Op een ochtend, toen Ophelia druk aan hare huiselijke bezigheden was, hoorde zij beneden aan de trap de stem van St. Clare die haar riep:
"Kom eens hier beneden, Nicht! Ik heb u iets te laten zien."
"Wat is het?" zeide Ophelia, met haar werk in de hand afkomende.
"Ik heb iets voor u gekocht—kijk eens," zeide St. Clare, en met deze woorden duwde hij een negermeisje van acht of negen jaren naar voren.
Zij behoorde onder de zwartsten van haren stam, en hare ronde oogen, die als glazen kralen glinsterden zwierven met snelle rustelooze blikken over alles in den omtrek rond. Haar mond, half open van verbazing over de wonderen in de woning van haren nieuwen meester, liet twee rijen schitterend witte tanden zien. Haar gekroesd haar was in een aantal korte staartjes gevlochten, die naar alle kanten uitstaken. De uitdrukking van haar gezicht was eene zonderlinge mengeling van schranderheid en loosheid, waarover op eene allervreemdste manier als het ware een sluier van droevigen ernst en ootmoedigheid lag gespreid. Zij had niets anders aan dan eene soort van hemd, van paklinnen gemaakt en zeer vuil en gescheurd, en stond daar stijf en stil, met gevouwen handen. Over het geheel was er iets zoo wonderlijks en kabouterachtigs in haar voorkomen—iets zoo "heidensch" gelijk Ophelia naderhand zeide, dat deze goede juffrouw er van schrikte, en zich naar St. Clare keerende zeide zij:
"Maar, Augustine, waarvoor in de wereld hebt gij dat schepsel toch hier gebracht?"
"Wel voor u, om het op te voeden en wat goeds van haar te maken. Ik vond haar een tamelijk koddig staaltje van het negerras. Hier, Topsy!" vervolgde hij, fluitende alsof hij een hond wilde waarschuwen om op te passen, "laat ons een liedje van u hooren en uw dansen eens zien."
De zwarte oogen glinsterden op eene manier, die tegelijk iets koddigs en iets akeligs had. Het kleine meisje hief met eene heldere, schelle stem een koddig negerliedje aan, bracht op de maat daarvan handen en voeten in beweging, draaide als een tol in het rond, klapte in de handen, liet de knieën tegen elkander slaan, en perste al die wonderlijke keelklanken uit haren gorgel, die de muziek van haar geslacht onderscheiden; eindelijk deed zij een paar luchtsprongen, en met een lang aangehouden slottoon, zoo onnatuurlijk schel als een stoomfluitje, kwam ze met een bons op den vloer neer en bleef staan met gevouwen handen en een gezicht, dat eene schijnheilige ernstigheid en ootmoedigheid vertoonde, gelogenstraft door de looze blikken, die zijwaarts uit hare half dichtgeknepen oogen schoten.
Ophelia stond sprakeloos en verstijfd van verbazing.
St. Clare, ondeugend als hij was, scheen zich met hare verbijstering zeer te vermaken, en het kind wederom aansprekende, zeide hij:
"Topsy, dit is uwe meesteres. Ik geef u nu aan haar over. Pas op, dat gij u nu wel gedraagt."
"Ja, meester," antwoordde Topsy met gehuichelden ernst, terwijl hare ondeugend spotachtige oogen flikkerden.
"Gij moet nu braaf oppassen; verstaat gij wel, Topsy?"
"O ja, meester," antwoordde Topsy wederom met dien flikkerenden blik, terwijl zij hare handen nog ootmoedig gevouwen hield.
"Maar, Augustine, waar op de wereld moet dat nu voor dienen?" zeide Ophelia. "Uw huis is al zoo vol van die kleine plaaggeesten, dat men geen voet kan verzetten zonder op een te trappen. Als ik des morgens opsta, vind ik er een achter de deur, een ander komt met zijn zwart gezicht onder de tafel uitkijken en een derde ligt op de mat. Zij maken kuren en grimassen tusschen de leuning van de trap, en rollen in de keuken over elkander op den vloer; waartoe op de wereld brengt gij er nu nog een mede?"
"Voor u om op te voeden—heb ik u dat niet gezegd? Gij houdt gedurig predikatiën over de opvoeding. Ik dacht u daarom eens een nog geheel onopgevoed negerinnetje te moeten geven, om u uwe kunst te laten beproeven en haar op te brengen gelijk het behoort."
"Ik voor mij wil haar niet hebben. Ik heb al veel meer met negers te doen, dan ik zou wenschen."
"Zoo zijt gij, christenen! Gij wilt wel een genootschap oprichten en een armen zendeling huren om zijn geheele leven onder zulke heidenen te slijten; maar laat mij eens iemand van u zien, die er een in zijn huis wil nemen en zelf den last en de moeite hebben van hem te bekeeren. Neen, als het zoover komen zal, zijn zij te morsig en te afzichtelijk; het is te veel zorg en zoo voort."
"Augustine, gij weet wel dat ik het niet van dien kant heb beschouwd," zeide Ophelia, blijkbaar zachter wordende. "Nu ja, het zou wel wezenlijk een zendelingswerk kunnen zijn." En dit zeggende zag zij het kind aan met een blik, die eenigszins gunstiger was.
St. Clare had de rechte snaar geraakt. Ophelia's geweten was altijd terstond wakker. "Maar," vervolgde zij evenwel, "ik begrijp toch waarlijk niet dat het noodig was deze nog te koopen. Er zijn er al genoeg in huis om zooveel tijd en bekwaamheid aan te besteden als ik maar heb."
"Welnu dan, Nicht," antwoordde St. Clare, haar ter zijde nemende, "ik moet u eerst verschooning verzoeken voor mijne ondeugende plagerijen. Gij zijt waarlijk zoo goed en braaf, dat zij volstrekt niet te pas komen. De zaak is dan, dat dit slavinnetje aan een paar dronken schepsels behoorde, die eene gemeene herberg houden, waar ik dagelijks voorbij moet, en dat het mij verveelde haar te hooren gillen als zij haar afrosten. Zij zag er ook schrander en geestig uit, alsof er wel iets van haar gemaakt zou kunnen worden, en zoo kocht ik haar en geef haar nu aan u. Beproef haar nu eens eene goede orthodoxe Nieuw-Engelsche opvoeding te geven en zie wat gij zoo van haar maken zult. Gij weet wel, ik heb voor zoo iets geen talent, maar ik zou het u gaarne eens zien probeeren."
"Welnu, ik zal doen wat ik kan," zeide Ophelia, en daarop naderde zij haar nieuw pleegkind, ongeveer gelijk men zich verbeelden kan dat iemand eens eene zwarte spin zou naderen, waarmede hij een welwillend oogmerk had.
"Zij is schrikkelijk morsig en half naakt," zeide zij.
"Welnu, breng haar naar beneden en laten zij haar daar schoonmaken en aankleeden."
Ophelia bracht haar dus naar de keuken.
"Ik begrijp niet waarom meester nog meer negers noodig heeft," zeide Dina, het nieuwkoopje lang niet vriendelijk aanziende. "Ik wil haar niet in den weg hebben; dat weet ik wel."
"En laat zij mij ook maar uit den weg blijven," zeiden Jane en Rosa met diepe minachting. "Om wat reden in de wereld meester nog meer van die gemeene negers noodig heeft, kan ik niet zien."
"Loopt heen! Niet meer negers dan gij zelven zijt, Miss Rosa," zeide Dina hierop, die in dit laatste gezegde iets beleedigends voor haar zelve vond. "Gij twee schijnt u zelven voor blanken te houden. Gij zijt niemendal, niet zwart en niet blank. Ik ben liever een van beiden."
Ophelia zag wel dat er niemand was die voor het reinigen en kleeden van het nieuwkoopje zou willen zorgen; zij was dus genoodzaakt dit zelve te doen, met eenige zeer onwillige en onvriendelijke hulp van Jane.
Het zou niet voegen, beschaafde ooren de bijzonderheden van het eerste toilet der mishandelde en verwaarloosde kleine te laten hooren. Duizenden van menschelijke wezens moeten in deze wereld leven en sterven in een staat, waarvan de beschrijving alleen de zenuwen hunner medestervelingen te grooten schok zou geven. Miss Ophelia bezat eene goede portie bruikbare zelfverloochening, en verrichtte al het walgelijke harer taak met heldhaftige zorgvuldigheid, hoewel, dit moet men ook zeggen, met geene groote vriendelijkheid—want lijdzame volharding was het uiterste, waartoe haar plichtbesef haar brengen kon. Toen zij echter op den rug van het kind groote striemen en vereelte plekken zag, onuitwischbare teekenen van het stelsel waaronder het tot dusverre was opgegroeid, werd haar hart week in haar binnenste.
"Ziedaar!" zeide Jane, naar die litteekens wijzende. "Ziet men daaraan al niet welk een kataas zij is! Wij zullen wat met haar te stellen hebben, dat begrijp ik al. Ik heb een hekel aan zulke misselijke "negerjongen!" Ik weet niet waarom meester dit gekocht heeft."
Het bedoelde "negerjong" hoorde deze regelen aan met het treurig ootmoedige gezicht, dat haar tot eene gewoonte scheen te zijn geworden, en keek slechts nu en dan tersluiks met hare flikkerende oogen naar de sieraden, die Jane in hare ooren droeg. Toen zij eindelijk voegzaam was gekleed en hare haren kort afgeknipt waren, zeide Ophelia met zekere tevredenheid, dat zij er nu wat christelijker uitzag, en begon terstond te denken over de beste manier om haar te onderrichten.
Zich voor het kind nederzettende, begon zij het te ondervragen.
"Hoe oud zijt ge, Topsy?'
"Weet niet, Juffrouw," antwoordde de kleine, met een grijns die al hare tanden liet zien.
"Weet ge niet hoe oud ge zijt? Heeft niemand u dat ooit gezegd? Wie was uwe moeder?"
"Nooit eene gehad," antwoordde het kind wederom grijnzende.
"Nooit eene moeder gehad! Wat meent ge daarmede? Waar zijt ge dan geboren?"
"Ben nooit geboren," antwoordde Topsy nu met zulk een akeligen, spookachtigen grijns, dat Ophelia, indien zij bijgeloovig en zenuwachtig was geweest, zich wel had kunnen verbeelden dat zij een zwart kabouterkind uit een andere wereld voor zich had; doch Ophelia was noch bijgeloovig, noch zenuwachtig, maar wel voortvarend en tamelijk kort van stof, en zeide dus eenigszins barsch:
"Gij moet mij zoo geen antwoord geven, kind. Ik steek er den gek niet mee. Zeg mij waar gij geboren zijt, en wie uw vader en moeder waren."
"Ben nooit geboren," herhaalde het kind met nadruk, "heb nooit een vader of moeder of iets gehad. Ik ben grootgebracht door een speculant, met een troep anderen. Oude Tante Sue placht op ons te passen."
Het kind sprak blijkbaar oprecht, en Jane zeide nu met een schamperen lach:
"Och Juffrouw, zoo zijn er hoopen. Speculanten koopen ze goedkoop als ze klein zijn, en brengen ze groot voor de markt."
"Hoelang zijt ge bij uwen laatsten meester geweest?"
"Weet niet, Juffrouw."
"Is het een jaar, of langer of korter?"
"Weet niet, Juffrouw."
"Och, Juffrouw, die gemeene negers kunnen dat niet zeggen, zij weten van geen tijd," zeide Jane nu weder. "Zij weten niet wat een jaar is, of hoe oud zij zijn."
"Hebt gij nooit iets van God gehoord, Topsy?"
Het kind keek verbijsterd, maar grijnsde volgens gewoonte.
"Weet gij niet wie uw maker is?"
"Niemand, zooveel ik weet," antwoordde het meisje met een lach.
Zij scheen dien inval tamelijk grappig te vinden, want hare oogen flikkerden, en zij vervolgde:
"Ik denk dat ik gegroeid ben. Ik denk niet dat iemand mij gemaakt heeft."
"Kunt gij naaien?" zeide Ophelia nu, meenende dat het best zou zijn hare vragen tot meer tastbare onderwerpen te beperken.
"Neen, Juffrouw."
"Wat kunt gij dan doen? Wat hebt gij voor uwen meester gedaan?"
"Water gehaald, borden gewasschen, messen geslepen en de menschen bediend."
"Waren uw meester en uw meesteres goed voor u?"
"Denk wel van ja," antwoordde het kind, Ophelia wantrouwig aanziende.
Ophelia liet het gesprek steken en stond op. St. Clare was achter haar gekomen.
"Gij zult daar maagdelijken grond vinden, Nicht, om uwe denkbeelden in te planten—gij zult er niet veel vinden die gij behoeft uit te roeien," zeide hij.
Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren, evenals al hare andere denkbeelden, zeer bepaald en stellig. Over het geheel strookten zij met die, welke honderd jaren geleden in Nieuw-Engeland in zwang waren en op sommige afgelegen, onbedorven plekken, waar geene spoorwegen zijn, nog bewaard worden. In zooverre zij onder woorden te brengen waren, kon dit met weinige woorden geschieden: de meisjes te leeren opletten als haar iets gezegd werd; ze den catechismus, naaien en lezen te leeren, en ze de roede te geven als zij jokten; en hoewel men natuurlijk, bij den vloed van licht die tegenwoordig de opvoedkunde beschijnt, thans ver daar bovenuit is, kan men toch niet ontkennen, dat onze grootmoeders onder ditrégimeeenige tamelijk knappe mannen en vrouwen hebben grootgebracht. Hoe dit ook zij, Miss Ophelia wist van niets anders, en nam dus haar heidinnetje op die manier met allen ijver onderhanden.
Het kind werd in het huishouden als hare meid beschouwd, en daar het in de keuken met geene gunstige oogen werd aangezien, besloot Ophelia haar kring van werkzaamheden en onderricht hoofdzakelijk tot hare eigene kamer te beperken. Met eene zelfopoffering, welke sommigen onzer lezeressen zullen weten te waardeeren, besloot zij, in plaats van gerust haar eigen bed op te maken en hare eigene kamer te stoffen—gelijk zij tot nog toe, met afwijzing van alle aangeboden hulp der kamermeid van het huis, had gedaan—zich zelve tot het martelaarschap te veroordeelen om Topsy in deze werkzaamheden te onderrichten. Ontzettend besluit! Heeft iemand van onze lezeressen ooit hetzelfde gedaan, dan zal zij de mate van Ophelia's zelfverloochening wel kunnen beseffen.
Miss Ophelia begon met Topsy op den eersten morgen naar hare kamer mede te nemen, en deftig eene eerste les in de kunst van het bed-opmaken te geven.
Ziedaar dan Topsy, gewasschen en van al die gevlochten staartjes beroofd, waarop zij zoo grootsch was, in eene schoone jurk gekleed en met een welgesteven schortje voor, eerbiedig voor hare meesteres staande, met een gezicht zoo ernstig alsof zij te begraven zou gaan.
"Nu, Topsy, zal ik u wijzen hoe mijn bed wordt opgemaakt. Ik ben zeer keurig op mijn bed en gij moet precies leeren hoe het gedaan moet worden."
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy nu, met een zwaren zucht en een jammerlijk doch zeer ernstig gezicht.
"Zie dan, Topsy, dat is de zoom van het laken—dit is de rechte kant van het laken, en dit is de verkeerde. Zult gij dat onthouden?"
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met nog een zucht.
"Welnu, het onderlaken moet gij over de peluw leggen—zóó, en glad onder de matras steken—zóó. Ziet ge wel?"
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met ingespannen aandacht.
"Maar het bovenlaken," vervolgde Ophelia, "moet zóó worden gelegd, en glad en vast aan het voeteneinde worden ingestopt—zóó—de smalle zoom aan het voeteneinde."
"Ja, Juffrouw," antwoordde Topsy, evenals te voren; maar wij moeten er bijvoegen dat Miss Ophelia niet zag, dat, terwijl de meesteres zich omkeerde, de jeugdige leerling een paar handschoenen en een eind lint had weggekaapt en behendig in hare mouwen gestopt, waarna zij weder met ootmoedig gevouwen handen bleef staan.
"Komaan dan, Topsy, laat ik het u nu eens zien doen," zeide Ophelia, trok de lakens weder van het bed en zette zich neer.
Met grooten ijver en even groote behendigheid maakte Topsy de exercitie, tot Ophelia's volkomen tevredenheid; zij legde de lakens behoorlijk te recht, streek elk rimpeltje glad, vertoonde bij dat alles eene ernstigheid, waardoor hare onderwijzeres zeer gesticht werd. Maar juist toen zij haast gedaan had, kwam door eene ongelukkige beweging een eindje van het lint uit hare mouw kijken en viel Ophelia in het oog. Dadelijk schoot zij er op toe.
"Wat is dat?" zeide zij. "Gij ondeugend, goddeloos kind, dat hebt gij gestolen!"
Het lint werd uit Topsy's mouw gehaald en toch werd de kleine niet het minste verlegen. Zij keek het aan met een gezicht vol onschuldige verbazing.
"Wel! Dat is een lint van Juffrouw Phelia—is het niet? Hoe kan dat in mijne mouw komen?"
"Jok maar niet, gij ondeugende meid. Gij hebt het gestolen."
"O, Juffrouw, ik wil zweren van neen. Ik heb het nooit gezien dan nu op het oogenblik."
"Topsy," zeide Ophelia, "weet gij niet dat het liegen goddeloos is?"
"Ik lieg nooit, Juffrouw Phelia," antwoordde Topsy met den ernst der onschuld. "Het is zuivere waarheid wat ik u gezegd heb en niets anders."
"Topsy, ik zal de roe moeten krijgen als gij zoo liegt."
"O Juffrouw, al woudt ge mij den heelen dag slaan, ik kan toch niet anders zeggen," antwoordde Topsy, nu huilende. "Ik heb het daar nooit gezien; het moet vanzelf in mijne mouw zijn gekomen. Juffrouw Phelia zal het op het bed hebben gelaten, en zoo is het in de lakens gekomen, en zoo in mijne mouw geraakt."
Ophelia was zoo verontwaardigd over dit onbeschaamde liegen, dat zij het kind bij de schouders greep en heftig schudde.
"Zeg mij dat niet nog eens!"
Het schudden deed de handschoenen uit de andere mouw op den grond vallen.
"Daar, gij—!" zeide Ophelia. "Zult ge mij nu nog zeggen dat gij het lint niet gestolen hebt?"
Topsy bekende zich nu schuldig aan de handschoenen maar wilde nog niets van het lint weten.
"Als gij nu maar alles bekent, Topsy," zeide Ophelia, "dan zult gij voor dezen keer geen slaag krijgen."
Aldus toegesproken, beleed Topsy het stelen van het lint en de handschoenen, met jammerende betuigingen van boetvaardig berouw.
"En zeg mij nog meer. Ik begrijp wel, dat gij nog andere dingen moet weggenomen hebben, sedert gij in huis zijt, want ik heb u gisteren den geheelen dag laten rondloopen."
"Och, Juffrouw, ik heb dat roode dingetje van Jongejuffrouw Eva, dat zij om haar hals heeft."
"Hebt gij dat gedaan, ondeugend kind! Nu, en wat meer?"
"Ik heb Rosa's oorbellen genomen—die roode."
"Ga terstond alles hier halen."
"Och, lieve Juffrouw, ik kan niet—het is verbrand."
"Verbrand! Welk een verzinsel!—Breng alles hier, of ge zult slaag hebben."
Met luide betuigingen, tranen en zuchten verklaarde Topsy dat zij dit niet doen kon. "Alles was verbrand—dat was het."
"En waarom hebt gij dat goed verbrand?" zeide Ophelia.
Juist op dat oogenblik kwam Eva zonder van iets te weten de kamer in, met het koralen kettinkje om den hals.
"Wel, Eva, hoe hebt gij dit kettinkje weergekregen?" zeide Ophelia.
"Weergekregen?" zeide Eva. "Ik heb het den geheelen nacht omgehad. Ik vergat het af te doen, toen ik naar bed ging."
Ophelia keek geheel en al verbijsterd, des te meer daar Rosa een oogenblik later binnenkwam, met een mandje pas gestreken goed in balans op haar hoofd en de bewuste bellen in hare ooren.
"Ik begrijp volstrekt niet meer hoe ik met dit kind aanmoet," zeide zij wanhopig. "Waarom hebt gij mij gezegd, dat gij die dingen hadt weggenomen, Topsy?"
"Wel, Juffrouw," antwoordde Topsy, "omdat ik bekennen moest, en ik kon niets anders bedenken om te bekennen."
"Maar ik wilde natuurlijk niet dat gij die dingen bekennen zoudt, die gij niet gedaan hadt," zeide Ophelia; "dat is evengoed liegen als het andere."
"Och, er is geen waarheid uit die meid te krijgen," zeide Rosa, haar met verontwaardiging aanziende. "Als ik Mijnheer St. Clare was, zou ik haar laten geeselen tot het bloed er bij neerliep. Ik zou haar in eens genoeg geven."
"Neen, neen, Rosa," zeide Eva hierop, met de gebiedende houding, welke het kind somtijds kon aannemen. "Gij moet zoo niet spreken. Dat kan ik niet hooren."
"Och, Jongejuffrouw Eva, gij zijt al te goed; gij weet niet hoe men met negers moet omgaan. Er zit niets op dan ze goed af te zweepen, dat zeg ik u."
"Stil, Rosa; laat mij geen woord meer zoo hooren," zeide Eva, met flikkerende oogen en een hoogere kleur op de wangen.
Rosa was terstond uit het veld geslagen.
"Zij heeft het echte bloed der St. Clare's, dat is duidelijk. Zij kan eveneens spreken als haar papa," prevelde zij, de kamer uitgaande.
Eva bleef Topsy aanzien.
Daar stonden de twee kinderen, die de uitersten der maatschappij vertegenwoordigden. Het blanke, beschaafde, welopgevoede kind, met hare gouden lokken, haar zielvolle oogen, haar edel voorhoofd en vorstelijke houding, en hare zwarte, doortrapte, kruipende, maar toch schandere geburin. Daar stonden zij, elk als vertegenwoordigster van haren stam; de Sakser, uit eeuwen van beschaving, heerschappij, opvoeding, lichamelijke en zedelijke meerderheid gesproten; de Afrikaan, uit eeuwen van onderdrukking, slavernij, onkunde, arbeid en ondeugd geboren.
Dergelijke gedachten vlogen Eva misschien door het hoofd. Maar de gedachten van een kind zijn veeleer flauwe, onduidelijke gewaarwordingen, en in Eva's edel gemoed lagen vele van dien aard verscholen, waaraan zij geene woorden kon geven. Toen Ophelia over Topsy's slechtheid en goddeloosheid uitweidde, keek Eva verbijsterd en droevig, en eindelijk zeide zij vriendelijk:
"Arme Topsy, wat behoeft gij te stelen? Er zal nu goed voor u gezorgd worden, en ik wil u liever alles van mij geven dan dat gij het van mij steelt."
Dit waren de eerste vriendelijke woorden, die het negerkind ooit in haar leven had gehoord; de zachte toon maakte een vreemden indruk op het wilde, ruwe hart, en iets dat naar een traan geleek blonk in de ronde, glinsterende oogen, maar werd terstond door een korten lach en den gewonen grijns gevolgd. Het oor, dat nooit iets anders dan scheldwoorden heeft gehoord, is verbazend ongeloovig voor iets dat zoo hemelsch is als vriendelijke goedheid; en Topsy vond Eva's gezegde alleen iets grappigs en onverklaarbaars, maar zij geloofde er niet aan.
Doch wat moest er met Topsy gedaan worden? Ophelia vond de zaak bedenkelijk; hare regelen van opvoeding schenen hier van geene toepassing te kunnen zijn. Zij wilde tijd nemen om er over te denken, en om tijd te winnen, en tevens met zeker vertrouwen op de zedelijke kracht, welke men aan donkere kasten toeschrijft, sloot zij Topsy in zulk een donkere kast op, tot zij het met zich zelve eens zou zijn geworden.
"Ik begrijp niet," zeide zij tot St. Clare, "hoe ik met dat kind zal te recht komen zonder haar slaag te geven."
"Wel, geef haar dan slaag naar hartelust. Ik laat u de volle macht om te doen wat gij wilt."
"Kinderen moeten altijd slaag hebben," hervatte Ophelia. "Ik heb nooit gehoord dat iemand er een zonder slaag had grootgebracht."
"Doe wat u het best voorkomt," antwoordde St. Clare, "maar laat ik ééne aanmerking mogen maken. Ik heb dit kind zien slaag geven met pook, tang of aschschop, wat maar het eerst ter hand kwam, en daar zij aan die manier van doen gewoon is, zal uw "slaag geven" tamelijk krachtig moeten zijn, om veel indruk te maken."
"Wat is er dan aan te doen?" vroeg Ophelia.
"Daar hebt gij een ernstige vraag opgeworpen, die ik wel wenschte door u beantwoord te zien," antwoordde St. Clare. "Wat is er te doen met een menschelijk wezen, dat alleen door de zweep kan geregeerd worden, wanneer de zweep niet meer baat?—een zeer gewone staat van zaken hier."
"Ik moet zeggen dat ik het niet weet, en dat ik nog nooit zulk een kind gezien heb."
"Zulke kinderen zijn zeer gewoon bij ons, en zulke mannen en vrouwen ook. Hoe moeten zij geregeerd worden?" zeide St. Clare.
"Het is waarlijk meer dan ik zeggen kan," antwoordde Ophelia.
"Ik weet het ook niet," hervatte St. Clare. "De afschuwelijke wreedheden, die nu en dan in de couranten komen—gelijk dat geval van Prue bij voorbeeld—waaruit ontstaan zij? In vele gevallen uit eene langzame verharding aan beide zijden, daar de meester hoe langer hoe wreeder wordt, naarmate de slaaf harder wordt. Slagen en kwade woorden gelijken naar opium; men moet de dosis vergrooten, naarmate het gevoel afslijt. Ik zag dit zeer spoedig, toen ik slaveneigenaar was geworden, en ik nam mij voor om nooit te beginnen, omdat ik dan niet wist, waar ik zou moeten ophouden; ik besloot ten minste mijn eigen zedelijk karakter te beschermen. Het gevolg is, dat mijne bedienden zich gedragen als bedorven kinderen; maar ik acht dit beter dan dat wij beiden gebrutaliseerd worden. Gij hebt veel gesproken, Nicht, over onze verantwoordelijkheid om onze slaven op te voeden, en ik wenschte inderdaad dat gij het eens woudt beproeven met één kind, dat een staaltje is van duizenden onder ons."
"Het is uw stelsel, dat zulke kinderen maakt," zeide Ophelia.
"Dat weet ik wel; maar zij zijn nu gemaakt—zij bestaan, en wat is er nu met hen te doen?"
"Wel, ik kan niet zeggen dat ik u dankbaar ben voor die proefneming. Maar daar het een plicht schijnt te zijn, zal ik volharden en mijn best doen," zeide Ophelia, en deed ook verder haar best met hoogst loffelijken ijver, en stipte nauwgezetheid. Zij bepaalde geregelde uren van onderricht en werken voor Topsy, en ondernam ook haar te leeren lezen en naaien.
In de eerste kunst vorderde het meisje vlug genoeg. Zij leerde de letters als door tooverij en was spoedig in staat om een eenvoudig boek te lezen; maar met het naaien was de zaak moeielijker. Het schepseltje was zoo vlug als eene kat, en het stilzitten was haar allerhatelijkst. Zij brak dus telkens hare naalden, wierp ze stil het venster uit of in een donkeren hoek; en zij maakte haar garen vuil, of maakte behendig een geheele streng weg. Hare bewegingen waren zoo snel, als die van een goochelaar, en zij kon haar gezicht ook evengoed in bedwang houden, zoodat Ophelia, hoewel zij niet nalaten kon te vermoeden, dat zoovele ongelukken achtereen niet bij toeval konden gebeuren, haar toch niet betrappen kon, of zij had tot eene waakzaamheid moeten besluiten, die haar tot niets anders tijd zou hebben gelaten.
In huis was Topsy spoedig een gewichtig persoontje. Haar talent voor allerlei soorten van potsen, grimassen en kuren—voor het dansen, buitelen, klauteren, zingen, fluiten en nabootsen van allerlei geluiden—scheen onuitputtelijk te zijn. In hare speeluren had zij altijd al de andere kinderen van het huis om zich heen, die haar met verbazing en bewondering aangaapten, zelfs de kleine Eva niet uitgezonderd, die door hare wilde kuren scheen te worden aangelokt, gelijk eene duif somtijds door eene glinsterende slang wordt bekoord. Ophelia maakte er zich ongerust over, dat Eva zooveel behagen had in Topsy's gezelschap, en drong er bij St. Clare op aan om zijn dochtertje dit te verbieden.
"Och, laat het kind maar begaan," zeide St. Clare. "Topsy's gezelschap zal haar goeddoen."
"Maar zulk een ondeugend kind! Zijt ge niet bang dat zij haar kwaad zal leeren?"
"Zij kan haar geen kwaad leeren. Andere kinderen mag zij het kunnen doen, maar het kwaad loopt langs Eva's gemoed af, gelijk de dauw van een koolblad—geen droppel trekt er in."
"Wees maar niet al te gerust," zeide Ophelia. "Ik weet wel dat ik nooit een kind van mij met Topsy zou laten spelen."
"Wel, uwe kinderen behoeven dit niet," antwoordde St. Clare, "maar het mijne mag wel. Als Eva bedorven had kunnen worden, zou het al voor jaren gebeurd zijn."
Topsy werd door de hoogere bedienden eerst veracht en gesmaad; maar weldra vonden zij reden om van meening te veranderen. Men ontdekte zeer spoedig dat wie Topsy eenige minachting toonde, zeker was kort daarop door eene of andere onaangenaamheid te worden getroffen—een of ander geliefkoosd sieraad werd vermist, of een voorwerp van kleeding geheel bedorven gevonden, of de schuldige struikelde ongelukkig over een emmer heet water, of een stortbui van gootwater overstelpte hem op eene onverklaarbare manier, als hij juist in staatsie gekleed was; en als men bij zulke gelegenheden onderzoek deed, kon de oorzaak van het gebeurde nooit ontdekt worden. Topsy werd er voor gehouden, en dikwijls voor alle gezagvoerende personen ter verantwoording geroepen, maar altijd stond zij haar verhoor met stichtelijke onnoozelheid door. Niemand twijfelde er aan wie al dat kattekwaad uitrichtte, maar geen schijn van bewijs kon ooit gevonden worden ter bevestiging van het vermoeden, en Ophelia was te rechtvaardig om zonder bewijs te willen straffen.
Daarbij kwam dat de tijd voor dat kattekwaad altijd zoo gekozen was, dat de schuldige daardoor nog meer werd beschermd. Zoo werd om op Rosa en Jane, de twee kamermeiden, wraak te nemen, altijd een tijd gekozen, wanneer zij, gelijk niet zelden gebeurde, bij hare meesteres in ongenade waren, en dan vonden hare klachten natuurlijk geen gehoor. Kortom, Topsy deed het huishouden spoedig begrijpen, dat het raadzaam was haar met vrede te laten, en men liet haar dus met vrede.
Topsy was handig in alles wat met handen kon gedaan worden, en leerde alles wat men haar voordeed met verbazende vlugheid. In weinige lessen had zij Ophelia's kamer in orde leeren brengen op eene manier, waarop zelfs deze keurige dame niets kon aanmerken. Niemand kon beter het bed opmaken, de kamer stoffen, en alles ordelijker opruimen dan Topsy, wanneer zij dit verkoos—maar zeer dikwijls verkoos zij het niet. Wanneer Ophelia, na drie of vier dagen achtereen alles zorgvuldig te hebben nagezien, zich verbeeldde dat Topsy zich eindelijk hare manieren had aangewend en nu zonder toezicht haar gang kon gaan, zoodat zij in dien tijd iets anders kon gaan doen, hield Topsy een of twee uren lang een carnaval op hare eigene manier. In plaats van het bed op te maken, trok zij de kussensloopen er af, en liep met haar kroeskop storm op de kussens, tot zij somtijds overal met veeren was versierd, die haar in het haar waren blijven zitten; zij klom tegen de stijlen van het ledikant op en liet zich met het hoofd omlaag van den hemel afhangen; zij spreidde lakens en dekens over den vloer uit, kleedde de peluw in Miss Ophelia's nachtgoed en speelde daarmede eene soort comedie, zingende, fluitende en in den spiegel grimassen makende; zij maakte kortom, gelijk Ophelia het uitdrukte, een beestachtigen boel.
Eens vond zij Topsy met haar beste krippen sjaaltje als een tulband om het hoofd gewonden en zoo voor den spiegel repetitie houdende, daar Ophelia, met eene bij haar voorbeeldelooze onbedachtzaamheid, den sleutel op eene lade had laten steken.
"Topsy," zeide zij dan wel eens, als haar geduld ten einde was, "waarom doet gij dit toch?"
"Weet niet, Juffrouw—ik denk omdat ik zoo ondeugend ben."
"Ik weet geheel niet meer wat ik met u doen zal, Topsy."
"Och, Juffrouw, gij moet me slaag geven. Mijne oude meesteres gaf mij altijd slaag. Ik ben niet gewoon te werken als ik geen slaag krijg."
"Maar ik wil geen slaag geven, Topsy. Gij kunt heel goed uw werk doen, als gij maar wilt. Waarom wilt gij dan niet?"
"Och, Juffrouw, ik ben gewoon aan slaag. Ik geloof dat het goed voor mij is."
Ophelia beproefde het recept, en Topsy maakte altijd eene geweldige opschudding, gillende, kermende en jammerende; hoewel zij een half uur later, als zij onder "het jonge goed" zat, met de ontvangen kastijding den gek stak.
"Och, Miss Phelia slaag geven! Haar slaan zou geen vlieg doodslaan. Zij had eens moeten zien, hoe mijne oude meesteres er de lappen deed afvliegen; die kon anders slaag geven!"
Topsy roemde altijd op hare zonden en misdrijven, en hield deze blijkbaar voor iets, dat haar eene bijzondere onderscheiding verleende.
"Gij negers," zeide zij wel eens tot hare toehoorders, "weet gij wel dat gij allen zondaars zijt? Ja, dat zijt gij, allemaal, een voor een. En de blanken zijn ook zondaars—dat zegt Miss Phelia; maar ik geloof dat negers toch de grootste zijn—en, och, gij allemaal haalt nog niet bij mij. Ik ben zoo geducht ondeugend, dat niemand iets met mij kan uitrichten. Ik placht mijne oude meesteres den halven dag op mij aan het vloeken te houden. Ik denk wel dat ik het ondeugendste schepsel op de wereld ben."
En dan maakte zij een luchtsprong en klauterde nog hooger op een hek of boom, blijkbaar grootsch op hare onderscheiding.
Ophelia maakte er des Zondags ernstig werk van om Topsy den catechismus te laten leeren. Topsy had een buitengemeen goed geheugen voor woorden, en leerde met eene vlugheid van buiten, waardoor hare onderwijzeres zeer werd aangemoedigd.
"Welk goed denkt gij toch dat dit haar doen zal?" zeide St. Clare eens.
"Wel, het heeft kinderen altijd goed gedaan. Het is iets dat kinderen behooren te leeren," antwoordde Ophelia.
"Of zij het verstaan of niet?" zeide St. Clare.
"O, kinderen verstaan het nooit op dien tijd; maar als zij groot worden, leeren zij er waarde aan hechten."
"Ik heb dat nog niet geleerd," zeide St. Clare, "hoewel ik getuigen kan, dat gij mij dat alles trouw hebt ingeprent, toen ik een kleine jongen was."
"Ja, gij hebt altijd goed geleerd, Augustine. Ik placht groote hoop van u te hebben," zeide Ophelia.
"En hebt gij die nu niet meer?"
"Ik wenschte dat gij nog waart wat gij als kind geweest zijt,Augustine."
"Dat wenschte ik waarlijk ook, Nicht," zeide St. Clare. "Nu, ga maar voort en leer Topsy den catechismus. Misschien zult gij nog iets van haar maken."
Topsy, die onder dit gesprek met ootmoedig gevouwen handen als een zwart standbeeld was blijven staan vervolgde nu op een wenk van Ophelia:
"Onze eerste ouders, overgelaten zijnde aan de vrijheid van hunnen eigen wil, vielen uit den staat waarin zij geschapen waren."
Topsy's oogen flikkerden en zij zag Ophelia vragend aan.
"Wat is er?" zeide deze.
"Als je blieft, Juffrouw, was dat de staat Kentucky?"
"Welke staat, Topsy?"
"Die staat waaruit zij vielen. Ik placht meester te hooren zeggen, dat wij uit Kentucky gekomen waren."
St. Clare lachte.
"Gij zult haar eene meening moeten geven, of zij zal er eene maken," zeide hij. "Er schijnt hier van eene theorie van volksverhuizing gesproken te worden."
"O, Augustine, zwijg toch!" zeide Ophelia. "Hoe kan ik iets doen als gij er om lacht."
"Welnu, ik zal uwe lessen niet meer storen, dat beloof ik u," zeide St. Clare en ging met zijne courant naar het venster, waar hij bleef zitten tot Topsy hare lessen had opgezegd. Dit ging alles zeer wel, behalve dat zij nu en dan eenige gewichtige woorden op eene wonderlijke manier verplaatste en bij die verkeerde lezingen bleef, in spijt van alle pogingen om haar beter te leeren. Ondanks zijne belofte, kon St. Clare niet nalaten in deze vergissingen een ondeugend vermaak te stellen, en somtijds Topsy bij zich te roepen, om haar, in spijt van Ophelia's tegenstribbelen, de aanstootelijkste plaatsen nog eens te laten herhalen.
"Hoe denkt gij, dat ik iets met het kind doen kan, als gij zoo wilt voortgaan, Augustine?" zeide zij dan.
"Ja, het is te erg, ik zal het niet weer doen. Maar ik hoor zoo graag zulk een koddig klein ding over die groote woorden struikelen."
"Maar gij bevestigt haar dan in de verkeerde manier."
"En wat verscheelt dat? Het eene woord is voor haar evengoed als het andere."
"Gij wilt, dat ik haar goed zal opbrengen; en gij behoort te bedenken, dat zij een redelijk wezen is, en tevens toe te zien welken invloed gij op haar uitoefent."
"Akelige ernstigheid! Dat behoorde ik ook. Maar gelijk Topsy zelve zegt: 'Ik ben zoo ondeugend.'"
Ongeveer op dezelfde wijs werd Topsy's opvoeding een paar jaren voortgezet. Ophelia liet zich dagelijks door haar kwellen, als door eene soort van slepende kwaal, aan welker overlast zij door den tijd gewoon werd, evenals menschen somtijds aan hoofdpijn of iets anders gewoon worden. St. Clare had in het kind dezelfde soort van vermaak, als een ander somtijds in potsen van een hond of papegaai heeft. Wanneer Topsy door hare zonden elders in ongenade viel, nam zij altijd de wijk achter zijnen stoel en dan maakte St. Clare op een of andere manier vrede voor haar. Van hem kreeg zij dikwijls wat klein geld, dat zij aan noten en kandijklontjes besteedde, welke zij met zorgelooze mildheid aan al de kinderen in huis uitdeelde, want Topsy, om haar recht te doen, was goedhartig en vrijgevig, en alleen uit zelfverdediging boosaardig. Zij is nu voorgoed onder onscorps de balletopgenomen en zal van tijd tot tijd op hare beurt onder de anderen vertooners figureeren.
Onze lezers zullen wel niet ongenegen zijn om nog eens voor een korten tijd de woning van Oom Tom op het landgoed in Kentucky te bezoeken, en te zien wat er is omgegaan onder hen, die hij heeft achtergelaten.
Het was laat in den zomernamiddag, en de deuren en venters der ruime voorkamer stonden alle open, om ieder zwervend koeltje, dat zoo goed mocht willen zijn om binnen te komen, den vrijen toegang te laten. Mr. Shelby zat in het ruime voorhuis, dat aan de kamer grensde, en dat verder door het geheele huis doorloopende aan beide einden op een balkon uitkwam. Op zijn gemak achterover op een stoel leunende met de voeten op een anderen, rookte hij na den maaltijd een sigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur, bezig met fijn naaiwerk; en haar gezicht stond als dat van iemand, die iets op het gemoed heeft en gelegenheid zoekt om daarvan te spreken.
"Weet ge al," zeide zij eindelijk, "dat Chloe een brief van Tom heeft gekregen?"
"Zoo, heeft zij dat? Tom heeft daar een vriend gekregen, naar het schijnt. Hoe gaat het nu met hem?"
"Hij is in eene zeer aanzienlijke familie gekomen, zou ik denken, wordt goed behandeld en heeft niet veel te doen."
"Wel zoo, daar ben ik blij om, zeer blij," zeide Shelby hartelijk. "Tom zal, denk ik, nu wel met het Zuiden verzoend zijn, en niet eens verlangen om weer hier te komen."
"Integendeel," antwoordde Mevrouw Shelby, "hij vraagt dringend wanneer er geld zal zijn om hem terug te koopen."
"Ik moet zeggen, ik weet het niet," zeide Shelby. "Als eens iemands zaken verkeerd gaan loopen, schijnt er geen veranderen meer aan te zijn. Het is alsof men door een moeras gaande, van den eenen plas in den anderen springt; van den een leenen om den ander te betalen, en dan weer van den ander leenen om den eerste te betalen en dan die verduivelde wissels! die vervallen eer men tijd heeft om er aan te denken—en maanbrieven en maanboodschappen—altijd gejaagd en verlegen!"
"Het komt mij toch voor, lieve, dat er iets zou kunnen gedaan worden, om de zaken in het effen te brengen. Als wij eens al de paarden en eene van de hoeven verkochten, en alle schulden afdeden."
"O, belachelijk! Emily, gij zijt de knapste vrouw in Kentucky, maar gij hebt toch geen verstand genoeg om te weten dat ge geen begrip van zaken hebt; dat hebben vrouwen nooit en kunnen zij nooit."
"Maar kondt ge mij ten minste niet eenig inzicht in de uwe geven?" hervatte Mevrouw Shelby;—"eene lijst van al uwe schulden ten minste, en van al wat men u schuldig is, en mij laten beproeven of ik u niet kan helpen bezuinigen?"
"Och, plaag mij niet, Emily. Ik kan dat zoo niet recht zeggen. Ik weet wel nagenoeg hoe het waarschijnlijk loopen zal; maar ik kan mijne zaken niet zoo netjes afpassen, als Chloe hare taartkorst. Gij weet niet van handelszaken af, zeg ik u."
En niet wetende hoe anders nadruk aan zijne woorden te geven, verhief Shelby zijne stem—een zeer gemakkelijk overtuigend bewijsmiddel, als iemand met zijne vrouw over geldzaken spreekt.
Met iets dat naar een zucht geleek, staakte Mevrouw Shelby het gesprek. De zaak was, dat zij, hoewel zij gelijk haar man gezegd had een vrouw was, toch in helderheid van verstand en doorzicht, en in kracht van karakter haren man ver te boven ging, zoodat het niet zoo ongerijmd zou zijn geweest, als Mr. Shelby meende, indien men haar in staat had geacht om over handelszaken mede te spreken. Haar hart was er op gezet om hare belofte aan Tom en Chloe te vervullen, en zij zuchtte dewijl het uitzicht daarop gedurig flauwer werd.
"Maar denkt gij niet, dat wij op eene of andere manier het geld konden opbrengen? Die arme Tante Chloe! Zij heeft er haar hart zoo op gezet."
"Het spijt mij als het zoo is. Ik denk dat ik met die belofte wat haastig ben geweest. Ik twijfel er nu aan, of het niet best is dat maar aan Chloe te zeggen, zoodat zij er zich naar voegen kan. Tom zal over een jaar of twee wel eene andere vrouw hebben, en zij zou best doen, ook maar iemand anders te nemen."
"Mijnheer Shelby! ik heb mijn onderhoorigen geleerd, dat het huwelijk voor hen even heilig is als voor ons. Ik zou er nooit aan kunnen denken om Chloe zulk een raad te geven."
"Het is jammer vrouw, dat gij hen met eene moraliteit boven hunnen staat en hunne vooruitzichten hebt bezwaard. Dat heb ik altijd gevonden."
"Het is niets anders dan de moraliteit van den Bijbel."
"Och kom, Emily, ik wil uwe godsdienstige begrippen niet aantasten, maar zij komen mij alleen voor menschen in dien staat zeer ongeschikt voor."
"Dat zijn zij ook inderdaad," zeide Mevrouw Shelby, "en daarom is het, dat ik de geheele slavernij van ganscher harte haat. Ik zeg u, lieve man, ik kan mij zelve niet vrijspreken van de belofte, die ik aan die arme menschen gegeven heb. Als ik het geld op geene andere manier kan bekomen, zal ik muzieklessen aannemen. Ik weet dat ik er genoeg zou kunnen krijgen en zoo zelve het geld verdienen."
"Gij zoudt u toch zoo niet willen vernederen, Emily? Daarin zou ik nooit kunnen toestemmen."
"Vernederen! Zou het mij meer vernederen dan mijn woord aan die arme lieden te breken? Neen, waarlijk niet."
"Nu ja, gij zijt altijd heroïsch," zeide Shelby; "maar mij dunkt, gij moest toch liever nog eens nadenken, eer gij zulk eene Donquichoterie onderneemt."
Hier werd het gesprek gestoord door de verschijning van Tante Chloe aan het eind der veranda.
"Wel Chloe, wat is het?" zeide hare meesteres, opstaande en haar tegemoet gaande.
"Ik wou vragen of Mevrouw eens naar de kippen wou komen zien."
Mevrouw Shelby glimlachte toen zij zag met welk een ernstig gezichtChloe haar eenige geslachte hoenders wees.
"Ik had gedacht of Mevrouw een hoenderpastei daarvan wou gemaakt hebben."
"Inderdaad, Tante Chloe; het kan mij niet veel schelen. Maak ze maar klaar zooals gij zelve wilt."
Chloe bleef de hoenders verstrooid bekijken en betasten; het was duidelijk, dat zij niet aan dat gevogelte dacht. Eindelijk zeide zij, met dien korten lach, welken lieden van haren stand dikwijls tot inleiding van een voorstel bezigen, aan welks goede opname zij twijfelen:
"Och, Mevrouw, wat zouden meester en mevrouw zich kwellen over het geld, en niet gebruiken wat zij zoo goed als in de handen hebben?" En Chloe lachte weder.
"Ik begrijp u niet, Chloe," zeide Mevrouw Shelby, niet twijfelende of de negerin had het geheele gesprek tusschen haar en haren echtgenoot gehoord.
"Wel, och, Mevrouw," zeide Chloe, alweder lachende, "andere menschen verhuren hunne negers en trekken daar geld van. Zij houden zulk een troep niet om hun de ooren van het hoofd te eten."
"Wel, Chloe, wien denkt gij dan dat wij moesten verhuren?"
"O, ik denk niets, maar Sam zeide dat er te Louisville een banketbakker was, die zeide dat hij iemand noodig had, die knap was voor koek- en pasteiwerk, en zeide dat hij vier dollars in de week voor zoo iemand zou willen geven—dat deed hij."
"Welnu dan, Chloe."
"Wel, Mevrouw, ik had gedacht dat het haast tijd werd om Sally hier aan het werk te zetten. Sally is nu al een heelen tijd onder mij geweest, en het meeste doet zij haast evengoed als ik; en als Mevrouw mij dan wilde laten gaan, zou ik helpen om het geld op te brengen. Ik ben niet bang om mijne koeken en pasteien naast die van een banketbakker te zetten."
"Maar, Chloe, zoudt gij dan uwe kinderen willen verlaten?"
"Och, Mevrouw, de jongens zijn groot genoeg om dagwerk te doen, met hen zal het wel schikken en Sally zal op het kleintje passen—het is zulk een schrander kind, dat men er haast niet naar behoeft te zien."
"Louisville is tamelijk ver weg."
"O, Mevrouw, wie is daar bang voor? Het is de rivier af, dichter bij mijn man misschien?" zeide Chloe vragenderwijs en daarbij hare meesteres aanziende.
"Neen, Chloe, het is nog vele honderden mijlen van hem af."
Chloe's gezicht betrok.
"Maar laat dat u niet spijten. Dat gij daarheen gaat, zal u toch dichter bij hem brengen. Ja, gij kunt gaan, en uw loon zal tot den laatsten cent toe worden weggelegd, om uw man los te koopen."
Evenals wanneer een heldere zonnestraal eene donkere wolk verzilvert, zoo helderde Chloe's gezicht dadelijk op; het blonk inderdaad.
"O, als Mevrouw niet haast al te goed is! Dat was het juist, waaraan ik dacht; omdat ik dan geene kleeren of schoenen of iets zou noodig hebben. Ik zou elken cent kunnen bewaren. Hoeveel weken zijn er in het jaar, Mevrouw?"
"Twee en vijftig."
"Wel, zijn er zooveel? En vier dollars in elke week. Hoeveel zou dat wel wezen?"
"Tweehonderd en acht dollars."
"He!" zeide Chloe op een toon van verbazing en blijdschap. "En hoelang zou ik werk hebben om alles te verdienen, Mevrouw?"
"Tusschen de vier en vijf jaren, Chloe. Maar gij behoeft alles niet alleen te doen; ik zal er ook wat bijleggen."
"Neen, ik zou er niet van willen hooren, dat Mevrouw lessen gaf of zoo iets. Meester heeft daarin groot gelijk, dat zou geheel niet aangaan. Ik hoop dat niemand van de familie zoover komen zal, terwijl ik nog handen aan het lijf heb."
"Wees maar niet bang, Chloe. Ik zal wel voor de eer der familie zorgen," antwoordde Mevrouw Shelby met een glimlach. "Maar wanneer zoudt gij denken te gaan?"
"Wel, ik had niets gedacht; maar Sam gaat met eenige veulens naar de rivier en hij zeide dat ik met hem mee kon gaan, en zoo heb ik mijn goed maar bijeen gepakt. Als Mevrouw het goedvond, zou ik morgenochtend met Sam gaan, als Mevrouw een pas en recommandatie voor mij wilde schrijven."
"Wel, Chloe, ik zal er om denken, als Mr. Shelby er niet tegen heeft. Ik moet er eerst met hem over spreken."
Mevrouw Shelby ging naar boven, en Chloe liep vol blijdschap naar hare woning, om verdere toebereidselen te maken.
"Wel, Jongeheer George, weet gij dan niet dat ik morgen naar Louisville ga?" zeide zij, toen George de hut binnenkwam en haar met de kleertjes van haar jongste kind bezig vond. "Ik moest dat goedje toch nog wat nazien. Maar ik ga, Jongeheer George, en ik zal vier dollars in de week krijgen, en Mevrouw zal alles bewaren, om mijn goeden man terug te koopen."
"Hoezee!" riep George uit. "Dat is goed overlegd! En wanneer gaat gij?"
"Morgen, met Sam. En nu, Jongeheer George, zult ge toch wel eens willen gaan zitten en een brief aan mijn goeden man schrijven en hem alles zeggen—wilt ge niet?"
"Wel zeker," antwoordde George. "Oom Tom zal wel blij zijn, dat hij eens van ons hoort. Ik loop even naar huis om papier en inkt; en dan weet ge, Tante Chloe, kan ik hem meteen van de veulens en alles vertellen."
"Zeker, zeker, jongeheer George. Loop nu maar heen; ik zal u ondertusschen een hoenderboutje of zoo wat klaar zetten; gij zult van uwe arme oude tante niet veel meer krijgen."