"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk, zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins anderen vorm doen dan zij."
"In Vermont is het zoo niet."
"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit; dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht, en gaan dineeren."
Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en knorrende, zooals zij altijd doet."
Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen.
"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina.
Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide:
"Och! ik wou dat ik maar dood was!!"
"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia.
"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch en zonder hare oogen op te slaan.
"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen, Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder het spreken hare koralen oorbellen bengelen.
De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan.
"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen, zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten."
"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal ze betalen."
Ophelia nam er een paar dozijn van.
"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan."
"Loodjes—waar zijn die voor?" zeide Ophelia.
"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor."
"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als het niet uitkomt slaan ze mij halfdood."
"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje, "als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij, Juffrouw."
"En datwilik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en mijne ellende vergeten."
"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken."
"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen—ja, ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik maar dood was en uit mijne ellende."
Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd, maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog met hare oorbellen stond te spelen.
"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt er niet op aan—gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden, zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet drinken zult—drinken—drinken—u zelve naar de hel drinken; en dat zal uw verdiende loon zijn—oe!" En met een kwaadaardig geluid ging zij heen.
"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was, zou ik haar nog erger laten afzweepen."
"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit meer genezen."
"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan, Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf omdraaiende.
Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend, behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend,
"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf.
Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde onder hare lijfbedienden.
"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend."
"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt."
"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf.
"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de trap kwam aanwippen.
"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd."
"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten beslissen."
"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende.
"Hij maakt mij altijd kwaad op hem."
"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden en dat zult gij te verantwoorden hebben."
"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van het lachen.
"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met uwe zotternij."
"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan," zeide Rosa.
"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch maar negers, zoo goed als ik."
"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad te doen worden," zeide Jane.
"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend hare lange zijden krullen.
"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard is—een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben."
Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia er weder aan en zeide:
"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat aan uw naaiwerk."
Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken.
"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend.
"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig."
"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom.
"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.
"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?"
"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos—ik ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was."
Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven, onverschilligen ernst werden uitgesproken.
"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van JezusChristus gehoord?"
"Jezus Christus, wie is dat?"
"Wel hij isde Heere," zeide Tom.
"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb ik wel van gehoord."
"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?"
"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit liefgehad sedert mijn oude man dood is."
"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom.
"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester kreeg mij van hem."
"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?"
"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen; en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden; maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word."
"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?"
"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel, als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom—veel liever."
En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en ging heen.
Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en oogen die van blijdschap straalden.
"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u, Tom? Gij ziet zoo ernstig."
"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig.
"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende oude Prue zien spreken."
Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst en slaakte een zwaren zucht.
"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet gaan rijden," zeide zij toen.
"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?"
"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging weder in huis.
Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue, de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken.
"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?"
"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig.
"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?"
"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw met een blik naar Ophelia,
Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede naar de deur.
"Wat is er toch met Prue?" zeide zij.
De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde op een zachten, geheimzinnigen toon:
"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest—en zij brachten haar in een kelder—en lieten haar daar den geheelen dag; ik hoorde zeggen datde vliegen haar hadden beetgekregen—en nu is zij dood!"
Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen.
"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!"
"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden."
"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen."
Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven.
Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien ochtend had vernomen.
"Dat is nu toch iets verschrikkelijks—iets verfoeielijks!" riep Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant zat te lezen.
"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij.
"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde.
"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare, zijne courant weder inkijkende.
"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen te onderzoeken en zich aan te trekken?"
"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen."
"Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens een oordeel over u brengen."
"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is: oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat ons overschiet."
"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo maar laten?"
"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele klasse—verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar—zonder eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in het oog houden—want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is: beproeven om er mij zelven vrij van te houden."
St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij:
"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn opgelicht—nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen.
Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste voort en eindelijk barstte zij uit:
"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten, indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een stelsel te verdedigen—zoo denk ik er over."
"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?"
"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen," herhaalde Ophelia met toenemende warmte.
"Ikhet verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik het verdedigde?" zeide St.-Clare.
"Wel zeker verdedigt gij het—dat doet gij allen—al gijZuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?"
"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht houdt?"
"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia en liet vinnig hare breinaalden ratelen.
"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik heb er op den duur berouw van."
"Waarom gaat gij er dan mede voort?"
"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw van hadt, goede Nicht?"
"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoorddeOphelia.
"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is juist de moeielijkheid."
"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef ook het te laten."
"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?"
"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft."
"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn gaande te maken—anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig, ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk."
"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeideOphelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende.
"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik—maar ik praat niet gaarne ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik geloof—daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak."
"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd."
"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik," vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij…."
"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in.
"Wacht maar—ik kom er toe—gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht," zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd, "over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede moeten winnen—geestelijken, die planters naar den mond moeten praten—staatkundigen, die er gezag door willen voeren—mogen de taal en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel, en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje van hetgeen hij in zijn vak doen kan."
Ophelia hield op met breien en zag hem verwonderd aan; St.-Clare, die zich met hare verbazing zeer scheen te vermaken, vervolgde:
"Gij schijnt u te verwonderen; maar als gij mij wilt laten uitspreken, zal ik ronduit zeggen wat ik denk. Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar hare kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de macht heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderpoel leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastebij voor wat de slavernijis. Ik tart iedereen uit om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat, en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij. Draaierij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is. Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle macht te gebruiken die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de macht, die de wet hem geeft."
St.-Clare was opgestaan en ging met haastige schreden op en neer. Zijn gelaat gloeide door het vurige van zijn gevoel, zijne blauwe oogen flikkerden, en zonder het zelf te weten maakte hij heftige gebaren. Ophelia had hem nog nooit in zulk eene stemming gezien en bleef roerloos zitten, zonder een woord te spreken.
"Ik verklaar u," vervolgde hij, eensklaps voor zijne nicht staan blijvende—"het baat wel niet wat men over de zaak denkt of zegt, maar ik verklaar u toch, er zijn oogenblikken geweest waarop ik dacht dat als het geheele land maar verzonk, en al dat onrecht en die ellende voor het licht verborg, ik gaarne mede wilde verzinken. Als ik met onze stoombooten of door het land heen en weder reisde, om slaven op te koopen, en bedacht dat elken laaghartigen, verdierlijkten kerel, dien ik zag, door onze wetten werd veroorloofd om de absolute despoot te worden van zoovele mannen, vrouwen en kinderen als hij voor zijn met stelen, bedriegen of spelen gewonnen geld kon koopen—als ik zulke kerels werkelijk eigenaars zag van weerlooze kinderen, van jonge meisjes en vrouwen—dan was ik op het punt om mijn land, om het geheele menschdom te vervloeken."
"Augustine! Augustine!" riep Ophelia uit; "nu hebt gij toch zeker genoeg gezegd. Nog nooit in mijn leven heb ik zoo iets gehoord, zelfs niet in het Noorden."
"In het Noorden?" herhaalde St.-Clare, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat eensklaps veranderde en hij een zweem van zijn gewonen onverschilligen toon hernam. "Ba! Gij Noordlanders zijt koud van bloed; gij zijt koel in alles. Gij kunt niet zoo hartelijk vervloeken als wij, wanneer wij er eens toe komen."
"Nu, maar de vraag is…." begon Ophelia.
"O ja, zeker," viel St.-Clare er op in, "de vraag is, en eene lastige vraag is het: Hoe zijtgijin dien staat van zonde en ellende gekomen? Wel, ik zal u antwoorden met de goede oude woorden, die gij mij op Zondagen placht te leeren. Ik ben zoo geworden door de gewone voortplanting des geslachts. Mijne bedienden waren die van mijnen vader, en wat nog meer is, van mijne moeder, en nu zijn zij de mijne, zij en hun nakroost, dat al vrij aanzienlijk is. Mijn vader, gelijk gij weet, kwam uit Nieuw-Engeland; en hij was juist een man als uw vader—een echte oud-Romein, rechtschapen, vurig, edeldenkend en met een ijzeren wil. Uw vader vestigde zich in Nieuw-Engeland, om over rotsen en steenen te heerschen en de natuur zijn onderhoud af te dwingen; de mijne vestigde zich in Louisiana, om over mannen en vrouwen te heerschen en hun zijn onderhoud af te dwingen. Mijne moeder," vervolgde St.-Clare opstaande en naar een portret gaande, waarnaar hij met een blik vol teederheid en eerbied opzag: "Zij was goddelijk. Zie mij maar zoo niet aan: ik weet wel wat gij meent. Waarschijnlijk was zij van sterfelijke geboorte; maar zooveel ik ooit heb kunnen opmerken, had zij geen spoor van menschelijke zwakheid of dwaling; en allen die zich haar nog herinneren, hetzij slaven of vrijen, dienaren, bekenden, en bloedverwanten, allen zeggen hetzelfde. Welnu, Nicht, die moeder is alles geweest, wat jarenlang tusschen mij en een volslagen ongeloof stond. Zij was een aanschouwelijk bewijs van het Nieuwe Testament voor mij, een levend verschijnsel dat verklaard moest worden, en dat op geene andere wijs verklaard kon worden dan door de waarheid dier leer. O moeder, moeder!" riep St.-Clare uit, als in verrukking zijne gevouwen handen opheffende; en toen zich eensklaps bedwingende, kwam hij terug, zette zich op de sofa en vervolgde:
"Mijn broeder en ik waren tweelingen; en men zegt, gelijk gij weet, dat tweelingen op elkander gelijken moeten, maar wij waren in alle opzichten elkanders contrasten. Hij had zwarte vurige oogen, koolzwart haar, sterk sprekende Romeinsche trekken en eene bruinachtige kleur; ik had blauwe oogen, lichtbruin haar, Grieksch profiel en een blanke kleur. Hij was vriendelijk en edelmoedig voor zijne vrienden en gelijken; maar trotsch, heerschzuchtig en hard voor zijne minderen, en geheel onbarmhartig voor alles wat zich tegen hem verzette. Oprecht waren wij beiden, hij uit trotschheid en onversaagdheid, ik uit zekere ideale waarheidsliefde. Wij hielden veel van elkander en hadden toch nu en dan ongenoegen, gelijk het met jongens gewoonlijk gaat; hij was de lieveling van mijnen vader en ik die van moeder.
"Ik had eene ziekelijke gevoeligheid ten aanzien van vele dingen, waarvan hij en mijn vader niets begrepen, zoodat zij daarin onmogelijk met mijn gevoel konden overeenstemmen. Mijne moeder kon dit echter wel, en wanneer ik dus met Alfred twist had of mijn vader mij barsch aankeek, placht ik naar mijne moeders kamer te gaan en bij haar te gaan zitten. Ik herinner mij nog zeer wel hoe zij er altijd uitzag met hare bleeke wangen, hare zachte, ernstige oogen, en haar wit kleed—zij droeg altijd wit—en ik placht altijd aan haar te denken als ik in de Openbaring las van de heiligen, die in fijn linnen, helder wit, gekleed waren. Zij had veel smaak en talent, inzonderheid voor de muziek, en zij was gewoon op het orgel de statige muziek der Katholieke kerk te spelen, en daarbij te zingen met eene stem, welke meer naar die van een engel dan van eene sterfelijke vrouw geleek; en dan legde ik dikwijls mijn hoofd in haren schoot, en schreide en droomde en voelde dingen, waartoe het mij aan woorden ontbrak om ze te zeggen.
"In die dagen had men de zaak der slavernij nog nooit zoo onderzocht als nu, niemand droomde dat er eenig kwaad in stak.
"Mijn vader was een geboren aristocraat. Ik denk dat hij in een vroegeren staat tot de hoogere kringen van geesten moet behoord hebben en al zijn adeltrots had medegebracht; want die zat hem in het bloed, hoewel hij van eene arme en volstrekt niet edele familie was. Mijn broeder was in dit opzicht zijn evenbeeld.
"Nu heeft een aristocraat, gelijk gij weet, de geheele wereld over, geen menschelijk gevoel voor iets dat buiten zekere maatschappelijke grenslijn ligt. In Engeland is die grenslijn op zekere plaats getrokken, in Birma op eene andere en in Amerika weder op eene andere; maar de aristocraat van al die landen stapt nooit daarover heen. Wat in zijne eigene klasse eene hardheid, een onrecht of een ongeluk zou zijn geweest, was in eene andere slechts iets onverschilligs, dat vanzelf sprak. Mijn vaders grenslijn was die der kleur;onder zijns gelijkenwas nooit iemand billijker en edelmoediger; maar hij beschouwde den neger door alle kleurschakeeringen heen als een schakel tusschen den mensch en de dieren, en mat al zijne denkbeelden van recht en billijkheid naar deze onderstelling af. Ik denk wel, als iemand hem ruiterlijk had gevraagd of zij menschelijke, onsterfelijke zielen hadden, dat hij dan wel, na wat kuchen en keelschrapen, "ja" zou gezegd hebben. Maar mijn vader was geen man, die veel last van nadenken had, en godsdienstig gevoel had hij in het geheel niet, behalve zekeren eerbied voor God, daar deze toch stellig aan het hoofd der hoogere klassen stond.
"Welnu, mijn vader had ongeveer vijfhonderd negers aan het werk; hij was een onbuigzaam, voortvarend, scherp oplettend man van zaken; alles moest naar een vasten regel gaan, die met onfeilbare stiptheid in acht genomen moest worden. Als gij nu in aanmerking neemt, dat er naar zulk een regel gewerkt moest worden door een troep luie, babbelzieke, onhandige arbeiders, die hun leven lang geen lust, en ook geene reden hadden gehad om iets anders te leeren dan "dagdieven," dan zult gij begrijpen dat er op zijne plantage vele dingen moesten gebeuren, die een gevoelig kind, zooals ik, droevig en akelig moesten voorkomen. Buitendien had hij een opzichter, een lange, grove kerel, met zware, forsche vuisten, die eene regelmatige leerschool van hardheid en ruwheid had doorgegaan en meester in dat vak was geworden. Mijne moeder kon hem nooit uitstaan, en ik ook niet; maar mijn vader had hij geheel voor zich ingenomen, en deze man heerschte dus op het goed als absoluut despoot.
"Ik was toen een kleine jongen, maar ik had reeds dezelfde liefhebberij voor alle soorten van menschelijke wezens, die ik nu heb—eene soort van hartstocht om met de menschheid, welke gedaante zij ook dragen mocht, kennis te maken. Ik was veel in de hutten en onder de arbeiders op het veld, en was dus natuurlijk een groot gunsteling. Allerlei grieven en klachten werden mij in het oor gefluisterd en ik vertelde ze mijne moeder, en wij met ons beiden vormden een soort van commissie tot herstel van grieven. Wij voorkwamen en verhinderden veel wreedheid, en streelden ons met de gedachte dat wij veel goeds deden, totdat ik, gelijk dikwijls gebeurde, in mijnen ijver te veel deed. Stubbs klaagde aan mijnen vader dat hij het volk niet meer regeeren kon en zijne betrekking moest neerleggen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk echtgenoot; maar hij was ook iemand die nooit terugdeinsde voor iets dat hij noodig achtte; en aldus zette hij zijn voet als een rots tusschen ons en de veldarbeiders. Hij zeide mijne moeder in bewoordingen, die zeer minzaam en verschoonend, maar tevens zeer beslissend waren, dat zij volkomen meesteres over de huisbedienden zou zijn, maar dat hij geene bemoeiing met de veldarbeiders kon veroorloven. Hij achtte en beminde haar boven alle levende wezens; maar hij zou hetzelfde tegen de Maagd Maria hebben gezegd, als zij zijn regel in den weg gekomen was.
"Ik hoorde mijne moeder wel eens over sommige gevallen met hem redeneeren en haar best doen om zijn mededoogen op te wekken. Hij luisterde met de ootmoedigste beleefdheid en kalmte naar de aandoenlijkste toespraak en antwoordde dan: "Het komt alles daarop neer: moet ik Stubbs laten gaan of hem houden? Stubbs is de nauwkeurigheid, de eerlijkheid en de bekwaamheid in eigen persoon, een man door en door met mijne zaak bekend en zoo menschelijk als de menschen over het algemeen zijn. Volmaaktheid kan men niet bekomen; en als ik hem behoud, moet ik zijne administratie als eengeheelgoedkeuren, al gebeurt er nu en dan iets waarop aanmerking zou kunnen gemaakt worden. Alle regeering brengt eenige noodzakelijke hardheid mede. Algemeene regels moeten wel in sommige bijzondere gevallen hard zijn." Dezen laatsten stelregel scheen mijn vader bij de meeste omstandigheden, waarin over wreedheid werd geklaagd, voor alles afdoende te houden. Als hij dit gezegd had, trok hij meestal zijne voeten op de sofa, gelijk iemand die met zijn werk gedaan heeft, en schikte zich tot een dutje of tot het lezen van de courant, naar het te pas kwam.
"De waarheid is dat mijn vader juist die soort van talent bezat, die een staatsman noodig heeft. Hij had Polen kunnen verdeelen, even gemakkelijk als men een sinaasappel doorsnijdt; of Ierland kunnen vertrappen, even bedaard en stelselmatig als iemand op de wereld. Eindelijk zag mijne moeder wanhopig van alle tusschenkomst af. Men zal het nooit weten, voordat de laatste verantwoording wordt afgelegd, wat vele edele en teedere harten gelijk het hare gevoeld hebben, zoo geheel weerloos geworpen in hetgeen zij een afgrond van onrecht en wreedheid achten, en wat niemand anders om hen heen daarvoor houdt. Het leven is een tijd van gedurig lijden geweest voor zulke harten, in zulk een duivelachtige wereld als de onze. Wat schoot haar anders over dan hare kinderen in hare eigene begrippen en gevoelens op te voeden? Nu, met al wat men van de opvoeding zegt, groeien kinderen toch zelfstandig op tot hetgeen zij van nature reeds zijn en tot niets anders. Van de wieg af was Alfred een aristocraat; toen hij opgroeide, namen al zijne neigingen en zijne geheele denkwijs die richting, en al de vermaningen mijner moeder waren woorden in den wind. Wat mij betreft, zij maakten een diepen indruk op mij. Zij sprak nooit uitdrukkelijk iets tegen dat mijn vader zeide, en scheen nooit ernstig van hem te verschillen; maar zij prentte het mij met al de kracht van haar edel en vurig gemoed in, zij brandde het mij in de ziel, dat het laagste menschelijke wezen nog adel en waarde had. Dikwijls heb ik met plechtig ontzag naar haar opgezien, als zij des avonds naar de sterren wees en zeide: "Ziedaar, Auguste, de geringste, verachtste menschelijke ziel op ons goed zal nog leven, wanneer al die sterren vergaan zijn—zal leven, zoolang als God leeft!"
"Zij had eenige fraaie oude schilderijen, inzonderheid eene van Jezus: den blinde genezende. Het waren schoone stukken en zij plachten een diepen indruk op mij te maken. "Ziedaar, Auguste," zeide zij dan wel, "de blinde was een bedelaar, arm en walgelijk, en daarom wilde Hij hem nietuit de vertegenezen! Hij riep hem naar zich toe enlegde zijne handen op hem. Onthoud dit, mijn jongen!" Als ik onder hare zorg was blijven opgroeien, zou zij mij tot ik weet niet welk enthousiasme hebben opgewonden. Ik had misschien een heilige, een hervormer, een martelaar kunnen worden—maar helaas, helaas! Ik moest van haar af toen ik pas dertien jaar oud was, en ik heb haar nooit weder gezien."
St. Clare liet zijn hoofd in zijne handen zinken en zweeg eene poos. Eindelijk zag hij weder op en vervolgde:
"Hoe armoedig, laag en ellendig is toch die geheele menschelijke deugd! Een gevolg grootendeels van geographische lengte, breedte en ligging, in verband met een natuurlijk temperament! Uw vader, bij voorbeeld, vestigt zich in Vermont, in eene stad waar allen inderdaad vrij en gelijk zijn; wordt een deftig lid van de kerk en ouderling; voegt zich in den loop van den tijd bij het genootschap der abolitionisten en houdt ons allen voor weinig beter dan heidenen. En toch is hij duidelijk in karakter en denkwijze een duplicaat van mijnen vader. Ik zie dat op vijftig verschillende manieren doorstralen—duidelijk zie ik denzelfden krachtigen, heerschzuchtigen, aanmatigenden geest. Gij weet wel hoe onmogelijk het is, sommigen der lieden van uw dorp te doen gelooven dat Mr. Sinclair zich niet boven hen verheven acht. De waarheid is: dat hij, schoon hij in een democratischen tijd leeft en eene democratische theorie heeft omhelsd, in zijn hart een aristocraat is, evengoed als mijn vader, die over vijf- of zeshonderd slaven gebood."
Ophelia voelde zich wel eenigszins genegen om bedenkingen hiertegen te maken en legde haar breiwerk neder om te beginnen, maar St. Clare stuitte haar.
"Ik weet alles wat gij zeggen wilt. Ik weet wel dat zij niet werkelijk aan elkander gelijk waren. De een kwam in een toestand waarin alles zijne natuurlijke neigingen tegenwerkte, en de ander in omstandigheden waarin alles die sterker deed ontwikkelen; en zoo werd de eerste een tamelijk eigenzinnige, onverbiddelijke, aanmatigende, oude democraat, de ander een eigenzinnige, onverbiddelijke, oude despoot. Als beiden nu plantages in Louisiana hadden gehad, zouden zij naar elkander geleken hebben als twee kogels, in een en denzelfden vorm gegoten."
"Welk een oneerbiedig kind zijt gij toch!" zeide Ophelia.
"Ik meen het niet beleedigend voor hen," zeide St. Clare; "maar gij weet wel dat eerbiedigheid mijnfortniet is. Maar om weder op mijne geschiedenis te komen:
"Toen mijn vader stierf, liet hij zijn vermogen na aan ons, zijne tweelingzonen, om te verdeelen, gelijk wij zelven met elkander zouden overeenkomen. Er ademt op Gods aarde geen edeler, grootmoediger mensch dan Alfred, wanneer hij met zijne gelijken te doen heeft, en wij schikten die verdeeling van eigendom uitmuntend, zonder een enkel onbroederlijk woord of gewaarwording. Wij namen ons voor, de plantage te zamen te laten bewerken, en Alfred, wiens gestel tweemaal zoo sterk was als het mijne, en die veel meer aanleg voor landbouw en handelszaken bezat, werd met hart en ziel een planter.
"Wat mij betreft, een proeftijd van twee jaren overtuigde mij dat ik in die zaak geen deelgenoot kon blijven. Een troep van zevenhonderd slaven, die ik niet persoonlijk kon kennen en in wie ik geen persoonlijk belang kon stellen, als zoovele ossen te laten opkoopen, voortjagen, stallen, voeden en werken,—terwijl de vraag: hoe weinig van de meest gewone genietingen des levens voldoende waren om hen tot werken in staat te houden, gedurig opnieuw moest overlegd worden; en de noodzakelijkheid van opzichters en drijvers, met hunne eeuwige zweep, de eerste en de laatste, de eenige reden voor alles was—dat geheele ding was mij onuitstaanbaar verdrietig en walgelijk;—en als ik dacht aan de waarde die mijn goede moeder aan eene enkele menschelijke ziel had toegekend, werd het zelfs schrikkelijk voor mij.
"Het is onzin, naar mijn begrip, te willen zeggen dat slaven met dat alles weltevreden zijn. Ik heb nooit de wartaal kunnen uitstaan, die sommigen van uwe Noordlanders, onze vrienden, hebben bijeengelapt om onze zonden te verschoonen. Wij weten het allen wel beter. Zeg mij dat er iemand op de wereld is, die al de dagen van zijn leven, van den dageraad tot den avond, onder het scherpziende oog van een meester verlangt te werken, zonder in eenig opzicht zijn eigen wil te mogen doen, altijd aan denzelfden vervelenden, eentonigen arbeid, en dat alles voor twee broeken en twee paar schoenen in het jaar, met juist genoeg voedsel en huisvesting om hem tot werken in staat te houden; iemand die denkt dat menschelijke wezens op die manier nagenoeg even weltevreden kunnen zijn als op eenige andere—ik wenschte dat hij het eens beproefde! Ik zou den hond koopen en hem met een gerust geweten als slaaf gebruiken."
"Ik heb altijd gemeend," zeide Ophelia, "dat gij allen met die dingen tevreden waart en ze voor recht hieldt—volgens de Schrift."
"Praatjes! Zoover zijn wij nog niet heen. Alfred, die zulk een onverbiddelijke despoot is als er nog ooit leefde, wil zich niet met zulk eene verdediging behelpen. Neen, hij beroept zich trotsch en stout op dat oude eerwaardige recht, het recht van den sterkste; en hij zegt—en ik geloof met reden—dat de Amerikaansche planter alleen maar datgene in een anderen vorm doet, wat de Engelsche aristocraten en kapitalisten met de lagere klassen doen; en dat is naar ik meen: ze zich toeëigenen met lichaam en ziel, om ze tot hun voordeel en genoegen te gebruiken. Hij verdedigt beiden—en mij dunkt dat hij daarin ten minste consequent is. Hij zegt dat er geen trap van beschaving kan bestaan, zonder dat de massa's, hetzij uitdrukkelijk en in naam, hetzij toch inderdaad, slaven zijn. Er moet, zegt hij, eene lagere klasse wezen, die aan lichamelijken arbeid gebonden is en slechts eene dierlijke natuur heeft: en eene hoogere, die daardoor middelen en tijd bekomt om haar verstand te ontwikkelen en hare talenten te volmaken, waarmede zij tevens de ziel en beheerscheres der lagere wordt. Zoo redeneert hij, omdat hij, gelijk ik zeide, een geboren aristocraat is; en ik geloof het dus niet, omdat ik een democraat geboren ben."
"Hoe in de wereld kunnen die twee dingen met elkander vergeleken worden?" zeide Ophelia. "De Engelsche arbeider wordt immers niet verkocht en verhandeld, niet van zijne familie gescheiden, niet gegeeseld?"
"Hij hangt evenzeer van den wil zijns meesters af, alsof deze hem gekocht had. De slavenhouder kan zijn weerspannigen slaaf laten dood geeselen—de kapitalist kan hem laten dood hongeren. Wat de familie betreft, is het moeielijk te zeggen wat erger is: zijne kinderen te zien verkoopen, of hen tehuis te zien honger lijden."
"Maar het is geene rechtvaardiging der slavernij, te bewijzen dat zij niet erger is dan een ander kwaad."
"Ik heb haar ook niet willen rechtvaardigen; ja ik zeg bovendien dat onze schennis van de rechten der menschheid stouter en openlijker is. Een mensch werkelijk te koopen gelijk een paard—zijne tanden te bekijken, zijne gewrichten te laten knappen, hem te laten toonen hoe hij loopt en zich beweegt, en dan zijn prijs te betalen—speculanten, opfokkers, handelaars en makelaars in menschelijke lichamen en zielen te hebben—dat stelt de zaak in eene meer tastbare gedaante voor de oogen der beschaafde wereld, schoon het andere dat men doet in zijnen aard eigenlijk hetzelfde is, namelijk het toeëigenen en gebruiken van de eene klasse van menschen tot voordeel en genoegen eener andere, zonder op hare eigene belangen acht te geven."
"Ik heb de zaak nog nooit in dat licht bezien," zeide Ophelia.
"Wel, ik heb in Engeland gereisd en heb tamelijk veel over den toestand der lagere klassen aldaar gelezen, en ik denk waarlijk dat men Alfred niet kan tegenspreken, als hij zegt dat zijne slaven er beter aan toe zijn dan een groot gedeelte der bevolking van Engeland. Gij moet echter uit hetgeen ik gezegd heb niet opmaken, dat Alfred is wat men een hard meester noemt; want dat is hij niet. Hij is despotiek en ongenadig in geval van weerspannigheid; hij zou een kerel die hem tegenweer bood, met even weinig gewetensknaging doodschieten als een bok; maar over het geheel stelt hij er eene soort van trots in, dat zijne slaven goed gevoed en verzorgd worden.
"Toen ik bij hem was, drong ik er op aan dat hij iets voor hun onderricht zou doen, en om mij te behagen nam hij een kapelaan aan en liet hem des Zondags catechiseeren, hoewel ik geloof dat hij wel bij zich zelven dacht, dat het omtrent evenveel goed zou doen alsof hij een kapelaan bij zijne paarden en honden zette. En het is ook waar, dat er met iemand, die van zijne geboorte af door allerlei schadelijke omstandigheden verstompt en verdierlijkt is, en die zijne werkdagen geheel moet slijten met een arbeid, welke hem geen tijd tot een oogenblik nadenkens laat, in eenige uren op Zondag niet veel kan gedaan worden. De onderwijzers in de zondagsscholen onder de fabrieksbevolking van Engeland en onder de plantage-arbeiders in Amerika zullen misschienhierendaarhetzelfde kunnen getuigen. Maar onder ons bestaan toch eenige treffende uitzonderingen, daar het blijkt dat de neger van nature meer vatbaarheid heeft voor godsdienstig gevoel dan de blanke."
"Maar hoe zijt gij er eindelijk toe gekomen om van de plantage af te zien?" zeide Ophelia.
"Wel, wij tobden eenigen tijd met elkander voort, tot Alfred duidelijk zag dat ik geen planter was. Hij vond het ongerijmd dat ik nog ontevreden was, nadat hij, om zich naar mijne begrippen te voegen, allerlei veranderingen en verbeteringen gemaakt had. Het was dan ook eigenlijk de zaak zelve die ik haatte—het gebruiken van die mannen en vrouwen als onze werkdieren, het onderhouden van onkunde, ruwheid en ondeugd—alleen om geld voor mij te winnen!
"Bovendien was ik daar wezenlijk in den weg. Daar ik zelf een der luiste stervelingen was, had ik veel te veel sympathie voor luiaards; en als dus arme onhandige rekels steenen in hunne katoenmanden legden, om ze zwaarder te doen wegen; of hunne zakken met vuilnis vulden, met wat katoen bovenop, kwam mij dit zoo volkomen hetzelfde voor als wat ik in hunne plaats zou gedaan hebben, dat ik er hen niet voor kon of wilde laten geeselen. Daardoor was er natuurlijk geen orde of tucht op de plantage te houden, en Alfred en ik kwamen omtrent evenver met elkander, als jaren geleden mijn vader met mij gekomen was. Hij zeide mij dus dat ik een verwijfd sentimentalist was en nooit deugen zou om zaken te doen; raadde mij om de bankactiën en het huis te Nieuw-Orleans te nemen, daar verzen te gaan schrijven en hem de plantage over te laten. Zoo scheidden wij ook en ik kwam hier wonen."
"Maar waarom hebt gij uwe slaven niet vrijgelaten?"
"Zoover had ik het nog niet gebracht. Hen houden als gereedschap om geld te winnen, dat kon ik niet; maar hen te houden om mijn geld te helpen verteren, kwam mij zoo kwaad niet voor. Sommigen van hen waren oude huisbedienden, aan wie ik gehecht was, en de jongeren waren de kinderen van de ouden. Allen waren weltevreden als zij mochten blijven."
Hij zweeg en wandelde peinzend de kamer op en neer.
"Er was een tijd in mijn leven," vervolgde hij, "toen ik plan en hoop had om meer in de wereld te doen, dan zoo met den stroom af te drijven. Ik had een onbestemd, nevelachtig verlangen om een soort van emancipator te worden—om mijn vader van die schandvlek te bevrijden. Alle jongelieden, geloof ik, hebben zulke koortsachtige vlagen—maar dan…."
"Waarom deedt gij dat niet?" zeide Ophelia. "Gij moest uwe hand niet aan den ploeg slaan en dan achterwaarts zien."
"Och, het ging niet met mij zooals ik verwacht had, en toen kreeg ik hetzelfde verdriet in het leven dat Salomo kreeg. Ik denk dat zal voor ons beiden noodzakelijk geweest zijn om wijs te worden. Maar hoe dan ook, in plaats van de maatschappij te verbeteren en te hervormen, werd ik een stuk drijfhout en heb mij sedert dien tijd maar laten rondslingeren. Alfred bekijkt mij telkens als wij elkander zien en heeft iets op mij vooruit, dat moet ik bekennen. Zijn leven is een logisch gevolg van zijne denkwijs, het mijne is eene verachtelijke inconsequentie."
"Lieve Neef, hoe kunt gij tevreden zijn met zulk eene manier om uw proeftijd te besteden?"
"Tevreden? Heb ik u niet zooeven gezegd dat ik mijn gedrag verachtte? Maar om weder ter zake te komen—wij waren aan het vrijlaten van slaven. Ik geloof dat mijne manier van doen niet ongemeen is. Ik vind vele menschen, die heimelijk eveneens over de slavernij denken als ik. Het land zucht er onder; en zoo erg als zij voor den slaaf is, zij is, zoo mogelijk, nog erger voor den meester. Men heeft geen bril noodig, om te zien dat eene talrijke klasse van zorgelooze, ondeugende, zedelijk verbasterde menschen onder ons een kwaad is, voor ons zoowel als voor hen. De kapitalisten en aristocraten van Engeland kunnen dat zoo niet doen als wij, omdat zij met de klasse die zij verdrukken niet zoo in aanraking komen als wij doen. De slaven zijn in onze huizen; zij zijn het gezelschap van onze kinderen en hebben meer invloed op hun gemoed dan wij, omdat zij tot eene soort van menschen behooren waaraan kinderen zich altijd hechten. Als Eva niet meer een engel was dan gewoonlijk, zou zij geheel bedorven worden. Wij mochten evengoed de kinderpokken onder hen laten heerschen en denken dat onze kinderen niet besmet worden, als hen ondeugend laten en denken dat dit onzen kinderen geen kwaad zal doen. En toch verbieden onze wetten stellig alle krachtige maatregelen van opvoeding, en dat doen zij met reden; want begin maar eens en geef één geslacht van negers eene goede opvoeding, en het geheele ding vliegt in de lucht. Als wij hun hunne vrijheid niet gaven zouden zij ze nemen."
"En wat denkt gij dat hiervan het einde zal zijn?" zeide Ophelia.
"Ik weet het niet. Eén ding is zeker—over de geheele wereld vereenigen zich de massa's en komen in beweging; en vroeger of later komt er eendies irae[7]. Hetzelfde werkt in Engeland, in geheel Europa en in dit land. Mijne moeder placht mij te spreken van een duizendjarig rijk, dat eens komen zou, wanneer Christus zou heerschen en alle menschen vrij en gelukkig zouden zijn. En toen ik een kind was leerde zij mij bidden: "Uw Koninkrijk kome." Somtijds denk ik dat al dat zuchten en kermen, en die beweging onder de dorre beenderen, datgene voorspelt, wat zij mij placht te zeggen dat komen zou. Maar wie zal den dag zijner toekomst zien?"
"Augustine, somtijds denk ik dat gij niet ver van het Koninkrijk zijt," zeide Ophelia, terwijl zij haar breiwerk neerlegde en haar neef oplettend en met zekere bezorgdheid aanzag.
"Ik dank u voor uwe goede meening; maar het gaat op en neer met mij—op tot aan de poort des hemels, in theorie, neer in het stof der aarde, in practijk. Daar hoor ik de schel om thee te drinken. Laten wij gaan, en zeg nu niet dat ik niet voor eene enkele maal in mijn leven ernstig met u gesproken heb."
Aan de theetafel sprak Marie over het voorgevallene met Prue.
"Gij zult nu wel denken, Nicht," zeide zij, "dat wij allen barbaren zijn."
"Ik denk dat dit iets barbaarsch is," antwoordde Ophelia; "maar ik houd u allen nog niet voor barbaren."
"Och," hervatte Marie, "ik weet zelve wel dat het onmogelijk is met sommigen van die schepsels te recht te komen. Zij zijn zoo slecht, dat zij het leven niet waard zijn. Ik voel geen greintje medelijden in zulke gevallen. Als zij zich maar wel gedroegen, zou het niet gebeuren."
"Maar, Mama," zeide Eva, "het arme schepsel was ongelukkig; dat hielp haar aan den drank."
"Och, gekheid! Alsof dat eene verontschuldiging was! Ik ben ook dikwijls ongelukkig. Ik geloof," zeide Marie peinzend, "dat ik grooter verdriet heb gehad dan zij ooit gehad heeft. Het is maar dat zij zoo slecht van aard zijn. Er zijn sommigen die men met de grootste gestrengheid niet dwingen kan. Ik herinner mij dat mijn vader een man had, die zoo lui was dat hij wegliep, alleen maar om van het werken af te komen, en in de moerassen school en stal en allerlei afschuwelijkheden deed. Die man werd gevangen en gegeeseld, nog eens en nog eens, maar nooit hielp het hem; eindelijk kroop hij weder weg, want hij kon haast niet loopen, en stierf in het moeras. Er was geenerlei reden voor, want mijns vaders volk werd altijd goed behandeld."
"Ik heb eens een kerel getemd," zeide St. Clare, "aan wien al de opzichters en meesters vruchteloos hunne krachten beproefd hadden."
"Gij!" zeide Marie. "Nu, ik zou wel willen weten wanneer gij iets van dien aard gedaan hebt."
"Wel, hij was een sterke reusachtige kerel, een geboren Afrikaan, en hij scheen in een buitengemeenen trap het ruwe instinct van vrijheid in zich te hebben. Hij was een echte Afrikaansche leeuw. Men noemde hem Scipio. Niemand kon iets met hem uitrichten; hij werd van den een aan den ander overgedaan, tot eindelijk Alfred hem kocht, daar hij dacht hem wel te kunnen regeeren. Maar eens gaf Scipio een opzichter een slag zoodat deze neerviel, en liep toen naar de moerassen. Ik was juist op Alfreds plantage te logeeren, want het was nadat wij de compagnieschap ontbonden hadden. Alfred was geweldig verbolgen, maar ik zeide hem dat het zijn eigen schuld was; ik wilde met hem wedden, voor zooveel hij verkoos, dat ik den neger kon temmen; en eindelijk werd er afgesproken, dat als ik hem ving, ik hem zou hebben om de proef te nemen. Zij verzamelden zich dus in een troep van zes of zeven, met honden en geweren voor de jacht. Men kan, zooals gij weet, evenveel liefhebberij krijgen in het menschenjagen als in het hertenjagen, als men er zich maar aan gewent; om de waarheid te zeggen, ik kwam zelfs een weinig in vuur, hoewel ik slechts was medegegaan om eenigermate tot onderhandelaar te dienen, ingeval hij gevangen werd.
"Nu, de honden blaften en huilden en wij reden door dik en dun: eindelijk joegen wij hem op. Hij liep en sprong als een reebok en liet ons eerst ver achter, maar eindelijk raakte hij beklemd in een ondoordringbaar rietbosch; toen keerde hij zich om en hield stand, en ik kan u zeggen dat hij als een held tegen de honden vocht. Hij smeet ze rechts en links van zich af en hielp er werkelijk drie van kant, alleen met zijne bloote vuisten, tot een geweerschot hem weerloos maakte en hij bloedend bijna voor mijne voeten neerviel. De arme kerel zag naar mij op, met mannenmoed en wanhoop in zijne oogen. Ik hield de honden en de troep van hem af, toen de anderen aankwamen, en eischte hem op als mijn gevangene. Ik had moeite genoeg, om te beletten, dat zij hem in het eerste gevoel van triomf doodschoten; maar ik bleef op mijn recht staan en Alfred verkocht hem aan mij. Welnu, toen nam ik hem onderhanden, en in veertien dagen had ik hem zoo tam en gedwee gemaakt als men maar verlangen kon."
"Wat in de wereld hebt gij dan met hem gedaan?" zeide Marie.
"Wel, het was eene zeer eenvoudige manier van doen. Ik nam hem in mijne eigene kamer, liet een goed bed voor hem maken, verbond zijne wonden en paste hem zelf op tot hij weder op de been kwam. En na verloop van tijd liet ik een vrijbrief voor hem opmaken en zeide hem dat hij gaan kon waar hij wilde."
"En ging hij?" vroeg Ophelia.
"Neen. De malle kerel scheurde het papier in tweeën en weigerde ronduit mij te verlaten. Ik heb nooit een braver en beter knecht gehad—zoo handelbaar als staal. Hij omhelsde naderhand het christendom en werd zoo zachtzinnig als een kind. Hij placht het opzicht te houden over mijne plaats en hij deed dat uitmuntend. Ik verloor hem in den eersten choleratijd of eigenlijk offerde hij zijn leven voor mij op; want ik werd ziek, bijna doodziek, en toen de blinde angst iedereen de vlucht deed nemen, werkte Scipio voor mij met reuzenkrachten en hield hij mij inderdaad in het leven. Maar, arme kerel! hij werd terstond daarop aangetast en hij was niet te redden. Ik heb nooit iemands verlies zwaarder gevoeld."
Eva was langzamerhand al dichter en dichter bij haren vader gekomen, terwijl hij dit verhaalde, en staarde hem met geopende lippen en strakke ernstige oogen aan.
Toen hij zweeg sloeg zij eensklaps hare armen om zijnen hals en barstte in een hartstochtelijk snikken en schreien uit.
"Eva, kindlief, wat scheelt u?" zeide St. Clare, toen hij de teedere leden van het meisje door hare heftige aandoening voelde schokken en beven. "Zij moest nooit van zoo iets hooren," voegde hij er bij. "Zij is zenuwachtig."
"Neen, Papa, ik ben niet zenuwachtig," zeide Eva, zich plotseling bedwingende met eene kracht van wil, die bij zulk een kind verwonderlijk was. "Ik ben niet zenuwachtig, maar die dingen zinken mij in het hart."
"Wat meent gij daarmede, Eva?"
"Dat kan ik u niet zeggen, Papa. Ik heb veel in mijne gedachten. Misschien zal ik het u wel eens zeggen."
"Wel, denk maar voort, liefje; als gij maar niet schreit en uw papa ongerust maakt," zeide St. Clare. "Kijk eens hier, zie welk een mooie perzik ik voor u heb."
Eva nam de perzik en glimlachte, hoewel zich om haar mondje nog een zenuwachtig trekken vertoonde.
"Kom, laten wij eens naar de goudvischjes gaan zien," zeide St. Clare, haar bij de hand nemende en naar het binnenplein gaande. Eenige oogenblikken nog, en men hoorde een vroolijk gelach door de zijden gordijnen, terwijl Eva en haar vader elkander met rozen gooiden en langs de paden van het binnenplein naliepen.
Er is gevaar, dat onze nederige vriend Tom onder de aangelegenheden van hooger geborenen verwaarloosd zal worden, maar als de lezer ons naar zijn woninkje boven den stal wil vergezellen, zal hij misschien ook wel iets van zijne zaken vernemen. Het is een knappe kamer, met een bed, een stoel en een tafeltje, waarop Toms Bijbel en gezangboek liggen; en daar zit hij nu, met een lei voor zich, bezig met iets dat hem veel inspanning en nadenken schijnt te kosten.
De zaak was, dat Toms verlangen naar zijne achtergelaten betrekkingen zoo sterk was geworden, dat hij Eva om een blad schrijfpapier had gevraagd; en thans den geheelen kleinen voorraad van letterkennis bijeenzamelende, dien hij door het onderwijs van Jongeheer George verworven had, vatte hij het stoute voornemen op, om een brief te gaan schrijven, en was hij nu bezig met op zijne lei het eerste ontwerp daarvan te maken. Tom was in vrij groote verlegenheid, want de fatsoenen van sommige letters had hij geheel vergeten, en van die hij nog onthouden had, wist hij niet recht welke hij gebruiken moest; en terwijl hij zoo werkte en door zijnen ijver zwaar ademhaalde, wipte Eva als een vogeltje achter hem op de leuning van zijnen stoel en bleef over zijnen schouder zitten kijken.
"O, Oom Tom, welke grappige dingetjes maakt ge daar!"
"Ik doe mijn best om aan mijne arme goede vrouw en mijne kleine kindertjes te schrijven, Jongejuffrouw Eva," zeide Tom, met den rug zijner hand zijne oogen afvegende; "maar ik vrees dat het toch niet lukken zal."
"Ik wou dat ik u helpen kon, Tom. Ik heb een beetje leeren schrijven. Verleden jaar kon ik al de letters maken; maar ik vrees dat ik het meest vergeten ben!"
Zoo duwde Eva haar krulkopje dicht naast zijn hoofd en de twee begonnen ernstig te beraadslagen, beiden even ijverig en omtrent even onkundig; doch met veel overleggen en beraden van ieder woord begon het opstel eigenlijk toch wezenlijk naar schrift te gelijken.
"Ja, Oom Tom, nu begint het er waarlijk mooi uit te zien," zeide Eva, er met verrukking naar turende. "Wat zal uwe vrouw blij zijn en uwe arme kleine kinderen! O, het is schande dat gij ooit van hen vandaan moest. Ik denk papa eens te vragen om u weder terug te laten gaan."
"Mevrouw heeft gezegd dat zij het geld voor mij zal zenden, zoodra zij het kan bijeenkrijgen," zeide Tom, "en ik verwacht ook dat zij het doen zal. Jongeheer George heeft mij gezegd dat hij om mij komen zou en hij heeft mij dezen dollar tot een teeken daarvan gegeven."
En Tom vertoonde den kostbaren dollar.
"O, dan zal hij zeker komen," zeide Eva. "Wat ben ik blij."
"En ik wilde een brief zenden, weet ge, om haar te laten weten waar ik ben, en de arme Chloe te zeggen, dat ik het goed heb, omdat zij zoo schrikkelijk angstig was, arme ziel!"
"Zeg eens, Tom," zeide de stem van St. Clare, die op dit oogenblik de deur inkwam.
Tom en Eva zagen beiden nu met zekeren schrik op.
"Wat is dat hier?" zeide St. Clare naderkomende en de lei bekijkende.
"O, dat is Tom zijn brief," zeide Eva. "Ik help hem daaraan schrijven. Is het al niet mooi?"
"Ik wil u geen van beiden den moed benemen," zeide St. Clare, "maar ik geloof toch haast, Tom, het zou beter zijn als ge mij een brief voor u liet schrijven. Ik wil het wel doen als ik van mijn rijtoertje tehuis kom."
"Het is van groot belang dat hij schrijft," zeide Eva, "want zijne meesteres zal geld zenden om hem los te koopen, weet ge, Papa. Hij heeft mij gezegd dat zij hem dit gezegd had."
St. Clare hield dit bij zich zelven voor een van die dingen, welke goedhartige eigenaars hunnen slaven zeggen om hun schrik voor het verkocht worden te verminderen, zonder dat zij voornemens zijn om de aldus opgewekte hoop te verwezenlijken. Hij zeide dit echter niet en beval Tom slechts de paarden te laten voorbrengen om een rijtoertje te doen.
Dien avond werd er een behoorlijke brief voor Tom geschreven en op de post bezorgd.
Ophelia volhardde nog in haren arbeid als huishoudster; en in het geheele huishouden, van Dina af tot den kleinsten jongen toe, stemden allen daarin overeen, dat Juffrouw Ophelia "raar" was, eene uitdrukking, waarmede de dienstboden in het Zuiden gewoon zijn aan te duiden dat hunne meerderen hun niet recht naar den zin zijn.
In den hoogsten huiselijken kring, die uit Adolf, Jane en Rosa bestond, was men het eens dat zij geeneladywas—wantladieswerkten nooit zooals zij deed—en dat zij volstrekt geenairhad, weshalve men zich zeer verwonderde dat zij van de familie der St. Clares zou zijn. Zelfs Marie verklaarde dat het wezenlijk vermoeiend was nicht Ophelia altijd zoo druk bezig te zien, en inderdaad was Ophelia's vlijt zoo groot, dat zij wel eenige reden gaf tot zulk een klacht. Zij naaide en stikte voort, van den dageraad tot aan de avondschemering, met den ijver van iemand die door eene dringende noodzakelijkheid wordt aangespoord, en als dan het licht haar te flauw werd en het naaiwerk opgevouwen was, kwam het altijd gereede breiwerk te voorschijn, en ging zij weder haar gang met zooveel ijver als ooit. Het was werkelijk vermoeiend haar te zien.