De kerkenraad houde er voorts rekening mede, dat te verwachten is, dat van Duitse zijde een onderzoek zal worden ingesteld naar de juistheid der verstrekte gegevens, waarvoor dus alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende gegevens aanwezig moeten zijn.
Ds. Van Nes heeft een en ander - en zijn eigen opvattingen - uitvoerig weergegeven in zijn drie-maandelijkse rapporten en later heeft hij uit die rapporten geciteerd ten behoeve van zijn hoofdstuk in Delleman:
Wij kennen in onze Gereformeerde Kerken geen "haastdoop". 't Schijnt helaas, dat er in de Nederlands Hervormde Kerk wel zijn, die zulk een doop voor mogelijk achten. Er hebben zich gevallen voorgedaan in die kerk, dat Joodse personen eerst gedoopt werden en daarna onderwijs ontvingen. Wij betreuren dat ten zeerste. En wij weten, dat er in de Nederlands Hervormde kring zelf ook bezwaar tegen gemaakt is. Van de zijde der synode is er dan ook een waarschuwing aan de kerken gezonden. Zulke "sneldopen" verzwakken de betekenis van de doop voor het besef van de Joden en van de overheid aan wie het doopbewijs wordt getoond en brengen degenen, die na ernstige voorbereiding gedoopt werden, in gevaar dat hun doop ook niet als serieus wordt beschouwd.
Nog een citaat van Van Nes (ook dit komt zowel in een van zijn rapporten als ook in "Delleman" voor):
<123>
Wat moeten wij dankbaar zijn, dat de Duitse autoriteiten de bepalingen voor de Christen Joden hebben willen uitbreiden, zodat zij, die reeds voor 1941 serieus bearbeid konden worden, ofschoon zij nog niet tot de gemeenten behoorden, ook konden worden beschermd door een verklaring der kerk! Hoe is daardoor ook onder de Joden een zeker getuigenis uitgegaan, dat Christus de Zijnen beschut! Wat zouden wij graag alle Joden in deze dagen geholpen hebben, als 't aan ons gestaan had. Wat was 't ontzettend benauwend, vaak zo machteloos te staan tegenover hun lijden. Hoe konden we 't begrijpen, dat ze zich in uiterste nood tot de kerk wendden, om te trachten onder haar bescherming bevrijd te worden van de dreiging der wegvoering. Maar wij moesten het dan tot dezulken, die nu eerst tot de kerk kwamen, zeggen, dat het daarvoor nu te laat was en dat de kerk geen misbruik mocht maken van de haar gegeven bevoegdheid en de heiligheden van het Koninkrijk Gods hoog moest houden, door alleen een verklaring af te geven aan hen, van wie wij overtuigd waren, dat zij er recht op hadden.
Voor wat er in het eerste citaat gezegd wordt, kunnen we nog enig begrip opbrengen; dat men in normale tijden niet te snel overging tot het dopen van wie dan ook, dat lijkt ons prima. Ook de rabbijnen zijn uiterst terughoudend jegens aspirant- bekeerlingen. Maar het was geen gewone tijd! De vraag of men, door ruimer te dopen, voor anderen daardoor het risico vergrootte, diende overwogen te worden; akkoord. Maar dan. De uitdrukking "dankbaar zijn" hierboven, achten we totaal misplaatst. De bewering "dat Christus de Zijnen beschut" is zo mogelijk nog erger. Later zal Van Nes in ditzelfde hoofdstuk de martelgang wat betreft de "vrijstellingen" verhalen. Blijkbaar is hij er niet aan toegekomen om, vanuit die realiteit, nog eens te kijken naar de opgetogen uitspraak ("Wat moeten we dankbaar zijn…"), die hij uit zijn eigen rapport, gedateerd 9 september 1942, had overgenomen. Ongetwijfeld was Van Nes bewogen met het lot der Joden: dat blijkt uit de alinea Wat zouden wij graag… " Van Nes heeft ook (tenminste) gepoogd Joden te helpen onderduiken. [9.188] Bovendien was hij "een beminnelijk mens, gedreven door een grote liefde voor Israël." [9.2] Later zouden bovenstaande woorden van Van Nes door sommigen gebruikt worden voor het trekken van vergaande conclusies wat betreft de houding van de Gereformeerde Kerken in Nederland in het algemeen. We komen daarop nog terug in het derde gedeelte van dit boek.
<124>
c. Andere opvattingen
Het is niet gemakkelijk na te gaan, in hoeverre men het in de Gereformeerde Kerken met de opvattingen van ds. Van Nes eens was en zijn "lijn" gevolgd heeft. In het notulenboek van de Gereformeerde kerkenraad te Rotterdam-Kralingen (mijn tegenwoordige woonplaats) vond ik het volgende verslag:
Notulen van de gehouden buitengewone kerkenraadsvergadering op donderdag 20 mei 1943.
De Praeses ds. G.R. Kuijper opent de verg., leest Romeinen 11: 11-21 en gaat voor in gebed. De Praeses deelt mede, dat hij deze verg. heeft uitgeschreven op verzoek van ds. Den Boeft. Deze, het woord verkrijgend, brengt een verzoek over van de heer Lion Mozes Gerzon, Voorschoterlaan 57, Israëliet zijnde, om in de Geref. Kerk na aflegging van belijdenis des geloofs te worden gedoopt. In normale gevallen zou deze nog wel wat meer onderwijs moeten ontvangen, daar het onderwijs slechts enkele maanden heeft geduurd. Zodoende zijn er nog heel wat hiaten in zijn kennis. Ds. Den Boeft heeft het doopformulier met hem besproken. De onzekerheid met het lot der Joden drong er toe met deze doop wat spoed te maken, en de laatste dagen zijn de omstandigheden van die aard, dat het zeer gewenst is, dat deze doop plaats vindt op de kortst mogelijke termijn, daar de mogelijkheid zeer groot is, dat deze doop over een dag of tien niet meer kan worden bediend, wegens mogelijke deportatie.(…) De Kerkeraad heeft er geen bezwaar tegen, dat in dit speciale geval de approbatie van de gemeente niet plaats kan hebben. De bediening van de doop zal plaats vinden a.s. zondag in de kerkzaal van "Pro Rege".
De "approbatie van de gemeente" was de goedkeuring: de namen van wie belijdenis wilden doen werden tijdens de diensten gedurende twee zondagen afgelezen met de mededeling: "Indien geen wettig bezwaar zal worden ingebracht…" Gebruikelijk was dat de goedkeuring op die manier stilzwijgend plaatsvond, maar er waren wel twee weken extra mee gemoeid. Daar zag men nu dus van af, evenals van "wat meer onderwijs". Nu, 46 jaar later, blijkt het al moeilijk om de achtergronden van een dergelijk voorval uit te zoeken. In ieder geval heeft de heer Gerzon de oorlog overleefd. Hij is niet gedeporteerd, overigens - naar ik vermoed - niet op grond van zijn gedoopt-zijn: hij was "gemengd-gehuwd"; zijn vrouw was Gereformeerd dooplid en deed najaar 1943 eveneens belijdenis.
<125>
Verder nog in onformalistisch handelen ging de Gereformeerde kerkenraad te Veenendaal, die aan een ondergedoken jood ter beveiliging een document gaf dat - met officiële handtekeningen bekrachtigd - verklaarde dat de betrokkene door de kerkenraad was benoemd "tot hulpprediker in buitengewone dienst voor de geestelijke verzorging van de geëvacueerden in haar ressort". [9.3] We kunnen ons moeilijk voorstellen, dat ds. Van Nes ooit een dergelijke valse verklaring ondertekend zou hebben.
In andere landen (Bulgarije, Griekenland) hebben tijdens de tweede wereldoorlog doopsbedieningen plaatsgevonden, waarbij de betrokken geestelijke wist dat het niet om het redden van zielen ging, maar om het redden van mensenlevens. Daartoe gaf de (orthodoxe) aartsbisschop van Athene, Damaskinos, zelfs uitdrukkelijk opdracht. [9.4] Bij mijn weten is de kwestie "niet dopen maar wel een 'doopbewijs' verschaffen" het krachtigst geformuleerd door ds. Buskes:
Wij weten heel goed, dat vele predikanten er principieel bezwaar tegen hadden, om valse doopbewijzen te schrijven en af te geven. Maar er waren goddank ook vele predikanten, die er principieel bezwaar tegen hadden, om het niet te doen. Zo'n vals doopbewijs was een leugen. Natuurlijk. Maar wie het schreef en aan een jood gaf, diende de waarheid en hielp zijn naaste. Wie het niet schreef en het een jood weigerde, diende de leugen en liet de jood in de kou staan. Er is een waarheid die leugen en een leugen die waarheid is. God gebood ons, te liegen in dienst van de waarheid. Niet het doel, maar wel de gehoorzaamheid aan Gods gebod heiligde het middel. [9.5]
"Wie het schreef en aan een jood gaf, … hielp zijn naaste", vond Buskes. Maar nu weten we dat de Duitsers - dank zij de medewerking van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters - beschikten over een gedrukte Lijst van personen van vol- Joodsen bloede die als kerkelijke gezindte een Christelijke godsdienst hebben opgegeven. De lijst berustte op gegevens door de betrokkenen zelf verstrekt, en wel begin 1941. [9.6] Men kan zich dan ook moeilijk onttrekken aan de conclusie dat, alle goede bedoelingen ten spijt, het verstrekken van "Angehörigkeits"-verklaringen met onjuiste gegevens eerder kwaad dan goed gedaan heeft.
Dat besefte dr. J.J.C. van Dijk toen al. Hij schreef nl. op 26 september 1942 een brief aan ds. S. Doornbos te Amsterdam:
Uw brief van 14 dezer ligt nog op beantwoording te wachten; de toevloed van kerkelijke brieven is zo groot, dat ik geen kans zag eerder tot beantwoording te komen.(…) Er zijn 2 verschillende lijsten. Er is, naast de lijst door de Kerken opgemaakt en ingezonden, een andere lijst van Duitse zijde opgemaakt op grond van de gegevens van de Burgerlijke Stand, waarop dus alleen de Joodse Christenen voorkomen, die zich t.z.t. bij de Burgerlijke Stand hebben opgegeven als te behoren tot een der Christelijke kerken; dat zijn dus de belijdende leden en, wellicht, doopleden.(…) Sophia Maria Boas-Berg staat op de lijst met (categorie) 4, maar dat is niet juist: ze werd op 1 juni '41 gedoopt, terwijl de toestand van voor januari moest worden opgegeven. Haar positie is dus niet veilig: op de Duitse lijst komt zij natuurlijk niet voor; uit dien hoofde is het niet uitgesloten dat zij gehaald wordt.(…) Het zou natuurlijk wel gewenst zijn, dat zij niet kan worden gehaald. [9.7]
"Haar positie is dus niet veilig": deputaat J.J.C. van Dijk raadde ds. Doornbos daarom aan te zorgen dat de dame om wie het ging, "niet kan worden gehaald". M.a.w.: ze zou moeten onderduiken.
De beslissing om onder te duiken was voor de betrokkenen - aangenomen dat er een onderduikadres beschikbaar was - niet gemakkelijk en kon verstrekkende consequenties hebben. Wie als onderduiker gepakt werd was een z.g. strafgeval en werd niet alleen naar Westerbork gestuurd, maar bovendien op de kortste termijn vandaar naar "Polen". Bij de afweging moest men óf ervan uitgaan dat de kerkelijke verklaring en het op "de lijst" staan voldoende bescherming bood (ondanks alle twijfel daaraan), óf de stap van de onderduik wagen, met weer heel andere risico's daaraan verbonden. Het was een dilemma dat ook gold voor de "gemengd-gehuwden". Een ander punt van overweging kon zijn: er zijn te weinig onderduikadressen beschikbaar; welnu, mag ik, die tot een tenminste enigszins beschermde groep behoor, de onderduik-plaats innemen van iemand, die anders geen enkele bescherming heeft?
<127>
Zoals bekend hebben verreweg de meeste "gemengd-gehuwden" de oorlog overleefd zonder onder te duiken. Een enkel "gemengd-gehuwd" echtpaar waagde het zelfs een Joods familielid bij zich te laten onderduiken. Wat de twee lijsten (die van de kerken en die gebaseerd op gegevens uit het bevolkingsregister) betreft: kort na de hierboven aangehaalde brief, op 15 oktober 1942, schreef dr. Van Dijk aan de Amsterdamse predikant P.N. Kruyswijk: "Het bevolkingsregister beslist!" [9.8]
d. Schmidt en Rauter
"Het bevolkingsregister beslist". Maar hoe zat het dan met de toezeggingen, gedaan door Schmidt en Buhner? Er bestond een scherpe tegenstelling tussen twee van Seyss-Inquarts naaste medewerkers. F. Schmidt was zijn Generalkommissar zur besonderen Verwendung en vertegenwoordigde de belangen van de partij (de NSDAP). De SS-er H.A. Rauter, Generalkommissaris fur das Sicherheitswesen, stond wel onder Seyss-Inquart, maar rapporteerde bovendien rechtstreeks aan de Reichsfuhrer-SS, de gevreesde Himmler, wiens bewonderaar Rauter was. Het ligt voor de hand dat zich tussen Schmidt en Rauter een competentiestrijd ontwikkelde. Ze werden elkaars verklaarde tegenstanders. Toen Schmidt vóór de inrichting van een ghetto in Amsterdam was, verklaarde Rauter zich tegen. Herzberg beschrijft hoe de vete tussen de twee ertoe bijgedragen heeft dat de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, K.J. Frederiks, het gedaan kreeg zeshonderd Joden - de "Barnevelders" - voor lange tijd in Nederland te houden: "Rauter was er tegen, en dus was Schmidt er voor." Wat betreft de deportatie van "gemengd-gehuwde" Joden wilde Seyss-Inquart (ja, zelfs Hitler) behoedzaam optreden, zolang de oorlog voortduurde: het diende voorkomen te worden dat de niet-Joodse partners te zeer in onrust geraakten. Rauter was daar tegen: allen moesten weg. De Hervormde dr. W.J. de Wilde kwam zich eens beklagen bij Schmidt over het feit dat gedane beloften telkens gebroken werden. "Rijkscommissaris en SS staan vierkant tegenover elkaar, en als u iets belooft, verbiedt Rauter het weer", zei hij. "So ist 's genau", antwoordde Schmidt laconiek.
<128>
Seyss-Inquart had bij monde van Schmidt beloofd, dat de Joden-Christenen (later beperkt tot de Protestantse) niet gedeporteerd zouden worden. Rauter zou het liefst alle Joden-Christenen gedeporteerd hebben. En Rauter was belast met de uitvoering van de deportaties. Zoals we hierboven gezien hebben, was met Schmidt overeengekomen dat ook zij' die kerkelijk onderricht volgden en/of regelmatig kerkdiensten bijwoonden (categorieën 2 en 3) zouden worden vrijgesteld, terwijl als beslissende datum 1 januari 1941 zou gelden. Maar Rauter accepteerde dat niet: categorieën 2 en 3 golden voor hem niet en als datum hield hij 9 mei 1940 aan: men diende vóór 9 mei 1940 gedoopt en sinds die tijd lid van een Christelijke kerk gebleven te zijn. Dat moest blijken uit de gegevens van de Burgerlijke Stand. Door de vertegenwoordigers van de kerken is er toen telkens onderhandeld en geprotesteerd. Touw geeft een en ander uitvoerig weer. Het had weinig resultaat.
Ds. Van Nes heeft, zoals we hierboven al memoreerden, voor het hoofdstuk dat hij in "Delleman" schreef een citaat gebruikt uit zijn eigen rapport dat gedateerd was 9 sept. 1942:
Wat moeten wij dankbaar zijn dat de Duitse autoriteiten de bepalingen voor deChristen-Joden hebben willen uitbreiden, (…). Hoe is daardoor ook onder deJoden een zeker getuigenis uitgegaan, dat Christus de Zijnen beschut!
Dat citaat staat bij Delleman op pagina 159. Maar op pagina 161 schreef dezelfde ds. Van Nes:
Groot is de teleurstelling geweest, die op de uitreiking der "Angehörigkeits"- verklaringen is gevolgd. De Duitsers toch hebben hun gegeven woord verbroken, en vele Joodse personen, die zich zo verheugd hadden over de ontvangen verklaring der kerk, die meenden, daardoor gevrijwaard te zijn voor deportatie, werden opgeroepen en weggevoerd, eerst naar Vught of Westerbork en later zelfs verderop, naar het Oosten van Europa. De Duitse instanties waren onderling verdeeld ten opzichte van de behandeling der Joden en werkten elkaar tegen. En alle pogingen, die aangewend werden, om te komen tot eenheid van handelen en tot rechtvaardige handhaving van de gemaakte bepalingen, bleken vruchteloos. Slechts bij uitzondering gelukte het, reeds weggevoerden nog terug te doen keren.
<129>
Ds. Van Nes heeft daarbij niet uitgelegd, hoe hij dit heeft kunnen rijmen met de uitspraak "dat Christus de Zijnen beschut". Hij is er evenmin toe gekomen de andere optimistische klanken van p. 159 (alle stammend uit het rapport van 9 sept. 1942) enigszins in overeenstemming te brengen met de sombere tonen op p. 161.
e. Westerbork en daarna
Ook de Protestants-gedoopte Joden-Christenen moesten ten slotte - sommigen al zomer 1942, anderen voorjaar 1943 - naar Westerbork, het merendeel hunner nadat ze enige tijd in Vught hadden gezeten. In Westerbork werden ze ondergebracht in een aparte barak, no. 73. 's Zondags werden er godsdienstoefeningen gehouden. De meeste diensten werden geleid door ds. S.P. Tabaksblatt of door ds. M. Enker, als voorgangers benoemd door de Hervormde Synode. Maar B. Benfey die van Duitse afkomst was, wist - zo vertelt ds. Tabaksblatt - van de SS in Den Haag gedaan te krijgen dat voortaan de diensten op de eerste zondag in de maand door hem gehouden zouden worden.
Toen wij op genoemde zondag (5 maart 1944) de zaal binnenkwamen, vonden wij deze mooi versierd en nadat Benfey met de dienst begonnen was, werd deze door een filmoperateur verfilmd. Enker en ik verlieten bij deze verfilming de zaal… De daarop volgende woensdag 8 maart werden wij beiden bij de commandant geroepen om verantwoording af te leggen van ons "verraderlijk gedrag", zoals Gemmeker dat noemde. Hij zag ons verlaten van de dienst als een demonstratief optreden met het doel om de gemeente mee te krijgen en op die manier zijn bedoelingen te dwarsbomen. Hij beschuldigde ons van "insubordinatie" en noemde ons saboteurs, die voor ons onbehoorlijk gedrag de juiste straf zouden krijgen: straftransport naar Polen…
Beiden kwamen inderdaad in de strafbarak terecht, stonden twee dinsdagen achtereen klaar voor het transport maar werden op het laatste nippertje, vóór het vertrek van de trein, teruggehaald. [9.996] Van ds. Max Enker is een brief bewaard gebleven van drie kantjes, met potlood geschreven. De kopie in mijn bezit is voor een groot deel nauwelijks leesbaar. De brief was gericht aan dr. W.J. de Wilde die een tijdlang secretaris van de Hervormde Synode was. Een citaat:
<130>
Weest U ervan verzekerd dat, als de verkondiging van het Woord in deze tijd meer duidelijkheid vereist, diegenen onder ons, die werkelijk onze Heer angehörig zijn, bereid zijn, desnoods, in vertrouwen op die Heer, naar Polen te gaan. [9.10]
De brief was gedateerd 5 maart 1943. Kort daarvoor, op 24 februari, was van de kansels in de Hervormde plaatselijke kerken het protest afgelezen dat door ons in hfdst. 7 besproken werd (geen medewerking verlenen aan daden van onrecht). In het moeilijke dilemma: publiekelijk zwijgen en zo (misschien) levens redden, óf spreken maar daarbij levens op het spel zetten, had ds. Enker duidelijk gekozen, ofschoon ook zijn eigen leven op het spel stond.
Had men als Joden-Christen dan in Westerbork een zekere bescherming tegen wegvoering naar een van de vernietigingskampen? In zekere mate. De kerken hadden door middel van de Joodse Raad vernomen, dat, tenzij men vóór 9 mei 1940 gedoopt was, in Westerbork het bewijs dat men tot een kerk behoorde volslagen waardeloos was… [9.11] Was men wel vóór die datum gedoopt, dan gaf dat bewijs wel een zekere bescherming, tenzij men een "strafgeval" was, en dat werd men al gauw. Wielek schreef:
De synode werd trouwens meer en meer één der organen die voor de nog overblijvende, niet alleen gedoopte, Joden op de bres stonden. Was iemand strafgeval, dan kon een doopbewijs hem niet redden. Was iemand ont-S-t, dan betekende een doopbewijs voor hem: niet doorgestuurd worden naar Polen. [9.12]
Voor de groep als geheel dreigde acuut gevaar nadat de geallieerden, op 6 juni 1944, waren geland in Normandië. Op zaterdag 12 juni vroeg de beruchte Rauter aan de kerken hun toestemming om de Joden-Christenen van Westerbork naar Theresienstadt over te brengen. Daar zou het, in geval de Wehrmacht Westerbork zou willen ontruimen, veiliger voor hen zijn. De kerken zouden een vertrouwensman mee mogen laten gaan. De kerken vroegen drie dagen bedenktijd, maar weigerden reeds de volgende dag, zich beroepend op eerder door Seyss-Inquart gedane beloften. Mocht de situatie rondom Westerbork in verband met de invasie onveilig worden, dan diende men de betrokkenen niet naar Theresienstadt over te brengen maar hen vrij te laten; aldus de kerken.
<131>
Begin september 1944 werden desondanks de Joden-Christenen van Westerbork naar Theresienstadt gevoerd, zonder kerkelijke vertrouwensman. De kerken zonden daarop een protest-telegram naar Seyss-Inquart. Voor de eerste en enige keer stuurde deze een antwoord, en wel op 5 september; dolle dinsdag! Het geeft je een soort schok als je de brief met de oorspronkelijke handtekening van de man zelf in het archief tegenkomt. Touw en Delleman hebben de brief in zijn geheel gereproduceerd. De Rijkscommissaris erkende, indertijd de belofte gegeven te hebben dat een aantal Joden in Nederland zou blijven, in leder geval niet naar het Oosten zou worden overgebracht. Voorts herinnerde hij aan het voorstel dat hij via Rauter gedaan had en aan de weigering van de kerken. Maar, als dit land nu toneel van militaire acties zou worden, dan zou hij niet kunnen beletten dat de betrokkenen weggevoerd zouden worden. Maar bij Himmler had Seyss-Inquart tenminste nog kunnen bereiken, dat het transport naar Theresienstadt zou gaan. Volgens Herzberg was aldaar het leven relatief nog draaglijk "en vandaar zijn de meeste geïnterneerden - voorzover zij niet ter vergassing naar Auschwitz zijn gezonden, hetgeen met de gedoopte Joden inderdaad niet het geval is geweest - ook teruggekeerd." Iemand als ds. Tabaksblatt evenwel is, met zijn gezin, ook in Theresienstadt maar ternauwernood ontkomen aan doorzending naar een vernietigings- kamp. [9.14]
Er valt nauwelijks aan te twijfelen of de Protestantse Joden, en ook de "gemengd- gehuwden", zouden ten slotte gedeporteerd zijn als Hitler de oorlog gewonnen had. Maar Hitler verloor en de "gemengd-gehuwden" bleven voor het grootste gedeelte in leven. Uiteindelijk kwamen er ruim 400 Protestantse Joden-Christenen terug naar Nederland. Zij hadden het overleefd. Voor zover Protestantse Joden-Christenen "gemengd-gehuwd" waren, bleef op die basis hun vrijstelling gelden en werden zij niet gedeporteerd.
f. Bep Blok
<132>
Ze wilde gedoopt worden, maar ze wilde niet vanwege haar doop gevrijwaard worden van deportatie. Ds. Buskes vertelde over haar in zijn autobiografie. [9.15] Bep Blok wilde gedoopt worden opdat zij, als zij opgepakt zou worden, erbij zou horen, bij de gemeente. De dienst tijdens welke ze gedoopt werd, is gehouden in de dagen, toen overal de bordjes "Joden niet gewenst" aangebracht werden. Velen verklaarden zich bereid haar bij zich te laten onderduiken, maar Bep weigerde.
Foto 16 Bep Blok, dopelinge van ds Buskes
In het archief van ds. Buskes [9.16] bevinden zich haar brieven aan hem, helaas niet die van hem aan haar. Haar eerste brief is geschreven op zondag 16 augustus, 1942:
Na die paar haastig gewisselde woorden van drie weken geleden, wilde ik U graag een nadere verklaring geven. Ik ben die jodin, die na afloop van de dienst even bij U kwam, heet Bep Blok en ben 20 jaar. U had het voorstel gedaan mij te dopen; ik heb het om de volgende redenen niet willen doen.(…) ze zullen één ding nooit van me kunnen zeggen, n.l. dat ik me heb laten dopen om vrij te komen van Polen. Voorlopig heb ik uitstel, omdat ik onderwijzeres ben, maar ik heil oprecht van plan om me, zodra mijn oproep komt, te laten dopen en zo weg te gaan. Ik geloof niet, dat ik het recht heb me eraan te onttrekken. Alle Joden moeten, dus ik ook. (…)
<133>
Vader en moeder hebben uitstel, omdat moeder in het ziekenhuis ligt. Toch moest dinsdag alles klaargemaakt worden. Zo'n dag is onbeschrijfelijk. Maandagavond kwamen de oproepen; die nacht dus niet geslapen en dan de hele dag heen en weer draven om alles te hebben: alles moet genaaid en gepakt zijn.(…) Nu wachten we tot moeder uit het ziekenhuis komt en tot de volgende oproep verschijnt. Vader zei laatst: 'We wachten allemaal op een wonder, dat niet gebeurt.' Ik heb toen ontdekt, dat ik zelfs niet eens op dat wonder wacht. Is dat nu gebrek aan Godsvertrouwen?(…) Ds. Buskes, neemt U mij deze lange brief vooral niet kwalijk. Ik had zo graag over al deze dingen mondeling met U gesproken, maar ik mag niet bij U komen en omdat ik U het toch zeggen wou, heb ik het geschreven. Het zijn problemen die ons niet loslaten en die zo verschrikkelijk belangrijk zijn. Misschien mag ik U een keer komen halen op zondagochtend, als U naar de kerk loopt. Wilt U mij eens een keer terugschrijven, als U tijd hebt?
Blijkbaar heeft ds. Buskes haar brief snel beantwoord, want op 31 augustus schreef ze hem wanneer ze op school was en wanneer vrij. Bep Blok is door ds. Buskes gedoopt. Ook zij kreeg de oproep voor Westerbork en ze is gegaan. Vanuit Westerbork stuurde ze ds. Buskes een briefkaart d.d. 21.4.'43:
Wat hebt U fijn vlug teruggeschreven. Ik was heel blij met Uw brief. U zult wel gehoord hebben dat het hier best uit te houden is. Vader en moeder met al mijn vrienden zijn gisterenochtend vertrokken. Dat is beroerd. In het land waar ze komen hebben ze het niet slecht, dat weten we positief.(…) Er is hier een vrij groot aantal gedoopte Joden. Op het ogenblik is onze dominee Enker(…) Het is een heerlijk gevoel om je te horen toespreken met 'Gemeente van onze Heer Jezus Christus' en te weten dat wij er echt bijhoren.
Het volgende stuk in het archief is een circulaire afkomstig van de Joodsche Raad voor Amsterdam - Bureau Rotterdam", gericht aan Mevrouw J.J. Buskes en gedateerd 26-4-1943:
Wij ontvingen van de hieronder genoemde personen het telegrafisch verzoek, of Uvoor doorzending aan hen van na te melden artikelen wilt zorgdragen naar hetDOORGANGSKAMP WESTERBORK, Post Hooghalen-Oost (Drente). (…)Naam: Rebekka Blok. Geboortedatum: 14-11-1921.Baraknummer: 72.
Op 3 mei kwam er van haar een briefkaart: "Pakket ontvangen. Hartelijk dank!"Daarna niets meer.
<134>
Tot nu toe betroffen de diverse commentaren de houding van de Nederlandse kerken in het algemeen. Maar er bleken al verschillen tussen de houding van de ene en die van de andere kerk. Welk beeld krijgen we, wanneer we een vergelijking gaan maken tussen de kerken onderling? Veel hangt uiteraard af van de vraag welke criteria gebruikt worden. Men zou in de diverse Herderlijke brieven kunnen nagaan, in hoeverre de kerken die deze brieven uitvaardigden reeds de z.g. substitutie-theologie ("de kerk is in de plaats van het Joodse volk als verbondsvolk gekomen") hadden afgezworen; naar ik vermoed, zou de Hervormde Kerk er dan het beste uit komen. Of men zou kunnen nagaan: door de leden van welke kerk zijn de meeste Joden geholpen om onder te duiken? Naar het oordeel van L. de Jong hebben de Gereformeerden op dit gebied het er - relatief - het beste afgebracht: "Er is, gelijk reeds gezegd, door communisten en socialisten veel hulp geboden, daarnaast (maar, naar onze indruk: in een iets later stadium) door Gereformeerden. (…) Wat de Gereformeerden aangaat, verdient het de aandacht dat zij die toch niet meer dan 8% van de bevolking vormden, uiteindelijk ongeveer een kwart van de Joodse onderduikers geherbergd hebben." [10.1]
We achten het een belangrijke vraag, die bovendien aan de hand van de hier besproken documenten beantwoord kan worden: In hoeverre heeft een bepaalde kerk publiekelijk, d.w.z. door middel van voorlezing van een protest in de kerkdiensten, stelling genomen tegen de Duitse gruweldaden jegens de Joden? Protesten die niet werden voorgelezen, hadden weinig of geen zin: de Duitse instanties konden ze zonder meer aan de kant leggen. Maar de openbare afkondiging, in een tijd waarin krant en radio alleen bekend maakten wat de bezettende macht goedgekeurd had, was een geducht wapen. Welnu, welke van de drie grootste kerken in Nederland heeft het er op dit punt het best (of: het minst slecht) van afgebracht? We laten daarbij dus de andere - aanzienlijk kleinere - kerken buiten beschouwing, ondanks alle erkenning van het belang van iemand als ds. J.J. Buskes, de afgevaardigde van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband; of van iemand als de Remonstrantse ds. F. Kleijn. Een protest afgekondigd in een van deze kerken bereikte immers maar betrekkelijk weinig kerkgangers.
<136>
In hfdst. 1 bleek, dat voor 1940 zowel de RK bisschoppen alsook de Gereformeerde synode een duidelijk standpunt hebben ingenomen tegen het lidmaatschap van de NSB. Vervolgens zagen we (2), hoe bij het eerste protest tegen het antisemitisme van de bezetter de Gereformeerde vertegenwoordiger in het Convent, prof. H.H. Kuyper, het liet afweten. Tengevolge van zijn houding werd dit protest in de Gereformeerde kerkdiensten niet afgelezen. In het Convent van Kerken werd Kuyper vervangen door Donner - bij de synode waren veel bezwaren tegen Kuypers houding ingediend. In het derde hoofdstuk bleken de rollen in zekere zin omgedraaid: ds. Gravemeyer bond in en trachtte de publieke voorlezing van het adres aan de secretarissen- generaal te voorkomen. Donner daarentegen liet de voorlezing van de Gereformeerde herderlijke brief wel doorgaan. Hoofdstuk 4 beschreef hoe, in een voor de Joden kritieke periode de kerken helaas weinig actie ondernomen hebben.
Vanaf eind 1941 gingen de RK deelnemen aan de gemeenschappelijke protesten (hfdst. 5). De aartsbisschop had de kerkelijke maatregelen tegen leden van de NSB., nadat de Duitsers ons land bezet hadden, niet alleen gehandhaafd maar zelfs aangescherpt: ook "gewone- en sympathiserende leden van de NSB. - ja zelfs leden van nationaal- socialistische mantelorganisaties - werden uitgesloten van de sacramenten: geen doop van hun kinderen dus, uitsluiting van de communie, geen kerkelijk huwelijk en evenmin een kerkelijke begrafenis. Deze maatregelen werden publiekelijk - van de kansels - bekendgemaakt. Toen het aankwam op bekendmaking van het tijdens de audiëntie met Seyss-Inquart besprokene, was het ds. Gravemeyer die - zij het onder zware pressie - een stap terug deed. Het treft ons bovendien dat, bij de afwijzing van de bordjes "Verboden voor Joden", de Protestanten als reden het enigszins vage "omdat het is een verloochening van het Evangelie" aanvoerden; terwijl de bisschoppen duidelijker waren: "omdat die bordjes een uiting zijn van principieel antisemitisme en daar mogen zeker onze RK instellingen niet aan mee doen."
<137>
Tussen Hervormden en Gereformeerden lijkt het soms een soort stoelendans. Het belangrijke protest van juli 1942 werd -volgens de beslissing van de Hervormde Synode - in de Hervormde kerkdiensten niet afgelezen. De andere kerken - waaronder de Katholieke en de Gereformeerde - deden dat wel, al waren ook zij (in tegenstelling van wat soms beweerd wordt) wel degelijk voor de beslissing gesteld. De RK werden voor hun consequente houding gestraft: de Duitsers hebben tientallen RK-gedoopte Joden gearresteerd, gedeporteerd en vermoord.
In hfdst. 7 bespraken we het scherpste protest ooit publiekelijk uitgevaardigd, en de oproep daaraan verbonden om niet aan onrecht mee te werken: "Om der wille van het recht Gods mag door niemand enige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor aan dat onrecht medeschuldig maakt." Dat protest werd - om allerminst overtuigende redenen - in de Gereformeerde kerkdiensten niet voorgelezen; zulks volgens het besluit van dr. Van Dijk en zijn mede-deputaten, vermoedelijk na overleg met één of meerdere leden van het moderamen van de synode. Later heeft de synode zich met de beslissing om het protest niet voor te lezen akkoord verklaard, waarbij redenen werden genoemd die ons evenmin overtuigden. De bisschoppen evenwel deden er nog een schep bovenop; ze lieten niet alleen het protest voorlezen maar in hun tegelijkertijd voorgelezen herderlijke brief verklaarden ze nog eens "met alle nadruk, dat medewerking in dezen in geweten ongeoorloofd is.
Als ik in de een of andere kerkelijke of niet-kerkelijke kring vertel met dit onderzoek bezig te zijn en dan de vraag stel, welke kerk zich het beste gehouden heeft wat betreft het publiekelijk getuigen tegen de Jodenvervolging, dan is er tot nu toe nog niemand geweest die zei: "de Rooms-katholieke Kerk". Toch kan men, het geheel overziende, moeilijk tot een andere conclusie komen. De Hervormden en de Gereformeerden hebben het om de beurt laten afweten, terwijl in de RK kerken vanaf het moment waarop men meedeed alle verklaringen zijn voorgelezen. Bovendien formuleerden de bisschoppen hun afwijzing van het gehate bordje "Verboden voor Joden" duidelijker dan de Protestanten deden.
<138>
Het is algemeen bekend dat in de loop der eeuwen menigeen in de R.K. Kerk zich schuldig gemaakt heeft aan het doen van antisemitische uitlatingen, ja dat de kerk zelf betrokken was bij het vervolgen der Joden en bij het uitvaardigen van antisemitische wetten. We gaan daar hier niet verder op in. [10.2] Ook valt het buiten het bestek van dit boek, om de houding van paus Pius XII tijdens de tweede wereldoorlog te onderzoeken; daar is intussen een aardige bibliotheek over volgeschreven. Het gaat ons om de houding van de kerken in Nederland, en wel tijdens de tweede wereldoorlog.
Welnu, we komen tot de conclusie dat de Katholieke Kerk in Nederland, wat betreft het publiekelijk protesteren tegen de Duitse gruweldaden jegens de Joden, zich in vergelijking met de andere kerken in Nederland het beste gehouden heeft.
Onzes inziens mag kennis van wat er in de loop der eeuwen door de Rooms-Katholieke vaderen - dat waren de vaderen, ook van de Protestanten - jegens het Joodse volk miszegd en misdaan is, er niet toe leiden dat men zijn ogen sluit voor het goede, geschied tijdens de tweede wereldoorlog. Veeleer vormt het verleden de donkere achtergrond, waartegen het opkomen voor de Joden door de Katholieke Kerk in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog des te scherper contouren krijgt.
<139>
Voorjaar 1943 leken zowel onderdrukking als verzet - iets daarvan werd reeds gememoreerd in de hoofdstukken 7 en 8 - in een stroomversnelling te komen. Studenten dienden een "loyaliteitsverklaring" te ondertekenen; wie daartoe niet bereid was (de overgrote meerderheid), stond voor de keus: of naar Duitsland, of onderduiken. Ook de oud-militairen moesten zich melden. In mei werd bekendgemaakt dat alle mannen tussen de 18-35 jaar opgeroepen zouden worden voor de "Arbeits-Einsatz" in Duitsland. Men begon bij de jongsten. Velen uit deze drie categorieën doken onder. Een gedeelte hunner ging actief deelnemen aan het verzet.
De voor mij meest schokkende gebeurtenis uit die periode staat opgetekend in mijn dagboek, 29 april 1943. De dames Cohen (twee zusters) waren één van de drie Joodse families in ons dorp. Tot op de dag van vandaag kan ik me hen helder voor de geest halen. De oudste, achter in de vijftig, had een rond gezicht; knap, grijs haar. De jongste zal achter in de veertig geweest zijn; haar gezicht was ovaal. Het was voor iedereen te zien dat ze sterk aan elkaar gehecht waren. Al was er weinig contact tussen hen en ons, we kenden elkaar. Ze waren ondergedoken. Bij wie? Ik weet het niet meer. Maar diegenen die hen verborgen hielden werden, toen de oorlog langer bleek te duren dan verwacht was, bang. Men vroeg de zusters weg te gaan. Dat hebben ze gedaan. In de nacht hebben ze toen bij een paar bekenden aangebeld met de vraag: "Wilt u ons in huis nemen?" Iedereen weigerde. Iemand hunner vertelde dat de volgende dag - wel met enige schaamte - bij ons in de winkel. De twee zusters zijn toen naar de Rijn gegaan en hebben zich verdronken. Later spoelden hun lichamen aan in Wageningen; ze hadden zich met een lint aan elkaar vastgebonden. Als de dames Cohen bij ons hadden aangebeld, zouden we ze niet hebben weggestuurd. Maar dat wisten ze niet, en ze zagen geen andere uitweg meer. Hoe afgrijselijk. Zulke dingen kwamen toen voor, in een gewoon dorp. In een stad als Amsterdam hadden de gruwelen een nog veel groter omvang.
<143>
Het kenmerkende van die tijd was de onmacht: je werd aan alle kanten ingesnoerd. Iedereen was verplicht een persoonsbewijs (pb) bij zich te hebben. Het was op een ingewikkelde manier samengesteld en dus uiterst moeilijk na te maken of te vervalsen. En verder kwamen onderduikers in moeilijkheden, omdat ze hun distributie- bescheiden niet meer op de gewone, "legale" manier op het distributiekantoor konden krijgen. In deze uiterst moeilijke situatie kwam juist in die tijd verandering: de "Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers" (afgekort: LO) groeide voorjaar 1943 als een wonderboom. Mijn broer en ik werden door een oom in Ede per telefoon uitgenodigd om bij hem op een theevisite - zei hij - te komen. Die "visite" vond plaats op 26 mei 1943, een dag nadat ik 23 jaar was geworden. Aanwezig was ds. F. Slomp, alias Frits de Zwerver. Hij legde (aan een vijftiental aanwezigen, denk ik) de eerste beginselen van de LO uit. Er dienden in iedere plaats mensen geholpen te worden om onder te duiken wanneer de nood aan de man kwam, ,n er moesten mensen bewogen worden om een onderduiker in huis te nemen. Vaak kon die onderduiker weer aan de slag komen in zijn eigen beroep; jongemannen die melken konden waren zeer in trek. De LO zorgde voor een uitwisseling van vraag en aanbod; daartoe was er allereerst de "districts-beurs" - voor de regio. Raakte men daar de onderduikers niet kwijt dat werd de aanvraag of het aanbod doorgesluisd naar de "provinciale beurs". Daarboven stond, de landelijke beurs", ook wel "top" genoemd. Aan het eind van de vergadering in Ede werden de taken verdeeld. Mijn broer Wim en ik zouden beginnen in Renkum dat, samen met het naburige Heelsum, onder Wageningen ging ressorteren. Maar Wim moest kort daarop zelf onderduiken: hij was in 1922 geboren en werd dat jaar al spoedig opgeroepen voor uitzending naar Duitsland. Hij werd plaatsvervangend districtsleider voor de LO van het district Gorcum en omstreken. Daar werd hij najaar 1943 gegrepen tengevolge van verraad.
Het oprichten van een plaatselijke afdeling van de LO hield onder meer in dat je een netwerk van medewerkers ging opzetten. Gezocht diende te worden naar contact-personen bij de plaatselijke politie, op het gemeentehuis (persoons- bewijzen!) en op het distributiebureau. Verder moesten er onderduikplaatsen gezocht en gevonden worden; dat kon je niet alleen.
<144>
Bovendien was geld nodig. Na verloop van tijd werd er in de plaatselijke kerken (ook in de Katholieke) te Renkum regelmatig gecollecteerd voor "bijzondere noden" en dat geld was voor onze organisatie bestemd. In die tijd kwam ik voor het eerst in intensieve relatie met "andersdenkenden"; daar zijn levenslange vriendschappen uit voortgekomen. Al gauw was de LO in staat om voor voldoende (distributie-)bonkaarten te zorgen, dank zij gewapende overvallen gepleegd door de z.g. knokploegen op distributie- bureaus: de eerste (van een LO knokploeg) vond plaats op 4 juni 1943 en wel op het distributiekantoor te Langweer (Fr.). Als regel was een dergelijke overval mee voorbereid door een van de ambtenaren van het distributiekantoor, die voor de nodige informatie gezorgd had. Het sprak vanzelf dat deze geheime medewerker, evenals de andere distributie-ambtenaren, bij het begin van de overval vakkundig geboeid werd en een prop in de mond kreeg. De techniek om een persoonsbewijs te vervalsen ontwikkelde zich snel. Dank zij die techniek heeft, na de arrestatie van mijn broer, niemand ontdekt dat zijn geboortejaar 1922 is en niet, zoals het pb aangaf, 1918.
Eerst was het uiterst moeilijk om onderduikplaatsen te vinden, maar gaandeweg ging dat beter. Eind juni 1943 kwam er een nieuwe predikant naar Renkum-Heelsum, ds. B.D. Smeenk (1908). Al tijdens de intreedienst sloeg hij krachtige taal uit, o.a. in de richting van de ook in die dienst aanwezige burgemeester, eveneens Gereformeerd: "overheidsdienaren dienden goed te bedenken welke de wettige overheid was en ze konden beter aftreden dan hand- en spandiensten te verlenen bij het plegen van daden van onrecht." Achteraf denk ik: misschien was ds. Smeenk geïnspireerd door het Protest (febr. 1943), dat niet in de Gereformeerde diensten afgelezen maar wel naar de kerkenraden gezonden was. Ofschoon ds. Smeenk niet een man was die aanmoediging van de synode nodig had om tot verzet te komen. Helaas: de burgemeester kreeg de gelegenheid een woord van welkom te richten tot de nieuw-bevestigde predikant, en hij maakte van die gelegenheid gebruik om te proberen zijn eigen straatje schoon te vegen: "sommigen zouden willen dat je gaat, maar anderen zijn juist dankbaar dat je nog gebleven bent, want zodoende kun je nog zoveel goeds doen". Als die man dan tenminste nog iets goeds gedaan had; maar hij dekte zich aan alle kanten, ofschoon ook in ons dorp Joden werden opgehaald.
<145>
We sidderden van afgrijzen. En dat hij dan ook nog het laatste woord had, want de kerkdienst liep ten einde. Maar nee, het laatste woord had deze burgemeester niet. Er volgde nl. nog een slotgebed; daarin richtte de nieuwe predikant zich natuurlijk tot de Allerhoogste, maar hij speelde het toch ook een beetje over de band en de hele gemeente kreeg via dat gebed nog eens heel duidelijk te horen welke onze houding jegens de bezettende macht behoorde te zijn. Dank zij de invloed van ds. Smeenk werd het gemakkelijker, onderduikers in Renkum te plaatsen. Hij zelf begon op grote schaal Joden onder te brengen bij leden van onze gemeente. De LO zorgde voor de benodigde bonkaarten. Al gauw had hij er 80 (als ik me goed herinner) nodig en hij kreeg ze. Maar de - landelijke zowel als plaatselijke - LO richtte zich allereerst op het helpen onderduiken van hen die in Duitsland moesten gaan werken, oud-militairen enz. Eens vertrokken twee onderofficieren die ik had verborgen, naar elders en er kwamen dus twee plaatsen vrij. Maar de volgende dag al bleek ds. Smeenk op mijn plaatsen twee Joden te hebben ondergebracht. Toen ik t.a.v. die gang van zaken bij hem protest aantekende, zei hij: jawel, dat doe ik als ik de kans krijg weer; want wie naar Duitsland moet gaan als militair, arbeider of student, gaat wel een onzekere toekomst tegemoet, maar dat is niet zo erg als het lot van de Joden, want dat is verschrikkelijk." Dat moet eind 1943 of begin 1944 zijn geweest.
De LO als geheel stelde het onderbrengen van Joden niet als eerste prioriteit.In het Gedenkboek van het verzet in LO en LKP (Landelijke knokploegen) staat:
Bij het onderbrengen van Joden heeft de LO slechts een bescheiden rol gespeeld. In 1942, toen de Joden moesten duiken, was deze organisatie nog niet tot ontwikkeling gekomen. Ook leende de werkwijze der LO, gericht op de massale hulp aan grote groepen, zich minder voor het zeer speciale Jodenwerk. De meeste Joden zijn geholpen door kleine Joden-organisaties, waarin studenten prachtig werk verrichtten. Wel zijn vele Joden-helpers later medewerkers der LO geworden, werkten de J-organisaties nauw samen met de LO en heeft de LO belangrijke hulp aan de ondergedoken Joden verleend door de verstrekking van bonkaarten e.d. [11.1]
<146>
H. van Riessen, die in de top van de LO heeft gezeten, verklaarde voor de Enquête- commissie:
Jodenwerk. Hier en daar met de LO verbonden, soms een afdeling, soms er helemaal los van, soms alleen maar een bonkaartencontact. Een onderduiker kon men aan de lopende band behandelen. U kunt zich echter voorstellen dat, wanneer het op de beurs om 100 onderduikers ging, waarvan 4 Joden, de Joden nooit aan de beurt kwamen. Het ging er op de beurs om snel zaken te doen en het was zeer moeilijk ze te herbergen. Bijna niemand nam ze. Wij hebben dat zelf ook begrepen en wij hebben toen zelf gestimuleerd het probleem van de Joden, die zoveel moeilijker op te bergen waren en waarvoor men ook zoveel banger was, langs een apart kanaal te behandelen of het over te dragen. Men moest voor dit vraagstuk iemand nemen, die er zelf geheel voor zorgde, zodat het geval tot zijn recht kon komen. Vraag: Het ging er dus eigenlijk om, dat men voor de Joden geselecteerde adressen zocht? ja, over het algemeen was de illegaliteit overladen met werk en m de LO ging het om massawerk, met problemen die je overvielen en waarvan je niet wist, hoe er uit te komen. Allerlei dingen, die men kon afschuiven, schoof men dan ook af. Men kon vijf a zes adressen vinden, waar men onderduikers kon plaatsen, tegen hoogstens één adres, waar men een jood kon plaatsen. Terwijl men zo ontzaglijk veel adressen nodig had voor de onderduikers-niet-Joden, begon men daar maar aan. Ten slotte meende men goed te doen, er naar te streven, het Jodenwerk in een apart kanaal te leiden. [11.2]
Op die regel waren uitzonderingen. Mijn broer vertelde later dat Kees Chardon uit Delft naar de provinciale beurs Zuid-Holland van de LO kwam en altijd Joden probeerde onder te brengen; "hij ziet er absoluut niet joods uit", placht Kees te zeggen. Dan schrok je wel even, als de betrokkene arriveerde; aldus mijn broer. Kees Chardon heeft de oorlog niet overleefd. zijn zwager, Klaas van Houten, bracht te Wageningen veel Joden onder. Hij heeft de LO eens voorgesteld, een aparte afdeling op te richten die zich speciaal zou bezighouden met Jodenhulp. Men heeft dat van de hand gewezen als "te gevaarlijk". [11.3] Als ik de oorlogstijd kon overdoen, zou ik het helpen van Joden als mijn eerste prioriteit stellen; we weten nu, hoezeer mijn dominee van toen gelijk had: hun lot was onvergelijkelijk veel erger dan dat van niet-Joodse onderduikers. De LO heeft aan individuele Joden, en ook aan andere organisaties die zich wel speciaal op het helpen van Joden toelegden, belangrijke steun verleend in het verschaffen van bonkaarten en persoonsbewijzen. Toch, zo denk ik, had het lot der Joden deze organisatie meer ter harte moeten gaan.
<147>
De meeste (maar niet allen) van de ongeveer 15.000 medewerkers van de LO-LKP waren kerklid. 1100 LO-ers en 500 KP-ers kwamen om.
Dit hoofdstuk lieten we ter beoordeling lezen aan de heer L. Scheepstra ("Bob"), die leider van de Landelijke KP was. Zijn reactie: je hebt wel gelijk, maar vergeet niet: iemand als ik bijv. was opgegroeid op een eiland (Schiermonnikoog); ik was zomer 1943 (toen de LO/LKP op grote schaal begon te opereren) nog geen 25 jaar oud, en we hebben het al improviserend moeten leren".
<148>
Er zijn enkele organisaties geweest - veel kleiner dan de LO met zijn 15.000 medewerkers - die zich toegelegd hebben op het helpen van Joden. Onder deze groepen waren er vier van enige omvang die zich speciaal bezighielden met het verbergen van Joodse kinderen. Allereerst een groep Utrechtse studenten (het "Utrechtse kindercomité") en ten tweede een Amsterdamse groep, van Piet Meerburg, die samenwerkte met ds. Mesdag en kapelaan Jansen te Sneek. De derde was de Trouw-groep (Gesina H.J. van der Molen, dr. J.W. van Hulst en Sandor Baracs). De vierde groep noemde zich de NV; inderdaad: een naamloze vennootschap. Men legde de nadruk op de anonimiteit - andere groepen ook uiteraard - en dat kwam uit in de naam. Men heeft die anonimiteit ook na de oorlog nog lange tijd in acht genomen en dat zal dan ook de reden ervan zijn dat L. de Jong deze groep niet vermeldt. Toch heeft de NV niet minder dan 250 Joodse kinderen weten te onttrekken aan deportatie. Pas 37 jaar na de tweede wereldoorlog werd de anonimiteit opgeheven. Toen verscheen er een boek met verhalen [12.1] en daarna een doctoraal-scriptie van de hand van de zoon van één van de "aandeelhouders" van de NV, Bert Jan Flim: De NV en haar kinderen, 1942-1945 [12.2] (we hebben veel van het volgende geput uit deze scriptie). En ten slotte organiseerde één van de -kinderen", Jack Aldewereld, in mei 1989 een grote reünie te Brunssum waar "kinderen", helpers en pleegfamilies elkander weer ontmoetten. Ed van Thijn, ook een "kind", sprak de feestrede uit.
In het vervolg zal een aantal predikanten een rol spelen; ik vermeld telkens - behalve de naam - hun geboortejaar. De "oprichting" van de NV vloeide voort uit een kerkdienst: op zondag 5 juli 1942 ging dominee Constan Sikkel (1895) voor in de Rafaëlpleinkerk te Amsterdam. Tot zijn gemeente behoorde de familie Braun: man, vrouw en twee kinderen van 19 en 15 jaar oud. Zij waren na de Anschluss uit Oostenrijk gevlucht. Het waren Joden-christenen. Toch kregen ook de twee kinderen de gevreesde oproep om zich te melden.
<149>
Ds. Sikkel maakte tijdens de dienst een opmerking over het onheil dat de familie Braun getroffen had. Tot de kerkgangers behoorden de twee broers Jaap en Gerard Musch, toen 29 en 21 jaar oud. Na afloop van de dienst spraken ze ds. Sikkel aan en vroegen het adres van de familie Braun, gingen daar heen en boden de twee kinderen hun hulp aan om onder te duiken. Die wilden dat alleen, op voorwaarde dat ook hun ouders zouden onderduiken: anders zouden immers de Duitsers de verdwijning van de kinderen wreken op de ouders. Er is toen besloten dat het hele gezin zou onderduiken en zo geschiedde. De kinderen gingen naar Friesland, de ouders werden ondergebracht met hulp van een dominee in Barneveld voor wie ds. Sikkel de gebroeders Musch een introductie- brief had meegegeven; dat moet ds. W.L. Korfker (1883) geweest zijn.
Dat was het begin. Kort daarop gingen Jaap en Gerard zich nog intensiever met het helpen onderduiken van Joden bezighouden. Jaaps verloofde evenwel vond Jodenhulp veel te gevaarlijk; waarop Jaap besloot de verloving te verbreken. Hij, zijn broer Gerard en diens vriend Dick Groenewegen van Wijk (evenals Gerard 21 jaar) waren bewogen met het lot der Joden, "een lot waarmee ze iedere dag geconfronteerd werden". Dat was de belangrijkste drijfveer. "Ook voelden ze zich als christenen verplicht te proberen zoveel mogelijk Joden uit handen van de Duitsers te houden". Aldus Bert Jan Flim. Ze gingen zich vooral toeleggen op het helpen van Joodse kinderen: die waren gemakkelijker dan volwassenen onder te brengen, accepteerden de autoriteit van hun helpers (de helpers zelf waren nog zo jong!), hadden geen persoonsbewijs nodig, waren het meest hulpeloos, maar vormden desondanks de toekomst van het Joodse volk.
<150>
Drie problemen moesten worden opgelost: hoe de kinderen uit Duitse handen te krijgen? Hoe de nodige onderduikplaatsen te vinden?, hoe de kinderen naar hun plaats van bestemming te brengen? Er was in Amsterdam, Plantage Middenlaan 31, een crèche die op last van de Duitsers ingericht was, als dependance van de Hollandse Schouwburg, het gevreesde concentratiepunt voor hen die gedeporteerd zouden worden. Welnu, men vond (zoals ook door L. de Jong beschreven) allerlei wegen om telkens kinderen de crèche uit te smokkelen, vaak via de nabijgelegen Hervormde kweekschool en met behulp van de directeur daarvan, J.W. van Hulst. Joop Woortman was de verbindings- schakel tussen de NV aan de ene kant, en de directrice van de crèche, mevrouw Pimentel, en de medewerker van de Joodse Raad Walter Susskind aan de andere kant.
Foto 17. Jaap Mush (1913-1944)
Wat het tweede probleem betreft: Jaap Musch (hij was chemisch analist) solliciteerde bij de Staatsmijnen in Heerlen en werd daar aangenomen. Dientengevolge zou hij zelf voorlopig niet behoeven onder te duiken om werken in Duitsland te ontgaan: de mijnen waren "Kriegswichtig". Gerard en Dick voegden zich bij hem; zij moesten wel onderduiken, maar konden dan ook voortaan al hun tijd aan de NV wijden. Jaap nam contact op met de plaatselijke Gereformeerde predikant, ds. G.J. Pontier (1888), die zelf ondergedoken Joden in huis verborgen hield. Flim vertelt: "Dominee Pontier maakte een lijst van gemeenteleden, die volgens hem wel genegen waren een joods kind bij hen in huis te nemen. Gewapend met die lijst en een introductiebrief van ds. Pontier gingen Dick en Gerard de boer op. Aangekomen bij zo'n adres belden zij aan en spraken de woorden: 'Ik kom van ds. Pontier."
Dat was toch een deuropener daar. Dat bracht je in de voorkamer. Eenmaal binnen vertelden zij aan de mensen die daar woonden van hun ervaringen uit Amsterdam: hoe zij zelf hadden gezien dat mensen uit hun huizen werden gesleept en als vee werden weggevoerd. Dit was noodzakelijk, want veel mensen in Zuid-Limburg wisten in het geheel niet, wat er gaande was in Amsterdam. Vervolgens vroegen zij of de betrokken familie een joods kind onderdak wilde verschaffen. Dit was wel gebonden aan de voorwaarde dat dat kind in zijn nieuwe omgeving gewoon buiten kon spelen en gewoon naar school kon gaan. Tevens zou één van de NV-medewerkers eens per maand langskomen om erop toe te zien dat dit inderdaad gebeurde. [12.3]
De groep van medewerkers en medewerksters groeide. Vooral de laatsten waren belangrijk voor het met zo weinig mogelijk risico overbrengen van de kinderen uit Amsterdam naar Limburg: een jonge vrouw met een kind in de trein trekt minder de aandacht dan idem een jongeman.
<152>
Vanaf zomer 1943 zorgde de LO (de hier eerder besproken Landelijke Organisatie") voor de broodnodige bonkaarten. Het werk breidde zich uit: ds. H. Bouma (1887) te Treebeek/Brunssum werd ingeschakeld; via hem kwam er een fors aantal beschikbare adressen bij. Volgende medewerkers waren ds. H.R. de Jong (1911) te Venlo en de Hervormde ds. C.R. de Jong (1911) te Rossum. In een iets later stadium kreeg men vaste voet in Twente: de familie Flim te Nijverdal zette zich daar in voor de NV. Het domineescircuit bleef daarbij belangrijk. Dat blijkt uit het volgende citaat, waarbij wat tussen haken staat mijn toevoeging is:
Koos verscheen op het toneel met het verzoek om tachtig adressen. Herman (Flim) en Koos gingen direct aan het werk. De Gereformeerde predikant in Nijverdal, ds. (R.) Hamming (1876), verwees hen door naar zijn collega in Lemelerveld, ds. (A.J.W.) Vogelaar (1907), en naar een dominee in Heerde (C.J.W. Teeuwen; 1898). Vervolgens werden de taken verdeeld. Koos ging op een vrijdag en daarop volgende zaterdag naar Heerde met een introductie van ds. Hamming. Herman werkte op vrijdag Lemelerveld af. [12.4]
Ook in de Betuwe wist men kinderen onder te brengen. Pas onlangs ontdekte ik dat ook het Joodse meisje dat tijdens de oorlog bij mijn tante in Leerdam verbleef een "kind van de NV" was. Al deze kinderen "moesten gewoon opgroeien in een pleeggezin, naar school gaan, buiten spelen, kortom, alles doen wat een "gewoon" kind gewend was om te doen. Alleen onder deze voorwaarden werden de kinderen geplaatst", aldus Flim. 's Zondags gingen ze dus ook met het gezin mee naar de kerk, en ze hoorden "thuis" het dagelijks gebed en het lezen uit de bijbel aan. Voorts gingen ze ongetwijfeld naar "de school met de Bijbel' en, als ze de leeftijd daarvoor hadden, samen met de andere opgroeiende kinderen van het gezin naar de catechisatie: het kerkelijk onderricht bestemd voor de jeugd vanaf 12 jaar op een avond in de week. Dat behoorde bij het leefpatroon en indien men daarvan wat betreft "een Rotterdams pleegkind" (de bewering die naar buiten gebruikt werd en die, tengevolge van het bombardement van Rotterdam, moeilijk te controleren was) afweek, kon daardoor ongewenste aandacht opgeroepen worden. Als er gevaar dreigde, moest een kind naar een ander adres gebracht worden. Ook om persoonlijke redenen (angst van de pleegouders bijv.) kon overplaatsing noodzakelijk worden. Misschien kwam het kind in kwestie dan terecht in een gezin met heel andere opvattingen dan die van het vorige. Geleidelijk aan werden namelijk ook plaatsen in RK gezinnen gevonden. Ed van Thijn vertelde:
<153>
Ik wisselde ook regelmatig van godsdienst. De ene keer zat ik in een streng gereformeerd gezin. De andere keer bij een katholieke familie. (Daar bad hij dan ook vrolijk de rozenkrans mee). Je moest je onmiddellijk aanpassen, ja… onmiddellijk. Was ik net een beetje wegwijs in de Statenbijbel… [12.5]
Zij die de NV op touw gezet hadden, deden dat voor het merendeel (niet allemaal) vanuit een christelijke overtuiging. Ze deden dat om levens te redden, niet om de kinderen tot een ander geloof over te halen. Gold dat ook wat betreft de pleeggezinnen? Ik denk dat men altijd, om te beginnen, een kind opnam om een leven te redden. Daarna heeft men soms - soms ook niet - geprobeerd het eigen geloof uit te dragen. Jack Aldewereld (al eerder genoemd) werd opgenomen door een echtpaar zonder kinderen. Toen na de oorlog bleek, dat zijn ouders omgekomen waren, is hij bij de pleegouders gebleven. Hij werd door hen gereformeerd opgevoed, maar is altijd vrijgelaten in zijn keuze. "Flip Amsterdammer" vertelt daarentegen over zijn vroegere pleegvader:
Hij heeft in 1975 of 1976 contact met mij opgenomen.(…) Het is een uiterst openhartig gesprek geworden, omdat hij claimde dat hij mijn leven gered had, wat dus waar is, en ik op die grond niet van het pad van Jezus had mogen afwijken. Hij had dus ontdekt (…) dat ik een socialist was geworden en als godslasteraar op het verkeerde pad was gegaan en hij vroeg mij op grond ervan dat hij mijn leven gered had, terug te keren tot het ware geloof. Dat was een uiterst pijnlijke toestand.[12.6]
Ds. Pontier hield, zoals al eerder even aangestipt, in zijn huis Joden verborgen, een familie van strikt orthodoxe opvattingen. Een van de zoons kreeg van ds. Pontier een nieuw testament. Aan de andere kant werd er voor de onderduikers, die een eigen gedeelte van het huis tot hun beschikking hadden en daar hun gebeden konden verrichten, zo lang het mogelijk was kosjer gekookt. [12.71] Zo combineerde het echtpaar Pontier blijkbaar de bereidheid om de overtuiging van de ander te respecteren met het verlangen om eigen geloofsgoed aan die ander over te dragen.
<154>
Van de 250 kinderen die door de NV ondergebracht werden is er zelfs niet één in de handen van de Duitsers gevallen. Maar september 1944 werd een inval gedaan - min of meer bij toeval - in een landhuisje bij Nijverdal, waar Jaap Musch verbleef met vier Joodse kinderen. Jaap vluchtte niet, om de kinderen de kans te geven weg te komen en dat is hun gelukt. Hijzelf werd weggevoerd, zwaar gemarteld en - toen hij desondanks niets losliet - in de nacht van 9 op 10 september vermoord. Ook Joop Woortman is omgebracht, in Bergen Belsen. Ds. H.R. de Jong moest (maart 1944) onderduiken na een overval van de SD op de pastorie in Venlo. Hij raakte toen nog dieper betrokken bij het werk voor de LO en "Trouw". januari 1945 werd hij gevangen genomen en op 12 februari 1945 vermoord, nog geen 34 jaar oud. Alle andere medewerkers van de NV hebben de oorlog overleefd.
<155>
a. Ader
Het verhaal van mevrouw J.A. Ader-Appels, Een Groninger pastorie in de storm, [13.1] beleefde de ene herdruk na de andere en dat is geen wonder: het verhaal vertelt op boeiende wijze hoe mensen ondanks hun angst - kwamen tot het helpen van Joden. Ds. B.J. Ader was Hervormd predikant te Nieuw-Beerta. Zijn vrouw had een Joodse vriendin in Amsterdam en die schreef haar: "Kan ik niet een tijdje bij jullie logeren? Ik ben in grote nood". Toen mevrouw Ader deze brief aan haar man liet lezen, was die juist in een pessimistische bui en zei: "Daar heb je 't al…. ik eindig mijn leven nog in een concentratiekamp" (91). Maar de vriendin mocht wel komen, en na haar vele anderen. Over de twee honderd werden ondergebracht. Verraad noodzaakte ds. Ader onder te duiken. Op korte termijn moesten toen dus ook alle Joodse gasten van de pastorie elders worden ondergebracht. Mevrouw Ader bleef. Toen de overval kwam waren de vogels gevlogen, maar mevrouw Ader werd - ofschoon in verwachting - meegenomen, evenals de hulp in de huishouding. Mevrouw Ader werd verhoord door een inspecteur van politie die N.S.B.-er was. Tijdens een van de verhoren zei ze: "U sprak gisteren over christen-zijn. Dat houdt in, dat volgens onze overtuiging we bereid zouden moeten zijn om een mens die in nood is, te helpen - wie het ook is. En als er daarom iemand bij ons kwam die vervolgd werd, en in levensgevaar verkeerde en ons vroeg om bescherming, dan zouden we hem of haar die geven, ten koste van onze eigen veiligheid" (25l). Geen woord in de geest van: "we moeten hun zielen redden". Maar van de bij hen ondergedokenen werden twee meisjes later gegrepen en naar Westerbork gevoerd. Van daaruit vroegen ze vlak vóór hun deportatie naar Polen - om bijbeltjes en die zijn toen aan hen gestuurd. Mevrouw Ader werd kort daarop losgelaten, maar moest de pastorie uit; die werd leeggeplunderd. Ds. Ader had zomer 1944, toen de geallieerden in Frankrijk snel oprukten, het plan beraamd om - bij de nadering der bevrijders - het kamp Westerbork te overvallen en de gevangenen te bevrijden. Twee gedeserteerde Duitse soldaten hadden hem daartoe hun uniformen gegeven. Het plan werd verraden. De twee Duitsers zijn onmiddellijk terechtgesteld.
<156>
foto 18 a + b ds B.J. Ader en zijn vrouw J.A. Ader-Appels
Ds. Ader werd op 23 juli 1944 gevangengenomen. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij enkele aangrijpende gedichten. [13.2] Op 20 november 1944 werd hij in de bossen bij Veenendaal gefusilleerd.
b. Dobschiner
Mevrouw Ader toonde nergens de behoefte om aan anderen haar geloof op te dringen, maar de verzetshouding en de daden van haar man en haar hebben ongetwijfeld grote indruk gemaakt op hen die ze verborgen. Dat blijkt ook uit het boek van Johanna- Ruth Dobschiner [13.3], die geruime tijd bij het echtpaar Ader ondergedoken is geweest.
<157>
Zij wilde, strikt orthodox-joods opgevoed als ze was, de Joodse spijswetten zoveel mogelijk blijven naleven en zag daarom af van het eten van vlees. Het feit dat ze in een domineesgezin verbleef joeg haar angst aan: Ik had gehoord van nonnen, die Joodse kinderen stalen om ze te redden uit de handen van de vijand. Dan werden zij in de kloosters verborgen en later gedoopt. (…) Was mijn bezorgdheid ook maar enigszins gegrond? Nog maar enkele ogenblikken geleden had ik Domie (Groningse afkorting voor dominee; JMS) bewonderd om zijn zuiverheid, zijn eerlijkheid. Nee, hij kon daar niet bij horen. Hij was geen non of priester. Hij was een gewoon mens, nee, een buitengewoon mens. Ik zou hem vertrouwen, zelfs al was hij een dominee"(134). Toen de overval dreigde en alle onderduikers naar een andere schuilplaats moesten worden overgebracht, zat iedereen in spanning te wachten op het moment waarop er iemand zou komen om hen af te halen. Mevrouw Ader ging aan de piano zitten; zij speelde haar eigen kerkliederen. Haar twee neefs (ondergedoken studenten) zongen mee. "Wij meisjes luisterden en een paar van ons volgden de woorden in het gezangenboekje". De schrijfster vertelt dan hoe zij "Frans" (haar onderduik-naam), wel zin had om mee te zingen, maar "Welk een vriend is onze Jezus", dat ging natuurlijk niet; dus ze zong: "Welk een vriend is onze Mozes" (173).
Foto 19: Johanna Ruth Dobschiner als verpleegster op 17 jarige leeftijd
<158>
Tenslotte vond "Frans" een nieuwe schuilplaats in Limburg waar ze, najaar 1944, door de Amerikanen bevrijd werd. "Toen ik bijna zes weken naar de dorpskerk was geweest, vond ik, dat de tijd gekomen was lid te worden. Ik maakte een afspraak met de predikant voor een gesprek." Eerst vonden hij en zijn kerkenraad het maar vreemd (ze had niet eens catechisatie gehad!), maar tenslotte hadden ze geen bezwaar: ze deed reeds de daarop volgende zondag belijdenis, en werd gedoopt.
c. Houwaart
Totaal anders ' waren de levensloop en ervaringen van Dick Houwaart, zoals hij die beschrijft in Verduisterde bevrijding. [13.4] Formeel gezien hoort hij in dit hoofdstuk niet thuis, want hij is nooit ondergedoken geweest in de letterlijke - wel in de figuurlijke zin. Die ervaring beschrijft hij als volgt: "De Jood, die de christelijke glans gebruikte om zijn Jood-zijn te verbergen". Houwaart vervolgt dan: "Het is de omgekeerde weg van de jodin, die een boek schreef over haar overgang naar het christendom in oorlogstijd. Een Anneke Beekman in pais en vree. Maar hoe kan een overgang in oorlogstijd ooit een vrijwillige zaak zijn? Hoe kan een mens vrijwillig besluiten christen te worden, als zijn leven wordt bedreigd? Als zijn ontvangers hem voorhouden dat het kruis hem zal redden. Wie zal de peilloze angsten, de psychische druk, de ijver van de omgeving weerstaan, als het er om gaat het vege lijf te redden?" Aldus Houwaart. We menen dat, als Houwaart op het hierboven genoemde boek doelde, hij het niet voldoende grondig gelezen heeft en onnauwkeurig weergeeft; zo vond "de overgang naar het christendom in oorlogstijd" van Johanna-Ruth Dobschiner plaats na haar bevrijding en vernemen we niets over "psychische druk, de ijver van de omgeving".
<159>
Blijkbaar is Houwaart pas later tot de ontdekking gekomen, hoezeer men bij het nemen van belangrijke beslissingen geleid kan worden door angst: "Hoe onwaarachtig was mijn gedwongen doop in de roomse kerk.(…) Het was pure angst. Het was de doodsangst van een moeder voor haar kinderen en zichzelf. Nog was zij niet aan de beurt, maar zij wist met een Joodse zekerheid dat haar dag en die van haar kinderen zou komen. Daarom zocht zij de tijdelijke veiligheid van de roomse kerk" (19-20). Gedoopt in de Rooms-Katholieke, maar later overgegaan naar een Protestantse - naar ik vermoed de NH - kerk: "Het protestantisme overspoelde mij als een lauwe golf veiligheid" (66). Behoefte aan veiligheid en daarom "oorlogs-christen" geworden en enige tijd gebleven. Houwaart verwijt dat niet zijn moeder aan wie hij zijn boek opdraagt, wel zichzelf. In gedachten voert hij een gesprek met een omgekomen familielid waarin hem "verraad" verweten wordt (36). En later bekent hij: Ik heb al verteld, dat ik duizenden malen nee zei tegen het Jood-zijn. Ik aarzelde om het te zeggen. Omdat ik bang was. Ik wilde mij verbergen voor de bordjes ('Verboden voor Joden'). Voor de razzia's. Voor het halen"(50). In 1973 keerde Houwaart terug tot het Jodendom. Hij had afgerekend met zijn "oorlogs- christen" zijn.
<160>
14 WAAROM HIELP MEN Joden?
a. Dominee, boer, dominee
Hij was 56 jaar oud en stond al 27 jaar in zijn tweede gemeente, Heerlen. We hebben hem al eerder ontmoet - met zijn hulp begon de NV Joodse kinderen onder te brengen in Limburg: ds. G.J. Pontier. Met vrouw en 4 kinderen bewoonde hij een vrij klein huis. Het merendeel van zijn gemeenteleden werkte in de mijn; velen waren uit Friesland of Drente afkomstig. In Limburg stichtten ze een eigen kerk en een "school met den Bijbel". Het was een Protestants eilandje in een Rooms- Katholieke omgeving. Dicht bij hen woonde de familie Silber: man, vrouw en vier kinderen (twee andere kinderen hadden kans gezien te emigreren naar het toenmalige Palestina). Joden, gevlucht uit Polen waren het. Eerst was er nauwelijks contact tussen de twee gezinnen. Maar eens sprak ds. Pontier een van de jonge Silbers aan op straat en zei: "als jullie in nood komt, kom dan bij ons." Aldus de oudste dochter Pontier. [14.1] Al spoedig kwam inderdaad de nood aan de man: de 3 zoons werden opgeroepen. Eerst leek de pastorie niet meer dan twee gasten te kunnen herbergen; dus meldde zich een van de zoons en werd gedeporteerd. Hij heeft de oorlog desondanks overleefd. Mevrouw Pontier heeft er een heftig schuldgevoel over gehouden: "waarom kon hij er niet bij?" Kort daarop moesten ook de andere Silbers zich melden en zij vonden eveneens een schuilplaats in de pastorie. Er werd toen ruimte geschapen. De oudste dochter van het gezin Pontier ging iedere nacht bij de buren slapen. Het gezin Silber kreeg de zolder als slaapvertrek en de studeerkamer als zitkamer. "Waar maakte Uw vader dan zijn preken?", vroeg ik. "Beneden; daar was zijn bureau heengegaan. Dan gingen de schuifdeuren (van de kamer en suite) dicht en dienden de kinderen zich stil te houden".
Het gezin Silber was orthodox-joods. Geheel op eigen terrein kon men de gebeden dus blijven verrichten. Een enkele keer keken de kinderen Pontier om de hoek en bewonderden de gebedsmantels. Mevrouw Pontier bereidde het eten en zorgde ervoor dat het kosjer was, "zo lang als dat mogelijk bleek". Mevrouw Pontier was het ook, die op haar fiets de gemeente introk om plaatsen te zoeken voor "de kinderen van de NV".
<161>
foto 20 (Het gezin Pontier-Wartena; foto omstreeks 1938)
Op 6 november 1943 kwam de SD ds. Pontier arresteren: hij had een jongeman die de (nationaal-socialistisch getinte) Arbeidsdienst in moest, helpen onderduiken. Merkwaardigerwijs hebben ze de dominee meegenomen zonder verder huiszoeking te doen: zo ontkwamen de Silbers. Ds. Pontier werd drie dagen vastgehouden in het huis van bewaring te Maastricht en toen overgebracht naar de cellenbarakken te Scheveningen. Op 17 mei 1944 werd hij vrijgelaten, nadat hij beloofd had, geen onderduikers meer te zullen helpen. Met die belofte had hij het wel een beetje moeilijk, maar hij heeft het toch maar beloofd want, zo dacht hij: "het is mijn vrouw die het meeste werk doet op dit gebied". Mijn laatste vraag in het gesprek met zijn dochter was: "Waarom hielp Uw vader de familie Silber, ofschoon hij die toch nauwelijks kende?" Het antwoord was: "Hij zag de Joden als het uitverkoren volk; daarom vond hij dat wij hen behoorden te helpen ondanks de gevaren - en daarom hadden ze bij hem een streepje voor, vergeleken bij andere onderduikers."
<162>
<163> (foto 21 van Oom Hannes - Johannes Boogaard Jr.
Nu was de opvatting dat de Joden nog steeds het uitverkoren volk zijn (het "Verbondsvolk") in die tijd allerminst gemeengoed onder Gereformeerde predikanten. Eerder, zo menen we, vond men die gedachte onder gemeenteleden. Een hunner was Johannes Bogaard, een keuterboertje in de Haarlemmermeer. [14.2] We noemden hem: "oom Hannes". Zijn vader is in de oorlog omgekomen; ook een broer, ook een zoon. De familie was onvermoeibaar in het onderbrengen van Joden. L. de Jong besteedt uitvoerig aandacht aan hen en aan hun ondernemingen. [14.3] Toen "oom Hannes" de eerste keer bij ons aanbelde, heeft schrijver dezes hem niet binnengelaten, maar hem gevraagd na een half uur terug te komen. Ik vond hem er nl. onguur uitzien en vertrouwde hem niet. Toen hij terugkwam, zag mijn zuster hem en haar reactie was anders dan de mijne. Ze schreef later in haar dagboek: "Oom Hannes bij ons geweest. Ik kwam terug van een boodschap en zag hem voor de deur staan: hij had net gebeld. En meteen wist ik dat dit nu oom Hannes was, al had ik hem nog nooit gezien. 'Van buiten zwart, van binnen rein', zeggen zijn logés." Achteraf spijt het me dat we toen nooit met hem gepraat hebben over de vraag: "Waarom doet men in de oorlog de dingen die men doet?" Een van de onderduikers van toen wees me evenwel op een boek over het verzet in en om de Haarlemmermeer. Daarin vinden we:
De Boogaards hebben altijd de onderdrukten en hongerenden geholpen. Na de Eerste Wereldoorlog hadden ze Hongaarse kinderen in huis. Nederland had altijd onderdak aan de Joden en andere ontheemden verstrekt. Dat hóórden we ook gewoon te doen, vonden de Boogaards. De voornaamste reden daarvoor vonden ze in de Bijbel: 'De Joden zijn Gods uitverkoren volk.' 'En de Duitsers horen hier niet', voegden ze er dan aan toe (75).
En even verder horen we wat er gebeurde tijdens de tweede overval op de boerderij: "Elf mensen uit de kelder werden gepakt. (…) De oude Hannes, toen al 77, wilde de mensen niet laten gaan. Met de Bijbel in zijn handen bezwoer hij de politiemannen, dat zij de Joden niet mochten oppakken. 'Ze zijn Gods uitverkoren volk.' 'je houdt je smoel of je gaat ook mee', schreeuwden ze. 'Ik ga mee,' zei de oude Hannes en hij ging mee."(84).
<164>
foto 22 Ds . C. Kapteyn Dzn. (1895-1965)
Een derde voorbeeld was de Amsterdamse ds. C. Kapteyn, collega van de al vaker genoemde ds. J. van Nes. Hij werd wegens hulp aan Joden gevangen genomen en verhoord door Sachbearbeiter Nagel. Deze vroeg Kapteyn, waarom hij Joden geholpen had bij het onderduiken.
En het antwoord was, dat Christus ons dat geleerd heeft en dat deze bijzonder aangedrongen heeft op barmhartigheid voor de Joden. Ds. Kapteyn las uit zijn bijbel voor Romeinen 11:30-32. De heer Nagel antwoordde niets, maar liet het door ds. Kapteyn gezegde, met het Schriftbewijs erbij, kort in de protocollen invullen. Toen verder aan ds. Kapteyn gevraagd werd, waar de door hem geholpen Joden waren, zei hij, dat hij dat niet kon zeggen. En het tot grote verbazing van ds. Kapteyn gegeven wederwoord was: "Als ik op uw standpunt stond, dan vertikte ik het ook, om het te zeggen." En aan de typiste werd gedicteerd voor het protocol: "Wo diese Juden sind, kann ich nicht sagen". [14.5]
<165>
Het frappeert me dat de niet-kerkelijke geschiedschrijvers met geen woord reppen van dit motief om Joden te helpen: "Gods uitverkoren volk" of "het oude Bondsvolk" of een soortgelijke uitdrukking. Ook L. de Jong zegt wel: "Wat de gereformeerden aangaat, verdient het de aandacht dat zij die toch niet meer dan 8% van de bevolking vormden, uiteindelijk ongeveer een kwart van de Joodse onderduikers geherbergd hebben." [14.6] De vraag evenwel, wat voor dat herbergen het motief zou kunnen geweest zijn, wordt door hem niet behandeld. Een uitzondering op de regel van dit niet noemen van het "Gods volk-motief' is het onlangs verschenen De altruïstische persoonlijkheid - Waarom riskeerden gewone mannen en vrouwen kun levens om anderen te redden? Een citaat:
Voor bepaalde gereformeerde helpers in Nederland hadden alle Joden een speciale verdienste, los van de gedragingen of eigenschappen van individuen, want die was hen geschonken door God zelf.