Chapter 5

Wat het Joodse volk betrof, werden wij opgevoed in een traditie waarin we geleerd hadden dat het Joodse volk het volk was van de Heer.

De belangrijkste reden is dat we wisten dat zij het uitverkoren volk Gods zijn. We moesten hen redden. We vonden dat we dat moesten doen - en met die overtuiging riskeer je dan alles.

Zoals ik u al zei, we hebben altijd van het Joodse volk gehouden omdat het Joodse volk Gods volk is. [14.7]

Naast de specifieke ("de Joden zijn Gods volk") gold zeker niet minder ook de meer algemene opdracht: "Heb uw naaste lief als uzelf." De naam van het gedenkboek van het verzet in LO en LKP bedoelt te verwijzen naar die opdracht: "Het grote gebod."

b. Angst

Nu is met dit alles bepaald niet gezegd, dat een meerderheid van de Gereformeerden metterdaad Joden geholpen heeft. In werkelijkheid heeft slechts een (kleine) minderheid dat gedaan. De meerderheid liet het afweten, ook bij hen. Op de vraag, waarom mensen het uitdrukkelijke voorschrift van hun geloofsovertuiging soms (vaak!) naast zich neerlegden - terwijl "niet-gelovigen" dat gebod niet zelden wél vervulden", kunnen verschillende antwoorden gegeven worden. Ongetwijfeld was een belangrijke factor om géén Joden te helpen: de angst. Die kon men dan eventueel verbergen achter een min of meer aannemelijke verontschuldiging.

<166>

Eens vroeg ik aan iemand - eigenaar van een grote, eenzaam gelegen boerderij - een joods kind in huis te nemen. Zijn huisgenoten wilden wel, hij niet. Hij erkende het eerlijk: "ik ben bang". De man was Gereformeerd ouderling en, ofschoon ikzelf toentertijd allesbehalve godvruchtig was, achtte ik het gewenst hem de voor de hand liggende duimschroeven aan te leggen. Dus hield ik hem voor dat, naar zijn geloofsovertuiging, hij eens voor de rechterstoel van God verantwoording zou moeten afleggen van wat hij nagelaten had; ook van het geen onderdak verschaffen aan een joods kind. Ik vroeg hem of hij daarvoor niet banger was dan voor wat de Duitsers bij eventuele ontdekking hem zouden kunnen aandoen. Nog zie ik in gedachten het gezicht van de man voor me; hij zweette ervan. Maar het antwoord was: je hebt gelijk; toch durf ik niet." Het ironische van het geval is dat dezelfde man, aan het eind van de oorlog toen zijn dorp onder vuur lag en men moest evacueren, niet te bang was om terug te gaan in een poging om wat huisraad te redden. Dat heeft hem toen zijn leven gekost. Inderdaad was men soms, hoe onlogisch het klinken moge, minder bezorgd over het verliezen van lijf dan van goed. Na de slag bij Arnhem waren er nogal wat Engelse militairen ondergebracht bij burgers op de Veluwe. Men wist bij ontdekking de doodstraf te zullen krijgen, maar dat risico werd aanvaard. Toen evenwel bleek, dat de Duitsers bij ontdekking niet alleen de heer des huizes fusilleerden, maar ook zijn huis of boerderij verwoestten, zijn er een paar boeren geweest die zelden: "Dat wordt me te kras; zoek een andere plaats voor die Engelsman." Al eerder noemden we terloops hoe mevrouw Ader-Appels de pastorie moest verlaten en hoe die werd leeggeroofd, vanwege de hulp door haar en haar man verleend aan Joden. Zoiets was ook een harde klap, misschien harder dan we ons nu kunnen voorstellen.

c. Om zielen te redden?

Als een jood onderdook bij een christen, hielp de christen hem dan met de bedoeling, hem te winnen voor het christelijk geloof? Die vraag kwam reeds zijdelings aan de orde en dient hier nu uitvoeriger besproken te worden.

<167>

Duidelijk was de mening van een van de deelnemers aan een radio-uitzending van IKON [14.8] die op een desbetreffende vraag uitsprak, dat "het laten onderduiken soms ook een bijbedoeling had" en dat zij die lieten onderduiken dachten "dat zij het instrument waren in Gods hand om de Joden te confronteren met hun Messias." Ook verklaarde hij, dat "die diepste motivering eerder regel dan uitzondering was." Nadat die mening in het dagblad Trouw' samengevat was als zou "meer dan de helft van de christenen die Joden in hun huis deden onderduiken, dit uit bekeringsdrang" gedaan hebben, nuanceerde hij evenwel zijn standpunt: "algemene uitspraken zijn hier natuurlijk niet te doen."

Krachtig wees de Hervormde emeritus-predikant G.C. Tromp (in Trouw, 15.6.1988) de mening als zou men Joden in huis genomen hebben om ze te "bekeren", van de hand. Hij sprak - als hulpprediker in de oude binnenstad van Amsterdam in de jaren 1943-1945 - uit eigen ervaring:

Mij is geen enkel geval bekend van christenen die een Joodse onderduiker wilden helpen 'uit bekeringsdrang'. Ik denk nu aan gezinnen die behoorden tot de hervormde, de gereformeerde, de christelijke gereformeerde kerken en tot de gereformeerde gemeente. Dat men aan onderduikers onderdak bood was vaak iets dat men deed - met vrees en beven; maar men dééd het, om levens te redden. Men deed het uit geloof zoals anderen het deden vanuit hun humanitaire overtuiging.

Humoristisch (maar niet onjuist) is een andere opmerking van Tromp:

Men kan ervan overtuigd zijn dat mensen die in de oorlog ondanks de struggle for life, een 'bekeringsdrang' in zich voelden, volop gelegenheid vonden die drang zonder risico uit te oefenen. Er waren tal van Nederlanders, die niet het christelijk geloof beleden. Men kon vrijuit met hen spreken, zonder het risico in een concentratiekamp terecht te komen. Daarom is het onbegrijpelijk dat er mensen geweest zouden zijn, die Joden in hun huis lieten onderduiken uit bekeringsdrang.

Ds. Tromp vond dat "op deze wijze de eer en de goede naam van christenen die onderduikers in hun gezin opnamen, wordt aangetast", en achtte het gevaar van geschiedvervalsing aanwezig. Wij zijn, met ds. Tromp, van mening dat bekeringsdrang nimmer de reden is geweest om Joden als onderduikers in huis te nemen, in een tijd toen het verlenen van hulp aan Joden ernstig gevaar voor schade aan lijf en goed met zich mee bracht.

<168>

Men dient zich evenwel, ter beoordeling van de problematiek, in te denken wat er gebeurde wanneer een Joodse man, vrouw of kind onderdook bij een christelijk (laten we aannemen: een Gereformeerd) gezin. Dat was voor beide kanten een soort culturele schok. Zelden was het gastgezin gewend om intensief met "andersdenkenden" om te gaan; het was nog de tijd van de "verzuiling". Voor de gast was de schok nog groter. Het gezin had een vast patroon wat betreft de beleving van het geloof- op zondag ging men tweemaal naar een kerkdienst; door de week gingen de opgroeiende kinderen naar de catechisatie (kerkelijk onderricht) en naar de -eveneens kerkelijk georiënteerde - jeugdvereniging. Dat alles ging de onderduiker nog grotendeels voorbij; al werd er in vele gezinnen thuis nagepraat over de preek en werd er bij de jeugd geïnformeerd naar wat er besproken was op catechisatie of jeugdvereniging. Maar - tenzij men een gedeelte van het huis apart kon bewonen (de Silbers bij Pontier) het dagelijks huiselijk bedrijf ging de onderduiker allerminst voorbij. In de meeste gevallen zat hij met het gezin aan de etenstafel en hoorde zodoende driemaal daags lezen uit de Bijbel, en zesmaal daags een hardop uitgesproken gebed. Soms zal de onderduiker geboeid zijn geweest door de krachtige woorden waarmee in het gebed gevraagd werd om Gods bescherming voor de verdrukten, alsook om de ondergang van de verdrukkers. Maar dat werd gevraagd "in Christus' naam", en dat zal hem een minder behaaglijk gevoel gegeven hebben. Of, sterker, hij of zij voelde zich miserabel. Anne de Vries vertelt, in De levensroman van Johannes Post:

In de boerderij staat de tafel gedekt. Spoedig dampt een warm maal op de schalen. De Joden scharen zich om de dis. Johannes gaat voor in gebed. Hij neemt geen blad voor zijn mond. Ofschoon hij gaarne de gevoelens van anderen ontziet, in zijn gebed moet hij oprecht en openhartig zijn. "Here, wij danken U, dat Gij ons bewaard hebt en dat Gij deze levens aan het woeden van de vijand hebt ontrukt. Wil deze vervolgden een Vader en Beschermer zijn, om Christus' wil, die ook hun Messias is, al erkennen ze Hem nog niet…" [14.10]

Men nam - het zij nogmaals beklemtoond - Joden in huis om levens te redden, niet om ze te bekeren. Toch ligt het voor de hand dat, als ze eenmaal in huis waren en men elkaar beter ging kennen, de gedachte kon opkomen: "wat zou het fijn zijn als onze huisgenoot 'het heil in Christus' vindt." Men had als kind al op de catechisatie uit het hoofd geleerd, dat er "bij niemand anders (dan bij Jezus) enige zaligheid te zoeken of te vinden is" (Heidelbergse Catechismus, zondag 1l).

<169>

We achten een dergelijke hoop op zichzelf respectabel. Ieder, die de eigen geloofs- overtuiging ervaart als iets waardevols, zal het verlangen kennen om dat waardevolle met een ander te delen. Zowel de bereidheid om een mensenleven te redden en daarbij groot persoonlijk risico te lopen, als ook het verlangen om de ander tot geloof te brengen, kónden voortkomen uit dezelfde bron: oprechte naastenliefde. Bovendien, niemand was zijn leven zeker; de helper evenmin als de geholpene. Als alles tegenliep, en een laatste, bittere werkelijkheid aanvaard moest worden, dan bleek de wetenschap dat die ander - hetzij jood of niet-jood - tot geloof was gekomen, een geweldige troost. Dat heb ik gezien, toen onze vriend Lodewijk van Duuren - samen met de anderen van de z.g. Trouwgroep - augustus 1944 door de Duitsers gefusilleerd was en zijn ouders kort daarop zijn afscheidsbrief kregen. Welnu, het lag voor de hand dat, als er een onderduiker -jood of niet-jood - bij een meelevend-christelijk gezin ondergebracht was en hij na verloop van tijd belangstellende vragen naar hun geloof begon te stellen, hem dan met genoegen antwoord gegeven werd. Schrijver dezes is van mening, dat "verantwoording afleggen van de hoop die in ons is" (1 Petrus 3:15) geen verwerpelijke zaak behoeft te zijn, vooral indien men bedenkt dat Petrus erbij zei: "aan al wie u rekenschap vraagt." En indien, ten tweede, aanvaard wordt dat de ander eveneens het volste recht heeft om op zijn beurt mij te confronteren met zijn - van de mijne afwijkende - geloofsovertuiging. Ten derde dient bedacht te worden - en hier juist wrong soms de schoen - dat een uitwisseling van wederzijdse overtuigingen alleen op een zuivere manier kan plaatsvinden indien beide gesprekspartners op basis van gelijkheid spreken; met andere woorden: als niet de een over de ander macht uitoefent of zelfs maar probeert uit te oefenen. Men kan de ruimte van de ander op allerlei manieren inperken, ook door verbaal geweld of psychische druk. Terecht heeft Dick Houwaart op dit gevaar gewezen. Een machtspositie kan verankerd zijn in de situatie, zelfs op een manier waarbij de betrokkenen zich de ongelijkheid op het moment niet eens realiseren.

<170>

Een onderduiker was van het gastgezin afhankelijk voor de redding van zijn leven, en bovendien voor het dagelijks levensonderhoud. Van die afhankelijkheid - en de consequenties daarvan voor de omgang met elkaar - is zich niet iedere gastheer en gastvrouw bewust geweest. En dan spreken we nog niet eens over een kwalijke uitschieter als waarvan "Flip Amsterdammer" vertelde (zie hierboven, hfdst. 12). Wie een geloofsovertuiging bezit, mag die (proberen) uit (te) dragen; maar wie daarbij de ander niet de ruimte laat (ook de ruimte tot besliste afwijzing) en geen - of te weinig - besef heeft van de corrumperende invloed die macht kan hebben op menselijke relaties, die loopt gevaar te spreken en/ of te handelen op een manier die we in strijd achten met de bedoeling van het evangelie. In die zin zijn er ongetwijfeld fouten gemaakt. L. de Jong schreef: "Die 'Jodenzending' (begrijpelijk en goed bedoeld, maar, naar ons oordeel, onzuiver omdat zij zich op afhankelijke mensen richtte) heeft niet veel succes gehad". [14.11] Vermoedelijk ging het, in een christelijk gezin met Joodse onderduikers, nog het beste als de Joodse gasten orthodox waren. Dan herkende men in het geloofsgoed van elkaar veel van het eigene: het hele Oude Testament (Tenach); vooral de Psalmen. Zo vertelt Corrie ten Boom, toch een geducht evangeliste, hoe de orthodoxe Meier Mossel (later "Eusie" - naar Eusebius - genoemd) bij hen onderdak vond. Vader Ten Boom zei al gauw, na de eerste kennismaking: Ik zou het een eer vinden, als u ons vanavond (uit de bijbel) wilt voorlezen". En Meier ging staan, zette zijn gebedskapje op en las het aan de beurt zijnde hoofdstuk (uit Jeremia). En toen Kerstmis naderde:

In. Béjé, (de Barteljorisstraat in Haarlem) moesten we niet alleen Kerstmis vieren, maar ook Chanoeka, het Joodse "Feest van de Lichten". Betsie vond een Chanoeka-kandelaar tussen de schatten die achter de kast van de eetkamer waren opgeborgen en zette die op de piano. Elke avond staken we een kaars aan, terwijl Eusie de geschiedenis van de Makkabeëen voorlas. Dan zongen we melancholieke woestijn-muziek. We waren op die avonden allemaal erg joods. [14.12]

<171>

Een bevriend echtpaar vertelde: "We woonden toen in Den Haag. De Joodse onderduikster die bij ons in huis kwam was orthodox. De eerste vraag die ze stelde was: 'Waar ligt Jeruzalem?', want in die richting wilde ze bidden. We hebben maar in de richting van Wateringen gewezen". Dat bidden werd gerespecteerd. Maar wanneer de Joodse gast niet gelovig was, nam men het recht dat toch ook hij of zij op eigen opvattingen had, soms minder serieus en achtte veeleer als het ware een vacuüm aanwezig; een gat in de markt, dat gevuld diende te worden.

Dat wil nog niet zeggen, dat men zijn medemens op een agressief-getuigende manier tegemoet trad. Eerder was - en is - men in orthodox-protestantse kringen, waar het om geloofszaken gaat, geremd in het spreken. Als voorbeeld moge dienen de bekende "oom Hannes", de boer uit Nieuw-Vennep die we al eerder noemden. Hij kwam geregeld bij ons thuis en hoorde dat ik me in kerkelijk/godsdienstig opzicht afwijzend opstelde; dat speet hem kennelijk, maar hij heeft geen poging gedaan, me tot een ander inzicht te brengen. Toen hij evenwel, een twintig jaar later, ons in Israël bezocht, vond hij het fijn dat ik na de oorlog theologie was gaan studeren en predikant geworden was. Toen werd er uiteraard ook over het geloof gesproken; niet tijdens de oorlog. Niet tegen mij, evenmin tegen zijn onderduikers, zo vernam ik van een hunner. Al zou hij, denk ik, hen graag het geloof gegeven hebben, als hij dat gekund had. Maar dat kan niemand. Trouwens, hij was er niet alleen de man niet naar om te "evangeliseren", maar bovendien werd hij zeer in beslag genomen door het zoeken naar onderduikplaatsen, het voorzien in de behoeften van distributie kaarten, persoonsbewijzen enz. Zijn vader, Hannes Sr., getuigde wél: zowel tegen Joodse onderduikers alsook tegen de Duitsers. Het heeft hem zijn leven gekost. Ook iemand als N.H. de Graaf (zie hierboven: hfdst. 2, c) was ervan overtuigd, dat het evangelie voor alle "volkeren en rassen" bestemd is: "Want allen hebben als waarlijk enig levensbrood Gods erbarmen en vergeving in Jezus Christus evenzeer nodig; ieder mens wie hij ook is; evenals ikzelf slechts uit die genade leven en sterven kan." Men kan het met die overtuiging eens zijn of niet - dat staat ieder vrij - maar ook indien met het er niet mee eens is, dan nog verdienen mensen als De Graaf en de oude Hannes Boogaard [l4.13] mijns inziens ons respect. We achten het bovendien kwalijk, wanneer het "bekerings-motief" gebruikt wordt om een karikatuur- beeld te schetsen van wat de gastgezinnen van Joodse onderduikers bewoog om hen in huis te nemen.

<172>

Allereerst bespreken we nu enkele factoren die van invloed kunnen zijn op Iemands beoordeling van de houding van kerken en christenen tijdens de tweede wereldoorlog.

Het valt op dat niet alleen de historicus, maar ook - misschien mag men zeggen - de doorsnee-Nederlander vaak een vrij duidelijk omlijnde mening heeft over het onderwerp dat ons bezighoudt. Dat blijkt telkens, bijv. uit "Ingezonden brieven" in diverse kranten. Over het algemeen is men van oordeel dat de kerken gezwegen hebben, met name als het gaat om de Rooms-Katholieke Kerk. In de Inleiding noemden we al twee uitspraken die een aantal jaren geleden gedaan werden. Om een meer recente stem te laten klinken, Micha Kat schreef in de Volkskrant (19.8.1989):

De katholieke kerk heeft, zonder twijfel uit angst dat ze de hele hand zouden pakken, nooit een vinger voor de Joden uitgestoken toen ze door de nazi's werden uitgeroeid; ze heeft in die periode het nazi-regime zelfs niet veroordeeld (en ook dat geven ze nu nog niet toe); ze heeft haar aanhang nooit opgeroepen de Joden bij te staan, et cetera.

Voor wie weet heeft van antisemitische uitspraken en daden, in de loop der eeuwen bedreven door leiders der kerk, voor wie bovendien persoonlijk geleden heeft en/of familieleden weggevoerd zag worden naar een vernietigingskamp, is het uiterst moeilijk om te geloven dat niet slechts enkele "rechtvaardigen uit de volkeren", maar ook de kerken in Nederland, met inbegrip van de Rooms-Katholieke Kerk, hun stem publiekelijk verheven hebben tegen de Jodenvervolging tijdens de tweede wereldoorlog. Toch ontbreekt het, zoals we nog zullen zien, niet aan (ook Joodse) historici, die het protest van de kerken uitdrukkelijk genoemd hebben. De voetangels en klemmen op de weg naar een evenwichtige evaluatie zijn velerlei. Indien men zelf betrokken geweest was bij het verzet der kerken, lag het gevaar voor de hand dat men gemaakte fouten probeerde goed te praten.

<177>

Twee andere factoren die het oordeel - ook van de direct-betrokkenen - beïnvloedden, waren: 1e het (eventueel: hernieuwde) besef hoe erg de ramp geweest was: dat het om niet minder dan de sjoa ging; en 2e hun godsdienstige opvattingen.

De godsdienstig meelevende Protestant beleed dat "ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn" (Heidelbergse Catechismus, zondag 24). En wat er aan goeds gedaan is, dat is Gods werk in ons en door ons-, Gods genade, geen verdienste. Alle eer aan God! Een typerende uitspraak: "De hulpverlening - niet alleen in ons gezin, maar door veel meer Nederlandse mensen - was een geloofsdaad. Wij waren alleen werktuigen bij haar redding. Zoals ik het zie was het niet mijn werk - het was Gods werk".' Bovendien nam men, als het goed was, de radicaliteit van het Goddelijk gebod tot naastenliefde serieus: een christen behóórde zijn leven in te zetten voor de medemens. Gemeten naar die maatstaf heeft welhaast iedereen gefaald tijdens de tweede wereldoorlog. Terecht zei dr. W. Banning: "Als de kerk voor honderd procent de geloofsgehoorzaamheid had opgebracht, zou er geen dominee of pastoor het levend hebben afgebracht. [15.2] Zij die niet al te zeer gefaald hadden, zullen zich bovendien het bijbelwoord herinnerd hebben: "Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij' zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen" (Lucas 17: 10).

Beide factoren - het hernieuwd besef hoe groot de ramp was geweest en zijn godsdienstige overtuiging - zullen bij ds. Buskes meegespeeld hebben toen hij voor het weekblad Hervormd Nederland het boek van J. Presser, Ondergang, besprak: "Mij werd weinig tijd gegeven, zodat ik de elfhonderd bladzijden van de twee delen in één ruk gelezen heb. Ik wist veel. Dat dacht ik tenminste. Toen ik diep in de nacht het boek uit had, wist ik, dat wij het nog op geen stukken na weten en dat ons volk voor het grootste gedeelte het nog helemaal niet weet. Ik was er kapot van. Ik voelde mij' ziek, lichamelijk en geestelijk geschonden." [15.3] Later in zijn artikel zegt hij dan:

<178>

Maar laat ik niet voortgaan. Het windt me te veel op. Ook vanwege eigen falen. Waarom heb ik niet feller gevochten dan ik deed voor wat ik zag als 'de heilige plicht' van de kerk? Waarom ben ik op alle mogelijke onwezenlijke redeneringen ingegaan? Waarom heb ik mij laten verleiden - ja, verleiden - tot compromissen? Waarom heb ik niet gezegd: zo spreekt de Heer? Het is een pijnlijke zaak, ook voor hen van wie men, zoals van mij, zegt dat ze zich goed hebben gehouden. Het gaat er immers maar om, welke maatstaf men aanlegt.

"Het gaat er maar om, welke maatstaf men aanlegt. " Inderdaad. De maatstaf van ds. Buskes was een heel andere dan die van Abel Herzberg, toen hij eens tegen me zei: Ik verwijt het niemand als hij geen Joden verborgen heeft, want ik weet niet of ik het zelf gedurfd zou hebben". Sommige scribenten over de tweede wereldoorlog lijken te schrijven vanuit de eigen rustige en veilige studeerkamer, zonder iets te beseffen van de angst en de pijn van toen; zonder zelfs maar te proberen, zich in de situatie van toen te verplaatsen. Het moet erkend worden, dat dat een uiterst moeilijke opgaaf is. Zo dient men zich bijvoorbeeld te realiseren: nu weten we dingen die toen niet bekend waren, en wij kunnen de kennis van wat er in Auschwitz gebeurde, niet uit onze herinnering wissen. Toen hebben we soms iets ervan vermoed, dan weer van ons af gezet. De eerder (hfdst. 9, f) geciteerde brief van Bep Blok aan ds. Buskes was typerend voor velen: In het land waar ze komen hebben ze het niet slecht, dat weten we positief. " Zou ook ds. Buskes, toen hij dat las, het geloofd - of althans gehoopt - hebben?

De Duitsers gebruikten de wapens van bedreiging ("wie onderduikt en gepakt wordt, gaat rechtstreeks naar Mauthausen"), verdeeldheid zaaien, en misleiding. [15.4] De werkelijkheid was zo afschuwelijk, dat men lange tijd er niet aan wilde. Men probeerde optimistisch te blijven en verdrong informatie die in strijd was met dat optimisme. Totdat het afweermechanisme bezweek onder druk van de feiten, en dan sloeg het optimisme vaak om in een verlammend pessimisme. Bijna iedereen was toen min of meer "manisch-depressief": het ene ogenblik op de bergtoppen, het volgende in een diep dal. "Als bleek dat het ongelooflijke echt plaatsvond, begon het allemaal noodzakelijk en onvermijdelijk te lijken". Aldus Michael R. Marrus. [15.5] Deze auteur en ook L. de Jong [15.6] leggen uit, waarom velen de binnenkomende berichten over de massamoord niet geloofd hebben. Een van de redenen was: men beschouwde die berichten als "oorlogs-propaganda tegen de Duitsers". Dat gold voor velen buiten het door de Duitsers bezette gebied, maar ook daarbinnen.

<179>

In het bezette gebied had men bovendien te kampen met de dagelijkse problemen: kleding-, brandstof- en voedselschaarste; voor jongemannen de keus om onder te duiken dan wel gedwongen in Duitsland te gaan werken. Ook diegenen die leiding aan de kerken dienden te geven hadden, in de persoonlijke levenssfeer, deze vragen onder de ogen te zien. Bovendien was de vervolging der Joden wel het eerste waartegen de kerken bij de Duitse bezetter geprotesteerd hebben, maar niet het enige. Stappen, door de kerken ondernomen, geven een indruk van wat er tengevolge van de bezetting aan andere kwesties op hen afkwam:

voorbede in de kerkdiensten voor de koningin; arrestatie van predikanten; muilkorving en daarna opheffing van de kerkelijke pers; de jeugd moet lid worden van de Arbeidsdienst, waar ze in nationaal- socialistische zin geïndoctrineerd werd; vordering van kerkklokken; deportatie van arbeiders naar Duitsland; sluiting van het Nederlands Bijbelgenootschap; alle kerkelijke conferenties verboden; ter dood veroordelingen; deportatie van studenten; nationaal-socialistische opvoeding in christelijke scholen.

Wie nu geroepen is om de situatie van toen te beoordelen, dient al deze aspecten te overwegen. Er is een mooie Joodse spreuk, toegeschreven aan Hillel: "veroordeel je naaste niet, eer je in zijn situatie komt."[15.7] Nu behoort de situatie van toen - gelukkig - tot de verleden tijd en, als men Hillels spreuk absoluut neemt, zou men niemands handelwijze van toen kunnen beoordelen en eventueel veroordelen. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Maar wel menen we, dat men althans moet proberen zich in de situatie van toen in te leven, opdat het oordeel billijk zij.

Wanneer ik, in de jaren zestig, in Israël een lezing over "de houding der kerken" hield, heb ik mijn gehoor wel eens uitgenodigd, zich voor te stellen dat (de hemel verhoede) het land Israël bezet zou zijn door een vreemde mogendheid (de Turken, of de Chinezen) die een groot deel van de Joodse bevolking zou wegvoeren voor het verrichten van dwangarbeid in het buitenland; dat het voedsel op de bon zou zijn enz.; maar dat het eigen leven geen gevaar liep zolang men zich maar schikte naar de voorschriften van de vijand. Dat een christelijke minderheid evenwel gedeporteerd en vernietigd werd; dat christenen die onderdoken geen distributiekaart meer ontvingen, dat hun identiteitskaart gestempeld werd met een grote C en dat ze een geel kruis op hun kleding moesten dragen om hen te isoleren van de niet-christenen.

<180>

Dan vroeg ik: "Zoudt U, in zo'n situatie, bereid zijn een strenge straf te riskeren om mijn vrouw, een van mijn kinderen of mijzelf te verbergen - ook al zien we er erg 'arisch' uit en ofschoon U beseft dat U gevaar loopt verraden te worden, en het nog grotere risico om gepakt te worden tengevolge van mensen die hun mond niet kunnen houden? Zou de opperrabbijn bereid zijn publiekelijk te protesteren tegen de anti-christelijke maatregelen, en opdracht geven om dat protest in alle synagoges in de diensten op vrijdagavond en op zaterdag voor te lezen?"

Nogmaals: oordelen - en eventueel: veroordelen - staat ieder vrij. Maar wie bereid is tot een oefening als boven beschreven (die uiteraard niet alleen voor Israël nuttig is), heeft een betere kans dat zijn oordeel fair zal zijn.

<181>

Eindelijk capituleerde Duitsland en brak de dag van de bevrijding aan. De onderduikers kwamen boven water. Het gewone leven kwam weer op gang. Geleidelijk aan werden de verschrikkingen van de concentratiekampen in hun volle omvang bekend. Slechts een klein gedeelte van de weggevoerde Joden kwam terug. De eerste gedenkdag van de bevrijding werd op tal van plaatsen gevierd in oecumenische kerkdiensten. Uit het gebed, behorende tot de liturgie voor deze diensten, citeren we het volgende gedeelte:

Met name gedenken wij de Joden, die meer dan de anderen hebben geleden, meer dan de anderen zijn vernederd en gesmaad. Hun gezinnen zijn meedogenloos uiteengescheurd. De vijand heeft getracht hen uit te roeien. Wij weten thans, dat honderd duizenden koelbloedig en op de wreedste wijze zijn omgebracht. Hoor, o God, hoe het bloed, dat in de aarde wegzonk, roept tot U in de hemel. [16.1]

Al spoedig zond ds. J. van Nes een circulaire (gedateerd 1 juni 1945) aan alle plaatselijke Gereformeerde Kerken met het volgende verzoek:

Gij zoudt ons bijzonder verplichten, als gij een opgave zoudt kunnen doen van het aantal Joden, dat ten Uwent ondergedoken is geweest, en ook van het aantal Gereformeerden, waar aan Joodse personen onderdak werd verleend of waar Joodse kinderen werden opgenomen. En dan is 't voor ons van het grootste belang te weten, of er ook bijzondere geestelijke contacten zijn gelegd tussen Joden en Gereformeerden ten Uwent tijdens de oorlogsjaren. Voor alles, wat gij ons over de Joden en de Joden- zending kunt meedelen, en ook het verkeer tussen Joden en (Gereformeerde) Christenen, zullen wij U zeer dankbaar zijn. Wij willen trachten, de gegevens daarover in 't hele land te verzamelen. Wij houden ons aanbevolen voor een lijst van de adressen der Joden in Uwe gemeente, want gij begrijpt wel, dat ons Joodse adressen materiaal geheel verouderd is. [16.2]

<182>

Op dit verzoek kwamen veel antwoorden binnen. Men vindt ze, getypt op niet minder dan 222 vellen, in het archief. [16.3138] Elk vel bevat een aantal antwoorden. Sommige verslagen over de relatie met de voormalige onderduikers (naar mijn schatting: verreweg de meeste) waren positief. Zo schreef iemand: "Mevr. R. was een flinke, eerlijke huisgenote die steeds met genoegen is 'opgeborgen'. Tussen haar en de familie T. is een hechte vriendschap gegroeid" (vel no. 16).

Nu werd er in de eerder genoemde IKON radio-uitzending op 4 mei 1988 gezegd:

De antwoorden, uit tientallen gemeentes over meer dan 1000 Joden, zijn onthutsend te noemen. Joden die gedurende hun onderduiktijd geen interesse hadden getoond voor het evangelie, worden afgeschilderd als lui, slecht, dom, halsstarrig.

Bij navraag bleek me evenwel uit informatie, verstrekt door de samenstellers van het betreffende programma, dat het niet om één, maar om verschillende brieven ging waaruit men de woorden gehaald en daarna gecombineerd had tot één zin. Zelf ben Ik erin geslaagd om een brief te vinden waarin het woord "halsstarrig" inderdaad voorkwam. De andere woorden heb ik niet gevonden, maar ik zocht dan ook naar een combinatie van de vier genoemde woorden. Het komt me voor dat de combinatie suggestief is en een cumulatief effect heeft. Ook is allerminst duidelijk, of -afgezien van "halsstarrig" - de woorden "lui, slecht en dom" iets te maken hadden met het al of niet interesse tonen voor het evangelie, zoals gesuggereerd werd. In de uitzending werd in vervolg hierop gezegd:

Ik denk: de Duitse propaganda had uiteindelijk toch zijn werk gedaan; het Duitse vergif, het antisemitisme, dat na de oorlog in heviger mate aanwezig was dan voor de oorlog.

Naar mijn mening doet men met het trekken van deze conclusie de betrokkenen onrecht. Men had - behalve het reeds genoemde - immers dienen te overwegen dat het, na een moeilijke periode van - in veel gevallen - samenleven met te veel personen in een beperkte ruimte, waarbij het gevaar bij ontdekking ernstige gevolgen zou hebben vooral voor de onderduiker(s), maar toch ook voor het gastgezin, te verwachten was dat er af en toe spanningen en irritaties zouden optreden en wel aan beide kanten. Op grond van diverse positieve reacties op de circulaire van ds. Van Nes zou men overigens ook een artikel kunnen schrijven (of een radio-uitzending kunnen samenstellen) met als titel:

<183>

"Vriendschap tussen Gereformeerden en Joden, dankzij de onderduik." Daarmee wil niet beweerd zijn, dat er géén antisemitisme bij Gereformeerden voorkwam of voorkomt. Slechts zijn we van oordeel, dat het in de betreffende IKON-uitzending niet is aangetoond. Daar komt dan nog bij, dat de betrokkenen veel op het spel gezet hadden met het verbergen van hun Joodse medemens. Dat wil nog niet zeggen dat zij immuun waren voor de bacil van het antisemitisme. Wel betekent het, dat men bij het trekken van conclusies jegens hen extra zorgvuldig had dienen te zijn.

Een totaal andere vraag (niet in de IKON-uitzending besproken) is, of het houden van deze enquête correct was jegens degenen omtrent wie men de gegevens verzamelde. We achten het incorrect dat informatie gevraagd en verstrekt werd over mensen die - in een noodsituatie - afhankelijk waren geweest van anderen. We beschouwen deze handelwijze - afgezien van de vraag of de verstrekte gegevens juist dan wel onjuist waren - een inbreuk op de privacy waarop ieder mens recht heeft, en als zodanig te betreuren.

<184>

Na de oorlog verscheen al spoedig (in 1946) het bekende werk van H.C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk (in twee delen). Het werk van Touw blijft onmisbaar voor ieder die zich een oordeel wil vormen over de houding van de Hervormde Kerk tijdens de tweede wereldoorlog. Toch oogstte zijn boek - behalve waardering - ook forse kritiek.

Daar was allereerst ds. J.J. Buskes, die aan Het verzet der Hervormde Kerk twee artikelen wijdde; het eerste was waarderend, maar het tweede bevatte "enkele kritische kanttekeningen" (In de Waagschaal, 5 september 1947). Zoals hij gewend was, wond ds. Buskes er geen doekjes om. Zo schreef hij over het besluit van de Hervormde Synode om het telegram van protest tegen de Joden- deportaties niet voor te lezen: "Ds. Touw, die bezwaren heeft tegen het Synode- besluit, tracht het toch zo veel mogelijk goed te praten en te verdedigen." Ook wees ds. Buskes erop, dat prof. W.J. Aalders op de vergadering van het Convent al tegen voorlezing van het telegram was, maar omdat alle anderen vóór waren, "legde de Synode er zich bij neer, maar niet van harte. Toen kwam het verzoek van Seyss-Inquart (om niet af te lezen) en willigde de Synode dit verzoek in." Bovendien werd in de officiële mededeling over het niet-voorlezen van het telegram die de Synode aan de predikanten zond, over het in gevaar brengen van de Joden- Christenen niet gesproken. Aldus ds. Buskes.

Ook H.M. van Randwijk had het een en ander af te dingen op de weergave van ds. Touw. Hij deed dat in een brief aan deze (13 februari 1950), naar aanleiding van Touws artikel geschreven voor Onderdrukking en Verzet over "Het verzet der Hervormde Kerk". Touw accepteerde de door Van Randwijk voorgestelde correcties. Wanneer Touws weergave in het artikel afwijkt van die in zijn eerdere boek, verdient de weergave van het artikel dus de voorkeur (zie ook hierboven: hfdst. 4, noot 1).

<185>

Pas in 1949 verscheen: Opdat wij niet vergeten - De bijdrage van de Gereformeerde Kerken, van haar voorgangers en leden, in het verzet tegen het Nationaal-Socialisme en de Duitse tyrannie. Uit de inleiding blijkt dat eerst anderen de opdracht gekregen hadden, "maar tot hun leedwezen om velerlei oorzaak geen gelegenheid vonden deze arbeid aan te vangen en derhalve van de hun opgedragen taak moesten ontheven worden. " Daarop had ds. Th. Delleman, studentenpredikant te Groningen, de synodale opdracht aanvaard en daaraan "met bekwame spoed" uitvoering gegeven.

Ds. Delleman heeft de hulp verkregen van 16 medewerkers. Hoofdstuk IV ("Het Kerkelijk Verzet") is geschreven door hemzelf, mr. dr. J. Donner, dr. J.J.C. van Dijk en dr. A.A.L. Rutgers; de laatste drie hadden de Gereformeerde Kerken vertegenwoordigd in het lnterkerkelijk Convent/I.K.O. In dit hoofdstuk worden de reacties van de kerken op de anti-Joodse maatregelen slechts summier behandeld. Telkens wordt verwezen naar hoofdstuk V: "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd". Dit hoofdstuk is geschreven door ds. J. van Nes, toenmaals predikant te 's Gravenhage voor de zending onder de Joden. Vanaf 1916 tot aan zijn dood in 1949 heeft hij deze speciale opdracht gehad. Ds. Van Nes is nooit predikant van een gemeente geweest. We weten niet, waarom men juist hem verzocht heeft dit hoofdstuk te schrijven. Hij was, in tegenstelling tot de zojuist genoemde drie Gereformeerde vertegen- woordigers in het I.K.O., wat het verzet der kerken betreft figurant geweest. De protesten tegen de Jodenvervolging waren door anderen opgesteld. Ook de moeizame onderhandelingen met de Duitsers - waarbij de vertegenwoordigers van de kerken het risico liepen, gevangen genomen te worden - waren door anderen gevoerd. Ook de vraag of men een protest al dan niet publiekelijk zou afkondigen, werd beslist geheel buiten ds. Van Nes om. Wel had ds. Van Nes de namen ontvangen van hen die als Christen-Joden golden en voor wie men op die grond vrijstelling van deportatie vroeg. We weten evenmin of er iemand - hetzij ds. Delleman, hetzij iemand anders - kritisch naar de bijdrage van ds. Van Nes gekeken heeft, alvorens deze geplaatst werd.

In zijn bijdrage schreef ds. Van Nes uitvoerig over de protesten tegen de Joden- vervolging, de bordjes "Verboden voor Joden" enz.

<186>

Toch krijgt men bij het lezen van hoofdstuk V telkens de indruk, dat men een rapport over de zending onder de Joden leest. De auteur gebruikt als bron dan ook veelvuldig de drie-maandelijkse rapporten die hijzelf bij Deputaten voor de zending onder de Joden had ingeleverd. We memoreerden al eerder (hfdst. 9, b) dat, toen de Duitsers de uitzonderings- bepalingen voor de Joden-Christenen iets verruimden, ds. Van Nes in zijn rapport (9 september 1942) schreef: "Hoe is daardoor onder de Joden een getuigenis uitgegaan, dat Christus de zijnen beschut. " Deze woorden maken deel uit van een citaat dat uiterst triomfantelijk van toon is. Dat hele citaat nam hij uit zijn rapport aan deputaten over in hoofdstuk V van "Delleman". Maar even verder in datzelfde hoofdstuk moest hij, in het vervolg van zijn verhaal, berichten:

Groot is de teleurstelling geweest, die op de uitreiking der "Angehörigkeits"- verklaringen gevolgd is. De Duitsers toch hebben hun gegeven woord verbroken, en vele Joodse personen, die zich zo verheugd hadden over de ontvangen verklaring der kerk, die meenden daardoor gevrijwaard te zijn voor deportatie, werden opgeroepen en weggevoerd, eerst naar Vught of Westerbork en later zelfs verderop, naar het Oosten van Europa.(…) En alle pogingen, die aangewend werden, om te komen tot eenheid van handelen en tot rechtvaardige handhaving van de gemaakte bepalingen bleken vruchteloos. Slechts bij uitzondering gelukte het, reeds weggevoerden nog terug te doen keren. [17.1]

Blijkbaar heeft ds. Van Nes zich niet afgevraagd, of de eerste hierboven geciteerde uitspraak heroverwogen diende te worden in het licht van latere ontwikkelingen als beschreven in de tweede uitspraak. Daarbij laten we dan nog de vraag maar onbeantwoord, of de boven geciteerde zin ("…dat Christus de zijnen beschut", in verband met de Duitse "concessies") wél te handhaven ware geweest indien de Duitsers -hun gegeven woord" niet verbroken hadden.

Later is er kritiek gekomen op diverse uitspraken van ds. Van Nes; daar kunnen we inkomen. Zo kunnen we ons indenken, dat men bezwaar maakt tegen de stelligheid waarmee ds. Van Nes bepaalde standpunten poneerde, bijv. dat de "heiligheden van het Koninkrijk Gods" hooggehouden moesten worden, nl. door alleen een "Angehörigkeits"-verklaring af te geven aan die Joden die er "recht" op hadden.

<187>

Nu waren er inderdaad (zoals reeds uiteengezet in hfdst. 9) gegronde redenen om geen onjuiste verklaringen af te geven. Maar bij ds. Van Nes krijgen we de indruk, dat hij meer oog had voor "de heiligheden van het Koninkrijk" dan voor de nood waarin zij die om een verklaring vroegen verkeerden. Opnieuw ergert men zich - en, zo menen we, terecht - aan de volgende van een zekere voldoening getuigende opmerking: "De vaak maar heel vluchtige kennismaking met het Evangelie, het op reis meegegeven bijbeltje, de hartelijkheid en het medeleven in de uren van de diepste nood, dat alles heeft op velen indruk gemaakt en sporen nagelaten." [17.2] "Op reis" betekende deportatie. Hoe vaak heeft men "zielen" willen redden en geen of te weinig oog gehad voor de noodzaak om levens te redden? Men gaf een bijbeltje mee, maar heeft men ook hulp om onder te duiken aangeboden? In de al genoemde IKON radio-uitzending werden diverse citaten uit het door ds. Van Nes geschreven hoofdstuk voorgelezen, op zalvende toon.

We zien dan, zowel in de IKON radio-uitzending als in de scriptie van A.A. Bekker, dat de kritiek zich niet alleen richt tegen de opvattingen van ds. Van Nes, maar ook tegen de houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen. De IKON-uitzending begon als volgt: Joden-zending leidde onbedoeld tot Joden- vernietiging. Toen (de kerken) de lijsten (van Joden die kerklid waren) overhandigden, speelden de Duitsers perfect in op de bekeringsijver van de kerken." Voorts wordt dan de kerken - met name de Gereformeerde -verweten: Joden die zich tot de kerken wendden met het verzoek alsnog gedoopt te worden om zodoende op de lijsten (van Joodse kerkleden) terecht te komen, vonden, op een enkele uitzondering na, de kerkdeur gesloten". Toch dient men o.i. op dit punt ds. Van Nes gelijk te geven: "Waar doop in de tegenwoordige tijd, doordat 1 januari 1941 de 'fatale datum' is, niet bijzonder beschermt, daar is er geen enkele uitwendige reden ook, die dringt tot haasten". [17.3]

Vervolgens wordt in de IKON-uitzending beweerd dat "de lijsten een omgekeerd effect" hadden en een gevaarlijke illusie" waren.

<188>

Het eerder hier door ons gememoreerde verwijt in de IKON-uitzending, dat de kerken de toelating tot de doop te moeilijk maakten (en te weinig scheutig waren met het verstrekken van de verklaring dat iemand lid van de kerk was), lijkt ons op gespannen voet te staan met dit tweede punt van kritiek: men kan de kerken moeilijk verwijten niet voldoende scheutig te zijn geweest met het verstrekken van lidmaatschaps- verklaringen, indien die nu juist niet hielpen maar veeleer het gevaar vergrootten. Het "omgekeerde effect" van de lijsten baseerden de samenstellers van het IKON- programma op het feit dat velen, vooral zij die tot de categorieën 3 en 4 (Kerkelijk onderricht volgend en/of kerkdiensten bezoekend) behoorden, desondanks gedeporteerd zijn. Maar de kerken probeerden de mazen van het net waarmee men de Joden wilde vangen te verwijden om zo de kans op redding te vergroten. Daarom gingen ze óók als kerklid beschouwen wie in normale tijden niet als zodanig beschouwd werd. Het waren evenwel geen normale tijden; er stonden mensenlevens op het spel, dus ging men niet-formalistisch te werk en verruimde de kerkelijke regels. Met weinig succes, helaas. Maar als men dit niet geprobeerd had, was er onzes inziens juist reden tot scherpe kritiek geweest. Toch kwamen de samenstellers van de IKON-uitzending - juist met gebruikmaking van deze mislukte poging om althans een aantal mensenlevens te redden - tot hun kwetsende bewering: "De kerken waren - zij het ongewild - een instrument in handen van de Nazi's."

Waren de "Angehörigkeits" -verklaringen inderdaad "een gevaarlijke illusie"? In feite hielpen deze verklaringen niet, indien het ging om na 9 mei 1940 gedoopten of om hen die slechts kerkelijk onderricht volgden of kerkdiensten bijwoonden. Iemand als dr. J.J.C. van Dijk wist al op 26 september 1942 (zie zijn brief aan ds. Doornbos, hierboven in hfdst. 9) dat de Duitsers hun eigen lijst hadden en dat die lijst voor hen besliste. En de namen van hen die behoorden tot de zo juist genoemde categorieën stonden niet op deze lijst. Daarentegen waren de verklaringen wel van enig nut voorzover het ging om Joden- christenen, die al voor de Duitse bezetting lid van een kerk waren geworden. Ook toen de Joden-christenen gedwongen werden naar Westerbork te gaan, bleven de kerkelijke verklaringen van enige waarde. Philip Mechanicus getuigt daarvan in zijn dagboek. [17.4]

<189>

Ofschoon (zie hierboven, hfdst. 9) tenslotte ook de Joden-christenen van Westerbork naar Theresienstadt gedeporteerd werden, hebben ongeveer 400 hunner de sjoa overleefd. Ds. Tabaksblatt haalde, in de discussie rondom de IKON-uitzending, hier een uitspraak van de Joodse wijzen aan: "Wie één mensenleven redt, is alsof hij een hele wereld gered heeft" (Misjnatractaat Sanhedrin IV, 14).

We menen, dat de samenstellers van de IKON-uitzending, vanuit hun - op zichzelf begrijpelijke - bezwaar tegen bepaalde uitspraken van ds. Van Nes en ook vanuit hun afwijzing van Joden-zending", onbillijk zijn geweest in hun kritiek op de houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen tijdens de tweede wereldoorlog.

Ook A.A. Bekker velt een scherp oordeel over de Gereformeerde Kerken: "De kerken accepteerden dat (nl. het niet-deporteren van de Joden-christenen) en waren vanaf dat moment alleen nog maar gefixeerd op de positie van de christen-Joden ". [17.5] Evenwel dient opgemerkt te worden dat (nog afgezien van de vraag of de uitdrukking "accepteerden" terecht is) de kerken "vanaf dat moment" geprotesteerd hebben tegen "het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" (februari, 1943) en tegen de sterilisatie (mei, 1943). Bovendien kwamen de kerken nadrukkelijk op voor de "gemengd-gehuwde" Joden. De constatering van de Hervormde H.C. Touw (in het eerste gedeelte van de volgende zin) is schrijnend, maar juist: "Terwijl er voor de andere Joden niets meer te doen valt, moet er voortdurend gestreden worden voor de belangen van de Christen-Joden en de z.g. gemengd-gehuwden". [17.6] Daarmee willen we overigens uitdrukkelijk niet beweren, dat de kerken het er in alle opzichten goed afgebracht hebben.

Mevrouw Bekker velt een negatief oordeel over de Generale synode. Zo meent zij (inzake het lidmaatschap van de N.S.B., p. 35): "Onder druk van deze verzoeken (van classes en particuliere synodes) was de Generale Synode wel gedwongen nu een duidelijk standpunt in te nemen". Maar een Generale synode kon en mocht zich alleen uitspreken over een kwestie, wanneer zij door "mindere" kerkelijke vergaderingen om haar oordeel dienaangaande gevraagd werd.

<190>

Vervolgens stelt mevrouw Bekker: "De Generale Synode deed tijdens de bijeenkomsten nooit een uitspraak over de behandeling van de Joden in het land" (78). En op de volgende bladzijde heet het: "Nogmaals, de zaak met betrekking tot de Joden was afgeschoven op de Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid". Zoals bekend mag worden verondersteld, vergaderde de synode maar af en toe. Er was dan een lange agenda en het was steeds gebruikelijk geweest dat vele zaken ter behartiging gedelegeerd werden aan de diverse deputaatschappen, die slagvaardiger konden opereren dan een synode kon en vaak heel wat deskundigheid in huis hadden. Welnu, zoals we gezien hebben (hierboven, hfdst. 2, b), was in 1940 besloten dat het moderamen (bestuur) van de synode samen met deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid beslissingen zou mogen nemen wanneer de synode niet vergaderde. Ook de zaken die samenhingen met de vervolging der Joden werden behandeld door deze deputaten. Dat was noodzakelijk, niet alleen omdat de synode slechts af en toe vergaderde, maar ook omdat ze niet over een apparaat beschikte om diverse taken te verrichten. Men vergaderde, zoals gezegd, een paar dagen en ging vervolgens naar huis. Er was zelfs geen schijn van enige permanente organisatie.

Toch bleef de synode wel volledig verantwoordelijk. Afgezien nog van het overleg tussen het moderamen en deputaten (als de synode niet vergaderde): ter synode- vergadering werd verslag uitgebracht, het gevoerde beleid (inclusief de publieke protesten) werd uitvoerig besproken en daarop werden de handelingen van deputaten, die zij namens de synode verricht hadden, goed- of afgekeurd. Al eerder (in hfdst. 3, d en 6, b) hebben we getracht een beeld te geven van een dergelijke vergadering van de synode. Onder de protesten staat dan ook: De Gereformeerde Kerken in Nederland.

We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat men, zowel in de IKON radio- uitzending als ook in de doctoraal-scriptie van mevrouw Bekker, vanuit de afwijzing van de "zending onder de Joden" (zie ook wat we schreven in hfdst. 14, c: Om zielen te redden?) gekomen is tot een te negatieve beoordeling van de houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen, met name wat betreft de publieke protesten.

<191>

Wijzelf daarentegen achten het voor een nauwkeurige en evenwichtige beoordeling gewenst, dat men de twee aspecten - "zending onder de Joden" en "protesten" - afzonderlijk beziet.

<192>

a. Over het redden van de Joden-christenen

De beoordelingen van de houding der kerken tonen onderling nogal enige verschillen.We beginnen met stemmen over de handelwijze ten aanzien van de Joden-christenen.

Touw schreef: "Grote gevaren en verzoekingen dreigden hier. Voortdurend kwam hier immers van Duitse zijde de stem van de verzoeker: Niet protesteren, alleen onderhandelen! Zwijg verder over de Joden, dan valt er verder met ons wel te praten over de christen-Joden! In de geschiedenis van het verzet hebben die stemmen telkens opnieuw geklonken. Het is een groot wonder, dat de kerk deze stemmen in het algemeen als stemmen van de verzoeker heeft herkend, en afgewezen." [18.1]

Presser daarentegen velt een scherp vonnis: "En de kerken? Hoe aarzelend waren zij niet begonnen? Hoe velen helaas schikten zich niet in de noodlottige maatregelen van de bezetter (met een beroep op bijbelteksten e.d.), ja, werkten eraan mee? Hoe vaak kozen zij niet in de eerste plaats partij, niet voor de vervolgde Joden, maar voor de vervolgde dopelingen?" (IL 128). Wat betreft het argument dat ongeveer 400 Protestantse Joden de oorlog overleefd hadden tengevolge van de bemoeienis der kerken, is Presser voorzichtig: "De historicus tast hier in het duister; het is immers niet altijd mogelijk, hier de causale samenhangen duidelijk te zien.(…) Wie wijst de determinerende factor aan in dit causale kluwen?" [18.2] Veel positiever dan de mening van Presser is die van Herzberg: "De gedoopte Joden, die hun leven hebben kunnen redden, hebben dit uitsluitend te danken aan het verzet der kerken, een verzet dat vooral indrukwekkend is door zijn principieel karakter". En: "De kerken hebben ook verder het menselijk mogelijke voor de gedoopte Joden gedaan." [18.3]

<193>

L. de Jong merkt op: "Ongeveer vierhonderd hervormde (lees: Protestantse; JMS) Joden zouden gespaard blijven, maar de door de synode (lees: de kerken; JMS) geboden bescherming is, achteraf beschouwd, slechts een factor uit vele geweest die dat resultaat bewerkstelligd hebben". [18.4]

Ten slotte de mening van de toenmalige secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken te Geneve, dr. W.A. Visser 't Hooft: "Toen bedreigingen niets opleverden, trachtten de Duitsers de kerken te chanteren. Hierdoor kwamen de kerken in een ernstig gewetensconflict. Moesten ze het publiekelijk protesteren opgeven, opdat de ene of de andere groep kerkleden gespaard zou worden? Of moesten ze voorwaarts gaan zonder acht te slaan op de consequenties die dat kon hebben voor anderen? Dit zijn moeilijke vragen, die men niet kan beslissen op de ingeving van het moment, of terwijl men van buitenaf naar de situatie kijkt". [18.5]

De hierboven genoemde - wel rhetorisch bedoelde - vraag van Presser ("Hoe vaak kozen zij niet in de eerste plaats partij…") is te beantwoorden. Tweemaal hebben de kerken de Joden-christenen in hun protest apart vermeld: in het eerste protest (hfdst. 2, e) en toen de massa-deportaties begonnen (hfdst. 6, c). We achten dit apart noemen te betreuren. Bovendien heeft de Hervormde Kerk (juli 1942) het protest-telegram niet afgekondigd; de andere kerken daarentegen hebben de Duitse eis dienaangaande naast zich neergelegd. Waarop de Duitsers zich gewroken hebben op de Rooms-Katholiek gedoopte Joden, voor zover niet "gemengd gehuwd". We bespraken dit in hfdst. 6, f. Het niet aflezen van het telegram door een van de kerken achten we betreurenswaardig. Overigens, wie, zoals wij, nooit voor zulk een duivels dilemma gestaan heeft als waarmee de kerken zomer 1942 geconfronteerd werden, die zij terughoudend in zijn oordeel. Wanneer we dit dilemma nader overwegen,dan kan het onzes inziens geen twijfel lijden of Seyss-Inquart en Rauter zouden inderdaad, indien het protest-telegram in alle Protestantse kerken was voorgelezen, ook de Protestants-gedoopte Joden hebben laten arresteren en wegvoeren. De door ons al eerder genoemde notulen (zie hierboven: hfdst. 6, f) spraken duidelijke taal: "Voor het geval dat ook een overwegend aantal protestantse kerken het telegram aan de Rijkscommissaris hebben laten voorlezen, worden ook de protestantse Joden weggevoerd. Tot dit doel moeten de lijsten reeds worden gereedgemaakt."

<194>

Wat de overwegingen betreft om van publieke voorlezing af te zien: Het z.g. fatsoensargument ("onder fatsoenlijke mensen mag de ene partij niet tot publicatie van een document overgaan wanneer de andere partij zich daartegen verzet") achten we uiterst aanvechtbaar. De bezorgdheid dat de vrijstelling van de Joden-christenen ingetrokken zou worden, beschouwen we als begrijpelijk, maar zoals hierboven betoogd - we menen dat die bezorgdheid niet de doorslag had mogen geven. L. de Jong noemt nog een ander element dat ongetwijfeld heeft meegespeeld: In werkelijkheid was de synode bevreesd: bevreesd wellicht voor strafmaatregelen tegen haar voorgangers wanneer zij de bezetter trotseerde…" [18.6] We twijfelen er niet aan of er waren Synode-leden die angstig waren: Gravemeyer en Kraemer waren in gijzeling genomen, Scholten verbannen. Erger: er waren al doodsberichten binnengekomen van diverse gevangengenomen collega's. Maar aan de andere kant stond het argument als verwoord door ringt. Van de Loo: "Die (eis tot niet-afkondiging) is er het bewijs van, hoezeer de Duitsers de kracht van de afkondiging vrezen…" (hfdst. 6, f).

Het lot van de Joden-christenen mocht zwaar wegen, maar niet zwaarder dan dat van de niet-gedoopten. Welnu, een agenda, opgesteld vanuit een consequente verzetshouding, had er als volgt uit kunnen zien: 1. Elk tot de Duitsers gericht protest afkondigen, ongeacht bedreigingen van welke aard dan ook (het standpunt van mgr. De Jong). 2. De Joden-christenen - die door die bepaalde afkondiging direct in de gevarenlinie kwamen - zoveel als mogelijk was helpen om onder te duiken. Al dient hier bedacht te worden, dat het op dat moment (juli 1942) nog uiterst moeilijk was om onderduik- plaatsen te vinden. 3. De kerkleden openlijk oproepen om de herbergzaamheid te betrachten jegens hen die in nood waren. 4. De gemeenteleden oproepen om geen medewerking te verlenen aan daden van onrecht.

<195>

Zoals we zagen, hebben de kerken deze laatste uitspraak inderdaad gedaan, maar in de Gereformeerde Kerken werd deze niet afgelezen; ook kwam de uitspraak pas nadat er al maandenlang Joden waren gearresteerd en gedeporteerd.

b. Commentaar op de houding van de kerken in het algemeen

Allereerst weer enkele stemmen uit verschillende richtingen. Dr. W.A. Visser 't Hooft merkte op: "Deze documenten moeten zorgvuldig gelezen worden. Ze zijn kostbaar, want zij die ze opstelden en ook zij die ze voorlazen vanaf de kansel waren in groot gevaar; ze zetten, toen ze hun getuigenis aflegden, veel op het spel." [18.7]

Touw was aarzelend: "Ook haar strijd voor de Joden was een strijd van vallen en opstaan, maar dat neemt niet weg, dat deze strijd ter wille van het Joodse volk het meest bevlogen, meest dramatisch, meest hardnekkig gestreden gedeelte is geweest uit de Nederlandse kerkstrijd." [18.8] Nog een uitspraak van Touw: "Zoals er op de kansels te veel is gezwegen, is er in de huizen ongetwijfeld te weinig geherbergd. Het werd door velen ook als een gemis gevoeld, dat de Synode in dit opzicht geen leiding gaf, geen vermaning deed horen, geen vormen vond om de gewetens te scherpen. Hier moet van een grote gemeenschappelijke schuld gesproken worden. Er is geen enkele reden voor de Christenheid zich hier te beroemen. Eerder alle reden zich te schamen." [18.9]

Wielek evenwel oordeelt positiever: In april 1942 werden er belangrijke verklaringen die waardigheid en moed toonden, voorgelezen van de kansels van de kerken. De activiteit van de kerk verslapte niet. De predikanten toonden persoonlijke moed; ook zonder Synodale aansporing wisten ze, hoe te handelen. Hun preken schoten niet te kort in helderheid, speciaal wat de vervolging der Joden en hun vervolgers betrof. Vele predikanten moesten voor hun moedige houding betalen met een tijd in een concentratiekamp." [18.10] In hun algemeenheid achten we de tweede, derde en vierde zin van deze uitspraak onjuist.

<196>

In een brief aan de Duitse Kerken, gedateerd 9 maart 1946, schreef de Nederlandse Hervormde Kerk onder meer: "God heeft ons de kracht gegeven, de strijd tegen het nationaal-socialisme te voeren. Wc bekennen openlijk voor God en de wereld, dat we in deze strijd niet voldoende trouw, bereid tot offers en dapper geweest zijn." [18.11]

Aan wat reeds door ons in hoofdstuk 10 (Een verbluffende conclusie) werd opgemerkt, willen we hier nog het volgende toevoegen. Allereerst: het zal duidelijk zijn dat we beweringen (vermeld in de inleiding), als zouden de kerken tijdens de vervolging van de Joden gezwegen hebben, afwijzen. De kerken hebben wel degelijk gesproken, en dat in uiterst moeilijke omstandigheden. Ze hebben geprotesteerd tegen wat de Joden werd aangedaan en hun protest klonk niet alleen in de oren van de bezetter, maar het werd ook herhaaldelijk voorgelezen tijdens de openbare godsdienst- oefeningen. Dat gold voor andere landen, het gold bepaald ook voor Nederland. We achten het dan ook te betreuren, dat soms de houding van de kerken lichtvaardig be- en veroordeeld werd en wordt. Dat de kerken gesproken hebben valt, voor wie bereid is de stukken na te gaan, niet te ontkennen. Over de vraag of de kerk vroeg genoeg, vaak genoeg en klemmend genoeg tot de bezetter heeft gesproken, werd al tijdens de bezetting verschillend gedacht - maar gesproken heeft zij." [18.12]

Het verwijt dat de kerken gezwegen hebben, is niet gefundeerd op de feiten en het is onverdiend. Dat wil evenwel niet zeggen, dat de kerken het in alle opzichten voortreffelijk gedaan hebben en dat er op de kwaliteit van diverse protesten niets valt af te dingen. Integendeel. Zoals we in vorige hoofdstukken reeds herhaaldelijk zagen, zijn er telkens fouten gemaakt. Dat is ook erkend, o.a. door H.C. Touw, de auteur van Het Verzet der Hervormde Kerk (zie zijn eerder in dit hoofdstuk geciteerde uitspraken). "Van verheerlijking van het kerkelijk verzet dient men zich overigens te onthouden. Zij die er midden in stonden, deden dat ook". [18.13] De strijd van de kerken voor de Joden was een strijd van vallen en opstaan. Kan men dus zeggen, dat de houding van de kerken soms goed, soms fout is geweest? E.H. Kossmann heeft, -tussen goed en fout", het begrip accommodatie (aanpassing) ingevoerd: secretarissen-generaal en het bedrijfsleven hebben menigmaal een houding van accommodatie aangenomen. [18.14] Welnu, we menen dat het onjuist en bovendien onbillijk is, de kerken ervan te beschuldigen "fout" te zijn geweest, in de zin dat ze met de bezetter zouden hebben gecollaboreerd (samengewerkt). Maar soms (lang niet altijd, Goddank) zijn ze wel in de valkuil van de accommodatie gevallen. [18.15]

<197>

Zoals we gezien hebben, faalden de ene keer de Hervormde Kerk, de andere keer de Gereformeerde Kerken. Waarbij nogmaals vermeld dient te worden dat de Rooms-Katholieke Kerk, voor wat betreft het publiekelijk afkondigen van de protesten tegen de vervolging van de Joden, geen enkele maal water in de wijn gedaan heeft. "Ik wil geen tweede Innitzer (Oostenrijks kardinaal) zijn", had mgr. de Jong aan het begin van de bezetting verklaard. Hij is in dit voornemen volledig geslaagd.

Geen verheerlijking van het kerkelijk verzet dus. Men kan er geen "witboek" over schrijven. Evenmin een "zwartboek" trouwens. Daarom noemde ik een vroegere studie dan ook The Grey Book. Zowel de witte als de zwarte legende dient afgewezen te worden. Wat betreft het kerkelijk verzet in het algemeen, maar in het bijzonder wat betreft de houding van de kerken in Nederland ten opzichte van de Jodenvervolging, geldt: "Kerk was zij in een onderdrukt land en aan die druk kon ook zij zich niet ten volle ontworstelen. Maar dat maakt het feit niet ongedaan dat zij, met overwinning van de menselijke angst, de leer en de praktijken van de bezetter veelvuldig en duidelijk publiekelijk verworpen en bestreden heeft." [18.16]

<199>

We reden, op weg naar Hongarije, door Oostenrijk. Mijn broer wees me de wegwijzer aan: "Kijk, daar: de weg naar Mauthausen". Tegelijk zei hij: "Ik heb geen behoefte om er heen te gaan." Hij heeft in een concentratiekamp (Vught) gezeten, en in Duitse gevangenissen. Je verbaast je erover dat Mauthausen ook een gewoon dorp is: het staat op de kaart en er zijn borden die de weg er naartoe wijzen. De naam betekent: "tolhuizen".

Later heb ik gezegd dat ik op de terugweg toch graag naar Mauthausen wilde, en dat mijn broer dan buiten op me zou kunnen wachten. Je rijdt, na de grote verkeersweg verlaten te hebben en de Donau te zijn overgegaan, door een lieflijk landschap. Je passeert een paar schilderachtige dorpjes, elk met een kerktoren. Mauthausen ligt in een prachtige omgeving. Ten slotte gingen we toch samen naar binnen. Mijn broer wees het me aan: "Kijk, dat moet de appel-plaats geweest zijn". Blijkbaar werden de concentratiekampen volgens een standaardtype gebouwd. We zagen de beruchte steengroeve met de treden; het gedenkteken voor de homofielen ("dood geslagen - dood gezwegen"). Wij allen zijn eraan schuldig. We zagen de "klaagmuur", en vele foto's. Bij sommige denk je: "Mag men dit wel tonen? Mag men dit de overledene aandoen?" Er waren veel bezoekers. Toch was het er stil. Mijn broer zei: Ik hoor een vogel fluiten; ik neem het die vogel haast kwalijk". Ik dacht aan de kerktorens die we gezien hadden. In die kerken zullen ook toen diensten gehouden zijn. Ik dacht terug aan de Duitse predikant aan wie ik eens vroeg: "Hebt u het niet geweten?" Hij antwoordde: "We hebben het niet geweten, en juist dat is onze schuld; we hadden het moeten weten en we hadden het kunnen weten".

<200>

Maar betrekkelijk weinig Nederlanders zijn er in Mauthausen vermoord. Die naam was wel het schrikbeeld. Daarheen gingen zij die bij de eerste razzia gepakt waren, en van de 340 hebben slechts drie het overleefd. Van de bij de tweede razzia (juni 1941) gegrepenen kwamen allen hier om.' Sindsdien functioneerde de naam Mauthausen als de stok waarmee men de fuik werd ingedreven: "Meld je; waag het niet om onder te duiken, want als we je dan pakken, ga je regelrecht naar Mauthausen." Zo bleef Mauthausen de hele oorlog door en daarna de plaats van de opperste verschrikking. Velen meldden zich en inderdaad werden ze niet naar Mauthausen gestuurd, maar naar Auschwitz, Sobibor of Bergen-Belsen.

Na in Mauthausen te zijn geweest is men geneigd zich af te vragen: wat doet het er eigenlijk toe, of kerken af en toe geprotesteerd hebben? Of christenen hier en daar geholpen hebben? Wat stelde dat voor, vergeleken bij deze afgrond van ellende en duisternis? De duisternis van de sjoa was zo diep, dat men het nauwelijks kan bevatten. Het is te begrijpen dat velen de kleine (te kleine) lichtpunten die er waren, over het hoofd zien. Toch: iemand - Heinz Leuner - vertelde eens een verhaal van hulp en zelfopoffering in moeilijke tijden, toen medelijden een misdaad was.' Van hem is ook de uitspraak: "Hoe groter de duisternis, des te helderder het licht, ook al is het niet meer dan dat van een kleine kaars."

<201>

*******************************************************************************

Noten1. H.C. Touw, Het Verzet der Hervormde Kerk. 's-Gravenhage, 1946; twee delen.Th. Delleman (red.), Opdat wij niet vergeten. Kampen, 1949.2. Johan M. Snoek, The Grey Book - A Collection of Protests against Antisemitismand the Persecution of Jews issued by Non-Roman Catholic Churches and ChurchLeaders during Hitler's Rule. Assen, 1969.3. Encyclopaedia Judaica, deel 8, Jerusalem, 1971; 914-916.4. Abel J. Herzberg, Kroniek der Jodenvervolging. Arnhem/Amsterdam, 1950.J. Presser, Ondergang (2 delen). 's-Gravenhage, 1965.L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereld oorlog - Populaireeditie (13 delen). 's-Gravenhage, 1969-1988.5. S. Stokman, Het verzet van de Nederlandse Bisschoppen legen Nationaal-Socialismeen Duitse Tyrannie. Utrecht, 1945.

pag 33 Hoofdstuk 1 Noten 1. Zie J.C.H. Blom, Verzuiling in Nederland - in het bijzonder op lokaal niveau, 1850-1925. Amsterdam, 1981. 2. Het verhaal wordt verteld door Anne de Vries in: De Levensroman van Johannes Post. Kampen, z.j., p. 271-272. 3. Ger van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941. Utrecht/Antwerpen, 1973; herdr. Kampen 1990. 4. Peter Treep, 'Gereformeerde Zending onder Nederlandse Joden "een kerkhistorisch onderzoek naar haar ontstaan, organisatie, functioneren en werkwijze,toegespitst op de jaren twintig en dertig' (doctoraal-scriptie; niet uitgegeven). Kampen, 1984. 5. Treep, 57. 6. Treep, 62. 7. Treep, 68. 8. Idem. 9. Stokman, 22. 10. Stokman, 23. 11. Th. Delleman (red.), Opdat wij niet vergeten. Kampen, 1949, 57. Zie voor het hier volgende ook: Harmjan Dam, De NSB en de Kerken. Kampen, 1986, 142 e.v. 12. Delleman, 55 13. Idem, 58 14. Van Roon, 51-52. 15. Delleman, 486; vgl. ook K. Schilder, Geen Duimbreed! Een synodaal besluit inzake 't lidmaatschap van N.S.B. en C.D.U. Kampen, 1936. 16. Delleman, 62-63. 17. Van Roon, 51-52. 18. Gegevens uit: Wolfgang Scheffer, Judenverfolgung im Dritten Reich. Berlin/Dahlem, 1960. 19. De Jong, 1, 454. 20. Idem, 454. 21. De Standaard, 5 en 22 mei 1933. 22. Idem, 24 mei 1933. 23. Johan M. Snoek, The Grey Book. Assen, 1969, passim. 24. Touw, 31 en 35. 25. Van Roon, 25 26. De Standaard, 27 april 1933.

Hoofdstuk 2Noten1. Deze cijfers worden vermeld door De Jong, 4, 718.2. De Jong, 4, 716.3. Acia (notulen) van de voortgezette generale synode van Sneek, 1939; art. 386.4. De notulen van het Convent, Algemeen Rijksarchief Den Haag (Afgekort: ARA) 11,NHK, alg. syn. no. 915.5. J.J. Buskes, Waar stond de Kerk? Amsterdam, 1947. 67.6. Herzberg, 45.7. Touw, 1, 376-377.8. Buskes, 689. Idem, 66-67.10. Idem, 67.11. ARA 11, NHK, no. 914.12. De Jong, V, 667.13. Idem, V, 678.

Hoofdstuk 3 geen Noten

Hoofdstuk 4Noten1. De volledige tekst bij Touw, 1, 22-227. H.M. van Randwijk zou later(13 februari 1950) aan Touw schrijven: "De verspreiding van pamfletten als'Betere weerstand' (…) geschiedde in nauwe samenwerking en soms zelfs opinitiatief van Vrij Nederland. (…) Ook het geschrift zelf was vaak eenproduct van samenwerking van meerderen. Zo herinner ik me nog goed zelf eengroot aandeel te hebben gehad in de tekst van 'Betere weerstand', tesamen metJoop Bartels, dat op een avond, of liever in een nacht, bij mij thuis werdherschreven" (ARA, 2.21.255, archief H.C. Touw, inv. no. 27).2. De volledige tekst bij Touw, 227-236.3. De Jong, V, 670-671.4. Touw, 1, 386.5. Idem, 11, 48-49.6. Buskes, 30.7. Acta, 56-57.8. In de Waagschaal, 5 sept. 19479. Acta, p. 238-239.10. Touw, 1, 388; Delleman, 88.

Hoofdstuk 5Noten1. Stokman, 28-30, 183v.2. H.W.F. Aukes, Kardinaal de Jong. Utrecht-Antwerpen, 1956, 255. Uitvoerigerop dit punt is M.J.H.M. van Rooij, "Al is het maar een Getuigen". Leiden, 1983(doctoraal scriptie), 4-5. Zie ook: A.F. Manning, 'De Nederlandse Katholiekenin de eerste jaren van de bezetting', in: jaarboek Katholiek DocumentatieCentrum, 1978, 105 e.v.3. Van Rooij, 4-5.4. Uitvoeriger gegevens bij Van Rooij, 12-13.5. ARA 11, archief NHK, Alg. syn., 915.6. Van Rooij, 22.7. Deze en veel andere persoonlijke gegevens over de Rijkscommissaris bij:H.J. Neuman, Arthur Seyss-Inquart. Utrecht, 1967.8. Aukes, 376-379; Stokman, 236.9. ARA, 11, NHK, alg. syn., no. 915.10. Archief deputaten voor de corr. Hoge Overheid, no. 7.11. Van Rooij, 31-33.

Hoofdstuk 6Noten1. Acta, p. 97-98.2. A J. van der Leeuw, Die Deportation der Romisch-Katholischen Juden aus denNiederlanden im Monat August 1942. Notities voor het geschiedwerk no. 136.Archief Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatic (afgekort: RIOD), 1966, 3.3. In de Waagschaal, 5.9.1947,4. J. Presser, Ondergang. Den Haag, 1965, 1, 260-261; H. Wielek, De Oorlog dieHitler won. Amsterdam, 1947, 218.5. L. de Jong (VI, 18) geeft de gang van zaken juist weer, maar desondanks vergistehij zich later op dit punt in zijn: Drie voordrachten aan de Harvard Universiteit,Den Haag, 1989, 18.6. Daarentegen bij A.J. Herzberg (Kroniek der Jodenvervolging; Arnhem-Amsterdam,1950, 134) de juiste lezing. Van Rooij, 40-41. Aukes, 386-387.7. Robert M.W. Kempner, Twee uit honderdduizend - Anne Frank en Edith Stein.Bilthoven, 100. Zie ook Van der Leeuw.8. Uitvoeriger bij Kempner, 102.9. Van der Leeuw, 6-7.10. Wielek, 292.11. Buskes, p. 69.12. Buskes aan L. de Jong, 24.12.73 (Archief RIOD).13. Buskes, 69.

Hoofdstuk 7Noten1. Delleman, 607-608.2. De Jong, 6, 605.3. Idem, 13, 115.4. Notulen d.d. 3 maart 1943; in het gemeente-archief Rotterdam.5. Aukes, 420. De brief was gedateerd: 15 febr. 1943.6. Stokman, p. 118.7. Presser, 11, 177; zie ook L. de jong, 6, 608.8. De Jong, 6, 608-609.9. Bert Huizing en Koen Aartsma, De zwarte politie 1940-1945. Weesp, 1986, 38 en 41.10. De Jong, 6, 603.

Hoofdstuk 8Noten1. ARA, arch. NHK, 914.2. Herzberg, 129.3. Presser, 11, 88.4. Wielek, 302.

Hoofdstuk 9Noten1. Mededeling van mevrouw W. de Nooij-van Nes te Ede.2. Aldus ds. B.D. Smeenk (geciteerd bij Treep, 34).3. Mededeling van I.S. Meijer te Oosterhout. Fotokopie van de verklaring in mijn bezit.4. Snoek, 26-28.5. Buskes, 89.6. L. de Jong, 6, 293.7. Archief deputaten corr. Hoge Overheid, no. 124.8. Idem.9. S.P. Tabaksblatt, Bladen uit mijn levensboek. Kampen, 1980, 31.10. Touw, I. 423.11. Idem, I. 41112. Wielek, 289.13. Herzberg, 131, 135.14. Tabaksblatt, 32-34.15. J.J. Buskes, Hoera voor het leven. Amsterdam, 1959, 191 e.v.16. Aanwezig in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme(1800-heden), Vrije Universiteit, Amsterdam.

Hoofdstuk 10Noten1. De Jong, 6, 333.2. Bij mijn weten de eerste die gewezen heeft op de overeenkomsten tussen kerkelijkeanti-joodse maatregelen en de wetgeving onder Hitler, was Raul Hilberg, TheDestruction of the European Jews. Chicago, 1961; revised and definite edition:New York/London, 1985.Het desbetreffende hoofdstuk in Nederlandse vertaling is te vinden bij: HansJansen, Christelijke theologie na Auschwitz - deel 1: Theologische en kerkelijkewortels van het antisemitisme. 's Gravenhage, 1981, 539-563.

Hoofdstuk 11Noten1. Het Grote Gebod. Gedenkboek van het verzet in LO en LKP. Kampen/Bilthoven, 1951(herdr. 1989),1, 14.2. (Verslag van de) Enquetecommissie Regeringsbeleid 1940-45. Den Haag, 1949-1956,deel 7c, 262.3. Mededeling van K. van Houten, Wageningen.

Hoofdstuk 12Noten1. Bert Kok, Aan het goede adres. Utrecht, 1985.2. Bert Jan Flim, 'De NV en haar kinderen 1942-1945' - geschiedenis van eenNederlandse onderduikorganisatie gespecialiseerd in hulp aan joodse kinderen.Groningen, 1987 (doctoraal-scriptie; niet uitgegeven).3. Flim, 18.4. Idem, 94.5. Limburgs Dagblad, 6.5.1989.6. Flim, 128.7. Mededeling van mevrouw L. van Eden-Pontier te Wassenaar.

Hoofdstuk 13Noten1. J.A. Ader-Appels, Een Groninger pastorie in de storm, Franeker, 1981 (twaalfdedruk).2. De gedichten zijn, behalve in bovengenoemd boek, afgedrukt in Touw, 11, 315-316.3. Johanna-Ruth Dobschiner, Te mogen leven. Franeker, 1974.4. Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding. 's-Gravenhage, 1982.

Hoofdstuk 14Noten1. Mevrouw L. van Eden-Pontier te Wassenaar.2. De naam Bogaard wordt soms met één, soms met twee o's gespeld. Van de afd.burgerzaken van het gemeentehuis te Hoofddorp vernam ik dat Johannes BoogaardSr. twee o's meekreeg, zijn zoon ("oom Hannes") daarentegen slechts één. Ookde straat, die naar "oom Hannes" genoemd werd, heeft slechts één o.3. L. de Jong, 6, 335-337; en 7, 443-444.4. Cor van Stam, Wacht binnen de dijken - Verzet in en om de Haarlemmermeer.Haarlem, 1986, 75-84.5. Delleman, 150.6. L. de Jong, 6, 333.7. Samuel en Pearl Oliner, De Altruïstische Persoonlijkheid. Amsterdam, 1988,172-173.8. IKON-radio uitzending in de rubriek 'Door het oog van de naald': Jodenzending'40-'45 en de gevolgen", 4 mei 1988.9. Dagblad Trouw, 5 mei 1988.10. De Vries, 131-132.11. L. de Jong, 7, 445.12. Corrie ten Boom, De Schuilplaats. Hoornaar, z.j., 120 en 140.13. Zie hierboven, noot 2.

Hoofdstuk 15Noten1. Oliner en Oliner, 151.2. Buskes, 93.3. Hervormd Nederland, 1 mei 1965.4. L. de Jong, Drie voordrachten aan de Harvard Universiteit. Den Haag, 1989,16 e.v.5. Michael R. Marrus, The Holocaust in History. Londen, 1987, vooral 157-163.L. de Jong, Drie voordrachten, 13 e.v. Zie ook mijn The Grey Book, 10-11.6. L. de Jong, 7, 308 e.v. (Wat wist men van Auschwitz en Sobibor?)7. Spreuken der Vaderen, 11, 5.


Back to IndexNext