TIENDE HOOFDSTUK.

"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger, die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed met een spoorweg in verband te brengen.

Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken, waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol zwarte modder daartusschen.

Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator, vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken, terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen, die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op, de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind, en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet.

Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier.

"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen moeten leggen."

De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door Cudjoe opgevischt.

Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen en gaan verder.

Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan, en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid, die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken.

De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen; en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio, kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve, met zijn geweten en zijne overdenkingen.

"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers wilt bergen?" vroeg de senator ronduit.

"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk.

"Ik dacht het ook wel," zeide de senator.

"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen, ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij komen; dat maakt voor ons geen verschil."

En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en lachte smakelijk.

Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza.

"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij, naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede sloot hij de deur.

"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen moeten hebben. Ik weet dat alles wel."

De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis.

"Ja, zoo gaat het—of ik het weet," zeide de goede man medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest, dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;—en toen beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk—dat deed ik," zeide John, onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende, waaruit hij een paar glazen vulde.

"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een bed voor u laten maken."

"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan."

"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die weg is al heel slecht."

John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de senator hem een briefje van tien dollars in de hand.

"Het is voor haar," zeide hij kortaf.

"Ja wel," antwoordde John even kort.

Zij gaven elkander de hand en scheidden.

Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de tranen af te vegen die over hare wangen rolden.

Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en de kinderen lagen allen nog te slapen.

Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne kinderen zien.

"Het is de laatste maal!" zeide hij.

Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd, dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende.

"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen hoe zij hen daar op de plantages laten werken!"

"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is."

"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen troost vinden."

"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is datikhet ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen met mij gebeuren; en de Heere—Hij zal mij helpen—ik weet dat Hij dat zal."

O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel in de keel—maar hij sprak toch dapper en stout.

"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was, daaraan te denken.

"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed, het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten maken, dat gij voor zijne schuldkondtgenomen worden. Gij hebt al wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!"

"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon, dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben."

"Nu, er is tochergensiets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is, dat zie ik duidelijk."

"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen—er valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil."

"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet wanneer gij er weder een krijgen zult."

Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land, van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt."

Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst, waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde—een lot, dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.—Die angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger, koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om weder gevat te worden.

De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in "het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden, haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer groote gelegenheden te voorschijn kwamen.

"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van het kuiken.

Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden: "Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit tehuis zal hebben?"

"O Chloe!" zeide Tom zacht.

"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe."

De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen.

"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme kinderen! Moeder is te driftig geweest."

De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou zijn bewezen.

"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe, spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel—zij zijn er gemeen genoeg toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar, och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden."

Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht, trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret.

"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel verkocht worden, denk ik—waarom niet?—als zij tot iets beginnen te deugen. Negers behoeven immers niets te houden."

Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!"

"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken.

"Tom," zeide zij, "ik kom om…."

Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon te snikken.

"O God, Mevrouw, dat niet—dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen, smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is, uit medelijden geschreid?

"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor kan krijgen; en tot zoolang—vertrouw op God!"

Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur, dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi te achterhalen.

"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?—Uw dienaar,Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij MevrouwShelby zag.

Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige vonken schenen te veranderen.

Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog schreiende achteraan.

Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar, in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid over hem, vooral onder de vrouwen.

"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede Chloe bij den wagen stond.

"Mijnetranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien ouden duivel, om nog zooveel niet."

"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande, die hem met dreigende blikken aanzagen.

Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels.

Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda:

"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is."

"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier verloren, en kan er niet meer aan wagen."

"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende aan haren rok vasthielden.

"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis moest wezen."

George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen.

"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig.

Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden.

Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht, om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was, en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen, dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als hij terugkwam.

Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden, hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen.

"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien toonende en naar Tom wijzende.

"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch niet verkocht?'

"Ja, dat heeft hij," zeide Haley.

"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste en trouwste…."

"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden; maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken—als ik mij niet vergis."

"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?"

"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk levendig houden," antwoordde Haley.

"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die suikerplantages moet afgewerkt worden."

"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen."

"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?"

"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal vrouwen genoeg."

Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals, en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging.

"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik maar een man was, zouden zij het niet doen—neen, dat zouden zij niet!"

"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed, meer dan ik u zeggen kan."

Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George de kluisters in het oog.

"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in den kop slaan—dat zal ik."

"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt."

"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk—is het geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis."

"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George."

"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom," zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar den winkel te keeren, "hier breng ik u mijn dollar."

"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeideTom ontroerd. "Dat nooit."

"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol schelden. Dat zou mij goed doen."

"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed doen."

"Welnu, dan zal ik het niet, om uwentwil," zeide George, en deed Tom haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet, dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet."

"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken."

"Nu, ik meen geen kwaad, Tom."

"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te zijn. Dat zult gij immers, niet waar?"

"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig.

"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden, als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig—dat is natuurlijk. Maar echtegentlemen, zooals ik hoop dat gij er een worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg, jongeheer George."

"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad gegeven."

"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O, jongeheer George, gij hebt alles—kundigheden, voorrechten, lezen en schrijven—en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester, gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George."

"Ik wilwaarlijkgoed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O, gij zult nog eens een goeden tijd krijgen."

Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand.

"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende, met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen hoe gij Oom Tom behandelt."

"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar.

"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou denken dat gij u laag moest voelen," zeide George.

"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen."

"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest."

En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond, alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn gevoelen.

"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk.

"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart, toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte hem vast tegen zijne borst.

"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen, zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen, als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen, heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld en niet de mijne."

Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand, die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden.

En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der andere personen van ons verhaal te vervolgen.

Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange, grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt, met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen—jachtroeren in een hoek bijeengezet—weitasschen, kogelzakken, jachthonden en kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den schoorsteenmantel—eene houding, welke men in Westersche herbergen zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen.

De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd, en een hoogen hoed daar bovenop.

Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige, zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond, dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had van die hoeden eene geheele studie kunnen maken.

Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat—terwijl de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen en weder zwieren—en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden eener landelijke herberg in Kentucky.

De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne vaderen waren groote jagers—menschen, die in de bosschen leefden en onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten; en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het open veld hield—heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras ging liggen, met zijne voeten op een boomstam—laat winter en zomer deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote longen—noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling," en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste schepsel op de wereld.

Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed, met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel, zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden, en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten.

"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer, een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende.

"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom het dreigende eerbewijs ontweek.

"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak en een groot mes uit zijn zak.

"Niets, dat ik weet," was het antwoord.

"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden.

"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke zich afwendende.

"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond, waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging.

De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte, was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant te keeren en spuwde in het vuur.

"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet.

"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf.

Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij het volgende:

"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H.

"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is."

De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde.

De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op, kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote klad tabakssap.

"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten.

"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein.

"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was," antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand het verlangt te weten."

"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook iets in zijn boek.

"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier, waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog: ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel, mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze als menschen en gij zult menschenwerk hebben."

En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch in het vuur.

"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson; "en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel—dat is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren—inderdaad een kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen en zijn meester heeft het patent daarvan."

"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje geteekend zou blijven."

"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou dat niet gebeuren."

"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan.

"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou."

"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper.

Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van eengentlemanhad, terwijl een zwarte knecht het paard mende.

Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden, ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar de advertentie en las die hardop.

"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?"

"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker."

"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond iets te schrijven had.

De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein, gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat.

De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte, vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem, maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze naar hem toekwam.

"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij herinnert—Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby."

"Ja wel—ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die in een droom spreekt.

Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer gereed was.

"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft."

Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar eene laatste hand aan te leggen.

Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag Mr. Wilson strak in het gezicht.

"George," zeide Mr. Wilson.

"Ja, George," antwoordde de jonkman.

"Ik kon het haast niet denken."

"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd; dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord."

"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u nooit geraden hebben?."

"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George met een trotschen glimlach.

Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht, welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden, ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest, had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had aangenomen, de rol van eengentlemandie met zijne bediende op reis was.

Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan:

"Wel, wel, George—ik vermoed dat gij weggeloopen zijt—uw wettigen meester verlaten, George—het verwondert mij wel niet—maar het spijt mij toch ook, George—ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat zeggen. George—het is mijn plicht—om u dat te zeggen."

"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard.

"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land."

"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!"

"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos, is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester—eigenlijk is hij—nu ja, hij gedraagt zich berispelijk—ik wil zijne verdediging niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand; en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond."

"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson," zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek."

"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man, zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een hard geval—zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George—ziet gij dat niet in?"

George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen deed krullen.

"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af, en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt houden. Zoudt gij niet?"

Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel gezond verstand—en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het woord voeren niet eens—om niets te zeggen waar niets gezegd kan worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen:

"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen."

"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt, kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen—den eersten en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn."

"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand komen tegen de wetten van uw land."

"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson,gijhebt een land; maar wat land hebik, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet—wij stemmen er niet in toe—wij hebben er niets mede te doen. Alles wat zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?"

Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene baal katoen zou kunnen vergelijken—donzig zacht en verward. Hij had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden; maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke volharding "het goede" voor te houden.

"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht, zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden."

En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich zenuwachtig in de vingers.

"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie naar mijn gezicht—naar mijne handen—naar mijne houding," en daarmede richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen zal. Ik heb een vader gehad—een van uwe heeren uit Kentucky—die mij niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen; en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden."

"En toen?"

"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand anders. Zij was een vroom, goed meisje—lid van de baptistenkerk—en even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer; ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen om haar te helpen.—En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,—om niet anders dan dat—en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu, ik groeide op—lang waren de jaren—zonder vader, moeder of zuster, zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen, kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp; en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen, Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen, Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien—gij weet hoe schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel, nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden, van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten, geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was; om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan, Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken, of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij die wetten de wetten vanmijnland? Mijnheer, ik heb evenmin een land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil niets vanuwland, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél."

Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij ijverig zijn gezicht afveegde.

"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik dat niet gezegd—die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig, mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of—maar gij zoudt beter doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met zenuwachtige onrust opstaande.

"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen."

"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!"

"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid.

"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik vrees haast dat ik niet met overleg handel—loop heen, ikwilniet met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!"

En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood hij dit George aan.

"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is."

"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem het—kom aan, neem het, mijn jongen,"

"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het dan aan," zeide George.

"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te stout. En die zwarte kerel, wie is hij?"

"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen: en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen."

"Heeft hij haar gekregen?"

"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio, om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben, en dan zal hij om haar terugkomen."

"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man.

George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting.

De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere onnoozele verwondering.

"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart geworden."

"Omdat ik nu eenvrij manben, Mijnheer," zeide George met trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester" tegen iemand gezegd. Ik ben vrij."

"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden."

"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson, als het zoover komt," zeide George.

"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier zoo recht naar de naaste herberg te komen."

"Mijnheer Wilson, het iszoovermetel en de herberg is zoo nabij, dat zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken, en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien, hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de advertentie niet aanhouden."

"Maar het merk in uwe hand?"

George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne hand zien.

"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij, zijn handschoen weder aantrekkende.

"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk—uwe omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson.

"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend heet," antwoordde George.

"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus, Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik dood ben."

George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit.

George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de deur weder en zeide:

"Mijnheer Wilson, nog een woordje."

De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij, als met inspanning:

"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een christen getoond—ik wilde een laatste daad van christelijke liefde van u vragen."

"Wel, George?"

"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij denken—behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje, het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?"

"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan.

"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch, dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe goed hare meesteres ook wezen mag—hoeveel zij van hare woonplaats mag houden, laat zij niet terugkeeren—want slavernij eindigt in ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden, en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat, Mijnheer Wilson; wilt gij?"

"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen waart, hoewel—maar ik wenschte het toch."

"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond.

"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?"

"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van Zijnen troon. Er is een God, George—geloof dat, vertrouw op Hem, en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen—zoo niet in dit leven, dan in een ander."

De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht:

"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er aan denken."


Back to IndexNext