Als Wij Ons niet vergissen, zijn de katholieke studentenverenigingen van Wageningen en Nijmegen de enige die nog bestaan. In deze omstandigheden zouden Wij het betreuren als alleen die beide zich aan de bepaling zouden onderwerpen. De studenten zullen het offer moeten brengen.
In september 1942 liet het Episcopaat haar principieel afwijzende houding ten opzichte van de bordjes varen. De deportaties waren in volle gang. De bordjes kwestie was een bijzaak geworden; aldus van Rooij. [5.11]
a. De situatie (tweede halfjaar 1942)
Belangrijke oorlogshandelingen waarvan de afloop gunstig voor de geallieerden was, deden de hoop in de bezette gebieden op een spoedige eindoverwinning stijgen. De aanval van geallieerde commando's op de Noord-Franse plaats Dieppe toonde aan dat de Engelsen in staat waren door de Duitse verdedigingswerken langs de kust heen te komen en zich zelfs enige tijd op het continent te handhaven (19 aug.). Op 13 sept. begon de Duitse aanval op Stalingrad, maar de Russen hielden stand en begonnen (19 nov.) hun tegen-offensief. De Engelsen onder generaal Montgomery vielen aan in Noord-Afrika (23 okt.) bij El Alamein. Kort daarop (nov.) landden Amerikanen en Engelsen in Marokko en Algerië, waarop de Duitsers nu ook Zuid- Frankrijk ("Vichy") bezetten.
16 juli.: vordering van koperen melkbussen, standbeelden en kerkklokken. Alle jeugdverenigingen zijn opgeheven. Deze week zijn er overal fietsen gevorderd. De Joden worden thans massaal weggevoerd naar Polen en Silezië. Ook de kerken hebben geprotesteerd. We hebben een huisgenootje gekregen, Leen, een Rotterdammertje van 3 jaar, waarvan de ouders bij het bombardement in 1940 omgekomen zijn. (Dat was Leo.- zijn vader en moeder waren Joodse vrienden, inderdaad uit Rotterdam maar niet omgekomen. Alle drie hebben de oorlog overleefd). 15 aug.: vandaag zijn er vijf gijzelaars doodgeschoten. 29 aug.: Leen is gisteren weer naar huis gegaan. Hij stak erg af bij de dorpskinderen en had daardoor nogal veel bekijks. Bovendien was het voor zijn gezondheid niet wenselijk om veel buiten te komen, dus daar moest ook op gelet worden. (We vonden voor Leo een ander onderduik-adres). 10 sept.: de taptemelk is nu ook op de bon: 1/4 L. per pers. per dag. Er zijn uitsluitend zijden veters in de handel en papieren zakdoeken. Vergunning tot het rijden op benzine wordt haast niet gegeven; verder rijdt men op houtgas, waarvoor de vergunning gemakkelijker gegeven wordt. 16 okt.: de familie Manasse (dorpsgenoten) is gevlucht of ondergedoken. 29 nov.: een groot deel van de kuststreek zal geëvacueerd moeten worden.
<88>
Eind juni had Seyss-Inquarts naaste medewerker Schmidt openlijk bekend gemaakt, dat de Joden uit Nederland gedeporteerd zouden worden. In juli begonnen de massa- deportaties. De eerste oproepen werden op zondag 5 juli per extra bestelling via de post bezorgd. Op 14 juli werd een grote razzia op Joden in Amsterdam gehouden. De volgende dag vertrok de eerste deportatie-trein van Amsterdam naar Westerbork. Van 14-17 juli moesten 4000 Joden uit Amsterdam zich op het Centraal Station melden. Op 2 augustus werden op verschillende plaatsen in Nederland Katholieke Joden gegrepen. Die maand werden er nog meer razzia's op Joden in Amsterdam uitgevoerd. Sindsdien bleven de treinen rijden: van Amsterdam naar Westerbork, en van Westerbork naar "het Oosten": week na week, maand na maand.
b. Nog een synode-vergadering
We zullen in dit hoofdstuk de gebeurtenissen rondom het protest van de kerken tegen de Jodenvervolging uitvoerig weergeven. Daartoe beginnen we evenwel met een kijkje in een synode-vergadering die - zo vermoeden we - een direct bij het protest betrokkene, dr. J.J.C. van Dijk, geholpen heeft bij het handhaven van een besliste houding. De synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde eind mei en begin juni; daarna zou men pas weer in september bijeenkomen. De voortzetting van de synode, die al lang afgelopen had moeten zijn, was nodig geworden tengevolge van de leergeschillen die nu hoog oplaaiden. Hoe is zoiets mogelijk, terwijl er een wereldoorlog aan de gang en je land bezet is, denk je nu (en dachten toen ook al velen).
Op dinsdag 9 juni kwam dr. Van Dijk ter synodevergadering en rapporteerde over "de werkzaamheden, door deputaten (voor de correspondentie met de Hoge Overheid) verricht". Het bordje "Verboden voor Joden" kwam ter sprake, de Arbeidsdienst enz. [6.1]
<89>
Er volgt dan: "Nadat de praeses (voorzitter) aan dr. Van Dijk de dank der synodeheeft overgebracht voor zijn vele bemoeienissen en hem Gods wijsheid en bijstandbij zijn verdere gewichtige arbeid heeft toegewenst en de vergadering hemPsalm 121:4 toegezongen heeft, verlaat dr. Van Dijk de vergadering."Dat psalmvers luidde, in de berijming van toen:De Heer zal U steeds gadeslaanOpdat Hij in gevaarUw ziel voor ramp bewaar'.De Heer, 't zij g'in of uit moogt gaan,En waar g'u heen moogt spoeden,Zal eeuwig u behoeden.
Dat was meer dan een psalmversje; het was een gebed, een zegenbede. Die werd bij bepaalde plechtige gelegenheden in de kerk gezongen en de gemeente ging daar dan bij staan. Dat is ongetwijfeld ook op deze synodevergadering gebeurd. Men wist: deze man zet zijn vrijheid - misschien zijn leven - op het spel. Dr. Van Dijk wist: 'mijn synode staat achter mij' en mijn mede-deputaten; de broeders bidden voor ons en ze steunen ons.
c. Het telegram
De Kerken die samenwerkten in het I.K.O. (Interkerkelijk Overleg) hadden besloten een bezwaarschrift tegen de Jodenvervolging bij Seyss-Inquart in te dienen. Het schrijven van een concept daartoe was opgedragen aan een kleine commissie, bestaande uit de bekende zendingsman en taalgeleerde prof. H. Kraemer (die prof. P. Scholten sinds diens verbanning verving), mgr. Van de Loo en dr. M.C. Slotemaker de Bruïne (niet te verwarren met zijn vader, de eerste voorzitter van het Convent, die intussen overleden was).
Toen het I.K.O. op 10 juli vergaderde, was het concept nog niet klaar. Op grond van de binnengekomen alarmerende berichten besloot men, allereerst een telegrafisch protest aan de Rijkscommissaris te zenden. De tekst van dit telegram werd op diezelfde vergadering vastgesteld en luidde als volgt:
<90>
De hieronder vermelde Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitse rijksgebied en onderhorigheden. Het leed dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden, bovenal het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot U de dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot U bovendien ingegeven door de overweging, dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden.
Tien Nederlandse kerken hebben dit telegram ondertekend: beide Lutherse Kerken deden ditmaal mee, de RK Kerk was er bij gekomen, en bovendien ondertekenden de "Gereformeerde Gemeenten in Nederland" (vertegenwoordigd door ds. G.H. Kersten) het protest. Het telegram werd verzonden op 11 juli. Het ging, behalve naar Seyss-Inquart, ook naar de Generalkommissaris, das Sicherheitswesen H.A. Rauter, de General- kommissar zur besonderen Venvendung F. Schmidt en de Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden F.C. Christiansen. Deze stuurde zijn exemplaar door aan Seyss-Inquart, met erop aangetekend het voorstel om ook de ondertekenaars te deporteren. De kerken hadden het voornemen om, behalve het telegram, ook nog een uitvoeriger schriftelijk protest in te dienen. Prof. dr. H. Kraemer zou hiervoor het concept schrijven, maar twee dagen later werd hij gegijzeld.
d. Duitse reactie
Tot nu toe hadden de kerken op hun tegen de Jodenvervolging ingediende protesten nog geen enkel antwoord ontvangen, maar ditmaal kwam er wel een reactie en zelfs zeer snel. Op 14 juli werd ds. H.J. Dijckmeester - waarnemend secretaris van de Hervormde Synode in plaats van de gegijzelde ds. Gravemeyer - ontboden bij Schmidt. Deze deelde hem mee dat de Christen-Joden die voor 1 januari 1941 gedoopt waren, van deportaties zouden worden vrijgesteld en dat aan verzachting der maatregelen voor gemengd-gehuwden nog gewerkt werd. Schmidt verzocht ds. Dijckmeester, een en ander aan de ondertekenaars van het telegram mee te delen.
<91>
Op 15 juli vergaderde de Hervormde Synode. Daar tekende zich een lijn af die afweek van het standpunt, ingenomen door het I.K.O. Ten eerste voelde een meerderheid niet voor het indienen van een uitvoerig, schriftelijk protest. Desnoods wilde men alleen een verzoek tot de bezettende macht richten. Ten tweede vond men de (op de vergadering van het I.K.O. afgesproken) voorlezing van het telegram in de kerkdiensten van minder belang dan een "gebed, in een toon van ootmoed en schuldbesef". Wel zou het telegram in de inleiding tot het gebed worden opgenomen. We komen op de inhoud van dat gebed nog terug.
Op 17 juli hield Seyss-Inquart met zijn naaste medewerkers een z.g. Chefsitzung. Daardoor weten wij nu (maar toen wisten de kerken dat uiteraard niet) dat de Rijkscommissaris bepaald niet van plan was om de gedoopte Joden blijvend van deportatie vrij te stellen. Het ging er slechts om, door deze tegemoetkoming de kerken tot zwijgen te brengen. Zijn uiteindelijke beslissing zou afhangen van de houding der kerken. Aan Rauter werd tijdens die vergadering opgedragen, op de komende zondagen de kerkdiensten te controleren in verband met een mogelijke kanselafkondiging. [6.2]
Zoals gebruikelijk ging er een stuk uit (23 juli) naar alle plaatselijke kerken met de tekst van het af te kondigen telegram van 11 juni, en van het gebed, bestemd voor de kerkdiensten op 26 juli. Blijkbaar zijn de Duitsers daar onmiddellijk achter gekomen, want een dag later, op vrijdag 24 juli, werd ds. Dijckmeester ontboden bij de plaatsvervanger van Schmidt, Hauptmann I. Gruffke. Deze bleek op de hoogte van de voorgenomen voorlezing van het telegram en drong erop aan deze achterwege te laten: het ging volgens Gruffke om een vertrouwelijk document. Anders zou de basis voor verdere onderhandelingen verbroken zijn. Volgens ds. Dijckmeester hoorden telegram en gebed bij' elkaar: "gebed en daad zijn niet te scheiden; als een gelovige een drenkeling in het water ziet, zal hij wel een gebed voor hem doen maar ook een daad verrichten. Welnu, het telegram is zulk een daad." Waarop Gruffke de beeldspraak overnam en zei: "Maar u kunt niet zwemmen; of wel: U vraagt Schmidt om te springen, maar hij weigert."
<92>
Ds. Dijckmeester, die zelf vond dat het telegram voorgelezen diende te worden, bracht de kwestie ter Synode. Daar overheerste de gedachte dat "onder fatsoenlijke mensen de éne partij niet tot publikatie van een document mag overgaan wanneer de andere partij zich daartegen verzet". Ook vreesde men dat "wat nu voor de christen-Joden bereikt was, dan weer verloren zou gaan", aldus Touw. Zo werd aan Schmidt nog diezelfde dag (vrijdag 24 juli) bericht dat de Synode bereid was de afkondiging van het telegram in te trekken; maar mogelijk zou het bericht daaromtrent een aantal gemeenten niet tijdig meer kunnen bereiken.
Er is veel kritiek gekomen op de handelwijze van de Synode, ook vanuit de eigen kerk: gemeenteleden uit Leiden, Oegstgeest en Rotterdam betreurden in een request aan de Synode dat de beginselvastheid in het gedrang gekomen en de eenparigheid van handelen verbroken was. J.J. Buskes zou het later hebben over "dat andere, afgrijselijke argument van prof. (W.J.) Aalders: de hoffelijkheid." [6.3] De auteur van Het verzet der Hervormde Kerk, Touw, acht het fatsoensargument van de Synode naïef, maar laat "de levens van honderden" zwaar wegen. Ging het er hier niet om, "een stukje van een oor uit de muil van de leeuw te redden (Amos 3:12)?" Touw besluit dan als volgt: "Heeft de Synode inderdaad de rechte beslissing genomen? Of is zij voor een satanische verzoeking bezweken? Is zij om de levens van haar eigen leden te redden, ontrouw geweest aan haar Heer?"
e. Gebed, afkondiging van het protest
Het gebed dat "in een toon van ootmoed en schuldbesef" zou dienen te zijn, zoals we reeds vermeldden, werd wel toegestuurd aan alle Hervormde plaatselijke gemeenten - trouwens ook aan die van de andere bij het I.K.O. aangesloten kerkgenootschappen. In het gebed werd gevraagd om bewaring" opdat wij niet alleen anderen aanklagen maar allereerst onszelf. Beweeg ons door Uw Heilige Geest, zo, dat wij voor alles en in alles klagen over onze zonden."
<93>
Nu zou men met zo'n strofe nog vrede kunnen hebben, als "onze zonden" dan tenminste op enigszins actuele wijze gespecificeerd zouden zijn geworden, bijv. lafhartigheid, en gebrek aan offerbereidheid in het opkomen voor de Joodse naaste. Maar de catalogus van opgesomde zonden bleef zo algemeen, dat het nietszeggend werd. Even verder luidt het gebed: "Leer ons aanvaarden en dragen wat Gij ons oplegt, zolang het U behaagt ons te straffen, omdat wij het hebben verdiend." Zou men echt geloofd hebben dat God de oorlogsellende "oplegde" en dat Hitler als een oordeel Gods beschouwd diende te worden over "onze zonden"? Zouden het Zwitserse en het Zweedse volk, ofschoon de oorlog hun grens voorbijging, minder bedreven hebben dan het Nederlandse? "Aanvaarden en dragen" is toch wat anders dan verzet tegen de boze bieden. Wel wordt het geloof beleden in een God "die het recht doet zegepralen" en wordt er gesmeekt: "Laat Uw macht blijken, Uw recht openbaar worden." Gemist in dit gebed wordt het besef dat het onze taak is om voor de openbaarwording van Gods recht op te komen. Evenmin fraai was het gedeelte waarin voor de Joden gebeden werd:
Wij dragen bepaaldelijk aan U op het volk Israël, dat in deze dagen zo bitter wordt beproefd. Gij zult hen niet voor altijd verstoten, want bij U zijn levende beloften voor hun toekomst. Houd hen staande. Breng hen tot bekering, opdat zij de waarachtige verlossing mogen verkrijgen die Gij geschonken hebt in Christus, Uw Zoon. In het bijzonder bidden wij U voor die kinderen Israëls, die met ons verbonden zijn door eenzelfde geloof. Schenk hun de kracht om hun kruis te dragen, achter Hem aan, in wie zij hun Verlossing hebben gevonden.
Maar Paulus heeft nota bene geschreven dat God zijn volk nu juist niet verstoten heeft, en hij noemt de Joden "geliefden om der vaderen wil" (Romeinen 11 vs 1 en 28). En, hoe men ook over "de bekering der Joden" moge denken - we komen daarop terug in het derde gedeelte van dit boek -, op het moment van de massadeportaties, die zouden leiden tot massa-moord, was er toch nog wel iets anders om voor de Joden af te smeken van de God van Israël. Afgezien nog van de vraag of het juist was om de Christen-Joden apart te noemen: ook voor hen was er wel een andere bede denkbaar dan "de kracht om hun kruis te dragen".
<94>
Tegen dit soort gebeden behoefde de bezetter geen enkel bezwaar te hebben; ze speelden hem veeleer in de kaart. Toch werd het gebed door de meeste andere kerken overgenomen. Wel werd hier de kleur van wat er gebeden werd, mede bepaald door de inhoud van het scherpe protest-telegram, dat voorafgaand aan het gebed werd voorgelezen.
Later zou Touw schrijven: "Voor het vormen van een billijk oordeel moet wel in het oog gehouden worden, dat alléén de Hervormde Kerk voor de pijnlijke beslissing gesteld werd, die de andere kerken bespaard bleef' (nl. het al of niet afkondigen van het telegram). Hier evenwel vergiste Touw zich, en in zijn spoor diverse andere auteurs.[6.4] De andere kerken hebben wel degelijk bewust gekozen voor afkondiging. Soms was één enkel persoon degeen die de beslissing nam. Men kan zich afvragen hoe het besluit was uitgevallen,als op de dag van de beslissing ook de Gereformeerde synode vergaderd had en had moeten beslissen: wel of niet toegeven? De Gereformeerde synode zou pas in september weer vergaderen; Van Dijk was intussen gemachtigd om dergelijke zaken te beslissen en het schijnt dat hij geen ogenblik geaarzeld heeft. Toen ds. Dijckmeester hem het door de Hervormde Synode genomen besluit meedeelde, antwoordde Van Dijk onmiddellijk dat, wat de andere kerken ook mochten doen, het telegram in de Gereformeerde Kerken voorgelezen zou worden. Van Dijk deelde dit eveneens mee aan de vertegenwoordigers van de andere kerken, ook aan mgr. Van de Loo, die op zijn beurt de aartsbisschop informeerde inzake de Duitse eis. "Die (eis) is er overigens het bewijs van, hoezeer de Duitsers de kracht van de afkondiging vrezen, en daarom voor mij persoonlijk een reden te meer, om deze wel te laten doorgaan", aldus mgr. Van de Loo. [6.5] Hij had Van Dijk al gezegd ervan overtuigd te zijn dat de aartsbisschop in geen geval het telegram zou schrappen. Het voorlezen bleek inderdaad voor mgr. De Jong zo vanzelfsprekend dat hij de andere leden van het episcopaat pas 's maandags (na de voorlezing dus) op de hoogte heeft gesteld. 'Wij mochten toch niet toelaten,' schreef hij hen, 'dat de wereldse overheid beslist, wat in onze kerken zal worden voorgelezen, afgezien nog van de praktische bezwaren.' In dezelfde brief schrijft hij ook enkele woorden over het besluit van de Hervormde Synode. Men was te verontschuldigen, want 'de Nederlandse Hervormde Kerk heeft zwaar geleden,' bijna al haar voormannen waren gearresteerd. [6.6]
<95>
f. De kosten
Het telegram werd inderdaad op zondag 26 juli voorgelezen in de meeste kerkdiensten. De volgende dag vergaderde Seyss-Inquart met zijn medewerkers. De bijeenkomst duurde ongeveer een uur. Uit de notulen:
2. Omdat de katholieke bisschoppen - ofschoon ze er niets mee te maken hadden - zich in de aangelegenheid (van de deportaties) hebben gemengd, worden nu alle katholieke Joden nog deze week gedeporteerd. Met interventies mag geen rekening worden gehouden. Commissaris-generaal Schmidt zal op zondag 2.8.42 op een partij- vergadering in Limburg de bisschoppen in het openbaar antwoord geven. 3. Voor het geval dat ook een overwegend aantal protestantse kerken het telegram aan de Rijkscommissaris hebben laten voorlezen, worden ook de protestantse Joden weggevoerd. Tot dit doel moeten de lijsten reeds worden gereedgemaakt. [6.7]
Inderdaad hield Schmidt op zondag 2 augustus een rede waarin hij zei:
(…) Nu werd de vorige zondag, voornamelijk in de katholieke kerken, een schrijven voorgelezen waarin de geestelijkheid de maatregelen tegen de Joden, die ter beveiliging van onze strijd tegen de erfvijand van het avondland worden ondernomen, kritiseert. Ook in enige protestantse kerken werd een schrijven voorgelezen waarin een principieel standpunt werd ingenomen. De vertegenwoordigers van de protestantse kerken hebben ons echter meegedeeld dat de voorlezing van de volledige tekst niet in hun bedoeling lag, maar door technische moeilijkheden niet overal kon worden verhinderd. Wanneer echter de katholieke geestelijkheid op deze wijze blijk geeft zich niets aan te trekken van gevoerde onderhandelingen, dan zijn wij van onze kant gedwongen, de katholieke Joden als onze ergste vijanden te beschouwen en voor hun onmiddellijk transport naar het Oosten te zorgen. Dat is geschied. [6.8]
Van der Leeuw, [6.969] die over het hier volgende uitvoerige gegevens verschaft, acht het onduidelijk waarom bijv. ook de Gereformeerde Joden toen niet gedeporteerd zijn: misschien omdat er een gebrek aan kennis van de kerkelijke verhoudingen bij de bezettingsmacht was, of was het een poging om de samenwerking tussen Protestanten en Katholieken te ondermijnen? Maar Schmidt heeft ongetwijfeld geweten (hij had zijn spionnen, ook in kerkdiensten) dat in alle Protestantse kerken behalve in de Hervormde - en daar soms ook omdat het consigne "geen telegram voorlezen" niet iedere gemeente tijdig bereikt had - het telegram is voorgelezen. Er valt dan ook nauwelijks aan te twijfelen of de bezettende macht Probeerde de kerken uit elkaar te spelen.
<96>
Daarbij leek het feit dat de Protestants-gedoopte Christen-Joden niet gedeporteerd werden een concessie; in de praktijk werd het een chantage-middel. Eind februari 1944 zou Seyss-Inquart schrijven aan Bormann: Ik heb, zoals bekend is, de inmenging van de kerken in het hele Joodse vraagstuk hoofdzakelijk afgeweerd door de gedoopte Joden in een gesloten kamp in Nederland bijeen te houden". Rauters uiteindelijke bedoeling blijkt uit zijn brief van 24 september 1942 aan Himmler: Die protestantischen Juden sind noch hier, hetgeen zeggen wil: ze komen later. Aldus Herzberg (134).
Op die zondag, 2 augustus, waren in alle vroegte 213 Rooms-Katholieke Joden gearresteerd en naar Amersfoort gebracht. De volgende dag werden 44 hunner vrijgelaten: ze waren "gemengd gehuwd". De overigen gingen naar Westerbork en 92 hunner werden nog in augustus naar Auschwitz gebracht en aldaar vermoord. Onder hen waren een aantal kloosterlingen: uit het ene gezin Loeb zelfs drie broers en twee zusters; ook de bekende filosofe Edith Stein, die in haar klooster te Echt was gearresteerd, samen met haar zuster Rosa die daar portierster geworden was. Wielek vertelt: "Niemand van de Joodse vrouwen of mannen, die gedoopt en pater of non waren geworden, was aan deze deportatie ontkomen. Eén voor één hadden zij moedig en gelovig hun lot gedragen." Tegen de wil van Edith Stein werd door bemiddeling van een marechaussee de aartsbisschop te Utrecht opgebeld. Maar deze kon niets bereiken. "En de nonnen en paters in hun zwarte en bruine kloosterdracht met de goudgele ster bestegen, terwijl zij de rozenkrans door hun handen lieten glijden en het Onze Vader baden, de wagon naar Polen." [6.10] Aartsbisschop de Jong zond op 2 augustus een telegram naar Seyss-Inquart waarin hij om "barmhartigheid" vroeg. Hij heeft geen antwoord gekregen.
g. Vergeefse pogingen
Ook pogingen die tot niets leidden zijn soms het vermelden waard. We noemen er twee.
Foto 15. Dr. Edith Stein
<97>
In zijn Waar stond de Kerk? vertelde ds. Buskes:
Wij herinneren ons een vergadering (van het I.K.O.) waarin de Remonstrantse ds. Kleijn een voorstel deed, dat zeker geen praktisch resultaat zou hebben opgeleverd, maar dat toch op ons een diepe indruk maakte. De Jodenrazzia's waren in Amsterdam begonnen. Ds. Kleijn stelde voor de Nieuwe Kerk op de Dam tot een toevluchtsoord voor de bedreigde Joden te maken. De voorgangers van de verschillende kerken zouden in ambtsgewaad de toegangen tot de kerk moeten bezetten en met de Joden in de kerk moeten staan of vallen. Als demonstratie zou dit gebeuren van de allergrootste betekenis zijn geweest, een getuigenis met de daad in het hart van ons volksleven. [6.11]
Later gaf Buskes nog het volgende commentaar: "Nadat hij (Kleijn) gesproken had waren allen met stomheid geslagen. Ze waren onder de indruk. Toch maar heel even. In feite waren ze allen bang voor een publieke demonstratie. Het voorstel werd dan ook als de uiting van onwerkelijke romantiek van tafel geveegd. Ik was inderdaad de enige die uit volle overtuiging het voorstel steunde…" [6.12]
<98>
Ook bij een ander voorval was Buskes betrokken:
In onze herinnering leeft verder nog voort de tocht, die wij samen met ds. Brink op verzoek van de voorzitter van het I.K.O., dr. Van Dijk, naar Westerbork maakten. De Joden werden uit Westerbork naar Duitsland op de meest onmenselijke wijze getransporteerd. Dr. Van Dijk wilde gegevens hebben om bij de Duitsers te kunnen protesteren. Het gelukte ds. Brink en mij - ieder op eigen gelegenheid - tot vlak bij het transport door te dringen. Het was het derde transport op 21 juli 1942. Nooit zullen we vergeten wat we op de morgen van die prachtige zomerdag zagen. De Joden werden in veewagens gestopt: in elke wagon ongeveer zestig mensen. Zo'n wagon heeft een oppervlak van 21 1/2 M2. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes, alles door elkaar, met al hun bagage. De wagons werden van buiten gegrendeld. De reis zou enkele dagen en nachten duren. Medische hulp was afwezig. Particulieren - niet de Duitsers - zorgden ervoor dat in elke wagon twee emmers waren: één voor drinkwater en één als WC. [6.13]
Inderdaad heeft dr. Van Dijk bij Schmidt geprotesteerd; het heeft geen enkel resultaat gehad.
<99>
a. De situatie (januari tot begin mei 1943)
Op 19 januari werd prinses Margriet geboren. Dat was al gauw overal bekend en was voor velen reden tot grote vreugde. De slag om Stalingrad eindigde met Duitslands nederlaag (2 febr.); generaal Paulus werd gevangen genomen. 3 dagen later werd de beruchte Nederlandse generaal Seyffardt door het verzet doodgeschoten. Omdat er aanwijzingen waren dat studenten de aanslag gepleegd hadden, werden op 6 februari grote razzia's op studenten gehouden. Er werden er een 600 gegrepen. Op 25 maart weigerden de Nederlandse artsen om lid van de Artsenkamer te worden. Op 27 maart werd het Amsterdamse bevolkingsregister in brand gestoken. Leden van het overkoepelende "Nationale Comité" (waaronder dr. J.J.C. van Dijk) werden op 1 april gearresteerd. Op 29 april maakte generaal Christiansen bekend dat alle ex-militairen terug zouden worden gevoerd in krijgsgevangenschap. Bovendien zouden nieuwe lichtingen jongemannen worden opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Daarop braken (30 april) stakingen uit in het gehele land. Op 1 mei werd in het gehele land het standrecht afgekondigd. Op verschillende plaatsen werden stakenden in de daarop volgende dagen geëxecuteerd.
19,jan.: Leningrad is ontzet. Ik ben er stuk van gewoon. Dat is meestal met een of twee dagen weer over want dan komen er berichten, dat het nog niet zo is en dan zakt het enthousiasme weer. Maar nu worden de moffen overal teruggeslagen, en de Jappen ook, en de Prinses (Juliana) is in het ziekenhuis (voor de bevalling) en ik ben ook zo vreselijk blij dat we muisjes hebben. 29 jan.: De rantsoenen van vlees en melk zijn weer verminderd: vlees krijgen we nu 175 g. per week met been, dat is ± 135 g. zonder been. En taptemelk 3/4 1. per dag met z'n vieren, zoals bij ons. 7 febr.: Hier in Renkum is door de Grune Polizei huiszoeking gedaan bij verschillende mensen. In een huis hebben ze 3 Joden gevonden.
<101>
22 febr.: Er worden afschuwelijke dingen verteld over de behandeling van de mensen in concentratiekampen; ze hebben veel te weinig kleren aan, moeten soms met het bovenlijf bloot lopen en worden geranseld en gebeuld. Als ze een pakje krijgen, wordt er soms voor hun ogen wat uitgegapt door de moffen. En de mensen in Dachau moeten in kalkmijnen werken, en over smalle planken mei kruiwagens lopen. Heel vaak vallen ze van de planken af en dan krijgt men thuis bericht: "door een ongeval om het leven gekomen." 28 maart: Verleden week is er bij een zekere Brouwer op de Bennekomse weg een inval gedaan. Er waren 5 Joden in huis. Nu was er achter zijn huis een overdekte kuil, waarin ze bij nood konden vluchten, wat ze inderdaad ook deden. Maar de kerels die kwamen wisten dat er Joden waren, en hebben Brouwer net zo lang op zijn gezicht geranseld tot hij het zei. Het moet afschuwelijk geweest zijn. 5 april.: Alle Joden, behalve in N. en Z. Holland en in Utrecht, moeten zich melden in Vught. Ze mogen hun kostbaarheden meenemen … 30 april.: (Eerst uitvoerig over de staking; wij staken ook: de winkel is op slot gegaan. Dan:) Voor de aardigheid wil ik even de "zwarte" prijzen van een paar artikelen memoreren: boter: 14 - 20 gld./pond vet: 14 - 25 gld./pond vlees 3 1/2 - 6 gld./pond koffie 75 - 90 gld./pond (geven de moffen) Zojuist hoorde ik dat er aangeplakt staat dat alle zaken morgen gewoon open moeten zijn, en dat het verboden is zich tussen 20 u. en 6 u. op straat te begeven. 3 mei: Vanmorgen stond er in de krant dat er 17 personen gefusilleerd zijn. 5 mei: Op de Hevea-fabriek zijn er 7 mensen gefusilleerd, wegens staking.
Op 21 januari werden de 1200 verpleegden uit de Joodse psychiatrische inrichting "het Apeldoornse Bos" gedeporteerd. Op 1 april werden ook alle gemengd-gehuwde Joodse ambtenaren ontslagen. Op diezelfde dag moesten de Joden uit de provincie naar het concentratiekamp Vught. In de loop van deze maand begon ook de "vrijwillige" sterilisatie van Joden die "gemengd gehuwd" waren. Vanaf 14 mei was voortaan aan alle Joden het verblijf in Amsterdam verboden, tenzij uitdrukkelijk van deze maatregel vrijgesteld.
<102>
b. "Wie meewerkt is medeschuldig "
Er zou iets voor te zeggen zijn om nu eerst de gebeurtenissen rondom de Protestants- gedoopte Joden weer te geven; we komen evenwel op hun lot terug in hfdst. 9 en vervolgen de chronologische behandeling van de protesten van de kerken. Het scherpste publieke protest ooit ingediend kwam tot stand mede onder leiding van de uit zijn gijzeling ontslagen en kennelijk ongebroken ds. Gravemeyer. De kanselboodschap luidde als volgt:
De gebeurtenissen van de laatste weken nopen de Kerken zich tot de gemeenten te wenden. Het is de taak der Kerk, hoe zeer ook doordrongen van eigen schuld voor God - krachtens haar van Christus' wege opgelegde roeping -, haar stem te doen horen, ook wanneer in het openbare leven de in het Evangelie verankerde beginselen worden aangetast. Zij heeft zich derhalve reeds meermalen gewend tot de bezettende macht met ernstig beklag over maatregelen, die bijzonder in strijd zijn met de beginselen die de grondslagen vormen van ons Christelijk volksleven: gerechtigheid, barmhartig- heid en vrijheid van levensovertuiging. De kerk zou immers schuldig staan, indien zij niet de machthebbers erop zou wijzen, dat ook zij aan de Goddelijke Wet onderworpen zijn. Daarom bracht zij reeds onder de aandacht van de bezettende macht: de toenemende rechteloosheid; het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers; het opdringen van een levens- en wereldbeschouwing, die lijnrecht in strijd is met het Evangelie van Jezus Christus; de verplichte arbeidsdienst als nationaal-socialistisch opvoedingsinstituut; het aantasten van de vrijheid van het Christelijk onderwijs; het gedwongen tewerkstellen van Nederlandse arbeiders in Duitsland; het ter dood brengen van gijzelaars; het gevangen nemen en het gevangen houden van velen, o.a. van kerkelijke ambtsdragers onder zodanige omstandigheden dat reeds een ontstellend aantal in de concentratiekampen het offer van hun leven moesten brengen. Thans moet zij opkomen tegen het opjagen, grijpen en wegvoeren van duizenden jonge mensen. Aan de andere kant acht de Kerk zich echter geroepen met de meeste nadruk te waarschuwen tegen haat en wraakgevoelens in het hart van ons volk en haar stem te verheffen tegen de uitingen daarvan. Niemand mag, naar het Woord van God, het recht in eigen hand nemen.
<103>
Maar evenzeer hebben zij de roeping ook dit Woord van God te prediken: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen". Dit Woord geldt immers als richtsnoer bij alle gewetensconflicten, ook bij die, welke door de genomen maatregelen zijn opgeroepen. Dit Woord verbiedt medewerking te verlenen aan daden van onrecht, waardoor men zich mede aan dat onrecht schuldig zou maken. De Kerken zullen dit opnieuw onder de aandacht van de Heer Rijkscommissaris brengen en zij bidden van God, dat en de bezettende macht en ons volk de weg der gerechtigheid en der gehoorzaamheid aan Zijn Woord mogen gaan.
Het bovenstaande is de versie die van alle kansels afgekondigd diende te worden in de kerkdiensten op zondag 21 februari. Seyss-Inquart ontving een iets gewijzigde versie (en in het Duits), gedateerd 17 februari, waarin de kernzinnen gelijkluidend waren aan het voor te lezen protest. De brief aan de Rijkscommissaris eindigt als volgt:
Heer Rijkscommissaris, het is in gehoorzaamheid aan haar Heer, dat de Kerken dit woord tot U moeten richten; zij bidden God, dat Hij U in Zijn weg moge leiden tot herstel van het zo ernstig geschonden recht in de uitoefening van de Macht.
In dit protest wordt "het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" nadrukkelijk genoemd, maar "de gebeurtenissen van de laatste weken" noopten de kerken tot dit protest. De Joden werden al maandenlang opgejaagd en gearresteerd. Het is te betreuren, dat de krachtige uitspraken in dit protest niet veel eerder van alle kansels geklonken hebben. We maken nog een paar kanttekeningen. De lijst van de acht punten waartegen geprotesteerd werd toont, hoe zeer ons volk door de bezetters in het nauw gedreven werd. Toch waarschuwden de kerken tegen "het recht in eigen hand nemen", kennelijk naar aanleiding van de aanslag op Seyffardt. Het belangrijkste was: in feite riepen de kerken op tot burgerlijke ongehoorzaamheid. In de brief aan Seyss-Inquart is het zelfs nog iets scherper geformuleerd dan in de kanselafkondiging: "Om der wille van het recht Gods mag door niemand enige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor aan dat onrecht medeschuldig maakt."
<104>
De politie-agenten bijv. die de opdracht kregen om Joden of ondergedoken arbeiders te arresteren, wisten nu, wat hun plicht was. Eigenlijk wisten ze dat toch al wel, ook zonder kerkelijke uitspraken, want het ging om een waarheid als een koe. Maar arglistig is ons hart en een excuus is snel gevonden, vooral als het nakomen van je plicht je duur kan komen te staan.
c. Niet in de Gereformeerde Kerken afgelezen
Alle bij het I.K.O. aangesloten kerken ondertekenden dit protest, maar de Gereformeerde vertegenwoordigers vroegen wat betreft de publieke afkondiging om uitstel. Delleman vermeldt:
De Gereformeerde Kerken hebben zich daarbij niet kunnen aansluiten, aangezien in het I.K.O. van de zijde der Herv. Kerk het voorstel tot kanselafkondiging onverwacht werd gedaan, ten einde nog vóór de indiening van het protest de voorlezing te doen plaatshebben. Van de zijde der Gereformeerde Kerken werd meegedeeld, dat het niet mogelijk zou zijn aan de kerkenraden tijdig de nodige mededelingen te doen toekomen; een voorstel om de beslissing een week uit te stellen werd niet aanvaard. Aangezien het in het voornemen lag van de Gereformeerde Kerken, dat binnen korte tijd een bidstond zou worden uitgeschreven, werd in de bidstond van 7 maart 1943 de nood van de wereld en in het bijzonder de nood van ons volksleven voor de troon van Gods genade gebracht.
Nu achten wij bidden aanbevelenswaardig, maar tijdens de hierboven aangekondigde bidstond werd nu juist niet gezegd wat er wel in het protest gezegd was: Nadat diverse plaatselijke kerken naar de redenen voor het niet aflezen geïnformeerd hadden, stuurde de synode - na raadpleging van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid - een brief naar de kerkenraden, waarin men zich achter de handelwijze van deputaten stelde en, behalve het reeds bovengenoemde argument, nog aanvoerde: "een publiek getuigenis dient om principiële redenen slechts in zeer bijzondere gevallen te geschieden." Bovendien zou het bedoelde adres in de kerken worden voorgelezen voordat het aan Seyss-Inquart was toegezonden, "hetgeen in strijd was met de door de kerken tot dusver gevolgde en door ons als juist geoordeelde praktijk." [7.1] Maar waren dit alle redenen? Ook De Jong kwam daar niet uit. [7.2]
<105>
Later, in deel 13, noemt de Jong dan een reden die noch door Delleman, noch door de synodale brief vermeld was: "Ook trof het hen (de Gereformeerden) pijnlijk dat de Hervormden samen met de kleinere protestantse kerken, maar zonder overleg met hen, reeds alle nodige stukken hadden opgesteld." [7.3] Helaas ben ik er niet in geslaagd te weten te komen, uit welke bron de Jong hier put.
Het blijft verwonderlijk dat een militant man als oud-minister van defensie Van Dijk, die zomer 1942 onmiddellijk tot afkondiging van het telegram had besloten, nu blijkbaar aan de (te) voorzichtige kant bleef. Nu is ds. F.C. Meijster stellig betrokken geweest bij de beslissing om ditmaal niet af te kondigen: het moderamen (bestuur) was daartoe immers, met deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid, gemachtigd (zie hfdst. 2, b). Ds. Meijster was, behalve praeses (voorzitter) van de synode, ook praeses van de kerkeraad van Rotterdam. In de notulen van een vergadering van die raad, welke onder zijn leiding stond, vond ik vermeld:
Het adres van 22 februari aan Seyss-Inquart is niet ter kennis van de gemeente gebracht. Hierover wordt gesproken, alsmede over de bedoeling van de zinsnede: 'Om der wille van het recht Gods mag door niemand enige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor aan het onrecht medeschuldig maakt'. Aan ouderlingen en diakenen zal een afschrift van dit adres worden ter hand gesteld. [7.4]
De bedoeling van de uit het protest geciteerde zinsnede lijkt ons glashelder; maar om deze aansporing tot ongehoorzaamheid aan de bezettende macht publiekelijk voor te lezen en eventueel zelf te volbrengen, daar had men blijkbaar moeite mee…
Wegens zijn lid-zijn van het Nationaal Comité (een overkoepelende geheime organisatie, waarin hij fungeerde als de militaire specialist) werd dr. J.J.C. van Dijk op 1 april 1943 gearresteerd. Dr. A.A.L. Rutgers volgde hem op in het I.K.O.
Ruim twee maanden na de afkondiging - op zaterdagavond 1 mei - werd ik door twee agenten gegrepen en opgesloten in de cel van het politiebureau. Ik was na achten op straat geweest, ofschoon de Duitsers vanwege de uitgebroken staking "avondklok" hadden gedecreteerd. Gelukkig wisten de agenten niet dat mijn broer (die wist te ontsnappen) en ik zo juist een oproep hadden aangeplakt om de staking voort te zetten.
<106>
Een van de twee agenten was Gereformeerd. Ik vraag me af of hij de moed zou hebben gehad om me te laten lopen, als het hierboven besproken protest ("medewerking maakt medeschuldig") ook in onze kerk was afgelezen.
d. Nog een schep er bovenop
Aukes, de biograaf van mgr. de Jong, verhaalt dat de aartsbisschop in een brief aan de overige bisschoppen schreef: Het tempo waarin de gebeurtenissen zich afspelen, is haast niet bij te houden. Wij sturen daarom een koerier. Eerst zouden alleen de Joden ter sprake gebracht worden, en nauwelijks was de discussie afgesloten, of er kwam bij het gewelddadig wegvoeren van studenten en andere jeugdige personen. Wij hebben U daarover reeds geschreven. Intussen zaten ook de Protestanten niet stil. (Men had in die kring een request aan de Rijkscommissaris opgesteld). Wij zouden dat niet weten te verbeteren.
Het was de bedoeling dat dit request door Protestanten en Katholieken van de kansels zou worden voorgelezen, met een eigen tekst omraamd. De aartsbisschop vond, dat in die omraming een "uitdrukkelijk verbod tot medewerking aan het ellendig lot van de talloze onschuldigen" moest worden opgenomen. Bericht voor woensdag, "op een of andere manier", was gewenst (nl. of de bisschoppen akkoord gingen). De donderdag was dan voor het afdrukken van het herderlijk schrijven. Pas 's avonds kon dat klaar komen. "Daarom is het nodig, dat u nu al begint met de organisatie van het rondsturen. Wij verwachten, dat ieder uwer vrijdagmorgen (op zijn vroegst donderdagavond na 7 uur) iemand stuurt om zijn exemplaren te halen. Om tijd te winnen kan deze persoon voor donderdagnacht logies zoeken in Utrecht. Dan kan hij 's morgens met de eerste trein vertrekken." [7.5]
Door middel van deze brief krijgen we een indruk van de "logistieke" problemen die moesten worden opgelost. Drie dagen later schreef mgr. de Jong aan zijn mede- bisschoppen, dat huiszoeking door de Sicherheitspolizei mogelijk was en dat hij maatregelen nam om de stukken onvindbaar op te bergen. Mgr. (…) stelt de vraag wat wij moeten doen, indien bijv. 's avonds zich bezoek aandient met de bedoeling om het voorlezen te verhinderen. Het is duidelijk, dat wij allen dan één lijn moeten trekken en wij twijfelen niet, of wij moeten antwoorden, dat wij ons door niemand laten beletten ons ambt u it te oefenen, dus voor geen dreigementen op zij gaan.
<107>
Daarom had hij onder het stuk laten zetten, ging de aartsbisschop voort, "dat de pastoors inzake het voorlezen van herderlijke brieven zich uitsluitend hebben te houden aan de instructie van hun bisschop." Dan wisten ook zij wat zij casu quo te doen hadden, zo besloot hij.
Zo werd op zondag 21 februari in alle Rooms-Katholieke kerkdiensten het herderlijk schrijven voorgelezen. Daarin werd allereerst het volledige protest gericht aan Seyss-Inquart geciteerd. Daarna volgde:
Dierbare gelovigen! Bij alle onrecht dat geschiedt en het leed, dat wordt geleden, gaat onze deelneming zeer in het bijzonder uit naar de jeugdige personen die met geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd, alsook naar de Joden, en naar onze katholieke geloofsgenoten die uit het Joodse volk zijn voortgekomen, die aan zulk groot lijden zijn blootgesteld. Bovendien echter gevoelen Wij Ons gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering van de tegen deze twee groepen van personen genomen maatregelen de medewerking wordt geëist van onze eigen landgenoten zoals van autoriteiten, van ambtenaren, van bestuurders van inrichtingen. Beminde gelovigen, het is Ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om alle twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en de mensen uw plicht doet. Dierbare gelovigen! Machtsmiddelen staan ons niet ten dienste. Des te meer wekken Wij u op tot het uiteindelijk nooit falende middel van een smekend gebed, dat God spoedig medelijden moge hebben met Ons en de wereld.
Bij de Gereformeerden was de oproep tot gebed in plaats van de afkondiging van het protest gekomen. Bij de Katholieken daarentegen kwam het gebed helemaal aan het eind, na de afkondiging van het protest en van de oproep om niet mee te doen aan het onrecht. Dat was veel sterker.
De bisschoppen hadden bovendien de klem van de oproep tot dienstweigering op geen enkele manier afgezwakt. Integendeel, zij hadden die in hun eigen herderlijk schrijven herhaald en aangescherpt.
<108>
Stokman vermeldt nog: "Ernstige pogingen zijn in het werk gesteld om hen (nl. politie-agenten die opdracht kregen Joden op te halen) tot een algemeen en consequent volgehouden weigering van deze opdrachten te brengen, doch dit is slechts ten dele gelukt. [7.6]
e. Resultaat?
"Ten dele gelukt", dat weten we:
Wanneer een zestal Rooms-Katholieke agenten van politie op 24 februari 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris meedelen, dat zij op grond van een in de kerk op 21 februari voorgelezen herderlijk schrijven zouden weigeren, indien daartoe bevolen, Joden te arresteren, dreigt deze hoofdcommissaris met ontslag zonder pensioen, gage of wachtgeld, terwijl zij, die hem van hun voorgenomen weigering geen mededeling doen en zich toch daartoe verstouten, 'als saboteurs zullen worden beschouwd met alle ernstige gevolgen daaraan verbonden.' Hier voegen wij aan toe, dat de zes voornoemd meteen door de Duitsers werden gezocht; men arresteerde, toen zij ondergedoken bleken, hun vrouwen en kinderen.
Aldus Presser. [7.7] Dat waren zes Katholieke agenten in Utrecht. Waren er meer RK agenten die weigerden, en waren er ook Protestantse? Volgens de gegevens verstrekt door L. de Jong zagen vele leden van het politiekorps te Utrecht, die eerst mee hadden willen doen, daarvan af omdat "pogingen die van Utrecht uit ondernomen waren om de politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam tot een collectieve weigering te bewegen, geen enkel succes hadden." [7.8] De Jong noemt verder de weigering van het hele politiecorps te Enschede, maar onder zware pressie hielden slechts vier stand die onderdoken. Verder werden twee weigeraars te Assen gearresteerd (een hunner kwam om in Dachau), elf in Grootegast werden naar Vught gebracht, vijf te Nunspeet eveneens. Toen de elf van Grootegast geteld werden, zei een Duitser; "Er zijn er toch elf, ja, es stimmt". Waarop een van de gevangenen, Boonstra, zei: "Het is fout, er zijn er twaalf, u hebt God vergeten, Hij' gaat altijd met ons mee." Ook Boonstra kwam om in Dachau.
Huizing en Aartsma schreven:
<109>
Wat de politieorganisaties nalaten, doen de kerken. Wat de meeste politie-chefs niet durven, nemen talrijke predikanten en priesters voor hun verantwoording. De kerk laat zich horen bij ethische vragen over racisme, dwangarbeid, deportatie van Joden, de jacht op mensen. Het blijken dan ook vooral gelovige politiemensen te zijn die in verzet komen.
Dezelfde auteurs noemen nog vier politieagenten te Kampen die geweigerd hebbenom Joden op te halen. [7.9]Desondanks blijft het een onloochenbaar feit dat de overgrote meerderheid (ookvan hen die tot een kerk behoorden) voor de druk bezweken is en wél heeft meegewerkt.
Dat het protest van de kerken - behalve tot politieagenten - ook tot andere functionarissen gericht was en hen aansprak, moge blijken uit een protestbrief van zeven burgemeesters in Noord-Holland, gericht tot vier secretarissen-generaal. De formulering van deze brief is hier en daar letterlijk overgenomen uit het kerkelijk protest.[7.10] Een veel groter aantal burgemeesters ondertekende een andere, soortgelijke brief. Maar de toenmalige burgemeester van de gemeente Renkum was een Gereformeerde broeder. Als er een bevel kwam om Joden in de gemeente op te halen ging hij, het hoofd van de politie, een paar dagen met vakantie. Als hij terugkwam, was de arrestatie geschied. Na de oorlog hebben we geprobeerd deze man in het kader van de zuivering weg te krijgen; dat is ons niet gelukt.
Wie nu hen die toen faalden be- en veroordeelt, diene te bedenken dat de prijs voor weigering hoog was: diverse politiemannen werden gearresteerd en sommigen hunner kwamen om. Wie onderdook ging een onzekere toekomst tegemoet; de grote groei van de LO (Landelijke Organisatie tot steun aan onderduikers) vond pas zomer 1943 plaats. Voor die tijd was het een klemmende vraag: wie zorgt er voor de zo noodzakelijke (distributie-) bonkaarten, als je onderduikt? Bovendien kwam ontslag zonder pensioen hard aan: de crisis-jaren lagen nog vers in het geheugen. Velen kenden uit eigen ervaring de vloek van de werkeloosheid. Mogelijk was een van de belangrijkste resultaten van de kerkelijke oproep tot dienstweigering: bevordering van de bereidheid om onder te duiken, ook al deed men dat nog niet op stel en sprong. Zomer 1943 groeide het aantal van hen die als politieman verdwenen, met medeneming van hun wapens.
<110>
Intussen had de Landelijke Organisatie zich uitgebreid als een olievlek. Schrijver dezes was in zijn dorp "plaatselijk leider" (zo heette dat) van deze organisatie geworden. Via het LO-netwerk kreeg ik de vraag of een zekere politieman Cornelis van Veldhuizen betrouwbaar was. Dat was Kim; we waren samen naar school gegaan en hadden op dezelfde jongelingsvereniging gezeten. Ik liet weten: "100 % betrouwbaar". Kort daarna dook Kim onder met medeneming van zijn wapens. Hij trad toe tot een KP (= knokploeg: een gewapende groep die distributiebureaus en gemeentehuizen overviel, teneinde bonkaarten en persoonsbewijzen voor onderduikers te bemachtigen). Daarop werden Kims ouders, een broer en zijn verloofde gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp te Vught. Toen Kim desondanks niet boven water kwam, werden ze na een half jaar vrijgelaten.
8. STERILISATIE; DE, "Joden-GOD"; DE "GEMENGD GEHUWDEN"
a. De situatie (begin mei - november 1943)
Op 7 mei werd bekendgemaakt dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich bij de Arbeids- bureaus zouden moeten melden, voor tewerkstelling in Duitsland. Een week later kwam het bevel tot inlevering van alle radio's. De Engelsen bombardeerden met succes twee stuwdammen in Duitsland, waardoor grote schade werd aangericht. Op 9 juli landden de geallieerden op Sicilië; vrij snel daarna (25 juli) werd Mussolini afgezet. Op 8 sept. volgde de capitulatie van Italië en de dag daarop landden de geallieerden bij Salerno; de Engelsen waren definitief terug op het vasteland van Europa. Die zomer lanceerden de Duitsers een groot offensief in Rusland en boekten aanvankelijk enige terreinwinst; maar het offensief liep vast, de Russen begonnen hun tegenaanval en heroverden op 8 november de stad Kiew. In het verre Oosten maakten de Amerikanen gestadig vorderingen; 20 november landden ze op de Gilbert-eilanden.
10 mei (1943): Drie jaar hebben we nu oorlog. Drie jaar van onderdrukking, bezetting, slavernij, bloed en tranen. Het lijkt onoverkomelijk, als men alles van te voren zou weten; toch is ons gezinsleven nog betrekkelijk normaal, en kunnen we zelfs op z'n tijd nog echt plezier hebben en lachen. Zaterdagmorgen werd er bekendgemaakt, dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich voor de "Arbeidsinzet" moeten melden. Nu zijn onze jongens eindelijk ook de pier. Enfin, ze zullen geen gemakkelijke aan ons hebben. In het begin waren we nogal ontdaan, maar bij nader inzien beschouwen we deze maatregel als de laatste stuip- trekkingen van het wilde beest. Want zaterdagmorgen werd er nog een ander bericht bekendgemaakt: n.l. de val van Tunis en Bizerta. 13 mei: Thee surrogaat en juspoeder zijn nu ook op de bon. 19 mei: Drie jaar hebben we gewacht, gewacht… en nu eindelijk lijkt bet zo dichtbij. Misschien duurt het nog een half jaar, een jaar, maar het kan haast niet meer. Zo lang houden we het nu niet meer uit. 23 mei: Dinsdag moeten de jongens zich melden die in '22 en '23 geboren zijn. Nu is eindelijk één van onze jongens de klos n.l. Wim. Natuurlijk zal bij zich niet gaan melden. Dat wordt onderduiken.
<112>
Zoals reeds in het vorige hoofdstuk vermeld, werd per 14 mei 1943 aan alle Joden het verblijf in Amsterdam verboden tenzij men een speciale vrijstelling had. Op 25 juli werd er een geheim bericht door de Sicherheitsdienst naar Berlijn gezonden: "Van de 140.000 Joden in Nederland zijn er thans 102.000 weg, waarvan 72.000 gedeporteerd…' Nu ging de aandacht zich richten op de groepen waarvan de deportatie nog was uitgesteld. Daartoe behoorden de "gemengd-gehuwden". Er waren er in Nederland ruim 12.000, waaronder ongeveer 1500 mannen en ruim 1000 vrouwen die geen kinderen hadden, De kinderloze gemengd-gehuwden moesten naar Westerbork gevoerd worden, maar wat betreft de overige gemengd gehuwden diende er "naar vrijwillige sterilisatie gestreefd te worden", aldus W. Harster, bevelhebber van de Sicherheitsdienst. Als bewijs van de "vrijwilligheid" zouden de betrokkenen dienaangaande een schriftelijke verklaring hebben af te leggen. Op 13 augustus werden de patiënten van het Nederlands Israëlietisch Ziekenhuis te Amsterdam naar Westerbork gedeporteerd. Op 29 september werden er nog 3000 Joden te Amsterdam opgehaald die tot nader order van deportatie vrijgesteld waren geweest; onder hen de twee voorzitters van de Joodse Raad. Hun werk was afgelopen.
b. Mooi Nederlands, geschreven in het Duits
De gemengd-gehuwden die al in Westerbork waren (600 zonder, maar 103 met kinderen) werden op 14 mei voor de "vrijwillige" keus gesteld: sterilisatie of deportatie. Het hele kamp sprak over de nieuwe maatregel, en vermoedelijk daardoor kwam de zaak ter ore van het te Amsterdam gevestigde "Advies-bureau ten bate van niet- Arische christenen", waarvan de Hervormde predikant dr. J. Koopmans de drijvende kracht was. Indertijd had hij de hier eerder vermelde brochure Bijna te laat geschreven. Koopmans nam onmiddellijk contact op met de vertegenwoordigers van de kerken in het I.K.0. Men verzocht hem, een concept op te stellen hetwelk hij zonder dralen deed. Vaak malen kerkelijke molens langzaam, maar ditmaal was dat niet het geval. Het protest tegen de sterilisatie werd door alle leden van het I.K.O. goedgekeurd, ondertekend en vervolgens aan Seyss-Inquart gezonden. Het was gedateerd 19 mei 1943, en luidde als volgt:
<113>
Na al hetgeen waartegen de Christelijke Kerken in Nederland zich in de jaren der bezetting reeds gedwongen hebben gezien bij Uwe Excellentie ernstige bezwaren in te brengen, met name als het ging om de Joodse burgers van ons land, gebeurt er op het ogenblik iets zo ontzettends, dat wij onmogelijk kunnen nalaten in de Naam van onze Heer een woord tot Uwe Excellentie te richten. Wij hebben ons reeds beklaagd over verschillende daden van de bezettende macht, die indruisen tegen de geestelijke grondslagen van ons volk, dat sinds de tijd van zijn ontstaan althans getracht heeft met zijn regering onder het woord van God te leven. Nu heeft men in de laatste weken een begin gemaakt met de sterilisatie van de zogenaamd gemengd gehuwden. Maar God, die hemel en aarde geschapen heeft en wiens gebod voor alle mensen geldt, voor wie ook Uwe Excellentie eenmaal rekenschap zal moeten afleggen, heeft tot de mens gezegd: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u (Gen. 1: 28). De sterilisatie betekent een verminking naar lichaam en ziel, die lijnrecht in strijd is met het goddelijk gebod, dat wij de naaste niet zullen "onteren, haten, kwetsen of doden". De sterilisatie betekent een schennis zowel van goddelijke geboden alsook van menselijk recht. Zij is de uiterste consequentie van een antichristelijke en volksvernietigende rassenleer, van een mateloze zelfverheffing, van een wereld- en levensbeschouwing die een waarlijk christelijk en menselijk leven onmogelijk maakt. Gij, Excellentie, zijt op het ogenblik in Nederland in feite de hoogste politieke autoriteit. Aan U is het, zoals de zaken thans staan, toevertrouwd recht en orde in dit land te handhaven - toevertrouwd niet alleen door de leider van het Duitse Rijk, maar krachtens een ondoorgrondelijke beschikking ook door die God, die de Christelijke Kerk op aarde verkondigt. Voor U gelden, op dezelfde wijze als voor alle andere mensen, maar nog in het bijzonder omdat Gij nu eenmaal deze hoge plaats bekleedt, de geboden van de Heer en Rechter der gehele aarde. Daarom zeggen de Christelijke Kerken in Nederland in opdracht van God en op grond van Zijn Woord tot Uwe Excellentie: het is de plicht van Uwe Excellentie de schandelijke praktijken dergenen, die de sterilisatie toepassen, te verhinderen. Wij maken ons geen illusies. Wij zijn ons wel bewust, dat wij nauwelijks kunnen verwachten dat Uwe Excellentie acht zal geven op de stem der Kerk, dat is op de stem van het Evangelie, dat is op de stem van God. Maar wat men menselijkerwijs gesproken niet kan verwachten, dat mogen wij in het christelijk geloof hopen. De levende God heeft macht ook het hart van Uwe Excellentie te neigen tot bekering en gehoorzaamheid. Dat bidden wij dus van God, Uwer Excellentie en ons lijdend volk ten goede.
<114>
De woorden "de naaste niet onteren, haten, kwetsen of doden" zijn een aanhaling uit het antwoord van de Heidelbergse Catechismus (zondag 40) op de vraag: "Wat eist God in het zesde gebod"? (Gij zult niet doden).
De Oud-Katholieke aartsbisschop schreef kort daarop (8 juni) aan ds. Gravemeyer:
(…) Hedenmorgen ontving ik van particuliere zijde een afschrift van een "protest" van 9 kerken in zake de sterilisatie-zaak. Tegelijkertijd verneem ik, dat zelfs Rooms-Katholieken er hun bevreemding over uitspreken en het betreuren, dat onze kerk niet onder de ondertekenaars behoort. Mijn medebisschoppen en ik moeten dit van harte beamen: wij behoorden eveneens daaronder te staan… [8.1]
Daarop stuurden de bisschoppen van de Oud-Katholieke kerk een brief aan de Rijkscommissaris waarin zij hun instemming met het protest tegen de sterilisatie betuigden.
Het protest werd niet vanaf de kansels voorgelezen, wel aan alle kerkenraden toegezonden. De Gereformeerde deputaat dr. A.A.L. Rutgers voorzag het stuk van de aantekening: "Dit adres is niet bestemd voor publicatie of voor mededeling van de kansel; overigens is geheimhouding niet vereist maar acht ik het zelfs gewenst, dat de gemeente kennis draagt van dit adres." Touw wijst erop, dat de toon van het protest wel een heel andere was dan die van het eerste request over de maatregelen tegen de Joden (okt. 1940). Hij acht "dit profetisch getuigenis een der aangrijpendste documenten uit de gehele strijd der kerk tegen het goddeloze nationaal-socialisme. De toon doet denken aan die van de grootste documenten uit klassieke tijden: aan Guido de Bres, aan John Knox." Herzberg vindt dat het "tot het mooiste Nederlands behoort dat ooit in het Duits is geschreven." [8.2] Ook ditmaal kwam er geen rechtstreeks antwoord van Seyss-Inquart, maar zijn voornaamste Sachbearbeiter op kerkelijk gebied, prof. H. Nelis, deelde mee dat de sterilisatie op basis van vrijwilligheid plaatsvond, dat Rauter ermee belast was en de kerken zich dus tot hem dienden te wenden. Waarop de kerken nogmaals aan Seyss-Inquart een brief gestuurd hebben waarin zij schreven dat zij "Uwe Excellentie beschouwen als de uiteindelijk verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren geschied is en nog geschiedt."
<115>
c. De Joden-God" en de "Joden-bijbel"
Een voorbeeld van wel langzaam malende kerkelijke molens was de ontstaansgeschiedenis van het tweede Hervormde Herderlijk schrijven. In oktober 1942 besloot de Hervormde Synode al tot een geschrift, waarin de tegenstelling tussen het Christelijk geloof en het nationaal-socialisme duidelijk zou worden uiteengezet. Het concept was, op verzoek van dr. K.H. Miskotte, geschreven door ds. R. Bijlsma. Door allerlei omstandigheden (aldus Touw) duurde het geruime tijd eer het gereed was. Op 30 mei 1943 werd het besproken in de Algemene Synodale Commissie, die het stuk ter uiteindelijke beslissing aan de Synode zond; ds. Gravemeyer had het direct willen doen uitgaan naar de gemeenten. De Synode besprak het op 19 juli, waarbij wel diverse bezwaren gemaakt werden; o.a. werd opgemerkt dat het nationaal- socialisme toch al aan het afbrokkelen was… Anderen daarentegen vonden het een voortreffelijk stuk. Ten slotte besloot men met algemene stemmen om het te doen uitgaan naar kerkenraden en predikanten. Op 25 oktober 1943 werd meegedeeld, dat alle exemplaren verzonden waren.
De Herderlijke Brief, getiteld "Christelijk geloof en Nationaal Socialisme", bespreekt, na een uitvoerige inleiding, de onderwerpen: 1. Een andere God; 2. Een andere zedelijkheid; 3. Het antisemitisme; 4. Het volk; 5. Bloed en bodem; 6. De staat; waarna het besluit met het concluderende "Een onverzoenlijke tegenstelling", waarop dan nog een beschouwing over "opzicht en tucht" volgt. Het hele schrijven is ongemeen boeiend, zeker wanneer men zich tijdens het lezen rekenschap blijft geven van het feit dat het onder Duitse bezetting opgesteld, goedgekeurd, en verspreid is. Toch nemen we hier alleen het gedeelte over het antisemitisme over:
Het scherpst is deze "andere God" en deze "andere zedelijkheid" te herkennen in het principieel antisemitisme. Dat het volk Israël met fanatieke hartstocht wordt gehaat, vervolgd en met voorbedachten rade planmatig uitgeroeid is, is een verschijnsel dat zich in deze vorm in de geschiedenis nog niet heeft voorgedaan; het zijn dan ook tenslotte geen strategische, economische, culturele gronden die daarvoor kunnen worden aangevoerd; het zit dieper en dat moet de Kerk goed zien.
<116>
De grondeloze en mateloze haat tegen de Joden is een uitvloeisel van de natuurlijke afkeer, die men ondervindt tegenover de "Joden-God" en de "Joden-Bijbel". Deze smaad en deze laster in vele geschriften verbreid en tot de geestelijke spijze van miljoenen gemaakt (wel te verstaan onder een staatsvorm, waarin de Staat en de Staat alléén verantwoordelijk is en verantwoordelijk wil zijn inzake de voorlichting van het volk, waarbij dus nimmer, als onder een democratisch staatsbestel, aan de willekeur van particuliere personen of groepen kan worden toegeschreven wat er publiekelijk wordt gesproken en geschreven) behoort voor de christelijke Kerk een onmiskenbaar bewijs te zijn dat het geloof zelf in zijn diepste fundamenten wordt aangetast. De Kerk mag zich niet ontveinzen, dat ook in dit opzicht een schriftuurlijke voorlichting der gemeente dringend noodzakelijk is; want er zijn nog steeds gemeenteleden, die weliswaar de systematische verdelging van onze Joodse medemensen en medeburgers verafschuwen, maar anderzijds hun natuurlijke afkeer van de Jood rechtvaardigen met het oordeel Gods. Dat Israël, ofschoon het Jezus als de Messias niet erkend heeft, ons veel meer verwant is in herkomst en belijdenis van het heldendom, dat zich opwerpt als zijn bestraffer, verstaan sommigen niet helder genoeg. Het raadsel van de Joden en hun tijdelijke verharding mag nimmer dienen als motief om dit antisemitisme goed te praten; dat God een zaak heeft met de Joden, betekent niet dat wij en anderen, die van nature heidenen zijn, nu ook een zaak met hen zouden hebben. De waarschuwing van Rom. 11: 20 (n. b. tot christenen!): "wees niet hoog gevoelende, maar vrees", moet steeds haar volle kracht blijven behouden. In het antisemitisme leeft zich de hoog moedige levenshouding uit, die bij christenen (laat staan bij heidenen!) vooral in crisis-tijden alle bezinning overwoekert, zelf een nieuw farizeïsme kweekt en tenslotte in een volkomen verharding tegenover Gods oordeel en genade overgaat. Omdat de kiem daarvan ook in ons allen leeft, daarom kan deze verschrikkelijke zonde alleen maar en telkens weer door het geloof in Christus' verzoenende gerechtigheid overwonnen worden.
Inderdaad, dit was een voortreffelijk stuk; niet alleen het door ons geciteerde gedeelte over het antisemitisme. Maar juist in dat gedeelte treft me weer het woord "verharding". We kwamen dat woord al eerder tegen, nl. in het memorandum waarmee ds. Buskes het antisemitisme (en de noodzaak er iets tegen te doen!) in het Convent van Kerken aan de orde stelde. Het is een woord, indertijd door de apostel Paulus gebruikt: "Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden" (Romeinen 11:25, vert. NBG).
<117>
Wat heeft Paulus bedoeld, en hoe functioneerden zijn woorden bij de schrijver van de herderlijke brief? Zelfs een poging deze vragen hier te beantwoorden zou ons te ver voeren. Daarom beperken we ons tot de opmerking dat we het gebruik van het woord verharding in de herderlijke brief betreuren, en evenzo de uitdrukking "dat God een zaak heeft met de Joden".
Touw bericht dat de invloedssfeer van dit stuk soms beperkt was: de risico's die aan de publicatie ervan verbonden waren, verhinderden een algemene verspreiding. Het stuk was geadresseerd aan de kerkenraden en soms durfde men de herderlijke brief niet te bespreken. Eens zelfs weigerde de voorzitter van de kerkenraad bespreking, de brief werd opgeborgen in een trommel met een letterslot en lag daar ter inzage van kerkenraadsleden. Op andere plaatsen evenwel werd het herderlijk schrijven terdege bestudeerd en doorgegeven, op bijbelkringen, cursussen en jeugdsamenkomsten. Ook werkte het veelszins door in de prediking. Het Algemeen Handelsblad (30 maart 1944) besprak de brief in een uitvoerig artikel: "onschriftuurlijk, onwaardig en verblind". Touw daarentegen acht de herderlijke brief een der hoogtepunten van het kerkelijk verzet. "Dit stuk had voor de geestelijke strijd tegen de bezetter geen mindere betekenis dan een jaargang van de zo fel vervolgde ondergrondse pers."
d. "Gemengd-gehuwde"Joden
Een andere Duitse maatregel maakte het de niet-Joodse partner in een "gemengd huwelijk" mogelijk om zich via een eenvoudige procedure van de Joodse partner te laten scheiden. Ook hiertegen hebben de kerken die verenigd waren in het I.K.O. scherp geprotesteerd, in een brief aan Seyss-Inquart gedateerd 14 oktober 1943:
Meer dan eens hebben de Christelijke Kerken in Nederland zich tot Uwe Excellentie gewend in aangelegenheden betreffende de Joodse burgers van ons land, die van oudsher in Nederland gevestigd en in ons volksleven opgenomen waren. Uw Excellentie heeft gemeend, naar het dringende woord van vermaan van de Kerken niet te moeten horen.
<118>
In de laatste tijd zijn de meeste van onze tot nu toe nog in zekere vrijheid levende Joodse medeburgers weggevoerd. Voor deze als ook voor de zeer kleine groep, die nu nog over is, wordt een dringend beroep gedaan op Uwe Excellentie om hen niet allen uit Nederland te laten wegvoeren, maar veeleer hun in Nederland een bevoorrechte behandeling toe te staan. Verder zijn de Kerken ernstig verontrust in verband met de tekenen die er op wijzen, dat men van Duitse zijde nu aan het probleem van het zogenaamde gemengde huwelijk opnieuw bijzondere opmerkzaamheid wijdt, en dat een van de overheid bewerkte scheiding althans bij een aantal dezer huwelijken in de bedoeling ligt; deze bedoeling kan, gelijk ook bij de sterilisatie geschiedde, door een voorgewende vrijwilligheid als meer onschuldig voorgesteld worden. De Kerken roepen ook nu Uwe Excellentie op 't nadrukkelijkst toe: De weg der ontbinding van het huwelijk mag niet betreden worden.- De Here Jezus zegt - en Hij zegt het niet slechts tot Zijn Kerk maar tot heel de wereld, ook tot Uwe Excellentie - Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet" (Mattheus 19:6). De Kerken doen derhalve een zeer dringend beroep op Uwe Excellentie, om deze kleine, tot nu toe ook reeds voor uitzonderingsbepalingen in aanmerking komende groepen, nu ook in de in de laatste tijd voor enigen van ben geopende mogelijkheid, om van bepaalde, voor Joden geldende beperkingen bevrijd te worden, te laten delen. De om menigvuldige redenen groeiende onrust en verontwaardiging kunnen niet afnemen, als voortgevaren wordt met maatregelen, die het Nederlandse volk in zijn diepste religieuze en morele gevoelens kwetsen.
De toon van dit protest is krachtig; de argumenten zijn deels ontleend aan de bijbel, deels ook gebaseerd op algemene overwegingen die Seyss-Inquart meer zullen hebben aangesproken. Men proeft er, evenals in het protest tegen de sterilisatie, sterke gevoelens van verontwaardiging in.
Toen het leek alsof de Rijkscommissaris zich aan eenmaal gedane beloften zou onttrekken, kwamen de Kerken nogmaals op voor de "gemengd-gehuwden", in een brief gedateerd 17 maart 1944, en op 1 april 1944 zonden ze een telegram, diezelfde dag nog gevolgd door een uitvoeriger brief.
Heeft het allemaal iets geholpen? Misschien wel. In ieder geval hebben de meeste "gemengd-gehuwden" het Duitse schrikbewind overleefd. Ofschoon Rauter vond dat eigenlijk alle gemengd-gehuwden met een Joodse mannelijke partner naar het Oosten moest verdwijnen: "Wir werden mit diesen Fallen sonst ewig Schwierigkeiten haben." [8.3]
<119>
Maar men was bezorgd voor reacties vanuit de Nederlandse bevolking. Ook het feit dat een nederlaag voor Duitsland zich steeds duidelijker aftekende, heeft ongetwijfeld een rol gespeeld. Wielek noemt "de bemoeiingen der Hervormde Synode- (lees: het Interkerkelijk Overleg) als de eerste factor - naast twee andere - waaraan het te danken is dat het grootste deel der gemengd-gehuwden in Nederland mocht blijven. [8.4]
<120>
9. DE Joden-CHRISTENEN
a. Duitse beloften
Al eerder - in hoofdstuk 6 - hebben we de gang van zaken besproken rondom het al of niet voorlezen van het protest tegen de deportaties dat aan Seyss-Inquart was gezonden. Een van diens naaste medewerkers, Schmidt, had daarop ds. H.J. Dijckmeester (vervanger van ds. Gravemeyer die gegijzeld was) ontboden en hem meegedeeld dat de Christen-Joden die voor 1 januari 1941 gedoopt waren, vrijgesteld zouden worden van "Verschickung". Ds. Dijckmeester heeft daarop geantwoord dat de kerken voor deze toezegging erkentelijk waren, maar natuurlijk het standpunt handhaafden dat het protest- telegram zou worden voorgelezen. Zoals al eerder beschreven: de Hervormde Synode besloot uiteindelijk, het telegram niet voor te lezen. De andere kerken deden dat wel, waarop de RK-gedoopte Joden - voor zover niet "gemengd-gehuwd" - door de Duitsers gevangen genomen, naar Auschwitz gedeporteerd en aldaar vermoord werden. Voor de Protestants-gedoopte Christen-Joden bleef de Duitse toezegging van kracht. Hoe lang? Dat wist niemand.
De kerken probeerden allereerst, de norm die voor "vrijstelling gold te verwijden en zodoende het aantal vrijgestelden te vergroten. Daarbij werd geargumenteerd dat ook wie op de cruciale datum kerkelijk onderricht ontving, ja zelfs zij die toen al regelmatig de kerkdiensten bezochten, toch eigenlijk behoorden tot de kerk… Besprekingen werden gevoerd met Schmidts medewerker, F. Buhner. Met hem werd overeengekomen: "Geacht moeten worden tot een Christelijke Kerk te behoren zij: 1. die geboren zijn uit tot de Kerk behorende ouders; 2. die onderwijs in de Christelijke leer ontvangen met de bedoeling tot belijdenis des geloofs te komen; 3. die de godsdienstoefeningen regelmatig bijwonen en met wie de Kerkenraad geestelijk contact heeft; 4. die gedoopt zijn; 5. die belijdenis des geloofs hebben afgelegd
<121>
De "bedoeling" genoemd onder 2 moest voor 1 januari 1941 gebleken zijn en dat gold ook het "regelmatig" bijwonen van kerkdiensten.
Onder normale omstandigheden zou geen enkele kerk personen die onder 2 en 3 vielen, als lid hebben beschouwd. Voor de Duitsers was het niet na te gaan of iemand inderdaad "onderwijs in de Christelijke leer" ontving en/of geregeld kerkdiensten bezocht, en sinds wanneer. De namen van hen die door een kerk als haar leden werden beschouwd werden op een lijst gezet, die naar de Duitsers ging. Die lijst gaf ook aan tot welke van de vijf "categorieën" iemand behoorde. De betrokkene zelf ontving van de kerk een z.g. bewijs van kerkelijke Angehörigkeit. Het was een tijd waarin men zich aan iedere strohalm vastgreep; op een lijst staan scheen te helpen; je had de lijst-Weinreb, de lijst-Calmeyer, de lijst- Frederiks en de lijst van de z.g. Diamant-gruppe, om enkele te noemen. De meeste lijsten "platzten" (vervielen) op een zeker moment, maar niet alle: zo heeft de lijst-Calmeyer het, wonder boven wonder, tot het einde van de oorlog toe volgehouden. Het Adviesbureau dat door de Hervormde kerk te Amsterdam was geopend (20 augustus 1942) en onder leiding stond van de bekende dr. J. Koopmans (schrijver van de brochure Bijna te laat en ook, in 1943, van het protest tegen de sterilisatie) hield driemaal per week zitting in de Nieuwe Kerk. Het werd overstelpt met schriftelijke en telefonische verzoeken om op de lijst geplaatst te worden. Aldus Touw. Het is ook Touw die vertelt dat een predikant tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld werd wegens Schriftverfalschung, omdat hij een geantedateerde verklaring van "Angehörigkeit" had afgegeven. Een andere predikant daarentegen ("gelukkig een hoge uitzondering") had er bezwaar tegen om een Joods gezin dat trouw de kerkdiensten bezocht te dopen, want "mijn vrouw is zo bang dat ik iets doe waar de bezettende macht zich aan stoot."
<122>
b. Geen Gereformeerde "haastdoop"
Delleman, de Gereformeerde geschiedschrijver, heeft in zijn Opdat wij niet vergeten enkele hoofdstukken samen met anderen geschreven; het schrijven van een paar hoofdstukken liet hij over aan een direct-betrokkene. Zo is hoofdstuk IV (Het kerkelijk verzet) geschreven samen met Donner, Van Dijk en Rutgers die, ieder op zijn beurt, de Gereformeerde vertegenwoordigers in het I.K.O. waren geweest. Hoofdstuk V, "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd", is evenwel van de hand van ds. Jac. van Nes. We kwamen hem al tegen in ons eerste hoofdstuk als missionair predikant (sinds 1916) onder de Joden te Den Haag, ook zijn opvatting (voor de oorlog!) "dat er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor men tot dopen kon overgaan", kwam reeds ter sprake. Alle Gereformeerde kerkenraden kregen - zomer 1942 - het verzoek om de namen van de Joodse Christenen, voor wie dus vrijstelling van deportatie moest worden aangevraagd, te zenden aan het Kerkelijk bureau van de Gereformeerde kerk van 's Gravenhage-West. In de desbetreffende circulaire wordt gewaarschuwd: