezen.
STICHTINGENGROOTTE.
WieMuiderbergeigenlijk gesticht of aangelegd zoude hebben, daarvan zijn geene bescheiden voorhanden: oud moet het zekerlijk zijn, uit aanmerkinge van den reeds gemelden Giftbrief van GraaveWillemvanHenegouwen, geschreven in den jaare 1324; want daarin wordt het, gelijk wij gezien hebben, reeds gespeld.
Wat de grootte betreft, volgends de lijsten der verpondingen van den jaare 1632, stonden er toen 34 huizen, doch honderd jaaren laater, in 1732, bedroeg dat getal niet meer dan 28 huizen; weshalven het in de gezegde honderd jaaren, 6 huizen verminderd is; thans zijn er weder 6 minder, naamlijk slechts 22, het welk zeer ligtlijk het geval van dergelijke, schoon bloejende, dorpjens kan worden, want die bloei bestaat gemeenlijk in niet meer dan in eene genoegzaame broodwinning der bewooneren, ofschoon het daarom anderen, elders woonende, niet geraaden zij, zig aldaar met er woon te komen nederslaan, alzo zij welligt alles wat zij nog hadden verteerd zouden hebben,[5]aleer zij gelegenheid kreegen om door hun toedoen den bloei des dorpjens te vermeerderen, en derhalven zig zelven in eenen bloejenden staat te bevinden.
Men schat het getal der inwooneren op omtrent 200, die, uitgenomen eenige weinige Roomschgezinden, allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn.
Het schatbaar land onder het district vanMuiderbergbehoorende, wordt begroot op niet meer dan honderd en vijftig morgen.
Eenwapenheeft dit dorpjen niet.
KERKLIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Dit Artijkel van ons plan betreffende kunnen wij, het tegenwoordige dorpjen aangaande, niet anders noemen dan de kerk, want Wees- of andere Gods-dienstige Gestichten zijn er niet voorhanden: de Weezen worden er bij de inwooners besteed.
Van binnen is de kerk zeer zindelijk, doch ook zeer eenvoudig, hebbende volstrekt niets dat men kan zeggen een cieraad te weezen; ook is er geen orgel in.
Derzelver vertooning van buiten, maakt zeer geloofwaardig het geen men er van aangetekend vindt, naamlijk dat het nog de capel zoude zijn welke deRoomschenin vroegere eeuwen aldaar gehad hebben; zij heeft in alles de gedaante van een capel, vooral van vooren; men gaat tot den ingang, (er is ook maar één ingang aan) door een laantjen van boomen, waar achter het bovenste gedeelte van de kerk zig verbergt: men wil dat dit gebouw gesticht zoude weezen, door den reeds meergemelden GraafWillemvanHenegouwen, de derde van dien naam; doch, en het geen van zelf spreekt, als eene capel, welke bij de Reformatie van binnen tot het oefenen van den Gereformeerden Godsdienst is toebereid.
Thans staat op het gebouw een vierkante toren, zijnde van boven geheel plat; evenwel is dezelve zodanig niet altoos geweest; er heeft, zelfs nog in de tegenwoordige eeuw,[6]een spits op gestaan, doch hetzelve is er door een’ stormwind afgewaaid, en sedert is er geen ander spits op gezet.
Niettegenstaande de gemeente teMuiderbergaltijd slechts bestaan hebbe uit omtrent 50 ledemaaten, heeft zij echter sinds het jaar 1687, haar eigen Predikant, zijnde sedert 17 Augustus, van den jaare 1783, de Wel-Eerw. en bij zijne gemeente zeer geliefde Heer,Kristiaan Johan Fruitier, behoorende onder de Classis vanAmsteldam.
De eerste Predikant alhier wasNicolaas Bassecour, bevestigd den 17 Augustus 1687, en hem werdt den 13 October van het zelfde jaar, één Kerkraad, één Ouderling, en één Diacon toegevoegd, door een commissie uit de Classis vanAmsteldam: in het jaar 1698, is zijn Wel-Eerw. beroepen teSchiedam—Voords hebben de volgende Predikanten alhier gestaan:
Geerard Midlum, is bevestigd den 27 April 1698, en beroepen te’s Graaveland1706.
Petrus de Bye, is bevestigd den 30 Mei 1706, en hier overleden, den 14 Julij 1726.
Roeland van Thiel, is bevestigd den 2 Febr. 1727, en heeft van zijnen dienst vrijwillig afgestaan 1747.
Jan Rijser, is bevestigd den 28 Jan. 1748, en emeritus geworden in Sept. 1780.
Carolus Pantekoek, is bevestigd den 29 April 1781, en op collatie vertrokken naarNiërvaart, gezegdde Klundert.
De Pastorie is een vrij goed, en aangenaam gelegen gebouw.
Het Schoolhuis voldoet mede allezins aan deszelfs oogmerk.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Onder dit artijkel kunnen wij niet anders brengen, dan het Rechthuis, dat voor 3 jaaren een ruime Herberg was; doch sedert in een schoone lusthof is veranderd.[7]
KERKLIJKE REGEERING.
Deeze bestaat sedert den 14 November, 1687,uit den Predikant, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen.
Er zijn ook 2 Kerkmeesteren, die, in gevalle van afsterven, door Schout en Schepenen verkozen worden.
WERELDLIJKE REGEERING.
Deeze is als op de andere dorpen vanGooiland: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw en de Schepenen vanGooilands Hoofdstad, Naarden, de Civile rechtbank wordt gespannen door Schout en Schepenen, zijnde deeze laatsten vijf in getal.
Voords zijn alhier mede twee Buurtmeesters en twee Kerkmeesters: van den eerstgemelden gaat jaarlijks één af.
De Schepens worden verkozen door den Bailluw, uit een nominatie van een dubbeld getal, gemaakt door den Schout en Buurtmeesters: aan de nieuw verkozene Schepenen staat de verkiezing van den Buurtmeester, die voor dat jaar aankomt; zie boven.
VoorrechtenheeftMuiderberg, voor zo verre ons bewust is, niet.
De
BEZIGHEDEN
Der bewooneren, zijn meestal de landbouw, waartoe zij, gelijk wij hiervoor reeds zeiden, goede gelegenheid hebben: het zaajen van boekwijt en rogge, en het pooten van aardappelen, gaat er zeer sterk: voords vindt men er eenigen van die werklieden welken in de burgerlijke zamenleving volstrekt onontbeerelijk zijn.
Wat aangaat de[8]
GESCHIEDENISSEN,
VanMuiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede plaats: in de oorlogsrampen vanMuidenenNaarden, heeft het zeer waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen, en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid, zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs, zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten, uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs, hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen, gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en hoogst verachtelijke soldaat.… doch welhaast wordt veelligt de dag geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.… dan op dien toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan overschreiden.[9]
Door het vuur heeftMuiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van dat element beveiligd.
„In den jaare 1673 hadden deFranschen,” dus luidt een gedeelte der historie van dit dorp, „zig opMuiderbergverschanst en batterijen opgeworpen tegen die vanMuiden, welke stad zij toen onder hunne magt hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door verscheidene uitleggers op deZuiderzee, die vanAmsteldamgezonden werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen maakte, die hen van de vaart tusschenMuidenenNaardenzo benaauwden, dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne onderneemingen lieten vaaren.”
Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeftMuiderbergzeer veel geleden: door dePruissenzijn alle buitenplaatsen grootlijks, enRustrijk, die van den HeereAbbema, ook de Pastorij, geheel en al geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten vanHollandenWestvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.
Onder de
BIJZONDERHEDEN,
Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de voorgaande eeuw aangelegd voor deHoogduitsche Jooden, van welken hier doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert een jaar aangelegd, voor deLutherschen[10]van ’tOude licht; doch tot heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot verkozen.
Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den HeereAbbemagemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren zig opMuiderbergte komen verlustigen, en ook dat er verscheidene buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken, om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van den prachtigen aanleg, zodra hij het woordLogementer voor leest: vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt; de Edele HeerWillem Hooft, teAmsteldam, heeft er den zeer geleerden HeereMartinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk, waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het middenpunt des muurs tot dat van het[11]latwerk, van honderd twee- en twintig en een halven voetAmsteldamschemaat.
Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander, maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.
Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de HeerHomoeteigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het Vaderlandsch Treurspel,Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht gegeven, reeds gesproken wordt van hetverstoord gebeente van dit cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.
REISGELEGENHEDEN.
Deezen zijn als die vanMuiden, want vanAmsteldammet de schuit tot daar gekomen zijnde, vaart men met deNaarderschuit tot deHakkelaarsbrug, alwaar men uitstapt om verder naarMuiderbergte wandelen—Terug gaat men weder, of naarMuiden, of naar deHakkelaarsbrugvoornoemd, en zo verder opAmsteldam.
’T is voor een vaderlander nog al niet onaangenaam, aan[12]gezegde brug te moeten uitstappen, alzo hij aldaar vergast wordt op het zien van deStolp, de landlijkeretraite, van den nu zaligen onwaardeerbaaren BurgervaderHendrik HooftDanielsz., nog het voorwerp van aller braaven achting, en die op dat buitenverblijf zijnen hoogen ouderdom sleet, onder de aangename streelingen van een voldaan geweeten, niet alleen, maar ook van de hoop, van vóór zijn’ dood zijn vaderland, en met nadruk zijne geliefdeAmstelstadnog eenmaal gelukkig te zullen zien.
LOGEMENTEN,
Deeze zijn geene anderen dan de reeds gemelde plaats van den HeereAbbema; voords zijn er nog twee herbergen van mindere rang.[1]