NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

"De weg der goddeloozen is als een donker, zij weten niet waarover zij struikelen zullen."

De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen, terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was, en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde, stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt.

Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare lotgenoote gebruik te maken.

De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij, zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een rijtoertje terugkwam.

"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?"

"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy stuursch.

"En waarom dat?"

"Omdat het mij zoo beviel."

"En voor den duivel, waarom?"

"Omdat ik gaarne nu en dan slaap."

"En wie belet u te slapen?"

"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoorddeCassy droogjes.

"Spreek op maar," zeide Legree.

"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf uur tot aan den ochtend."

"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?"

Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een blik, die hem door merg en been drong, en zeide:

"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij weet het niet, zou ik denken?"

Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog eens om en zeide:

"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot.

Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken, hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte.

In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch, zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide, tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig gejammer eener menschenstem moest klinken.

Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde.

Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde, waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld.

Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne woordenwisselingen met Tom—slechts gewekt om weder door de hardnekkige kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord, gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg, die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet.

De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand, in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden, en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings tiranniseerde en vreesde.

Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven.

Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer, alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen, terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen, waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint, met eene vreemde tooverkracht boeien.

Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een vloek neersmeet.

"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij, de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken."

"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch.

"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat."

Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte.

"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls in het hol van het schip gehoord; en de wind—och, van den wind kan men zich alles verbeelden."

Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige strakheid aanstaren.

"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?"

"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt," zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?"

Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had, en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde, sprong hij met een vloek achteruit.

"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!'

"Wel neen—natuurlijk niet—heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met een kouden spottenden glimlach.

"Maar hebt gij inderdaad gezien dat—kom aan, Cassy, wat is er dan? Spreek op."

"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoorddeCassy.

"Kwam het van de vliering, Cassy?"

"Het—wat?"

"Daar gij van spreekt."

"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree stapte onrustig de kamer op en neer.

"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en…."

"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens van u willen zien. Schiet uwe pistolen af—dat ook!"

Legree vloekte en stampvoette.

"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat was dat?"

De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf.

Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde.

"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof zij luisterde.

"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende.

"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt het waait?"

"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!"

Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte van schrik.

"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben;zij zijn aan den gang."

"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek.

"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!"

"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij heks—kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!"

Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was.

Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak, en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen.

"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij.

"Wees verdoemd," antwoordde Legree.

"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij wel, Simon?"

"Dat raakt u niet," antwoordde Legree.

"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij, dat ik niet meer onder de vliering slaap."

Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid.

Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om het plan ten uitvoer te brengen.

Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt, had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien men noodig had om hem af te leggen.

Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatstencoup d'état.

Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste, bezig met twee pakjes te maken.

"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op, en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."

"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline.

"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water, tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op, dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens jagen naar hartelust."

"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"

Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen—niets anders dan wanhopige vastberadenheid.

"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.

De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij: "O, Cassy, ik zal flauw vallen."

"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine, glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje liet flikkeren.

Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp te volgen.

"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val geloopen—die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen er voor zweeten."

"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!"

De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor, kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte.

"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven.

"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen."

Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen langs den zoom van het moeras verspreidde.

"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O, om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!"

"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de jacht uit—dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten, "ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen."

Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit, die zij natelde.

"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline.

"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede stak zij de bankbriefjes in hare borst.

"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig fluisterende.

"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder van die briefjes is gestolen—gestolen van arme, uitgehongerde, afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel moeten. Laathijmaar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn, dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik wel spookje voor hen spelen."

Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist, waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend kleinen omvang had weten te maken.

"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?"

"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeideEmmeline.

"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich liever allen dood schieten dan hier komen."

Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens.

"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid.

"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy, "anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu misschien in zijne macht hebben."

Emmeline huiverde.

Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig; Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op.

"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op de jacht moeten gaan—het wild zit daar niet."

"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!"

"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden."

Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak zwerende tegen den volgenden ochtend.

"Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een verscheurd en bloedend hart, door de menschen versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren traan geteld, en des hemels lange jaren van zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne kinderen hier lijden."

Bryran.

De langste weg moet een einde hebben—op den donkersten nacht moet een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld; eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde.

De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten van den dag zich openen.

De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon, het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen, maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid, wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne haast niet met hem ophouden.

Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden, en bad met hen voor de redding der vluchtelingen.

Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden, doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig, onverzettelijk uitgetart—zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde?

"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?"

En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in de handen had dat hij in stukken kon scheuren.

Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins in bedwang.

Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen, maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan zou hij Tom vóór zich laten komen—daarbij klemde hij zijne tanden op elkander en begon zijn bloed te koken—danzou hij dien kerel klein krijgen, of—er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd, waarin zijne ziel toestemde.

Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het lichaam van zijnen naaste?

"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen."

Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander.

Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig, een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een feestdag te maken.

Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden.

Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij: "O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?"

Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak.

"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?"

Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend liefkoozende beweging.

"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit weder iets liefhebben."

"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy, hetzij gij mij lief hebt of niet!"

De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen, thans door tranen beneveld.

"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier, hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden."

"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onzeVader."

"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap van ons afgekeerd."

"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen," zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad."

De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht, maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn paard stapte.

"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten."

Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen, toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen.

Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever dan de hulpeloozen te verraden.

Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "InUwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere,God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe handvan Quimbo aangrijpen en medesleepen.

"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu maar wat je daarvoor krijgt."

Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht—en het uur der verlossing scheen op handen.

"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende, "weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?"

"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte.

"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet."

Tom zweeg.

"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!"

"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard.

"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet weet?" zeide Legree.

Tom zweeg weder.

"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet gij iets?"

"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen.Ik kan sterven."

Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem:

"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden—maar nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een voor een aftappen, tot gij het opgeeft."

Tom zag naar zijn meester op en antwoordde:

"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als gij u niet bekeert, zal het uwenooiteindigen!"

Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor dat verstokte hart aftelde.

Het was slechts een oogenblik—een kort oogenblik van aarzelend dralen, van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede, zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten.

Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan, bijna met stilzwijgen!

Maar oudtijds was er Een, wiens lijden een werktuig van marteling, vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens niet minder dan heerlijk maken.

Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen standhield?

Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan denZoon van God!"

Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen.

"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen door het geduld van het slachtoffer.

"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij niet bekent!"

Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan.

"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel hij in zwijm.

"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu, dan is zijn mond toch eindelijk gesloten—dat is één goed ding!"

Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren—die ziel, waarvoor het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt, dat nooit zal worden uitgebluscht?

Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven terug te brengen—alsof dat eene weldaad voor hem was.

"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en wij niet."

Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel.

"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij zoo met u gehandeld hebben."

"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw.

"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?"

Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper—van Zijn leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht om te redden.

Zij schreiden, die twee barbaarsche negers.

"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!"

"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere, ik bid U, geef mij nog twee zielen!"

Dat gebed werd verhoord.

Twee dagen later kwam een jonkman in een lichten wagen de laan van oranjeboomen oprijden, wierp de teugels haastig uit de hand, sprong af en vroeg naar den eigenaar van het goed.

Het was George Shelby, en om te doen begrijpen hoe hij daar kwam, moeten wij een eind in het verhaal teruggaan.

De brief van Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby was door een ongelukkig toeval een paar maanden aan een afgelegen postkantoor opgehouden, eer hij zijne bestemming bereikte; en natuurlijk was Tom vóór dien tijd reeds tusschen de afgelegen moerassen aan de Roode rivier uit het oog verloren.

Mevrouw Shelby las dit bericht met het diepste leedwezen, maar dientengevolge terstond iets te doen was eene onmogelijkheid. Zij zat toen bij het ziekbed van haren echtgenoot, die ijlende in de crisis eener koortsziekte lag. Jongeheer George Shelby, die in dien tusschentijd van een knaap tot een rijzig jonkman was veranderd, was haar getrouwe helper en haar eenige steun in het beheer der zaken van zijnen vader. Miss Ophelia was bedachtzaam genoeg geweest om den naam van den procureur te melden, die de zaken van de St. Clare's behandelde; en het eenige, wat onder deze omstandigheden kon gedaan worden, was hem een brief te schrijven om nadere inlichtingen te verzoeken. Het overlijden van Mr. Shelby, eenige dagen later, deed natuurlijk alle belangen, uitgezonderd die van den dringendsten aard waren, vergeten.

Mr. Shelby had zijn vertrouwen op de bekwaamheden zijner vrouw getoond door haar tot executrice in zijne nalatenschap te benoemen, daardoor werd zij terstond met eene menigte van bezigheden overladen.

Met hare eigenaardige geestkracht aanvaardde Mevrouw Shelby de taak om den ingewikkelden staat der zaken te ontwarren, en hield zich, door George geholpen, eenigen tijd bezig met rekeningen na te zien, bezittingen te verkoopen en schulden af te doen; want zij had zich voorgenomen alle zaken thans op een effen voet te brengen, wat ook de gevolgen daarvan mochten zijn. Intusschen ontvingen zij een brief van den rechtsgeleerde, naar wien Ophelia hen verwezen had, waarin deze meldde dat hij niets van de zaak wist; dat de man op eene publieke verkooping verkocht was, en hij niets anders zeggen kon, dan dat hij het geld had ontvangen.

Mevrouw Shelby en haar zoon konden zich echter hiermede niet geruststellen, en toen George, ongeveer zes maanden later, voor de zaken zijner moeder eene reis de rivier af moest doen, besloot hij New-Orleans te bezoeken en in persoon navraag te doen, in de hoop van aldus te ontdekken waar Tom gebleven was.

Na eenige maanden van vruchtelooze nasporingen, ontmoette George door een bloot toeval, te New-Orleans iemand, die hem de gewenschte inlichtingen kon geven; en daarna voer hij, van geld voorzien, met de stoomboot de Roode rivier op, met het besluit om zijn ouden vriend op te zoeken en terug te koopen.

Legree kwam buiten en ontving den vreemdeling met zekere barsche gastvrijheid.

"Ik verneem," zeide de jonkman, "dat gij te New-Orleans een jongen gekocht hebt, Tom geheeten. Hij placht op mijns vaders plaats te wezen, en ik kwam zien of ik hem niet kon terugkoopen."

Legree's gezicht betrok, en hij antwoordde, driftig uitvallende: "Ja, ik heb zulk een kerel gekocht, en een duivels slechten koop heb ik aan hem gedaan. Zulk een weerspannige, onbeschaamde kerel! Hij heeft mijne negers opgestookt om weg te loopen en twee meiden voortgeholpen, die achthonderd of duizend dollars het stuk waard waren. Dat bekende hij, en toen ik hem beval te zeggen waar zij waren zeide hij dat hij het wel wist, maar het niet zeggen wilde; en daar bleef hij bij, hoewel ik hem de ergste geeseling gaf die ik nog ooit een neger gegeven heb. Ik geloof dat hij zijn best doet om dood te gaan, maar ik weet niet of het hem gelukken zal."

"Waar is hij?" zeide George ongeduldig. "Laat mij hem zien."

Het gezicht des jonkmans was bloedrood geworden, en zijne oogen schoten vonken; maar hij achtte het voorzichtig om nog niets te zeggen.

"Hij is daar in die schuur," zeide eene kleine jongen, die het paard van George vasthield.

Legree gaf den jongen vloekende een schop; maar George ging, zonder een woord te spreken, naar de aangeduide plaats.

Tom had daar sedert dien noodlottigen nacht twee dagen gelegen, niet lijdende, want alle gevoel en vatbaarheid voor lijden was verdoofd. Hij lag meestal stil, in een halve bezwijming; want zijn gezond en sterk gestel wilde niet zoo terstond bezwijken en den gekerkerden geest vrijlaten. Tersluiks was hij daar in de duisternis van den nacht bezocht door eenige arme schepselen, die hunne karige uren van rust verkortten, om hem eenige dier liefdediensten terug te geven, waarin hij altijd zoo overvloedig was geweest. Het is waar, die arme discipelen hadden weinig te geven, alleen een beker koud water; maar die werd met volle harten gegeven.

Tranen waren op dat goedige, gevoellooze gezicht gedroppeld—tranen van berouw, door die arme onwetende heidenen geschreid, die zijn geduld en zijne stervende liefde tot berouw hadden opgewekt, en bittere gebeden waren over hem uitgezucht tot een laat gevonden Verlosser, van wien zij nauwelijks meer wisten dan den naam, maar wien het smachtende hart van den onwetenden mensch nooit tevergeefs aanroept.

Cassy, die uit hare schuilplaats was geslopen en door luisteren vernomen had welk een offer er voor haar en Emmeline was gebracht, was daar den vorigen nacht geweest, alle gevaar van ontdekking tartende; en bewogen door eenige laatste woorden, die de liefderijke ziel nog met inspanning van alle krachten kon fluisteren, was het hart der ongelukkige verzacht, en had de wanhopige vrouw geweend en gebeden.

Toen George de schuur binnentrad, voelde hij zich duizelig en flauw worden.

"Is het mogelijk? Is het mogelijk?" zeide hij, bij hem nederknielende. "Oom Tom! Mijn arme, arme vriend!"

De stem had iets, dat in het oor van den stervende doordrong. Hij bewoog even het hoofd, glimlachte en zeide met de woorden van een methodistisch lied:

"Jezus kan door Zijn gena't Sterfbed tot een donzen peluw maken."

Tranen, die zijn mannelijk hart eer aandeden, rolden den jongeling over de wangen, terwijl hij zich over zijnen armen vriend heenboog.

"O, beste Oom Tom! Ontwaak toch—spreek toch nog eens! Zie op! Hier is George—uw kleine meester George.—Kent ge mij niet?"

"Jongeheer George!" zeide Tom, zijn oogen openende, met eene uiterst flauwe stem. "Jongeheer George!" en zag hem verbijsterd aan.

Langzaam scheen het denkbeeld zijne ziel te vervullen; de zwervende blik werd vast en helder, het geheele gezicht verlevendigde zich; de handen werden saamgevouwen en de tranen rolden over zijne wangen.

"Gezegend zij de Heere! Dat is—dat is al wat ik verlangde! Zij hebben mij niet vergeten! Dat verwarmt mijne ziel, dat doet mijn oud hart goed! Nu zal ik tevreden sterven! Loof den Heere; o mijne ziel!"

"Gij zult niet sterven, gij moet niet sterven! Denk er niet aan! Ik ben gekomen om u te koopen en weder naar huis te brengen," zeide George met hartstochtelijke aandoening.

"O, meester George, gij komt te laat. De Heere heeft mij gekocht en zal mij naar huis brengen—en ik verlang om te gaan. De hemel is beter dan Kentucky."

"O, sterf toch niet. Dat zou mij den dood doen. Het zal mij het hart breken te denken wat gij geleden hebt, en dat gij hier zoo in die oude schuur ligt! Arme, ongelukkige man!"

"Noem mij geen arm, ongelukkig man," zeide Tom met plechtigen ernst. "Ik ben arm en ongelukkig geweest; maar dat is alles nu voorbij. Ik ben nu vlak aan de deur, ingaande tot de heerlijkheid! O, meester George, de hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald! De Heere Jezus heeft mij die gegeven. Geprezen zij Zijn naam!"

George was ontzet over de kracht en de levendigheid, waarmede deze afgebroken gezegden werden geuit. Hij bleef stil zitten staren.

Tom vatte zijne hand en vervolgde: "Gij moet niet aan Chloe zeggen, die arme ziel, hoe gij mij gevonden hebt, dat zou zoo schrikkelijk voor haar wezen. Zeg haar maar, dat gij mij vondt, ingaande in de heerlijkheid en dat ik naar niemand wachten kon. En zeg dat de Heere mij altijd en overal heeft bijgestaan en mij alles licht en gemakkelijk heeft gemaakt. En o, de arme kinderen—mijn oud hart is bijna om hen gebroken, al zoolang. Zeg hun allen dat zij mij volgen—mij volgen. Geef mijn liefdegroet aan meester en de lieve meesteres, en iedereen op de plaats. O, gij weet het niet! Het is alsof ik hen allen even lief heb! Ik heb alle schepselen lief, overal—het is niets dan liefde! O, meester George, wat is het toch een christen te zijn!"

Op dit oogenblik kwam Legree naar de deur kuieren, keek met een norsch gezicht en geveinsde onverschilligheid binnen en keerde zich weder om.

"Die oude satan!" zeide George in zijne verontwaardiging. "Het is een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor betalen zal."

"O neen—zoo niet!" zeide Tom, zijne hand drukkende. "Hij is een arm, ellendig schepsel. Het is ontzettend om er aan te denken. O, als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heere hem nog vergeven; maar ik vrees dat hij het nooit zal doen."

"Ik hoop van neen," zeide George. "Ik zou hem nooit in den hemel willen zien."

"Stil, meester George. Dat kwelt mij. Denk zoo niet. Hij heeft mij geen wezenlijk kwaad gedaan—hij heeft maar de poort van het koninkrijk voor mij geopend, anders niet."

Op dit oogenblik was de kracht uitgeput, waarmede de blijdschap over het wederzien van zijn jongen meester den stervende plotseling had begaafd. Eensklaps begaf hem die opgewektheid weder; hij sloot de oogen, en die geheimzinnige verandering vertoonde zich op zijn gelaat, welke de nadering der andere wereld aankondigt.

Hij begon dieper en zwaarder adem te halen; zijn breede borst zwoegde heftig op en neer. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een overwinnaar.

"Wie—wie—wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" zeide hij met eene stem, die met zijne doodelijke zwakheid streed; en met een glimlach viel hij in slaap.

George bleef met eerbiedig ontzag stilzitten; het was hem alsof die plaats heilig was; en toen hij eindelijk de gebroken oogen sloot en van den doode opstond, vervulde hem slechts eene gedachte—die welke zijn eenvoudige vriend had uitgedrukt met de woorden: "Wat is het toch een christen te zijn!"

Hij keerde zich om. Legree stond met een norsch gezicht achter hem.

Het gezicht van zulk een stervende had het natuurlijk vuur van jeugdige hartstochtelijkheid gedempt. De tegenwoordigheid van dien man was voor George enkel walgelijk, en hij verlangde niets anders, dan zich maar met zoo weinig woorden als mogelijk was van hem te verwijderen.

Zijne donkere sprekende oogen op Legree vestigende, zeide hij slechts:

"Gij hebt alles gekregen wat gij ooit van hem hebben kunt. Wat zal ik u voor het lijk betalen? Ik wil het wegnemen en het behoorlijk begraven."

"Ik verkoop geen doode negers," antwoordde Legree stuursch. "Mijnentwege moogt gij hem begraven waar en wanneer gij wilt."

"Jongens," zeide George op een toon van gezag tot eenige negers, die er bij stonden, "helpt mij hem opnemen en naar mijnen wagen dragen, en haalt mij eene spa."

Een van hen liep heen om eene spa; twee anderen hielpen George om het lijk naar den wagen te dragen.

George zag niet eens om naar Legree, die zijne bevelen niet tegensprak, maar met gedwongen onverschilligheid stond te fluiten. Hij volgde hen met een strak gezicht naar de plaats, waar de wagen stond.

George spreidde zijn mantel in den wagen, en liet het lijk behoedzaam daarin leggen, de bank opschuivende om ruimte daarvoor te maken. Toen keerde hij zich om, keek Legree strak aan en zeide met gedwongen bedaardheid:

"Ik heb u nog niet gezegd wat ik over dit gruwelijk geval denk; dit is noch de tijd, noch de plaats. Maar, Mijnheer, dit onschuldig bloed zal recht hebben. Ik zal dezen moord bekend maken. Ik zal naar den eersten rechter gaan dien ik vind, en u aangeven."

"Doe dat," antwoordde Legree, hoonend met zijne vingers knippende. "Ik zal het u zelfs gaarne zien doen. Waar zult gij getuigen krijgen? Hoe zult gij het bewijzen? Kom maar op."

George begreep terstond hoe veilig Legree hem kon uitdagen. Er was geen blanke op de plantage, en in alle Zuidelijke gerechtshoven wordt de getuigenis van het gekleurde bloed voor niets geacht. Het was hem op dit oogenblik alsof de kreet om recht, dien zijn hart opzond, den hemel zelven moest binnendringen; maar het was vruchteloos, gerechtigheid op aarde te zoeken.

"Wat een gedoe, zou ik zeggen, om een dooden neger!" zeide Legree.

Dit woord was als de vonk in een kruitmagazijn. Voorzichtigheid is nooit de eerste deugd van een Kentuckisch jonkman geweest. George keerde zich om en gaf in zijne verontwaardiging Legree een vuistslag, die hem plat op zijn gezicht deed vallen; en terwijl hij daar bij hem stond gloeiende van gramschap en edelen trots, had hij geene slechte voorstelling kunnen geven van zijnen grooten naamgenoot, op het oogenblik zijner zegepraal over den draak.

Voor sommige menschen is het echter werkelijk nuttig als zij eens door een vuistslag op den grond gesmakt worden. Wanneer men hen maar eens plat in het stof legt, schijnen zij terstond eerbied voor iemand te krijgen, en Legree behoorde tot deze soort. Toen hij opstond en zich het stof van de kleeren sloeg, keek hij den wegrijdenden wagen met zekere onderdanigheid na en opende zijn mond niet vóórdat George geheel uit het gezicht was.

Buiten de grenzen der plantage had George een zandige hoogte opgemerkt, door eenige boomen beschaduwd. Daar maakten zij het graf.

"Zullen wij den mantel afdoen, meester?" zeide een van de negers, toen het graf gereed was.

"Neen, neen, begraaft hem daarmede. Het is alles wat ik u nu geven kan, arme Tom, en gij zult het hebben."

Zij legden het lijk in het graf, vulden het zwijgend weder met aarde, hoopten die tot een heuveltje op, en bedekten dat met groene zoden.

"Gij kunt gaan, jongens," zeide George en stopte ieder een halven dollar in de hand. Zij bleven echter dralen.

"Als meester zoo goed wou zijn om ons te koopen," zeide er een.

"Wij zouden hem zoo trouw dienen," zeide de ander.

"Het is hier heel erg, meester," hernam de eerste. "Och koop ons toch!"

"Ik kan niet—ik kan niet," antwoordde George met innig leedwezen, en wenkte hen om heen te gaan. "Het is onmogelijk."

De arme lieden gingen stil en treurig heen.

"Getuig, o eeuwig God," zeide George, op het graf van zijn armen vriend knielende, "getuig, dat ik van dit uur af doen zal wat één man kan doen, om dezen vloek der slavernij uit mijn land te drijven."

Geen gedenkteeken kenmerkt de laatste rustplaats van onzen vriend. Hij behoeft er geen. Zijn Heere weet waar hij ligt en zal hem opwekken tot onsterfelijkheid, om met Hem te verschijnen wanneer Hij in Zijnen heerlijkheid verschijnen zal.

Beklaag hem niet! Zulk een leven en zulk een dood vereischen geen beklag. Niet in den rijkdom der almacht is de grootste heerlijkheid Gods gelegen, maar in zelfverloochenende, lijdende liefde. En gezegend zijn de menschen, die Hij tot gemeenschap met Hem roept, om Hem het kruis met geduld na te dragen. Van dezulken staat het geschreven:

"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden."


Back to IndexNext