Zondag 27 oktober, aldus Touw, werd een keerpunt in de geschiedenis der kerk: "de stilte, waarin kerk en volk zovele maanden verkeerden, werd verbroken". Er waren gemeenteleden die alleen maar naar de ochtenddienst plachten te gaan, maar op die zondag ook naar de middagdienst kwamen om de afkondiging nog eens te horen.
Maar de Gereformeerde prof. H.H. Kuyper oordeelde, dat "het niet oorbaar moest worden geacht aan een verzoek publiciteit t. geven voordat het antwoord was binnengekomen" (Seyss-Inquart heeft niet geantwoord). Wel werd de tekst aan de plaatselijke kerkenraden gezonden, maar ook dat geschiedde met vertraging. Zo werd op 29 oktober in alle Hervormde kerkdiensten mededeling gedaan van het protest, maar de Gereformeerden hoorden er die zondag in hun kerkdiensten niets over, al was het protest ook namens hen ingediend.
<47>
Prof. Kuyper maakte de zaak nog erger door zijn poging een en ander uit te leggen in het weekblad de Heraut. De Duits-gezinde, Gereformeerde dr. H.W. van der Vaart Smit maakte daar direct gebruik van om "het Gereformeerde standpunt" tegen het Hervormde uit te spelen. Geen wonder, dat een en ander leidde tot scherpe kritiek op prof. Kuyper. Ongeveer twintig raden van (plaatselijke) Gereformeerde Kerken verzochten schriftelijk om opheldering, of protesteerden tegen het feit dat in de Gereformeerde Kerken niet publiekelijk mededeling van het request was gedaan. Daarop liet prof. Kuyper weten, dat zijn hardhorendheid het hem steeds bezwaarlijker maakte, de besprekingen in het Convent van Kerken te volgen en dat hij daarom zijn mede-deputaat, mr. J. Donner, verzocht had zijn plaats in het Convent in te nemen. Later zou de geschiedschrijver van de Gereformeerde Kerken, Th. Delleman, schrijven: "Helaas nam prof. Kuyper, toen het op wezenlijk verzet aankwam, een zodanig standpunt in dat hij het vertrouwen der kerken verloor. Hij zag de Duitsers vrijwel alleen als Duitsers, voor wie hij altijd veel gevoeld had, meer dan voor de Engelsen, die eens de Boeren overweldigden. Hij miskende de dodelijke ernst waarmee de Duitsers het nationaal-socialisme begonnen in te voeren en schreef artikelen in de Heraut die de Duitsers in het gevlei kwamen."
Ook in de Evangelisch-Lutherse Kerk (rond 80.000 leden) kwam kritiek op het niet-meedoen met het protest. Het bleek nodig, een bijzondere synode bijeen te roepen. L. de Jong vermeldt:
"Daar kreeg de synodale commissie (het kerkbestuur) nog juist een meerderheid voor haar besluit, de brief aan de Reichskommissar niet mede te ondertekenen. Het was een Pyrrhus-overwinning, want toen de uitslag van die stemming bekend werd bij de gemeenten, rees er zulk een storm van protesten dat de synodale commissie het geraden achtte, afgevaardigden van alle kerkenraden in vergadering bijeen te roepen. Hier bleek duidelijk dat men wenste, dat de Evangelisch-Lutherse Kerk voortaan met de overige protestantse kerkgenootschappen één lijn zou trekken." [2.13]
De kranten mochten de indiening van het protest en de afkondiging ervan vanaf de kansels niet publiceren. Dit verbod werd evenwel overtreden door het antisemitische blad De Misthoorn, dat in een artikel getiteld Eén in Juda de afkondiging woordelijk afdrukte.
<48>
Bij ons thuis gingen we naar de diensten van de Gereformeerde Kerk en daar werd dus niets voorgelezen of bekend gemaakt. Het weekblad De Heraut lazen we niet, en ook prof. Kuypers poging tot uitleg ging ons dus voorbij. Wel hebben we - enige tijd later, neem ik aan - N.J. de Graafs toespraak bij zijn ontslag- aanvrage gelezen. Die maakte diepe indruk.
Ruim een week na de afkondiging, op 5 november, vergaderde het Convent. De notulen vermelden: "De voorzitter herinnert er aan, dat het onlangs tot de Rijkscommissaris gerichte verzoek inzake verordening 137/1940 niet van het Convent is uitgegaan en dat niet alle in het Convent vertegenÂwoordigde kerken daaraan hebben deelgenomen. In verband daarmede wordt het onderwerp antisemitisme (zie verslag zesde vergadering, par. 13) van het agendum afgevoerd." Het commentaar van ds. Buskes: "De Duitsers hebben ervoor gezorgd dat dit onderwerp weer op de agenda is gekomen."
<49>
a. De situatie (november 1940 - maart 1941)
Op 5 november werd president Roosevelt herkozen. Op 9 december begonnen de Engelsen hun offensief in Noord-Afrika, aanvankelijk met succes. Op 25 en 26 februari (1941) vond de grote staking in Amsterdam plaats, die als "de februari-staking" de geschiedenis zou ingaan. Op 13 maart executeerden de Duitsers 15 "Geuzen" (leden van een van de eerste verzetsÂorganisaties) en 3 februari-stakers: "de achttien doden", het bekende gedicht van Jan Campert.
3 nov.: Eieren, aardappelmeel, sago, koekjes, gebak enz. zijn nu ook op de bon evenals kaas. Er is haast niets dat zonder bon verkocht mag worden, en verschillende dingen, zoals room en levertraan, koop je alleen op gecontroleerd doktersadvies. Goede toiletzeep mag niet meer verkocht worden. Wel een eenheidszeep, maar dat is bocht en nog op de bon ook. De schoolkinderen hebben van vrijdag tot dinsdag vrij, vanwege de brandstofbesparing. 24 nov.: Erwten en bonen zijn nu ook op de bon maar ze zijn heel slecht te krijgen, evenals boter en eieren. (Dan volgt een typische vermelding die de hele oorlog door in diverse formuleringen zal worden neergeschreven. JMS.) Men voorspelt dat er met Kerstmis oproer zal komen, omdat de Moffen dan naar huis willen. Misschien zijn we dan met Nieuwjaar van het hele gezeur af. 22 dec.: De dominees worden tegenwoordig, tenminste door de jongelui, afgemeten naar de wijze waarop ze zachtkens de politiek erbij halen in de preek. Hoe meer, boe liever, al is 't gevaarlijk. 1 jan. (1941): Vandaag hebben we 1/3 van één van Wims konijnen opgegeten. Gelukkig maar dat we hem hadden, want we hebben geen kruimel gewoon vlees gehad. 7 jan.: Nu is het tot overmaat van ramp ook nog vreselijk koud en we hebben weinig kolen. Bonnen genoeg, maar er worden er haast geen geldig verklaard. 22 jan.: We stoken veel hout en cokes want kolen zijn er bijna niet meer. Gelukkig is de vorst voorbij. Toch heeft de Rijn nog dicht gezeten.
<50>
2 febr.: De nieuwe (textiel) puntenkaart is er: 100 punten voor 7 maanden.Thee en koffie-rantsoenen zijn al weer verminderd. We krijgen nu 125 g.koffie, of 50 g. thee in de 6 weken per persoon.16 febr: Gisteren collecteerden (de politie-agenten) Driessen en Hengeveld voorde Winterhulp. Het was een zielig gezicht.18 maart: Oud-minister Donner moest kortgeleden bij de Gestapo komen. Ze wildenwel eens weten, wie het eigenlijk is die ons volk ophitst. AntwoordWillem de Zwijger; die heeft ons volk vrijheidsliefde ingeplant.
In de tweede helft van november (1940) werden alle Joden in overheidsdienst van hun functie ontheven. Op 10 januari (1941) werd verordend dat "alle personen van geheel of gedeeltelijk joods bloed" zich moesten aanmelden. Op 9 februari werd de eerste overval op Joden in Amsterdam gepleegd. Drie dagen later werd de Joodse Raad ingesteld. Het ontslag van Joden in overheidsdienst viel op 21 februari. De eerste grote razzia vond plaats op 22 en 23 februari: 425 Joodse jongemannen werden gevangen genomen, zwaar mishandeld en gedeporteerd naar Buchenwald en Mauthausen. Op 22 maart werd verordend, dat de Joden uit het bedrijfsleven verwijderd moesten worden.
b. Bijna te laat
Ruim een week na de voorlezing van het protest van de kerken kwam het bevel, alle Joodse ambtenaren uit hun functie te ontheffen. Al eerder (20 september) had de bezetter van alle ambtenaren ondertekening van de z.g. 'Ariër-verklaring' geëist. Dit was de eerste maatregel waardoor van niet-Joden medewerking werd geëist om de Joden te isoleren en te treffen. Toch wordt, in het eerste protest van de kerken, juist deze Duitse maatregel niet genoemd, wel andere. Is men ervoor teruggedeinsd, de gelovigen openlijk op te roepen om de 'Ariër-verklaring' niet te tekenen? Een lid van de Lunterse kring, dr. J. Koopmans, schreef een korte brochure, Bijna te laat, een van de eerste "illegale" geschriften; de eerder genoemde brochure van de hand van dr. Eykman was nog "bovengronds" verspreid. We citeren de volgende gedeelten uit Bijna te laat:
<51>
foto 7 Dr. J Koopmans (ca 1945)
Wanneer onze 'intrede in de geschiedenis' gekocht moet worden tegen de prijs van een goed geweten, dan is het duizendmaal beter, dat wij uit de 'geschiedenis' verdwijnen, dan dat wij ons geweten verkopen. (…) Wie enigermate van nabij de kerkelijke methode van werken kent, zal er de kerkelijke autoriteiten geen verwijt van maken, dat het getuigenis pas zo laat gekomen is, bijna te laat. Met het oog op het al-of-niet invullen van de formulieren, die ons geweten moeten helpen verduisteren, is ook het kerkelijk getuigenis te laat gekomen. (…) Moet ik tekenen of mag ik "uit beweegredenen van barmhartigheid en op gronden aan de Heilige Schrift ontleend" de ondertekening alleen maar weigeren? Op deze vraag kan de Kerk van Nederland mij geen antwoord geven. Daarvoor is het te laat. (…) De volgende slag wordt moeilijker. Nu komt natuurlijk het ontslag aan personen 'van Joodse bloede'. (…) Zij gaan eruit - daaromtrent moeten we ons niet de flauwste illusies maken. Zij gaan eruit en zij gaan eraan.
<52>
Koopmans doet een beroep: "Laat de instanties, die nu tot ondertekenen van de verklaring verplicht of gedwongen of alleen maar gedrongen zijn, nu een duidelijke en onomwonden verklaring afleggen, dat zij tot het ontslag van personen 'van Joodse bloede' niet bereid zijn!" Hij richt zich speciaal tot de secretarissen- generaal, de burgemeesters, de bestuurders van christelijke scholen en omroepverenigingen. Ook de Maatschappij voor Geneeskunde, de Broederschap van Notarissen en de verenigingen van personeel in overheidsdienst worden aangesproken en vervolgens de Aartsbisschop, in zeer krachtige taal. De brochure besluit met de volgende woorden:
Volk van Nederland, het is bijna te laat - maar nog niet helemaal! Het is nog niet helemaal te laat om terug te keren tot het christelijk geloof en het goede geweten. Het is nog niet helemaal te laat om uit beweegredenen van barmhartigheid en op gronden aan de Heilige Schrift ontleend op te komen voor onze Joodse volksgenoten. Het is nog niet helemaal te laat om de Duitsers te laten zien, dat hun goddeloosheid niet alle dingen overwint, maar dat er érgens mensen wonen, die hun christelijk geloof en hun goede geweten niet zomaar laten roven. 0 God van Abraham, Izak en Jakob, Vader van onze Hete Jezus Christus! Kom Uw arme Christenheid te hulp en ontferm U over Nederland.
De brochure werd gedrukt te Noordwijk, in een oplaag van niet minder dan 50.000 exemplaren. 's Nachts werden ze in grote pakken naar Amsterdam vervoerd, en per post werden kleinere pakketten aan vertrouwde adressen in het hele land gezonden voor verdere verspreiding. De secretarissen-generaal en alle burgemeesters, notarissen en besturen van christelijke scholen kregen de brochure toegezonden. Op hen speciaal immers deed de auteur zijn beroep. Enkele maanden later, in april 1941, stonden een 57-jarige burgemeester en een 25-jarige chemicus terecht voor het Duitse Landesgericht, omdat ze te Deventer in november 1940 de brochure verspreid hadden. De eerste beklaagde kreeg de gelegenheid, zijn zienswijze als Christen uiteen te zetten, maar dat leverde hem geen voordeel op. Integendeel, hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. De tweede beschuldigde kreeg één jaar; beiden met aftrek van voorarrest. In zijn requisitoir noemde de "General-Staatsanwalt" een dergelijke propaganda zeer gevaarlijk voor het Nederlandse volk, "want daarin wordt het Jodenprobleem voorgesteld als een christelijke zaak. Dat is niet juist …." (Touw, I, 392).
<53>
c, Een brief en twee arrestaties:
In de vergadering van het Convent van Kerken op 25 februari 1941 - de dag waarop in Amsterdam de februari-staking uitbrak - besloot men een brief te sturen aan het college van secretarissenÂgeneraal; zij immers waren, sinds het vertrek van de Nederlandse regering, de hoogste Nederlandse gezagsdragers. Dit schrijven werd verzonden op 5 maart. Ditmaal ondertekende ook de vertegenwoordiger van de Evangelisch Lutherse Kerk. De inhoud luidde als volgt:
(…) De Kerken zijn ten zeerste verontrust door de ontwikkeling der gebeurtenissen, gelijk deze zich meer en meer aftekent. De haar door God opgedragen verkondiging van Zijn Woord legt haar de dure roeping op om op te komen voor recht en gerechtigheid, voor waarheid en liefde. Zij moet ook haar stem doen horen waar in het openbare leven deze hoge waarden worden bedreigd of aangetast. Dat deze waarden ernstig gevaar lopen kan door hem, die de toestand van ons volksleven gadeslaat, moeilijk worden ontkend. Zo zijn in het beeld, dat de openbare straat meer en meer gaat vertonen, - in de behandeling welke in steeds toenemende mate aan het Joodse deel van de Nederlandse bevolking ten deel valt, - in de groeiende rechtsonzekerheid, - in de voortgaande aantasting van vrijheden welke de noodwendige voorwaarden zijn voor de vervulling van Christenplichten, even zovele duidelijke symptomen te zien van een toestand, die niet alleen een klem legt op het geweten van onze landgenoten, maar ook naar de diepste overtuiging der Kerken indruist tegen de eis van Gods Woord. Het is om die reden dat de Kerken zich genoopt gevoelen zich tot Uw College te wenden, met de dringende bede zoveel in Uw vermogen ligt te bevorderen, dat recht, waarheid en barmhartigheid ook in het huidige tijdsbestel de richtsnoeren zullen zijn voor het beleid der Overheid. Harerzijds erkennen de Kerken gaarne in ootmoed haar dure roeping het volksleven zodanig te bearbeiden en te beïnvloeden, dat daarin die geestelijke waarden metterdaad worden beleefd.
<54>
Wij vertrouwen, dat Gij de stem der Kerken, zoals zij in dit adres tot uiting is gebracht op de wijze die U daartoe dienstig zal voorkomen, mede zult willen doen doorklinken tot hen, die tijdens de huidige bezettingstoestand de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken in ons Vaderland. Met volledig begrip voor de hoogst moeilijke taak waarvoor Uw College zich in dit tijdsgewricht gesteld ziet smeken zij God, dat Hij U Zijn licht en bijstand moge schenken.
De secretarissen-generaal hebben de brief niet beantwoord: zij beschouwden zichzelf niet verantwoordelijk. Evenmin voldeden zij aan het verzoek om de bezorgdheid der kerken over te brengen aan de bezettende macht. De Hervormde Synode zond afschriften van de brief aan alle plaatselijke kerkenraden, met de mededeling dat er geen bezwaar tegen was dat de gemeenten op de hoogte gesteld werden van de gedane stap. Afkondiging of publicatie van de brief was evenwel niet de bedoeling. Maar het nationaal-socialistische Nationale Dagblad publiceerde de volledige tekst, met als commentaar: "Bij zoveel volksvergif is de zwaarste straf te licht." Ds. Gravemeyer stelde in het Convent voor, de brief of een samenvatting daarvan van de kansels te laten voorlezen. Daar was men niet algemeen voor; wel was men voor toezending aan de kerkenraden van alle kerken. Aan ds. Gravemeyer werd verzocht, een boodschap tot de gemeenten voor te bereiden overeenkomstig de strekking van de brief. Die boodschap zou dan in de kerkdiensten worden afgelezen. Sinds december 1940 was prof. Slotemaker de Bruïne vanwege zijn ziekte uitgevallen en mr. Donner trad nu op als voorzitter. Op de vergadering van het Convent van 11 maart deelde deze mee, dat de synode van de Gereformeerde Kerken een herderlijk schrijven - waarover meer hierna - had opgesteld, dat in hun kerken op 23 maart zou worden voorgelezen. Besloten werd daarom, dat op die datum in alle bij het Convent aangesloten kerken een bidstond zou worden gehouden. Gravemeyer zond aan alle Hervormde predikanten een "oproep tot gebed", qua inhoud aansluitend op de brief aan de secretarissen-generaal. Deze oproep werd op woensdag 19 maart verzonden.
<55>
De Duitsers kregen er lucht van, dat er iets in de kerken stond te gebeuren. Waarschijnlijk heeft een predikant de stukken op woensdagavond ontvangen en aan hen doorgespeeld. De februari-staking lag nog vers in het geheugen. Op 20 maart zou Koningin Wilhelmina over radio Oranje spreken. Op die datum - donderdagochtend - werden de twee leiders van het Convent gearresteerd: secretaris Gravemeyer en voorzitter Donner. Eerst wist de een niet, dat ook de ander gevangen zat.
Foto 8. Mr. dr. J. Donner
Uit hun verhoren bleek, dat de bezettende macht de voorgenomen actie zag als vermoedelijk het sein tot een algemene opstand. Men drong er bij de arrestanten op aan, dat de afkondiging van de brief achterwege zou blijven. Ook werd het feit, dat de kerken zich tot de secretarissen-generaal gewend hadden, door de Duitsers beschouwd als een miskenning van hun gezag. Donner legde uit, dat hij niet gemachtigd was tot het besluit om voorlezing achterwege te laten, en dat overigens het herderlijk schrijven van zijn synode los stond van de brief aan de secretarissen-generaal. Hij bood aan, het stuk met zijn ondervrager door te nemen om aan te tonen dat het geen bedreiging van de openbare orde inhield. Zulks geschiedde, op zaterdag. Mr. Donner werd daarop 's avonds vrijgelaten. De volgende dag werd overal in de Gereformeerde Kerken het herderlijk schrijven voorgelezen.
<56>
Gravemeyer evenwel beloofde de Duitsers, zijn best te zullen doen om de afkondiging (van de samenvatting van de brief aan de secretarissen-generaal) te voorkomen, "om geen aanleiding te geven tot demonstraties of tegen-demonstraties". Die zaterdagavond werd aan de Hervormde dominees in de grote steden gevraagd wél de bidstond, maar niet de kanselafkondiging te laten doorgaan, om "door deze daad een overtuigend bewijs te geven dat de kerk geen politieke bijbedoelingen had." De gang van zaken leidde tot kritiek op ds. Gravemeyer. Had hij wel de bevoegdheid, persoonlijk de voorlezing van de kanselboodschap af te gelasten? Het vragen naar iemands bevoegdheid is in Protestantse kerken een goed gebruik.
d. Een synode in vergadering bijeen
Het is wel aardig om, aan de hand van de Acta (notulen), na te gaan hoe de besluitvorming in een synode plaatsvond. We kiezen daartoe een paar vergaderingen van de synode van de Gereformeerde Kerken, die gehouden werden in maart 1941. Op dinsdag 4 maart werd 's morgens, 's middags en 's avonds het rapport van Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid behandeld. Eerst werd het uitvoerige rapport voorgelezen, de eerste helft door H.H. Kuyper, de tweede door Donner. Typisch voor de Gereformeerde Kerk-structuur is de opmerking:
Hoewel het uit de aard der zaak volgt en in onze kerken dan ook gewoonte is, dat deputaten eerst na afloop van hun mandaat op de volgende synode rekenschap van hun handelingen afleggen, zijn zij echter volkomen bereid, dit reeds thans te doen, nu de synode haar zittingen nog niet gesloten heeft en wederom te Utrecht samenkomt, al zal hun rapport uitsluitend handelen over hetgeen door hen is gedaan ten behoeve der kerken voor zover dit betrekking heeft op de nieuwe situatie, die na de oorlog is ontstaan.
Verder merken Deputaten langs hun neus weg op, dat "van correspondentie met de Hoge Overheid in de zin die de Synoden krachtens hare instructies bedoelden, geen sprake meer kan zijn, daar de correspondentie met Engeland onmogelijk was geworden." Maar "uit de boezem der kerken zelf kwamen verzoeken om bij de bezettende macht tussenbeide te komen, in het belang van deze kerken, of van de ambtsdragers; adviezen te geven, hoe gehandeld behoorde te worden t.o.v. verordeningen door de bezettende macht uitgevaardigd."
<57> foto 9. Een vergadering van de synode-Sneek 1939 van de Gereformeerde Kerken. Op de 1e rij achter de tafel zitten enkele hoogleraren-adviseurs; rechts achter de tafel staand met baard: H.H. Kuyper. Op de tweede rij de moderamentafel, met geheel rechts ds. F.C. Meijster.
Er werd gerapporteerd over het Convent van Kerken. Het voorzitterschap ervan wordt tijdelijk waargenomen door dr. Donner wegens ziekte van prof. Slotemaker de Bruïne. Deputaten behandelden onder meer kwesties inzake oorlogsschade, Zondagsrust, de gevangenneming van ambtsdragers der kerk, voorbede voor de Koningin, de kerkelijke pers, arbeiders naar Duitsland, de Arbeidsdienst. Het protest van het Convent tegen de Jodenvervolging werd in zijn geheel vermeld, maar gepoogd werd het niet-afkondigen ervan in de Gereformeerde Kerken goed te praten. Ook de brief gericht aan de secretarissen-generaal is in zijn geheel opgenomen. De praeses (voorzitter) van de synode, de Rotterdamse ds. F.C. Meijster, opende op die dag de avondzitting met het laten zingen van Ps. 46:6: De Heer, de God der legerscharen, Is met ons, hoedt ons in gevaren. De Heer, de God van Jakobs zaad, Is ons een burcht, een toeverlaat.
<58>
Daarna werd de bespreking van het rapport voortgezet en beëindigd. Het rapport werd door de Synode met dankbaarheid aanvaard.
In diezelfde week werd door de synode een herderlijk schrijven opgesteld. Alle synode-leden waren er dus bij betrokken, in tegenstelling tot het protest uitgevaardigd door het Convent van Kerken, dat a.h.w. met terugwerkende kracht door de synode werd goedgekeurd. Het besluit om dit "getuigenis" te doen uitgaan was genomen "mede naar aanleiding van" de brief, afkomstig van de Lunterse kring (augustus 1940), waarin om een besliste uitspraak gevraagd werd. De brief vanuit Lunteren wordt in de Acta (art. 411) vermeld als "een schrijven van ds. K.H. Miskotte c.s.". Voor het opstellen van het herderlijk schrijven benoemde men een commissie: drie professoren, een predikant, twee ouderlingen en mr. dr. J. Donner als adviseur. Dat gebeurde op dinsdag 4 maart, in de ochtendzitting. Op donderdag 6 maart werd het concept voorgelezen door prof. dr. G.C. Berkouwer en, nadat er nog enige wijziging in was aangebracht, door de synode vastgesteld op vrijdag 7 maart. We citeren het gedeelte dat gaat over het Joodse volk:
In onze tijd wordt met steeds meer klem de gedachte voorgestaan, dat niet de verhouding tot Gods naam, maar de verbondenheid aan een bepaald volk of ras de betekenis van iemands leven bepaalt en de grote scheidslijn vormt tussen de mensen. Ge hebt, wanneer ge bij de Heilige Schrift leeft, het antwoord nimmer schuldig te blijven tegenover deze leer, die bij zovelen reeds ingang vond. Tegenover deze leer stelle de gemeente altijd niet eigen inzicht, maar de kracht van dat Woord, dat sterk is en machtig. De zorgen, die in de laatste maanden velen onzer volksgenoten vervulden, zijn ook aan U niet voorbijgegaan. Dat kan ook niet, waar juist de gemeente van Christus vanuit het Evangelie in de historie van het Joodse volk de Christus zag geboren worden en reeds op die grond nimmer de vraag naar een bepaald ras kan laten worden tot een begrenzing van de liefde tot onze naaste en van de barmhartigheid, die we schuldig zijn. Waar gij zo bij al deze gebeurtenissen betrokken zijt, moge Uw bewogenheid zich vooral uiten in de vurige bede tot God, dat Hij ook in dat naar Zijn bestel onder de volken verstrooide volk het volle licht van de Christus in steeds meerdere mate wil doen doordringen en het bovendien als een klem op aller consciëntie wil leggen, dat noch de aristocratie van het ras, noch die van geslacht of natie over de betekenis van ons leven beslist (Gal. 3:28, Coloss. 3: 1l), maar alleen de Naam des Heren en dat Hij over de verwerping van die Naam eens Zijn heilige recht zal spreken.
<59>
e. Afkondiging in een kerkdienst
Op zondagmorgen 23 maart 1941 was ik aanwezig in de Gereformeerde kerk te Renkum/Heelsum. Ik was toen bijna 21 jaar oud, een jongeman die weinig of geen heil zag in het christelijke geloof, laat staan in de kerk. Maar ja, als je wegbleef uit de kerkdienst, kreeg je heisa in gezin en familie. Dus je zat er, zij het zonder interesse. Zondag aan zondag stond ds. H.Z. de Mildt op de preekstoel, niet zo jong meer, beminnelijk, geen krachtpatser, ziekelijk; kort daarop zou hij met vervroegd emeritaat gaan. Hij preekte met zachte stem, wat lijzig. In de bank rechts van de preekstoel zaten de ouderlingen, in de bank links ervan de diakenen. Ik kende ze allemaal van haver tot gort: winkeliers (evenals wij), arbeiders en boeren. Met één van hen zou ik bijna slaande ruzie krijgen, toen hij tijdens het huisbezoek (dat werd trouw leder jaar bij ieder gezin door twee ouderlingen afgelegd) durfde te beweren dat je moest buigen voor de voorschriften van de bezettende macht, die volgens hem toch de overheid was. Die ochtend werd het herderlijk schrijven voorgelezen; nu vind ik het een veel te uitvoerig stuk: het beslaat in "Delleman" vier grote bladzijden, met kleine letters. Naar mijn herinnering duurde het toen helemaal niet lang. Ik luisterde ademloos, de hele gemeente trouwens. Het was kort na de februari-staking. Er waren al doden gevallen. Mijn dagboek (niet dat van mijn zus dit keer) vermeldt: "Gisteren is van de kansel een schrijven afgelezen dat uitmuntte door mannentaal. "En dat gebeurde overal, door het hele land, in meer dan 800 kerkgebouwen. Het is nu moeilijk na te voelen - ofschoon er achteraf op de inhoud zeker hier en daar kritiek te leveren valt -, hoezeer een dergelijk getuigenis de mensen een hart onder de riem stak.
<60>
De afkondiging van een protest of herderlijk schrijven in de kerkdiensten is in de Gereformeerde Kerken praktisch overal geschied. Alleen een predikant te Breda weigerde de voorlezing uitdrukkelijk. Het rapport aan de synode over handelwijze en argumenten van deze predikant eindigt met een advies bestaande uit 5 punten, waarvan het laatste luidde:
De synode draagt aan de classis Klundert op, om over deze zaak verder met ds. T. te handelen, en hem ernstig te vermanen, zich te bekeren van de onschriftuurlijke beschouwingswijze, die in zijn bezwaren tot uitdrukking komt.
Een andere (emeritus) predikant zat op dezelfde lijn en schreef een brochure, waarin hij volkomen lijdelijkheid (passiviteit) jegens de bezettende macht bepleitte, omdat deze "een oordeel Gods was, waaraan we ons te onderwerpen hadden." Over deze brochure werd gerapporteerd aan de classis Amersfoort, die daarop het standpunt van deze predikant beslist veroordeelde. Dit zijn de twee "afwijkende gevallen" als vermeld door Delleman in zijn hoofdstuk "Het verzet tegen het verzet", dat slechts 5 pagina's (389-393) beslaat.
Ook in de Hervormde Kerk werden de protesten door de overgrote meerderheid van de predikanten publiekelijk voorgelezen, al waren er hier meer uitzonderingen die de regel bevestigden. Soms las men niet voor vanuit een houding van (godsdienstige) lijdelijkheid. We vermoeden deze achtergrond bij de 5 predikanten in de classis Zierikzee, die (april 1943) van hun classis een terechtwijzing ontvingen:
Wij willen U er op wijzen, dat U daarmede ten opzichte van Uw roeping ernstig in gebreke zijt gebleven, het getuigenis der Kerk verzwakt hebt, en in strijd hebt gehandeld met hetgeen de Synode der Nederlandse Hervormde Kerk U heeft opgedragen. Het Classicaal Bestuur verwacht van U, dat U Uw houding bij een eventuele volgende gelegenheid zult wijzigen en U zult gedragen een Dienaar der Kerk waardig.
Aldus Touw, in zijn uitvoerige hoofdstuk (V): "Problemen van het verzet". HIJ' noemt datgene wat ook In andere kerkgenootschappen wel zal zijn voorgekomen: "Tenslotte verzwegen vele predikanten de kanselboodschappen, eenvoudig uit persoonlijke vrees voor conflicten, uit angst voor arrestatie." Hij vervolgt dan:
<61>
De gemeenten signaleerden zulke predikanten al spoedig, en geleidelijk verloren ze het vertrouwen van de velen, die met diepe dankbaarheid vervuld waren voor de getuigenissen der Synode. Dan uitte de gemeente haar tucht-oefening op verschillende wijze. Typisch was de reactie in een eenvoudige Zeeuwse gemeente. Toen een nieuwe predikant zijn intree deed, hadden verschillende gemeenteleden het kippenhok van de pastorie van kippen voorzien. Maar toen de nieuwe dominee enige tijd later een kanselafkondiging niet voorlas, was een van de goede gevers zo diep teleurgesteld dat hij zijn kip uit het kippenhok weer weghaalde! (186)
Voorwaar, in die tijd wel een zeer indringende manier van tuchtoefening over een voorganger.
<62>
a. De situatie (30 maart tot einddecember 1941)
Belangrijke ontwikkelingen vonden in deze maanden plaats, tengevolge waarvan de bevolking in de bezette gebieden heen en weer geslingerd werd tussen gevoelens van hoop en teleurstelling. Op 6 april begon de Duitse invasie in Joegoslavië en Griekenland. In dit laatste land hadden de Italianen vele nederlagen moeten incasseren. Nu was de strijd evenwel snel beslecht: op 30 april verlieten de laatste Engelse troepen Griekenland. 20 dagen later was ook het eiland Kreta geheel in Duitse handen. Joegoslavië werd eveneens vernietigend verslagen. Duitsland scheen onoverwinnelijk. Op 10 mei vloog Rudolf Hess naar Engeland. De wildste speculaties deden uiteraard de ronde. De Duitse aanval op Rusland begon op 22 juni. Tot aan het einde van de oorlog zouden de steeds wisselende krijgskansen aldaar met hartstocht gevolgd worden door de Nederlanders: ons toekomstig lot hing immers grotendeels af van de uitkomst van deze strijd. De Britten begonnen in Noord-Afrika, na hun ernstige nederlaag tegen de Duitse generaal Rommel, een tegenoffensief op 18 november. Op 7 december vielen Japanse vliegtuigen onverhoeds de Amerikaanse vlootbasis te Pearl Harbour aan en vernietigden een groot deel van de Amerikaanse vloot: de oorlog tussen Japan en Amerika was begonnen. Op 11 december verklaarden Duitsland en Italië de oorlog aan de Verenigde Staten. Wij koesterden nieuwe hoop.
11 maart: zo juist hoorde ik dat het Leger des Heils ontbonden is. Het Calvinistisch Weekblad is verboden. Ik heb nog een fiets kunnen kopen met banden. Banden zijn erg schaars; ze zijn alleen op vergunning te krijgen maar die worden haast niet gegeven. 6 april.- Het Italiaanse koloniale rijk bestaat niet meer: Addis Abeba is gevallen. Met Pasen krijgen we een extra ei.
<63>
13 april de Duitsers hebben Benghasi (in Noord Afrika), Nochtans hoop ik op de uiteindelijke overwinning van de Geallieerden maar het zal wel lang duren. Dat is ook wel steeds gezegd door de Engelse radio, maar we dachten dat dit was om de vijand om de tuin te leiden. 23 april: de melk is op de bon, sinds maandag: 1/4 liter per persoon per dag. 4 mei: de aardappels zijn op de bon.' we mogen per persoon per week 1 1/2 kg hebben. Het vleesrantsoen is verminderd tot 2 1/2 pond in 16 dagen. Zo juist lees ik in de krant dat oranje-insignes en uitgezaagde munten niet mogen worden getoond, gedragen of wat dan ook. 28 mei: er is een verplichte Arbeidsdienst afgekondigd, voor jongens en meisjes van 18-25 jaar. 8 juni: we krijgen een extra suiker-rantsoen voor de inmaak. 25 juni: taptemelk is ellendig spul om te koken; het brandt aan als een gek maar als je 't niet kookt is het in een minimum van tijd zuur. 21 juli.- vanaf begin aug. komt er alleen nog taptemelk; geen thee meer. Alleen surrogaat-koffie op de bon. 28 juli: verleden week moesten we ons koper en tin inleveren. Op aanraden van een massa mensen heeft moeder er één voorwerp heengebracht. Anders doen ze huiszoeking. 7 aug.: we mogen nu nog maar 7-5 % gebruiken van de stroom die we verleden jaar in de overeenkomstige maand gebruikten. 17 aug.: verleden week hebben we de laatste eierbon gehad. Er komen geen eieren meer. 8 okt.: het broodrantsoen is verminderd; het is nu 1800 g. per week. 30 dec,: op last van de Rijkscommissaris moeten de navolgende artikelen ingeleverd worden: wollen en halfwollen borstrokken, hemden, handschoenen, shawls, pullovers, sokken, kousen, breigarens, dekens en nog een heel stel lederen artikelen. Nu beginnen ze het eindelijk koud te krijgen in Rusland.
In april werden restaurants "voor Joden verboden" verklaard. Op 11 juni werd de tweede grote razzia ontketend: 300 Joodse jongemannen werden gevangen genomen en gedeporteerd. Op 8 augustus moesten Joden hun bezit aan geld en effecten deponeren bij de fa. Lippmann-Rosenthal te Amsterdam, welke bank voortaan door de Duitsers beheerd werd. Drie dagen later werd alle Joodse grondbezit onteigend. Vanaf 21 augustus mochten Joodse kinderen in de grote steden niet meer naar niet-Joodse scholen. In september werden alle Joodse bibliotheken gesloten en verzegeld. Sportinrichtingen, concerten en openbare bijeenkomsten waren voortaan "voor Joden verboden".
<64>
Op 22 oktober werd verordend, dat Joden voortaan niet meer werkzaam mochten zijn in niet-Joodse gezinnen.
b. Hervormde stemmen
Tot mijn spijt heb ik tijdens de tweede wereldoorlog op geen enkele wijze vernomen van de volgende twee te noemen brochures, ook al werden ze op grote schaal verspreid. Er was duidelijk een Hervormd circuit van verspreiding waar de Gereformeerden buiten stonden, terwijl de ondergrondse pers nog in de kinderschoenen stond. Op Gereformeerd erf is er - voor zo ver mij bekend - toen niets vergelijkbaars gepubliceerd.
K.H. Miskotte was de schrijver van de brochure Betere weerstand, die voorjaar 1941 in enige tienduizenden exemplaren verspreid werd. Omdat de auteur een opvallende stijl had werd de brochure, om ontdekking te voorkomen, herschreven door ds. K.H. Kroon en H.M. van Randwijk.[4.1] Verreweg de belangrijkste publicatie uit deze periode achten we de brochure Wat wij wel en wat wij niet geloven, van de hand van de predikanten Miskotte, Kroon en Koopmans. In twaalf stellingen worden "de grondelementen van het Christelijk geloof uiteengezet. De vierde stelling luidde als volgt:
IV. Wij geloven en belijden, dat God vanouds het volk Israël heeft uitverkoren, om Zijn openbaring te ontvangen tot op de verschijning van Jezus, de uit dit volk geboren Messias, te bewaren en in de gehoorzaamheid aan Hem in de wereld te verkondigen. Het is een daad van Gods onbegrepen vrije genade, waardoor Israël deze roeping heeft ontvangen, want op zichzelf was Israël niet beter, waardiger of geschikter dan de andere volkeren. Maar aan dit volk heeft de Here Zijn Woord toebetrouwd, zodat wie tot God komt, "bij Israël wordt ingelijfd". Daarom geloven wij, dat wie zich tegen Israël stelt, zich verzet tégen de God van Israël. Want wel is Israël ongehoorzaam geweest en heeft het wonder van zijn roeping veracht, toen het de Hete der Heerlijkheid gekruisigd heeft. En wel heeft God toen voor een tijd en voor een deel een verharding over Israël gelegd, maar in deze zaak tussen God en dit volk mag niemand zich eigenmachtig en hovaardig mengen. Allen, die niet uit Israël zijn, moeten veeleer in Israël het teken zien van de vrijmachtige goddelijke verkiezing in het teken van de algemeen menselijke ongehoorzaamheid. En allen, die uit Israël zijn, zullen hun bestemming vinden, als zij zich tot de Messias bekeren; dan zal vervuld worden wat de apostel zegt: "indien de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, zo zal geheel Israël zalig worden." Daarom houden wij het antisemitisme voor iets veel ernstigers dan een onmenselijke rassenideologie. Wij houden het voor een van de hardnekkigste en dodelijkste vormen van verzet tegen de heilige en barmhartige God, wiens Naam wij belijden. [4.2]
<65>
L. de Jong merkte naar aanleiding van deze passage op: "Men kan de vraag stellen of het gepast was, in de zomer van '41, toen de Joden waarlijk al genoeg te dragen hadden, ook nog te betogen dat zij alleen hun 'bestemming' zouden vinden indien zij zich allen tot het Christendom bekeerden; dat Miskotte, Kroon en Koopmans met dat betoog alleen het heil der Joden op het oog hadden, spreekt overigens vanzelf en in elk geval bevatte hun betoog een afwijzing van het antisemitisme die voor protestantse lezers moeilijk in klemmender bewoordingen gesteld kon worden." [4.3] We voegen hier aan toe dat de opmerking, als zou Israël de Heer der heerlijkheid gekruisigd hebben, gemakkelijk kon leiden tot de oude en taaie misvatting: "de vervolging van de Joden is een straf, omdat 'ze' Christus gekruisigd hebben."
Foto 10 Dr. K.H. Miskotte
c. Hervormd herderlijk schrijven
De bovengenoemde publicaties waren geen officiële stukken, bij de opstelling waarvan de Hervormde Kerk als zodanig betrokken was. Ze kwamen voort uit het initiatief van enkele predikanten. De Hervormde Synode heeft, maart 1941, overwogen een brochure te publiceren - Israël als teken. Het manuscript lag klaar: een korte uitleg van Romeinen 9-11 en een analyse van Jodenhaat als een haat gericht tegen God zelf: "Door het antisemitisme wordt de Christelijke Kerk zelf in haar wortels aangetast." Aan de leden van de Synode werd verzocht om schriftelijk commentaar op het concept te geven. Maar juist in die tijd vond de arrestatie van ds. Gravemeyer plaats en men heeft toen de publicatie van "Israël als teken" niet aangedurfd. [4.4] Wel werd, zomer 1941, een Herderlijk Schrijven opgesteld en in september verzonden aan alle kerkenraden, met het verzoek de inhoud te bespreken en ook door te geven aan de gemeente. Over de Joden wordt uitvoerig gesproken. Uiteengezet wordt dat het gebod om de naaste lief te hebben hen in geheel dezelfde mate betreft als welke andere naaste ook." Men volgt dan min of meer de hier boven geciteerde stelling IV uit Wat wij wel en wat wij niet geloven. Dat is te begrijpen, want van beide stukken was dr. J. Koopmans een van de opstellers. "Israël is voor ons het toonbeeld en teken van Gods vrije genade". Wel heeft het "Christus niet erkend, maar verworpen." Nu zijn zij "niet meer 'Israël' in de oorspronkelijke zin, zij zijn 'Joden'. "Een jood is een mens uit Israël, die Jezus Christus verwerpt. Daarin zijn zij ons een teken van de menselijke vijandschap tegen het Evangelie. - Het gedeelte over Israël besluit als volgt:
Daarom zien wij in Israël een teken van Gods onveranderlijke trouw, waardoorHij in Zijn barmhartigheid een toekomst openhoudt ook voor wie zich het meestvijandig betonen.De gemeente van Jezus Christus weet zich gehouden tot de voorbede voor deJoden. En zij roept hen, op grond van de oude, nog steeds geldende beloften,terug tot hun Messias. [4.5]
Buskes zou later opmerken: "Om de eigenlijke vragen, die aan de orde waren en de ' gemeente in onzekerheid en verwarring brachten, loopt de synode heen. In de bezettingsjaren was een eerste vereiste, concreet en antithetisch te spreken. Dat gebeurt in dit herderlijk schrijven niet.(…)
<67>
Klaar en duidelijk wordt doorgegeven wat de Bijbel over Israël zegt: Israël is het teken van 1) Gods vrije genade, 2) de menselijke vijandschap tegen het Evangelie, 3) Gods onveranderlijke trouw. De gemeente wordt opgeroepen voor de Joden te bidden. Over het Antisemitisme wordt echter in alle talen gezwegen. De vraag, wat wij voor de vervolgde Joden hebben te doen, wordt niet gesteld en dus ook niet beantwoord. Dit eerste herderlijke schrijven was uitermate zwak, omdat het volstrekt tijdloos was." [4.6]
d. De Gereformeerde synode
De classis Den Haag, daartoe aangewezen door de synode, besloot een "Bidstond voor de nood der tijden" uit te schrijven, die op 14 september 1941 gehouden is. De desbetreffende oproep spreekt zorg uit "ten opzichte van de voorziening van onze stoffelijke nooddruft, vooral in voedsel en huisbrand" en noemt ook de "vele belemmeringen voor onze christelijke actie op menig terrein." Nodig is een gebed om "getrouw makende genade" en om "verder standvastig te zijn… ook op het terrein van staat en maatschappij, niet het minst ook ten aanzien van het principieel karakter van onze scholen en jeugdverenigingen." En "om staande te blijven (…), zelfs dan wanneer gehoorzaamheid aan de Here gemis van noodzakelijk levensonderhoud dreigt mee te brengen." De Joden werden in de oproep niet genoemd.
Toen de generale synode - na op 25 maart 1941 voorlopig te zijn gesloten - op 9 december van dat jaar werd voortgezet, verwelkomde de voorzitter, ds. F.C. Meijster, speciaal "de broeders die in de vorige zittingen gedwongen afwezig waren". Dan volgt: "Helaas worden weer anderen uit ons midden gemist (…); van onze deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid mr. dr. J. Donner, die voor de derde maal van zijn vrijheid is beroofd, dr. A.A.L. Rutgers en mr. J.A. de Wilde. Daarna deelde hij mee:
Waar in de gelederen van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid zulk een bres werd geslagen, heeft het moderamen opnieuw gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om andere broeders aan te zoeken in dit zo gewichtig en hoogst verantwoordelijk deputaatschap zitting te nemen. Dat daarbij dr. J.J.C. van Dijk, onze oud-minister van defensie, bereid gevonden werd zich een benoeming te laten welgevallen, en in plaats van dr. Rutgers onze kerken in het Convent van kerken te vertegenwoordigen, stemt ons tot grote dank. [4.7]
<68>
Nadat Donner de tweede maal gevangen genomen was, werd dr. A.A.L. Rutgers de vertegenwoordiger van de Gereformeerde Kerken in het Convent. Vrij spoedig daarop werd ook hij gevangen genomen. Toen J.J.C. van Dijk toetrad tot deputaten, was hij 70 jaar oud. Hij was officier geweest, lid van de Tweede Kamer en tweemaal minister van oorlog. Na de theoloog Kuyper en de jurist Donner werd nu dus een oud-militair benoemd. Al spoedig, na de internering van prof. Paul Scholten, zou dr. van Dijk voorzitter van het Convent worden. Hij is dat gebleven totdat ook hij (1 april 1943) gevangen genomen werd. Later zou J.J. Buskes schrijven: "Zij (Donner en Van Dijk) hebben honderdvoudig goedgemaakt, wat prof. Kuyper bedorven had. Ze waren niet alleen dappere, maar ook wijze mannen." [4.8]
Uit het openingswoord van ds. Meijster blijkt verder: "Feitelijk had het moderamen alleen opdracht de synode weer bijeen te roepen voor de (theologische) "meningsverschillen". Maar nu waren er ook andere redenen: vragen "die samenhangen met de bezettingstoestand van ons vaderland".
<69>
Het blijkt dat "meermalen is getracht het moderamen te maken (…) tot een bureau van advies of interventie, maar wij (…) hebben geen enkele stap gedaan in de richting van een regerend kerkelijk college of een centraal kerkelijk gezag". De kerken zelf moeten in haar meerdere vergaderingen haar eigen zaken beslissen, aldus ds. Meijster. Uit het rapport van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid blijkt, dat vier van hun leden gevangen genomen waren en prof. J. Ridderbos aan arrestatie ontsnapt was door onder te duiken. Het aantal deputaten was dientengevolge geslonken van 8 tot 3. Voorts werd meegedeeld dat deputaten over gewichtige zaken steeds het moderamen van de synode hebben geraadpleegd. Over alles wordt uitvoerig aan de synode gerapporteerd: Arbeidsdienst, vakbeweging, kerkelijke pers, voorbede voor de Koningin, collectenverbod, enz. Over "de Joden kwestie" wordt gezegd:
Het onrecht de Joden aangedaan en de toenemende vervolging van onze Joodse medeburgers, welke reeds vroeger aan Uw deputaten aanleiding had gegeven om daartegen met de andere protestantse kerken bij de Rijkscommissaris te protesteren en waarop ze wederom hebben gewezen in hun request bovengenoemd tot het college van secretarissen-generaal gericht, bleef voor Uw deputaten evenzeer als voor de andere afgevaardigden in het convent een voortdurende oorzaak van ergernis. Ze hebben wel overwogen om gezamenlijk ten behoeve van de Joden, inzonderheid die naar het buitenland gevoerd waren en waaronder een schrikbarende sterfte heerste, tussenbeide te komen, maar de vrees, dat juist daardoor hun lot verergerd zou worden, waarom de Joden zelf verzocht hadden, dit niet te doen, weerhield hen tot dusver. [4.9]
Niet vermeld werd, welke Joden "verzocht hadden, dit niet te doen."
Daarop kwamen gedurende 4 dagen (9 - 12 december) alle in het rapport genoemde onderwerpen aan de orde, waarna het "in zijn algemene strekking" aanvaard werd.
<70>
e. Weinig activiteit
Voorjaar 1941 hield ds. J.J. Buskes een voordracht, waarin hij het protest van de kerken tegen de Jodenvervolgingen (zie boven, in hfdst. 2) besprak en toelichtte. Zijn toespraak werd gepubliceerd in het tijdschrift "Woord en Wereld". Waarop de Duitsers de verdere verschijning van dit blad verboden en ds. Buskes op 2 juli 1941 gevangennamen. Nu zaten er dus 3 ondernemende leden van het Convent vast (Gravemeyer, Donner en Buskes). Rutgers, de vervanger van Donner, was eveneens gearresteerd. Was het daarom, dat het Convent wat ingeslapen scheen? Men leek wel geïntimideerd. Datzelfde gold voor de twee grootste deelnemende kerken. Zoals we hierboven gezien hebben, stelde de Hervormde Kerk in haar herderlijk schrijven het antisemitisme niet aan de orde en lieten de Gereformeerde Kerken na, tot gebed voor de Joden op te roepen. Wie werkt, maakt fouten. Maar hier werden dingen nagelaten. Een grote matheid leek zich gedurende deze periode te hebben uitgespreid over de kerken. Van de vergaderingen van het Convent werden, om overigens begrijpelijke redenen, na maart 1941 geen notulen meer geschreven. Die waren toch al uiterst summier geweest. Dientengevolge is het niet meer na te gaan, of men althans overwogen heeft enige stap te doen ten behoeve van de Joden, die juist in deze periode steeds meer geïsoleerd en in het nauw gedreven werden. Uit de in de oproep tot een bidstond wel genoemde onderwerpen blijkt, hoe diep de oorlog begon in te grijpen in eigen kerkelijk en persoonlijk leven. Kwam het daardoor, dat men gedurende deze periode weinig of niet toekwam aan het opkomen voor de Joden? We laten het vraagteken staan, en vermelden nog dat het september 1941 (ook de christelijke) scholen verboden werd, voortaan Joodse kinderen toe te laten; de aanwezige Joodse leerlingen moesten weggestuurd worden. De Hervormde Raad voor kerk en school adviseerde de schoolbesturen, hieraan op geen enkele manier medewerking te verlenen. Ook de grote schoolorganisaties weigerden elke medewerking. Toen dreigde de betreffende secretaris-generaal: "indien u weigert de Joodse kinderen van uw school te verwijderen zullen de ouders van die kinderen daarvoor moeten boeten. [4.10] Voorwaar, een afschuwelijk dilemma.
<71>
a. De situatie (eerste helft 1942)
Op 19 januari werd. prof. Titus Brandsma gearresteerd. Op 16 februari veroverden de Japanners Singapore; op 27 febr. vond de slag in de Java-zee plaats: het grootste deel van de Nederlandse vloot ging ten onder. Op 9 maart gaf het Koninklijk Nederlands-lndische Leger zich over. 3 mei: executie van 72 OD-ers (leden van de z.g. Orde-dienst, een van de eerste illegale organisaties). Op 15 mei moesten alle officieren zich melden en werden teruggevoerd in krijgsgevangenschap. Duizend Britse bommenwerpers deden een aanval op Keulen. Duizenden mannen moesten in Duitsland gaan werken. De Amerikanen behaalden een grote overwinning (4/5 juni) in de zeeslag bij Midway. Maar in Noord-Afrika heroverde generaal Rommel Tobroek (21 juni) en eind juni begonnen de Duitsers een groot offensief in Rusland.
2 febr.: De christelijke scholen worden ernstig bedreigd. Voor a. s. zondag is er een bidstond uitgeschreven. Het gaat om de benoeming van een N.S.B.-onderwijzer, wat het schoolbestuur geweigerd heeft. 10 febr.: In Noorwegen is Quisling nu de baas; als Mussert het hier maar niet wordt. 19 april Er is vanmorgen een kort maar krachtig stuk voorgelezen van de kansel. 20 mei., (neef) Jan de Nooij uit Ede is opgepakt wegens het dragen van een Jodenster. (Hij werd op 6 juni vrijgelaten). 7juni.- We verkopen op iedere babykaart twee luiers, met afstempeling.
In januari 1942 moesten Joden uit verschillende steden hun woonplaats verlaten: ze werden gedwongen zich in Amsterdam te vestigen. In maart werden personenauto's "voor Joden verboden". Vanaf 3 mei was iedere jood verplicht om in het openbaar de Jodenster te dragen. Op 30 juni werd gedecreteerd dat Joden zich van 8 uur 's avonds tot 6 uur 's morgens binnenshuis moesten bevinden.
<73>
b. De houding van de Katholieke Kerk
Tot nu toe was de Rooms-Katholieke Kerk niet betrokken geweest bij de acties van het Convent van Kerken. Toch heeft deze Kerk zich vroegtijdig en krachtig tegen het nationaal-socialisme verzet. Zoals we al eerder memoreerden, hadden de Nederlandse bisschoppen eerst het lidmaatschap van de N.S.B. "ontraden", terwijl ze in mei 1936 verklaarden dat "allen die aan deze partij in belangrijke mate steun verlenen, niet tot de H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." Dit betrof de leiders van de N.S.B., niet de gewone leden. Deze maatregel werd tijdens de Duitse bezetting niet ingetrokken of verzwakt. Integendeel, op 13 januari 1941 werd verordend dat ook aan gewone leden van de N.S.B. de sacramenten voortaan geweigerd moesten worden. Dit gold bovendien voor sympathiserende leden, propagandisten en contribuanten. N.S.B. - ers mochten voortaan niet meer kerkelijk trouwen; als beide ouders van een kind N.S.B.-er waren, mocht het kind niet gedoopt worden. N.S.B.-ers mochten niet meer kerkelijk begraven worden. [5.1]
Foto 12. Aartsbisschop J. de Jong (foto uit 1946 t.g.v. zijn verheffing tot kardinaal)
<74>
Een en ander was door de aartsbisschop in overleg met de andere bisschoppen vastgesteld. Op 26 januari 1941 werd de maatregel overal vanaf de kansels bekendgemaakt. Toen de bezetter het RK Werkliedenverbond ophief, werd in een Herderlijke brief (van alle kansels afgelezen op 3 augustus 1941) uitgesproken, dat nu voortaan het lidmaatschap van nationaal-socialistische mantel-organisaties niet alleen verboden was, maar ook uitsluiting van de sacramenten met zich mee zou brengen.
De van Ameland afkomstige Jan de Jong (geb. 1885) was in 1935 coadjutor van de aartsbisschop van Utrecht geworden, en in 1936 diens opvolger. Toen, aan het begin van de Duitse bezetting, enkelen van zijn geestelijken hem wilden bewegen een enigszins tegemoetkomende houding jegens het nieuwe bewind aan te nemen was zijn antwoord: "Wat is dat voor onzin, heren? Ik wil geen tweede Innitzer zijn…" Innitzer was de Oostenrijkse kardinaal die de nazi's zeer ver tegemoet kwam. De aartsbisschop was voorzitter van het Nederlands Episcopaat en kwam als zodanig primus inter pares (de eerste tussen gelijken). Hij kon zijn mede-bisschoppen niets opleggen, maar diende hen te raadplegen en zo nodig te overtuigen. Dat waren de bisschoppen van Breda, Haarlem, 's-Hertogenbosch en Roermond. Vooral de bisschop van Den Bosch was aanvankelijk verre van militant, aldus Aukes, de biograaf van mgr. de Jong. [5.2] Van Rooij verschaft hier verdere bijzonderheden. Ook over de manier waarop de besluitvorming plaatsvond:
Het gezamenlijke beleid van de kerkprovincie werd bepaald in ongeveer 4 maal per jaar gehouden bisschopsconferenties en via rondzendbrieven. Zij gingen uit van een consensus voor het nemen van besluiten. De Aartsbisschop had als voorzitter een zeer invloedrijke stem, maar iedere bisschop had in zijn eigen diocees een grote vrijheid van handelen. [5.3]
Het volgende verhaal, verteld door biograaf Aukes, is typerend voor de aartsbisschop en evenzeer voor zijn beproefde steun en rechterhand, dr. J. Geerdinck.
<75> In de nacht van zaterdag op zondag 3 augustus, vlak voor de bovengenoemde afkondiging, rinkelde in het aartsbisschoppelijk paleis de telefoon. De Sicherheitspolizei wilde de aartsbisschop spreken, en wel onmiddellijk. De aartsbisschop laat dr. Geerdinck meedelen, dat de heren over een half uur komen kunnen. Beiden besluiten, dat de ontmoeting in scène moet worden gezet. De aartsbisschop dost zich uit in ambtskledij; in het grote vertrek voor bijzondere audiënties branden de luchters. Als er, precies om vier uur, gebeld wordt doet dr. Geerdinck open, vraagt de mannen van Himmler zich van hun jas te ontdoen en bestijgt voor hen uit de staatsietrap. Voor de deur aangekomen, vraagt hij hun namen, klopt en geleidt de heren naar binnen. De aartsbisschop staat in zijn ambtskledij achter de tafel en zwijgt. Dr. Geerdinck kondigt aan: "Excellentie, Obersturmführer Matzker en zijn adjudant." Monseigneur buigt licht, en blijft zwijgen. Geerdinck zegt: "setzen Sie sich". Iedereen gaat zitten, en iedereen zwijgt. Ten slotte haalt de Obersturmführer een smal rolletje papier tevoorschijn en begint voor te lezen: de afkondiging morgenochtend mag niet plaatsvinden. De aartsbisschop geeft te kennen dat hij de boodschap begrepen heeft, waarop zijn bezoeker zegt: "Het is nu vier uur. Alle pastorieën kunnen per telefoon bereikt worden. De voorlezing kan zonder moeite worden afgelast". De bisschop mompelt, dat dat hem duidelijk is. Dan is het weer stil, een lange tijd. Ten slotte zegt Geerdinck: "Heren, hebt U hiermee Uw opdracht vervuld?" Ze mompelen van ja, waarop Geerdinck opstaat en de bezoekers zijn voorbeeld volgen. Het papier, vermoedelijk een telexstrook, wappert achter hen aan terwijl hij hen uitgeleide doet. Geen woord. Bij de voordeur wervelt het strookje over de grond mee naar buiten. Geen groet. De volgende zondagmorgen gaat - uiteraard - de voorlezing overal door, de woorden non possumus non loqui klinken - "Wij kunnen niet zwijgen.
c. De RK in het Interkerkelijk Overleg (I.K.0.)
In de loop van 1942 besloot men, om de naam "Convent van Kerken- te veranderen in Interkerkelijk Overleg" (afgekort: I.K.O.). "Convent" kon niet, zo vreesde men, de indruk wekken dat het om een organisatie van kerken ging, die eventueel door de bezetter kon worden opgeheven. "Overleg" bedoelde de indruk te geven dat het ging om niet meer dan incidenteel overleg.
<76>
Er was al af en toe contact geweest tussen Protestantse voormannen en de aartsbisschop. Prof. Slotemaker de Bruïne had hem indertijd een afschrift van het allereerste protest tegen de Jodenvervolging (zie hierboven, hfdst. 2) doen toekomen en overwogen is toen om ook vanaf de Katholieke kansels een getuigenis te doen weerklinken. De meningen onder de bisschoppen waren toen evenwel verdeeld. [5.453] Verder was er overleg geweest inzake de schoolstrijd (met mr. J. Donner), de Winterhulp en het radiobeleid. De officiële relatie zou niet lang meer op zich laten wachten.
Op 31 oktober 1941 - uitgerekend op Hervormingsdag, zei men later - bezocht de toenmalige voorzitter van het I.K.O., de Amsterdamse hoogleraar Paul Scholten, mgr. de Jong en tijdens dat bezoek werden spijkers met koppen geslagen. Het was het begin van een blijvende betrokkenheid van de Rooms-Katholieke Kerk bij het I.K.O.
<77>
Naar ik meen is het feit, dat vandaag de dag de Katholieke Kerk lid is van de Raad van Kerken in Nederland, moeilijk los te denken van de beslissing die toen genomen is.
Prof. Schotten schreef, de dag na zijn ontmoeting met mgr. de Jong, aan ds. Gravemeyer:
Gisteren had ik een belangrijk onderhoud met de Aartsbisschop waarvan ik mij haast U op de hoogte te brengen. (…) Maar wat nog belangrijker is, is het gesprek over een protest bij de Overheid in de Jodenquestie. Niet alleen voelde hij daar veel voor, maar hij verklaarde zich bereid dat in dat geval de Rooms- Katholieke Kerk met onze Kerk gezamenlijk de bedoelde audiëntie zou aanvragen. Hij zou daarvoor dan een hooggeplaatst geestelijke aanwijzen. Hij maakte evenwel tweeërlei voorbehoud. Ten eerste kan hij dit niet alleen beslissen, maar moet hij met de andere bisschoppen overleg plegen. En in de tweede plaats voelde bij meer voor een algemeen protest over alle onrecht dan voor een betreffende alleen de Joden. Ik antwoordde dat ik dit principieel wel met hem eens was, doch dat dit algemene protest ernstig zou moeten worden voorbereid en gedocumenteerd, wat nog enige tijd zou kosten, terwijl de Jodenquestie haast heeft. Dit maakte wel indruk en hij zal mij nader berichten. (…) [5.5]
De bisschoppen gingen met de voorgestelde samenwerking akkoord. Besloten werd dat de officiaal van het bisdom, mgr. F.J.E.H. van de Loo, namens de bisschoppen het contact met het Convent van Kerken zou onderhouden. Vanaf eind 1941 heeft hij de meeste vergaderingen bijgewoond en protesten werden door hem mede-ondertekend. Van Rooij beschrijft zijn functie als volgt:
Mgr. Van de Loo was officiaal van het aartsbisdom, de hoogste canonieke rechter van de RK Kerk in Nederland, die in naam en in opdracht van de Aartsbisschop de canonieke rechtsmacht uitoefende. Hij was bovendien kanunnik van het metropolitaan kapittel te Utrecht. Het kapittel heeft tot taak de Aartsbisschop te adviseren en bij te staan in het bestuur van het aartsbisdom. Een hooggeschoold jurist, zowel in canoniek als in wereldlijk recht. [5.6]
d. De audiëntie
Zoals al bleek uit de brief van Scholten aan Gravemeyer, was men voornemens een audiëntie bij de Rijkscommissaris aan te vragen. Daartoe vond allereerst een onderhoud plaats met de secretaris-
<78>
generaal van justitie, prof. J.J. Schrieke. Prof. P. Scholten en ds. Gravemeyer vertegenwoordigden de Hervormde Kerk, mgr. Van de Loo de bisschoppen, dr. J.J.C. van Dijk de Gereformeerde Kerken, terwijl de overige Protestantse kerken vertegenwoordigd werden door een vijftal afgevaardigden, onder wie ook ds. Buskes. Het onderhoud vond plaats op 5 januari 1942. Prof. Schotten las een memorandum voor, waarin ingegaan werd op "de schier volslagen rechteloosheid, de onbarmhartigheid ten opzichte van hen die van Joodse afstamming zijn en het opdringen van de nationaal-socialistische wereldbeschouwing." We citeren het slot:
De Kerken doen dit (getuigen) in de eerste plaats tegenover de Secretaris-Generaal van justitie, die thans in Nederland tot handhaving van het recht geroepen is en op wiens schouders te dier zake een zware verantwoorÂdelijkheid rust jegens het Nederlandse volk. Zij richten zich mede in hem tot zijn ambtgenoten, Secretarissen Generaal der overige Departementen. De Nederlandse Kerken vragen voorts de Secretaris-Generaal van justitie haar een audiëntie te verschaffen bij de hoogste Duitse autoriteit, die over deze dingen beschikt, opdat zij ook tegenover die autoriteit van haar oordeel mogen doen blijken.
Nadat prof. Schotten een en ander had toegelicht, antwoordde Schrieke dat hij niet terstond op het adres kon ingaan, omdat het niet van tevoren te zijner kennis was gebracht. De kerken moesten zich realiseren "de niet te weerhouden kracht van de wereldgebeurtenis, die bezig was zich te voltrekken en die te vergelijken was met een sneltrein die in grote vaart alles wat zich op zijn weg plaatst vermorzelt." Schrieke, die N.S.B.-er was, is na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf, later omgezet in levenslange gevangenisstraf.
De gevraagde audiëntie werd toegestaan. Het was de bedoeling dat de heren Schotten (Herv.), Van de Loo (RK) en Van Dijk (Geref.) zouden gaan. Maar Seyss-lnquart liet weten dat hij prof. Schotten niet wenste te ontvangen. Men informeerde naar de reden daarvoor; intussen werd prof. Schotten gevangen genomen, waarna hem een plaats van internering werd aangewezen. Overwogen is toen om af te zien van de audiëntie, maar ten slotte besloot men dat prof. W.J. Aalders in de plaats van Schotten de Hervormde vertegenwoordiger zou zijn.
<79>
De audiëntie vond plaats op 17 februari (een dag na de val van Singapore; geen vrolijk moment) in een zaal van het departement van Buitenlandse Zaken. Een portret van Hitler hing aan de muur. Aan de ene kant van een grote, ronde tafel zat Seyss-Inquart, met aan zijn rechterhand prof. Schrieke en links F. Schmidt. Tegenover hem mgr. Van de Loo, prof. Aalders en dr. Van Dijk. De vergadering begon om twaalf uur. Allereerst leidde prof. Aalders het - van tevoren toegezonden - memorandum in, waarvan het begin en ook de opmerkingen over de vervolging van de Joden letterlijk overeenstemden met het stuk dat al eerder aan Schrieke was aangeboden. Deze luidden als volgt:
Verder dient de behandeling van hen die van Joodse afstamming zijn genoemd te worden. De Kerken onthouden zich hier van een beoordeling van het antisemitisme, dat zij overigens vanuit Christelijke beweegredenen principieel afwijzen. Ook wensen zij nu niet een debat te openen over de politieke maatregelen tegen de Joden in bel algemeen. Zij wensen zich te beperken tot het feit dat in de loop van het jaar 1941 talrijke Joden gevangengenomen en weggevoerd zijn, en dat sindsdien officiële mededelingen omtrent schrikbarend hoge sterftegevallen onder deze gedeporteerden zijn binnengekomen. De Kerken zouden hun meest elementaire plichten verzaken, als zij niet van de Overheid zouden verlangen dat aan deze maatregelen paal en perk wordt gesteld. Dit toch is een eis van Christelijke barmhartigheid.
Seyss-Inquart ging daarna uitvoerig in op de diverse naar voren gebrachte punten, blijkbaar aan de hand van notities gemaakt op basis van het ontvangen memorandum. Hij ging daarbij uit van Rusland: hiertegen moest alles gericht worden, hiermee alles vergeleken. Daarna sprak hij over de gerechtigheid, de barmhartigheid en de gewetensvrijheid.
Wat de Joden betrof, barmhartigheid jegens hen te betrachten, zoals we gevraagd hadden, was naar het oordeel van de R. te veel verlangd. (…) Het was dan ook afkeurenswaardig, dat wij hier in Nederland de Joden als volwaardige vaderlanders beschouwden en hun de volle staatsburgerlijke rechten toekenden. Neen, barmhartigheid jegens hen was misplaatst; alleen kon men, voorzover het algemeen belang zulks gedoogde, recht en gerechtigheid jegens hen laten gelden.
Dat was de reactie van Seyss-Inquart, naar de aantekeningen van officiaal Van de Loo en weergegeven in "Delleman". Mgr. Van de Loo was het die tijdens de discussie terugkwam op het lot der Joden:
<80>
foto 14. De audiëntie bij Seyss-Inquart, naar een tekening van J.H. Isings uit 1945. Van links naar rechts: dr. J.J.C. van Dijk, prof. dr. W.J. Aalders, mgr, F.E.H. van de Loo, prof. mr. J.J, Schrieke, Seyss-Inquart en E. Schmidt
Wat de Joden betreft, werd de R. er door mij aan herinnerd dat niet alleen recht en gerechtigheid, maar ook barmhartigheid Christenplicht was en dat de hoogste Christelijke norm niet ras, bloed en bodem was, maar de wet van het Evangelie, die rassenhaat categorisch veroordeelde. Overigens, zo betoogde ik, zouden wij al verheugd zijn wanneer althans de rechtvaardigheid tegenover de Joden betracht werd, daar tot nu toe vaak hun meest elementaire rechten met voeten waren getreden. Speciaal voor onze Joodse volksgenoten vroegen wij rechtvaardige behandeling, overtuigd als we waren dat tallozen onder hen als onschuldige slachtoffers waren gevallen van de rassenhaat, hoewel zij zich steeds als eerzame burgers gedragen hadden.
Dr. Van Dijk vroeg of de onbarmhartigheid tegenover de Joden zover ging dat er geen barmhartigheid zou worden geoefend tegenover de individuele Jood. Het antwoord was: "neen". Gevraagd naar het standpunt ten opzichte van de Christen-Joden, was het antwoord eveneens: "geen barmhartigheid: het Jodenvraagstuk moet in zijn geheel worden opgelost.
<81>
Prof. Aalders zei, na afloop: "Mijn indruk is dat deze audiëntie niets goeds kan doen verwachten. Wij kunnen het alleen van belang achten, persoonlijk en tegenover de Kerk, dat we een getuigenis hebben afgelegd."
e. De gevolgen
Prof. Schrieke beweerde na de audiëntie dat de Rijkscommissaris toch wel onder de indruk was geweest. Seyss-Inquart was Katholiek opgevoed; een broer van hem is zelfs enkele jaren kloosterling geweest, maar daarna uitgetreden. [5.7] Toch bleek de pessimistische taxatie van de vertegenwoordigers der kerken juist te zijn geweest: de Duitse onderdrukking ging in verscherpte mate door, met name de terreur tegen de Joden. Zomer 1942 zouden de massadeportaties beginnen. Prof. Aalders werd kort daarop gearresteerd, overigens niet vanwege zijn deelname aan de audiëntie maar omdat hij hoofdbestuurslid was van een van de grote Christelijke school-organisaties.
Het I.K.O. was voornemens de plaatselijke gemeenten in te lichten over de audiëntie en bovendien over nieuwe maatregelen van de bezetter. Daartoe werd een kanselboodschap opgesteld, die op zondag 22 maart zou worden voorgelezen. De Sicherheitspolizei bleek evenwel op de hoogte, want ds. Gravemeyer ontving een boodschap waarin gewaarschuwd werd voor de gevolgen ("gevangenis of erger") als de afkondiging zou doorgaan. Gravemeyer deelde daarop mee dat de kerken zich zouden beraden, maar "dat de kerken onder geen enkel beding op dit punt zouden kunnen toegeven en zich door de Duitse overheid zouden kunnen laten voorschrijven wat zij al of niet mochten laten afkondigen". Het I.K.O. heeft daarop besloten, op die datum de afkondiging niet te laten doorgaan "om een acuut conflict te voorkomen", zoals geschreven werd in een protestbrief aan Seyss-Inquart (7 april 1942), waarin tegen het ingrijpen van "de politie" geprotesteerd werd. Bij dit besluit hebben de bisschoppen zich uit solidariteit aangesloten, aldus Stokman, m.a.w. zij hadden wel openbaar mededeling willen doen van de audiëntie. Wel werd kort daarna, op zondag 19 april, in alle (bij het I.K.O. aangesloten) Protestantse kerken een "Getuigenis" voorgelezen dat als volgt begon:
<82>
Het is de gemeente bekend, dat de Kerk met grote bekommering is vervuld over de gang van zaken in ons land, met name over de wijze waarop drie grondslagen van ons volksleven: de gerechtigheid, de barmhartigheid en de vrijheid van geweten en overtuiging, die verankerd liggen in het Christelijk geloof, zijn en worden aangetast. Over de rechteloosheid, de onbarmhartigheid tegenover het Joodse volksdeel en het opdringen van een recht tegen het Evangelie ingaande, nationaal-socialistische levens- en wereldbeschouwing heeft de Kerk haar getuigenis gegeven.
Ds. Gravemeyer bezocht - voor het eerst - mgr. de Jong om te bepleiten dat dit Getuigenis ook in de Katholieke kerken zou worden voorgelezen. Dat leverde praktische bezwaren op, maar in Utrecht lag een Herderlijke brief over de Arbeidsdienst klaar ter afkondiging, en de aartsbisschop laste de kernzinnen uit het Getuigenis, waaronder bovenstaand citaat, in de aanhef van de eigen Herderlijke brief in. [5.8]
In bovengenoemd Getuigenis was de audiëntie bij Seyss-Inquart niet vermeld. Maar men zond (21 april 1942) een zeer uitvoerige mededeling aan alle kerkenraden over een en ander, waar boven stond: "Uitsluitend bestemd voor interne voorlichting". Dat betekende, dat tienduizenden gelovigen over het ter audiëntie besprokene geïnformeerd werden; maar als men de publieke afkondiging had doorgezet, zouden het er een paar miljoen zijn geweest. Het I.K.O. had toch een stap terug gedaan. Toch denke men vanuit onze situatie niet te gemakkelijk over de zwaarte van de dilemma's van toen. Enkele predikanten en diverse gemeenteleden waren al omgekomen in het concentratiekamp. Kort daarop (4 mei) werd ds. Gravemeyer door de Duitsers in gijzeling genomen; de gijzeling zou voortduren tot 18 december 1942.
Twee dagen later (6 mei) zond de permanente Commissie Algemene Zaken van het Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap een brief aan ds. Gravemeyer met de volgende inhoud:
Het moge mij vergund zijn deze brief aan te vangen met een woord van diepgevoelde dank en erkentelijkheid voor het medeleven van de vaderlandse Kerk in het lot, dat de Nederlandse Joodse gemeenschap thans heeft te dragen. Ook wij zullen U wederkerig in onze gebeden gedenken en voor onze ogen houden het Psalmwoord 145 vers 19. (handtekening onleesbaar)
<83>
De woorden van dit psalmvers luiden: "Hij vervult de wens van wie Hem vrezen,Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen." [5.9]
Een aantal predikanten die - naar aanleiding van de afkondiging op 19 april - over Jodenvervolgingen gepreekt hadden, werden gevangen genomen; onder hen was de latere hoogleraar A.A. van Ruler.
f. De bordjes "verboden voor Joden"
Het was het Duitse plan om de Joden steeds meer te isoleren. Daartoe moest een bordje "Verboden voor Joden" worden aangebracht op alle openbare gebouwen. Ook de kerkgebouwen vielen daar onder. Niet alleen was de zondagse kerkdienst een openbare aangelegenheid en voor iedereen die dat wenste toegankelijk, maar bovendien werden in de kerkgebouwen door de week vergaderingen van diverse verenigingen en clubs gehouden. In het archief vond ik een brief van de "Raden der Gereformeerde Kerken van Metslawier en Nijawier", die aan hun burgemeester schrijven:
Als antwoord op de mondeling namens U gedane mededeling betreffende het aanbrengen van het z.g. Jodenbordje aan de consistorie of leerkamer, moge het volgende dienen: a. dat de kerkenraad der Geref. Kerk en van Metslawier en van Nijawier tegen deze aanbrenging principieel bezwaar heeft - de kerk van Christus mag geen onderscheid naar ras maken - en deze dies wil voorkomen; b. in afwachting van het resultaat der besprekingen van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid te Den Haag daarom heeft besloten voorlopig alleen toegang tot bedoelde leerkamer te verlenen aan vergaderingen van hen, die als zuiver kerkelijk of zendingscollege of jeugd onder kerkelijk toezicht staan. [5.10]
Men kreeg in Den Haag van diverse kerkenraden verzoeken om advies. Het eerste antwoord was - zowel van de Algemene Synodale Commissie van de Hervormde Kerk als van Gereformeerde deputaten - dat "op een voor christelijke doeleinden bestemd gebouw het bewuste bordje principieel niet kan worden toegelaten, omdat het is een verloochening van het Evangelie."
<84>
Werd een aan de kerk behorend gebouw ook gebruikt voor niet-kerkelijke activiteiten (waarvoor het bord bevolen werd), dan moesten die voortaan achterwege blijven, liever dan dat men het bordje plaatste. Ook concerten of sport-activiteiten moesten dan maar vervallen. In de drie noordelijke provincies, evenwel eiste de procureur-generaal te Leeuwarden, dat het bordje zou aangebracht worden ook daar waar uitsluitend zuiver kerkelijke bijeenkomsten werden gehouden. Dit gaf aanleiding tot een aantal directe conflicten. Op 9 april 1942 hadden ds. Gravemeyer en dr. Van Dijk namens het I.K.O. een onderhoud met de secretaris-generaal van justitie, Schrieke. Ze zonden hem daarna een brief (24 april) waarin zij meedeelden:
(…) De Kerk mag niet dulden, dat op haar terrein geweld wordt aangedaan aan het beginsel van de toelating van allen, die krachtens het Evangelie van Jezus Christus, toelating begeren.
Nu kan men zich afvragen of er veel Joden "toelating begeerden", laat staan of dat het geval was in een of ander Fries dorp. Maar, het ging om het principe, zou het I.K.O. stellig geantwoord hebben. Hoe dan ook, in dezelfde brief werd voorgesteld:
1) dat in of aan kerkelijke lokaliteiten de bedoelde borden niet behoeven te worden aangebracht, indien deze lokaliteiten uitsluitend worden gebruikt voor godsdienst- oefeningen (en andere) vergaderingen van zuiver godsdienstig-zedelijke strekking. 2) dat, wanneer godsdienstoefeningen worden gehouden in niet-kerkelijke lokalen, tijdens de dienst in die lokalen geen verbodsbord aanwezig behoeft te zijn; dat algemene vergaderingen, met name ook jaarvergaderingen van (…) Christelijke verenigingen in kerkgebouwen kunnen worden gehouden.
Schrieke ging daarmee akkoord en wijzigde de verordening. Een krachtige houding namen de Hervormde predikanten van Sneek en omgeving aan: begrafenisÂdiensten vonden vaak plaats in het plaatselijk café. Welnu, de predikanten weigerden en gingen voortaan alleen voor als de dienst in een kerkelijk gebouw gehouden werd. De café-houders protesteerden! Toen zijn er hier en daar begrafenisdiensten in een café gehouden nadat eerst het verafschuwde bordje voor die dag verwijderd was. Zoiets lijkt haast komisch, maar het was een zaak van grimmige ernst. Dat besefte de Sicherheitsdienst, die een betreffende predikant bedreigde voor 't geval hij nog eens het bordje zou laten weghalen.
<85>
De motivering van het I.K.O. bleef wat vaag: het antisemitisme werd niet genoemd, terwijl het daarom toch juist ging. De bisschoppen evenwel waren duidelijker in hun afwijzing. Van Rooij vermeldt dat Mgr. de Jong in overleg met de andere vier bisschoppen het aanbrengen van de bordjes op RK instellingen verbood, "omdat die bordjes een uiting zijn van principieel antisemitisme en daar mogen zeker onze RK instellingen niet aan mee doen." Iets later stelde de aartsbisschop zich 'permissief' op als het om sportterreinen of zwembaden ging (toen waren er nog Katholieke…), m.a.w. men behoefde ze niet te verwijderen als de politie ze had aangebracht. Maar op RK leeszalen mocht het absoluut niet en evenmin op het sociëteitsgebouw van het RK studentencorps te Nijmegen. "De Rector Magnificus was van mening dat het bordje mocht blijven hangen. Er hingen er al zo veel in Nijmegen. De burgerij zag het toch als een teken van overmacht." Mgr. de Jong was het daar niet mee eens: