Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.
"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"
Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.
Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.
"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat Tom Loker daar is."
Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot, die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange, smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen, stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant, alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte, bedachtzame teugjes uitdrinken.
"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij,Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.
"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.
De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende vragend aan.
"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."
"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"
"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig aanziende. "Een compagnon misschien?"
"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben geweest."
"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks, eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer Haley, geloof ik?"
"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."
Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt, en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.
Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken; want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven, en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.
"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig gedaan."
"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.
"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf," liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste uitvinding van onzen tijd zou zijn."
"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt, zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."
"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.—"Och, geef mij eens het water aan!—Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens heb ik eene meid gekocht—eene knappe, frissche meid was zij, en tamelijk mooi ook—en die had een jong dat ellendig ziekelijk was, een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken; maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."
"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was—stekeblind. Wel, gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal, grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u, zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit weder boven."
"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan.Mijnemeiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."
"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.
"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren—geen begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij, niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt, of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u, zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt, wel…." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.
"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening, Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder; dat wil ik voor u getuigen."
Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo vriendelijk als hem mogelijk was.
Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing van zedelijk gevoel te ontwaren—geen ongewoon verschijnsel bij heeren van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.
"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden, en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen, als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet ge dat nog wel?"
"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half glas klaren brandewijn uit.
"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel te drijven om er geld mede te winnen,eerst en vooral zoogoed als iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles, want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie mij dat hoort zeggen—en ik denk er ver….d dikwijls aan, zoodat ik het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen, en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."
"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene ziel vinden."
"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"
"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes—die zouden mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel hebt—maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid, dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd van betalen wordt. Bah!"
"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom, hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu, Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"
"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."
"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.
"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die meid er uit, en wat is zij?"
"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."
"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen; wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"
Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.
"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier, waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden, maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens willen zien—meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger zijn, als zij dat deden, weet ge!"
Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.
"Ik doe het," zeide hij.
"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar uwe vuist maar voor tijd van nood."
"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroegHaley nu.
"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoorddeLoker. "Wat wilt gij anders?"
"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."
Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist op de tafel vallen.
"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij, zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons vinden kunt, staat het u vrij."
"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld Tom, en uw woord gehouden."
"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem; maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."
"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden, waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."
"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."
"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt onredelijk."
"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen, zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet eens pakken—meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken—wat dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"
"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij verkiest; niet waar, Tom?"
"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.
Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen:
"Barnes—Shelby County—jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood of levend, Edward—Dick en Lucy—man en vrouw, zeshonderd dollars; meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen waarnemen.—Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden," zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen tijd geboekt."
"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.
"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien, want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld worden;"—daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen, Mijnheer Haley?"
"Zeker—zoo duidelijk als ik u zie."
"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.
"Zeker zag ik dat."
"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat is de vraag. Wat zegt gij Tom?"
"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.
"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"
"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden," antwoordde Tom beslissend.
"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en…."
"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg [3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"
"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar—"
"Maar wat?"
"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."
"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede," zeide Tom.
"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.
"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch niets van haar, om aan te laten ruiken."
"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek, dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."
"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."
"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar onverwacht pakten," zeide Haley.
"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden terug roepen."
"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.
"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"
"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks…."
Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor dien avond.
Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft, laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt, kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie gerekend worden.
Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde zelfvoldoening naar huis.
Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker, tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.
"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"
"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk vermoeid, Mevrouw."
"En Eliza, Sam?"
"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand mogen zeggen."
"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende, toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.
"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."
Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen en beelden te pas als hij maar kon.
"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom, Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."
"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw—geene moeder? Zijn wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God, reken ons deze zonden niet toe!"
"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar gedaan hebben wat wij moesten doen."
"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoorddeMevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."
"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"
En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in de hand, voor de deur der voorkamer.
"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeideMr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"
"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant; het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."
"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.
"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik reed een beetje vooruit—ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen, dat ik mij niet kon inhouden—en toen ik voorbij het venster kwam, daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit, en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed, en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht zeker dat hij haar al had—en toen gaf zij zulk een schreeuw als ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende en springende—en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"
Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten, terwijl Sam dit verhaalde.
"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar waar is het arme kind nu?"
"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb, dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af, anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."
"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid veinzen kon.
Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken, al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette, en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.
"Meester heeft gelijk—volkomen gelijk. Het was leelijk van mij—dat is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geengentleman, gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat wel zien."
"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy moeten wel honger hebben."
"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge buiging en ging heen.
Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver had kunnen brengen—een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.
"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat zij mij met open mond staan aan te kijken."
Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had, met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden, waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom, Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid om die roeping te volgen.
Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had, besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd, geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan, om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.
Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken pan, die eeneolla podridabevatte van alles wat er in de laatste twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen, hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant aan zijne rechterhand.
De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed, dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte, en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte zijner welsprekendheid af te dalen.
"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te verdedigen—ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen; gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft—ik ben de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor uwe rechten strijden—ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."
"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd, dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij voor dat uw praten niet goed samenhangt."
"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens, zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."
Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende schenen te houden. Sam vervolgde:
"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen, dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep, dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn geweten—omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja, beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok; "waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is, dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje hebben; het is nog niet schoon afgekloven."
Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders doen dan voortgaan.
"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende, "is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten wij het eens beter bezien. Ik hoop dat degentlemenen de schoone sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"
"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden, daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."
"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch om ze te bekennen—zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden; ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."
"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan, en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij, jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat heel gauw!"
"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest brave jongens."
En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.
Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom, die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen, welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd doen staan.
"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de kat niet bij haar staart—arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij, toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.
"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb hoofdpijn."
Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes, dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.
"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het is een vervelend werk, dat wetten maken."
En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.
"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"
Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird, dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde oogen op, en antwoordde:
"Niet veel van belang."
"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak, maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."
"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."
"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"
"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid te doen bedaren."
"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"
"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."
Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof, een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding, dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden, om een weerloos katje te steenigen.
"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."
Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een even vastberaden toon:
"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk houdt."
"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?"
"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór gestemd?"
"Juist zoo, mijne schoone politieke dame."
"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop, dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn—die ongelukkigen!"
"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten."
"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen; daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen."
"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen zou stichten…."
"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen gelijk Hij ons beveelt."
"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke redeneering bewijzen…."
"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt ge dat?"
Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar voordeel te vervolgen.
"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen, of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten, zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan."
"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird op zeer gematigden toon.
"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen, dat is mijne leer. Als ik slaven had—ik hoop dat ik ze nooit hebben zal—zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen, en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is; en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!"
"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!"
"Ik heb een hekel aan redeneeren, John, vooral aan het redeneeren over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg, John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt het ook evenmin doen als ik."
Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht, zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen.
Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt."
Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.—Eene jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe, de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen.
"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam, toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan, zou ik denken, aan hare handen te zien."
"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag.
Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?"
Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en stak zijne armpjes uit.
"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit.
"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naarMevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!"
"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd."
"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren schoot poogde te komen.
Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef.
Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar, hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig, terwijl haar man deed alsof hij de courant las.
"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne courant neerleggende.
"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien," antwoordde Mevrouw.
"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had zitten peinzen.
"Wel, lieve?"
"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij."
Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird, toen zij antwoordde: "Wij zullen zien."
"Zeg eens, vrouw!"
"Wel, wat nu?"
"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om mij mee toe te dekken, als ik na den eten een dutje doe, dien mocht gij haar ook wel geven. Zij heeft wel warme kleeren noodig."
Op dit oogenblik kwam Dina zeggen, dat de vrouw wakker was en Mevrouw verlangde te zien.
De echtgenooten gingen te zamen naar de keuken, gevolgd door de twee oudste jongens, daar het kleine goed in dien tijd naar bed was gebracht.
De vrouw zat nu op de rustbank bij het vuur. Ze staarde strak in de vlam, met eene kalme treurigheid in haren blik, zeer verschillend van haren vroegeren woesten angst.
"Hebt gij naar mij gevraagd?" zeide Mevrouw Bird vriendelijk. "Ik hoop dat gij u nu beter gevoelt, arme vrouw."
Een diepe, angstige zucht was het eenige antwoord; maar zij sloeg hare donkere oogen op, en zag Mevrouw Bird aan met zulk een jammerlijk smeekenden blik, dat het goede vrouwtje zelve tranen in de oogen kreeg.
"Gij behoeft voor niets bang te zijn. Wij zijn hier vrienden, arme vrouw. Zeg mij, waar gij vandaan komt en wat gij hier zoekt," zeide zij.
"Ik ben uit Kentucky gekomen," was het antwoord.
"Wanneer?" zeide Mr. Bird, het verhoor opvattende.
"Dezen avond."
"Hoe zijt gij dan gekomen?"
"Ik ben over het ijs gegaan."
"Over het ijs gegaan?" herhaalden al de aanwezigen.
"Ja," zeide de vrouw langzaam. "Dat heb ik gedaan. Daar God mij hielp, ben ik over het ijs gegaan; want zij waren achter mij—vlak achter mij—en er was geen andere weg."
"O, Mevrouw!" riep Cudjoe nu uit. "Het ijs is geheel aan schotsen gebroken, en dobbert op en neer op het water."
"Dat weet ik wel," hervatte zij met eenige woestheid. "Maar ik deed het toch. Ik dacht niet, dat ik er over zou komen; maar daar gaf ik niet om. Ik kon maar sterven, als het niet gelukte. De Heere hielp mij. Niemand weet hoeveel de Heere helpen kan, eer hij het beproeft," voegde zij er met flikkerende oogen bij.
"Waart gij slavin?" zeide Mr. Bird.
"Ja, Mijnheer; ik behoorde aan iemand in Kentucky."
"Was hij hard voor u?"
"Neen, Mijnheer! hij was een goed meester."
"Was uwe meesteres dan hard voor u?"
"Neen, Mijnheer! neen, mijne meesteres was altijd goed voor mij."
"Wat kon u dan bewegen om een goed tehuis te verlaten en weg te loopen, en u in zulk een gevaar te storten?"
De vrouw zag Mevrouw Bird aan met een scherpen, uitvorschenden blik, en het ontsnapte haar niet, dat zij in rouw gekleed was.
"Mevrouw," zeide zij plotseling, "hebt gij ooit een kind verloren?"
De vraag was onverwacht en trof eene versche wonde; want het was pas eene maand geleden dat de lieveling der familie naar het graf was gebracht.
Mr. Bird keerde zich om en ging naar het venster, zijne vrouw barstte in tranen uit, en toen zij hare stem terug had, zeide zij:
"Waarom vraagt gij dat? Ik heb pas een kleintje verloren."
"Dan zult gij gevoel voor mij hebben. Ik heb twee kinderen verloren, het eene na het andere. Ik heb ze begraven gelaten waar ik vandaan kwam, en ik had maar dit eene over. Ik sliep nooit een nacht zonder hem; hij was al wat ik had. Hij was mijn troost en mijn trots, nacht en dag; en, Mevrouw, zij wilden hem mij afnemen—hem verkoopen—hem naar het Zuiden verkoopen, Mevrouw, om alleen daarheen te gaan—een klein kind, dat zijn leven lang nooit van zijne moeder was geweest. Dat kon ik niet afwachten, Mevrouw. Ik wist dat ik nooit meer tot iets deugen zou als zij dat deden; en toen ik wist dat de papieren geteekend waren en dat hij verkocht was, nam ik hem op en liep in den nacht weg. En zij jaagden mij na—de man die hem gekocht had, en eenigen van het volk van mijnen meester—en zij kwamen vlak achter mij aan en ik hoorde hen. Ik sprong op het ijs, en hoe ik er over kwam weet ik niet. Het eerste waar ik van wist, was een man die mij op den kant hielp."
De vrouw schreide niet of snikte niet; zij verkeerde nog in een angst, die geene tranen kent; maar allen om haar heen gaven, ieder op zijne manier, blijken van het hartelijkste medelijden.
De twee kleine jongens hadden, nadat zij wanhopig in hunne zakken naar die zakdoeken hadden gezocht, welke moeders wel weten dat daar nooit te vinden zijn, ieder eene slip van hun moeders rok gepakt, en veegden daaraan al snikkende naar hartelust oogen en neuzen af; Mevrouw Bird had haar gezicht geheel in haren zakdoek verborgen; en de oude Dina, wie de tranen over de wangen rolden, riep gedurig met evenveel kracht als bij eene veldpredikatie: "Heere, wees ons genadig!" terwijl Cudjoe, zijne oogen met zijne mouw afwrijvende en eene buitengewone verscheidenheid van scheeve gezichten trekkende, dien uitroep tusschenbeide met hetzelfde vuur herhaalde. Onze senator was een staatsman, van wien men natuurlijk niet verwachten kon dat hij gelijk andere stervelingen zou schreien: hij keerde dus het gezelschap zijn rug toe, keek uit het venster en scheen het bijzonder druk te hebben met zijn keel te schrapen en zijn bril af te vegen; tusschenbeide zijn neus snuitende op eene manier, welke zeker achterdocht had moeten verwekken, indien iemand in staat was geweest om op hem te letten.
"Hoe hebt ge mij dan kunnen zeggen, dat gij een goed meester had?" zeide hij eensklaps, met geweld iets dat hem in de keel scheen te komen bedwingende, en keerde zich eenigszins driftig naar de vrouw om.
"Omdat hij waarlijk een goed meester was—dat zal ik altijd van hem zeggen; en mijne meesteres was ook goed; maar zij konden niet anders. Zij waren geld schuldig, en er was iets dat ik niet zeggen kan, waardoor die man hen dwingen kon, en zij waren genoodzaakt hem zijn zin te geven. Ik luisterde en hoorde hem dat aan mijne meesteres zeggen, en haar voor mij bidden en smeeken; hij zeide haar dat hij niet anders meer kon en dat de papieren al geteekend waren; en toen nam ik hem op en liep weg. Ik wist wel dat ik niet meer kon blijven leven als zij dat deden; want het is mij alsof dat kind alles is wat ik heb."
"Hebt gij geen man?"
"Ja, maar hij behoort aan iemand anders. Zijn meester is waarlijk hard voor hem en wil hem bijna nooit laten gaan om mij te zien; en hij is al harder en harder voor ons geworden en dreigt hem naar het Zuiden te verkoopen. Het is denkelijk, dat ik hem nooit zal weerzien."
De kalme toon waarmede de vrouw dit zeide, had een oppervlakkig opmerker kunnen doen denken, dat zij geheel onverschillig was; maar er sprak eene stille, diepe zielesmart uit hare donkere oogen, die geheel iets anders aanduidde.
"En waar denkt gij nu heen te gaan, arme vrouw?" zeide Mevrouw Bird.
"Naar Canada, als ik maar wist waar dat ligt. Het is heel veraf,Canada, niet waar?" zeide zij, met hartelijk vertrouwen naar MevrouwBird opziende.
"Arme ziel!" zeide Mevrouw Bird onwillekeurig.
"Het is heel ver weg, denk ik?" herhaalde de vrouw ernstig.
"Veel verder dan gij denkt, arm kind," antwoordde Mevrouw Bird. "Maar wij zullen ons best doen om te overleggen wat er voor u gedaan kan worden. Dina, maak een bed voor haar in uwe eigene kamer, dan zal ik morgen zien wat er voor haar te doen is. Wees ondertusschen niet bang, arme vrouw. Stel uw vertrouwen op God. Hij zal u beschermen."
Mevrouw Bird en haar echtgenoot gingen weder naar de voorkamer. Zij zette zich op haar schommelstoeltje voor het vuur en liet zich peinzend wiegen; terwijl Mr. Bird de kamer op en neer ging en bij zich zelven bromde: "Hm, och! Drommels lastige historie!" Eindelijk kwam hij met een paar groote stappen naar zijne vrouw en zeide:
"Zeg eens, vrouw, zij moet dezen nacht nog hier vandaan. Die kerel zal haar morgenochtend al op het spoor zijn. Als het de vrouw alleen was, kon zij stil blijven schuilen tot hij weder was afgetrokken; maar dat kind zal niet te houden zijn, vrees ik. Het zou zich verraden door uit een raam te kijken of zoo. Het zou eene leelijke geschiedenis voor mij zijn, als die twee nu juist hier betrapt werden. Neen, zij moeten van nacht nog voort."
"Van nacht! Hoe is dat mogelijk? Waarheen?"
"Ik weet al zoo tamelijk wel waarheen," antwoordde de senator en begon zijne laarzen aan te trekken; maar toen zijn eene been half in de laars was, bleef hij met beide handen om zijne knie geslagen peinzend zitten.
"Het is eene verduiveld leelijke, lastige historie; dat is maar zoo," zeide hij eindelijk en begon weder aan de laars te trekken.
Nadat de eene laars aan was, bleef de senator, met de andere in de hand, naar de ruiten op het tapijt zitten staren.
"Het zal toch moeten gedaan worden, zoover ik zien kan. Maar lastig is het," zeide hij weder, trok de andere laars aan en keek eens uit het venster.
Nu was Mevrouw Bird een bescheiden en verstandig vrouwtje—een vrouwtje, dat nooit zeide: "dat heb ik u wel gezegd," en hoewel zij bij deze gelegenheid wel wist welken loop de gedachten van haren echtgenoot namen, was zij voorzichtig genoeg om zich daarmede niet te bemoeien en bleef maar stil zitten, zich gereed houdende om de meeningen van haren heer en meester aan te hooren, wanneer het hem goeddacht die te kennen te geven.
"Gij weet wel," zeide hij eindelijk, "daar is mijn oude cliënt Van Trompe, die uit Kentucky is overgekomen en al zijne slaven in vrijheid heeft gesteld. Hij heeft een goed gekocht, hierachter in de bosschen, zeven mijlen de kreek op, waar niemand ooit komt of het moet met opzet wezen, en dan is de plaats nog niet gemakkelijk te vinden. Daar zal zij veilig genoeg wezen; maar het lastige van de zaak is, dat niemand haar daar van nacht met rijtuig naar toe kan brengen dan ik."
"Waarom niet? Cudjoe rijdt heel goed."
"Ja, ja, maar hier zit het in. Men moet tweemaal de kreek over, en de tweede maal is het gevaarlijk, als iemand de plek niet zoo goed kent als ik. Ik ben daar wel honderdmaal te paard over geweest, en weet nauwkeurig welke draaien men moet nemen. Dus, ziet ge, is er niets anders op. Cudjoe moet tegen twaalf uren zoo stil als hij kan de paarden voorspannen, en ik zal haar brengen. Maar om de zaak een kleurtje te geven, moet hij tot aan de naaste herberg met mij mee, alsof hij mij op den postwagen naar Columbus bracht, die daar tegen drie of vier uren voorbijkomt; zoo zal het schijnen, alsof ik het rijtuig alleen daarvoor gebruikt had. Dan kan ik morgenochtend in de vergadering zijn. Ik denk dat ik mij daar wel wat beklemd zal voelen, na al wat er gezegd en gedaan is; maar verduiveld, ik kan het niet helpen."
"Uw hart is beter dan uw hoofd in dit geval, John!" zeide zijne vrouw, haar handje op zijne hand leggende. "Had ik u ooit kunnen liefhebben, als ik u niet beter gekend had dan gij u zelven kent!"
En het vrouwtje zag er zoo bekoorlijk uit, met de tranen die in hare oogen glinsterden, dat de senator dacht welk een knap man hij toch wel moest wezen, om zulk een aardig wijfje zulk eene hartstochtelijke bewondering voor zich in te boezemen. Wat kon hij dan anders doen, dan stil heengaan om naar het rijtuig te zien! Bij de deur bleef hij echter een oogenblik stilstaan, en toen terugkomende, zeide hij met eenige aarzeling:
"Mary, ik weet niet wat gij er van denkt, maar daar is nog de lade vol goed van—van den lieven kleinen Henry."
Daarmede keerde hij zich snel om en sloot de deur achter zich.
Zijne vrouw opende een slaapkamertje naast hare kamer, zette daar de kaars die zij had medegenomen op een bureau, nam vervolgens een sleutel, stak dien peinzende in het slot eener lade en bleef toen stilstaan, terwijl de twee knapen, die haar, zooals jongens doen, op de hielen waren gevolgd, met veelbeteekenende blikken naar hunne moeder keken. O, moeder, die dit leest, is er in uw huis nooit eene lade of kast geweest, waarbij het u, als gij ze opendeedt, was alsof er een kindergrafje geopend werd? O gelukkige moeder, die gij zijt, als het nooit zoo geweest is!
Mevrouw Bird opende langzaam de lade. Daar lagen kleertjes van verschillenden vorm en stof, stapels schortjes en rijen kousjes; zelfs een paar schoentjes met afgesleten neuzen kwamen uit de vouwen van een papier kijken. Er lag ook eenig speelgoed—een paardje en een wagentje, een tol en een bal—gedachtenissen met menigen traan en menigen zucht opgezameld. Zij zette zich neer, en met haar hoofd in hare handen schreide zij, tot de tranen door hare vingers in de lade droppelden. Toen eensklaps haar hoofd opheffende, begon zij met zenuwachtigen haast het eenvoudigste en sterkste van alles uit te zoeken en maakte een pakje daarvan.
"Mama," zeide een van de knapen, haar zacht aan den arm stootende, "gaat gij dat goed weggeven?"
"Lieve jongens," antwoordde zij met zachten ernst, "als onze dierbare, lieve, kleine Henry uit den hemel neerzag, zou hij zich verheugen dat wij dit doen. Ik zou het hart niet hebben om iets daarvan weg te geven aan een gewoon mensch—aan iemand die gelukkig was; maar ik geef het aan eene moeder, die nog droeviger is dan ik en ik hoop dat God zijn zegen er bij zal zenden."
Er zijn gezegende zielen op de wereld, wier smarten allen in vreugde voor anderen overgaan; wier aardsche hoop, met vele tranen in het graf gelegd, het zaad is waaruit genezende bloemen en balsem groeien voor bedroefden en noodlijdenden. Onder deze behoorde die tengere vrouw, die daar zat en langzaam tranen liet droppelen, terwijl zij de gedachtenissen van haren eigen verloren lieveling voor dien der arme zwervelinge gereed maakte.
Na eene poos opende Mevrouw Bird eene kleerkast, en daaruit een paar sterke japonnen nemende, zette zij zich bij haar werktafeltje en begon met schaar, naald en draad aan het "uitleggen", dat haar echtgenoot had aanbevolen. Zij bleef druk daarmede bezig, tot de klok twaalf sloeg, en zij het zachte geratel van wielen hoorde.
"Mary," zeide haar man, met zijn jas over den arm binnenkomende, "gij moet haar nu wakker maken; wij moeten voort."
Haastig pakte Mevrouw Bird al wat zij verzameld had in een koffertje, verzocht haar echtgenoot om dit in het rijtuig te laten zetten en ging de arme vrouw roepen. Spoedig met een mantel, hoed en doek gekleed, die hare weldoenster hadden toebehoord, kwam deze met haar kind op den arm de deur uit. Mr. Bird haastte haar om in het rijtuig te stappen, zijn vrouw kwam buiten tot aan de trede. Eliza boog zich uit het portier en stak hare hand uit, eene hand even schoon als die haar werd toegereikt. Zij zag Mevrouw Bird aan met oogen vol ernstige beteekenis en scheen te willen spreken. Zij beproefde dit een paar malen en bewoog hare lippen, maar er kwam geen geluid, en naar boven wijzende met een blik dien men nooit vergeten kon, zonk zij achterover op de bank en bedekte haar gelaat. Het portier werd gesloten en de koets reed voort.
Welk een toestand voor een patriotsch senator, die een geheele week lang de wetgevende macht van den staat, waarin hij geboren was, had aangespoord om strengere maatregelen te verordenen tegen de vluchtelingen en medeplichtigen, die hen voorthielpen!
Onze goede senator had zich in de staatsvergadering door geen zijner broederen te Washington laten overtreffen in die soort van welsprekendheid, welke deze heeren een onsterfelijken roem heeft doen verwerven. Hoe statig had hij daar gezeten met zijne handen in zijne zakken en gesmaald op de sentimenteele zwakheid van hen, die het welzijn van eenige ellendige vluchtelingen boven de groote belangen van den staat wilden stellen!
Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven, maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand, van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn, of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet, met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky, zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder, is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze plaats waart?
Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet, uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was.