OVERVECHT.

[Inhoud]OVERVECHT.DeLIGGINGVan deeze polder, is ten oosten van de StadWeesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier deVecht, niet onaartig door de zoetzingendeWillink, de eigenschap vanblanktoegekend; daar hij zegt:Nu vloeit de blanke vecht in vreê,En schuurt met haare zoete dreeven,De Muiderschutsluis door in zee,Om met het pekelnat te paaren;Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,Daar zij op net beschaafde zangen,En zuiver heldendicht bekoord,Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,In twijfel of zij stil zal staan,Of op die toonen verder gaan.Deeze aangenaame rivier stroomt, beoostenUtrecht, uit denRhijnnoordwaards aan voorbijZuilen, Maarssen, Breukelen,Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, doorMuidenin zee stort.Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd, als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte vederen1, in ontmoet.[10]Wegens deszelfsNAAMSOORSPRONGBehoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polderOvervecht, ligt naamlijk over de rivierVecht, voornoemd.Degroottevan den grond der polder is weder onder de grootte van geheelWeesper-kerspelbetrokken.Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.Onder de polderOvervecht, behoort ook die welke den naam draagt vanUITERMEER.Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschenWeespen de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.De weg vanWeesp, naarUitermeer, of wel naar de straks[11]te beschrijveneUitermeersche schans, loopt langs den bevalligenVechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilverenVecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord derVechtvindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polderUitermeergelegen is de bovengenoemde bekendeUITERMEERSCHE SCHANS.Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „deUitermeersche Schansdekt een sluis aan deVecht, door welke het omliggende land beoosten deVecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naarAnkeveenen’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit deVechtnaarGooilandvaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”[12]De des kundigen houden deUitermeersche schans(die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door dePruissenaangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn dePruisische Ruiterszonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen vanDE OVERMEERSCHE SCHANS,Gelegen aan denHinderdam, aan de westzijde van deVecht, ruim een uur gaans van de stadWeesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaameVechtmeergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door deVechtlag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen teMuiden, zo dat men hier het water van deVechtschijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van deUitermeersche sluisverandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”Tusschen deUitermeersche Schans, en denHinderdam, stond weleer hetHuis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize vanYsselsteintoebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen HertogFilipsvanBourgondiën, en den Bisschop vanUtrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat deFranschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.[1]1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

[Inhoud]OVERVECHT.DeLIGGINGVan deeze polder, is ten oosten van de StadWeesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier deVecht, niet onaartig door de zoetzingendeWillink, de eigenschap vanblanktoegekend; daar hij zegt:Nu vloeit de blanke vecht in vreê,En schuurt met haare zoete dreeven,De Muiderschutsluis door in zee,Om met het pekelnat te paaren;Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,Daar zij op net beschaafde zangen,En zuiver heldendicht bekoord,Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,In twijfel of zij stil zal staan,Of op die toonen verder gaan.Deeze aangenaame rivier stroomt, beoostenUtrecht, uit denRhijnnoordwaards aan voorbijZuilen, Maarssen, Breukelen,Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, doorMuidenin zee stort.Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd, als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte vederen1, in ontmoet.[10]Wegens deszelfsNAAMSOORSPRONGBehoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polderOvervecht, ligt naamlijk over de rivierVecht, voornoemd.Degroottevan den grond der polder is weder onder de grootte van geheelWeesper-kerspelbetrokken.Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.Onder de polderOvervecht, behoort ook die welke den naam draagt vanUITERMEER.Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschenWeespen de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.De weg vanWeesp, naarUitermeer, of wel naar de straks[11]te beschrijveneUitermeersche schans, loopt langs den bevalligenVechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilverenVecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord derVechtvindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polderUitermeergelegen is de bovengenoemde bekendeUITERMEERSCHE SCHANS.Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „deUitermeersche Schansdekt een sluis aan deVecht, door welke het omliggende land beoosten deVecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naarAnkeveenen’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit deVechtnaarGooilandvaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”[12]De des kundigen houden deUitermeersche schans(die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door dePruissenaangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn dePruisische Ruiterszonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen vanDE OVERMEERSCHE SCHANS,Gelegen aan denHinderdam, aan de westzijde van deVecht, ruim een uur gaans van de stadWeesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaameVechtmeergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door deVechtlag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen teMuiden, zo dat men hier het water van deVechtschijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van deUitermeersche sluisverandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”Tusschen deUitermeersche Schans, en denHinderdam, stond weleer hetHuis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize vanYsselsteintoebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen HertogFilipsvanBourgondiën, en den Bisschop vanUtrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat deFranschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.[1]1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

OVERVECHT.

DeLIGGINGVan deeze polder, is ten oosten van de StadWeesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier deVecht, niet onaartig door de zoetzingendeWillink, de eigenschap vanblanktoegekend; daar hij zegt:Nu vloeit de blanke vecht in vreê,En schuurt met haare zoete dreeven,De Muiderschutsluis door in zee,Om met het pekelnat te paaren;Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,Daar zij op net beschaafde zangen,En zuiver heldendicht bekoord,Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,In twijfel of zij stil zal staan,Of op die toonen verder gaan.Deeze aangenaame rivier stroomt, beoostenUtrecht, uit denRhijnnoordwaards aan voorbijZuilen, Maarssen, Breukelen,Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, doorMuidenin zee stort.Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd, als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte vederen1, in ontmoet.[10]Wegens deszelfsNAAMSOORSPRONGBehoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polderOvervecht, ligt naamlijk over de rivierVecht, voornoemd.Degroottevan den grond der polder is weder onder de grootte van geheelWeesper-kerspelbetrokken.Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.Onder de polderOvervecht, behoort ook die welke den naam draagt vanUITERMEER.Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschenWeespen de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.De weg vanWeesp, naarUitermeer, of wel naar de straks[11]te beschrijveneUitermeersche schans, loopt langs den bevalligenVechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilverenVecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord derVechtvindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polderUitermeergelegen is de bovengenoemde bekendeUITERMEERSCHE SCHANS.Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „deUitermeersche Schansdekt een sluis aan deVecht, door welke het omliggende land beoosten deVecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naarAnkeveenen’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit deVechtnaarGooilandvaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”[12]De des kundigen houden deUitermeersche schans(die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door dePruissenaangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn dePruisische Ruiterszonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen vanDE OVERMEERSCHE SCHANS,Gelegen aan denHinderdam, aan de westzijde van deVecht, ruim een uur gaans van de stadWeesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaameVechtmeergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door deVechtlag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen teMuiden, zo dat men hier het water van deVechtschijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van deUitermeersche sluisverandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”Tusschen deUitermeersche Schans, en denHinderdam, stond weleer hetHuis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize vanYsselsteintoebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen HertogFilipsvanBourgondiën, en den Bisschop vanUtrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat deFranschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.[1]

De

LIGGING

Van deeze polder, is ten oosten van de StadWeesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier deVecht, niet onaartig door de zoetzingendeWillink, de eigenschap vanblanktoegekend; daar hij zegt:

Nu vloeit de blanke vecht in vreê,En schuurt met haare zoete dreeven,De Muiderschutsluis door in zee,Om met het pekelnat te paaren;Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,Daar zij op net beschaafde zangen,En zuiver heldendicht bekoord,Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,In twijfel of zij stil zal staan,Of op die toonen verder gaan.

Nu vloeit de blanke vecht in vreê,

En schuurt met haare zoete dreeven,

De Muiderschutsluis door in zee,

Om met het pekelnat te paaren;

Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,

Daar zij op net beschaafde zangen,

En zuiver heldendicht bekoord,

Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,

In twijfel of zij stil zal staan,

Of op die toonen verder gaan.

Deeze aangenaame rivier stroomt, beoostenUtrecht, uit denRhijnnoordwaards aan voorbijZuilen, Maarssen, Breukelen,Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, doorMuidenin zee stort.

Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd, als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte vederen1, in ontmoet.[10]

Wegens deszelfs

NAAMSOORSPRONG

Behoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polderOvervecht, ligt naamlijk over de rivierVecht, voornoemd.

Degroottevan den grond der polder is weder onder de grootte van geheelWeesper-kerspelbetrokken.

Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.

Onder de polderOvervecht, behoort ook die welke den naam draagt van

UITERMEER.

Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschenWeespen de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.

De weg vanWeesp, naarUitermeer, of wel naar de straks[11]te beschrijveneUitermeersche schans, loopt langs den bevalligenVechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilverenVecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord derVechtvindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.

Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polderUitermeergelegen is de bovengenoemde bekende

UITERMEERSCHE SCHANS.

Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „deUitermeersche Schansdekt een sluis aan deVecht, door welke het omliggende land beoosten deVecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naarAnkeveenen’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit deVechtnaarGooilandvaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”[12]

De des kundigen houden deUitermeersche schans(die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door dePruissenaangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn dePruisische Ruiterszonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.

Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen van

DE OVERMEERSCHE SCHANS,

Gelegen aan denHinderdam, aan de westzijde van deVecht, ruim een uur gaans van de stadWeesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaameVechtmeergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door deVechtlag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen teMuiden, zo dat men hier het water van deVechtschijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van deUitermeersche sluisverandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”

Tusschen deUitermeersche Schans, en denHinderdam, stond weleer hetHuis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize vanYsselsteintoebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen HertogFilipsvanBourgondiën, en den Bisschop vanUtrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat deFranschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.[1]

1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

1Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij[10]den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijnZwanenzangte noemen: de zededichterClaas Bruyn,deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,Met een lieffelijk geluid,Daar hij ’t leven meê besluit,Vroome zielen, uitverkoren,Om te heerschen op Gods throon,Slaan dus ook hun’ laatste toon.Ja zij zingen met de klankenVan het welbewust gemoed,Schoon het sterflot op hun woed’;Dit ’s het lijkdicht van die kranken:„Kom, o Jesus! al ons lust,„Haal ons in uw zachte rust, enz.

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,

Met een lieffelijk geluid,

Daar hij ’t leven meê besluit,

Vroome zielen, uitverkoren,

Om te heerschen op Gods throon,

Slaan dus ook hun’ laatste toon.

Ja zij zingen met de klanken

Van het welbewust gemoed,

Schoon het sterflot op hun woed’;

Dit ’s het lijkdicht van die kranken:

„Kom, o Jesus! al ons lust,

„Haal ons in uw zachte rust, enz.


Back to IndexNext