Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën omliepen.
Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten; het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid, die inderdaad onrustbarend was.
De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te wijten was aan een onder de negers—en zoover wij weten onder de blanken—heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan, weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht der spoken—dat het eenwit lakendroeg. De arme negers waren niet in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden in hunnelijklakensgillend en mommelend door de straten van Rome rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel, dat zij in dit opzicht allen overeenstemden.
Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde—de deuren uit en om het huis heenzweefde—nu verdween, dan weder verscheen, en eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering; en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit.
Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk; hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders; maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd, reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur, nam den sleutel er uit en ging naar bed.
Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare geduchte "misschiens"—die bevende en sidderende raadselvragen, die zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft, dien hij nietalleendurft ontmoeten—wiens stem gesmoord onder bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des oordeels blijft klinken!
Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en ging slapen.
Hij sliep, want hij was moede—hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks, dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij, maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open, hij zag eene hand die zijn licht uitdeed.
Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij het!—iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel op den grond in zwijm.
Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met woeste roekeloosheid.
Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun, die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde: "Kom, kom, kom!"
Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde.
De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad.
Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed, geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame, en Emmeline die van haar kamenier zou spelen.
Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon, was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden.
In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan.
De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar gekomen om op de stoomboot te wachten.
Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij evenals zij op de volgende boot wachtte.
Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan—iets waarop Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag.
Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut te bezorgen.
Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin met gedienstige zorgvuldigheid opgepast.
Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde, daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid, haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn.
Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de rivier opvaart.
Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon moest geweest zijn.
Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het bleek dat zij daarop lette.
Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en hem hare geschiedenis toe te vertrouwen.
George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en voort te helpen.
De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje van twaalf jaren, bij zich had.
Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde.
Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy, als zij hare deur openliet, het gesprek hooren.
Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste.
"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame DeThoux eens.
"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang met hem gehad."
"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel wilde laten blijken.
"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon.
"Hebt gij er nooit van gehoord—misschien hebt gij er wel van gehoord, dat hij een mulat had die George heette?"
"O zeker—George Harris—ik ken hem wel; hij is met eene meid van mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt."
"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!"
George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets.
Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in tranen uit.
"Hij is mijn broeder!" zeide zij.
"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing.
"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn broeder."
"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind terugschuivende en Madame De Thoux aanziende.
"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was," zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky, om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen."
"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden verkocht was," zeide George.
"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor een…."
"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge," vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was."
"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel.
"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke zangeres."
"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux.
"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."
George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.
Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"
"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond."
"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek.
George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was, maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten.
Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden later—maar wij loopen te veel vooruit.
Het overige onzer geschiedenis is spoedig verhaald. George Shelby, wiens belangstelling, (gelijk bij een jonkman niet anders wezen kon) niet minder door het romaneske van het gebeurde, dan door zijn menschlievend gevoel werd gewekt, moest de moeite doen van Cassy den koopbrief van Eliza over te zenden, en daar naam en datum overeenstemden met hetgeen zij zelve van de zaak wist, bleef er voor haar geen twijfel over, of deze Eliza was haar eigen kind. Thans was het haar eenige gedachte de vluchtelingen op te sporen.
Madame De Thoux en zij, door dezen zonderlingen samenloop van omstandigheden aan elkander gehecht, begaven zich terstond naar Canada en deden een reis, om navraag te doen op al de stations, waar de talrijke vluchtelingen uit de slavernij zich ophouden, te Amhertsberg vonden zij den zendeling bij wien George en Eliza bij hunne aankomst in Canada het eerst een schuilplaats hadden gevonden, en door hem werden zij in staat gesteld om het spoor der familie naar Montreal te volgen.
George en Eliza waren nu vijf jaren vrij geweest. George had bestendige bezigheden gevonden in de werkplaats van een braven machinist, waar hij genoeg verdiende tot onderhoud van zijn gezin, dat intusschen met eene dochter was vermeerderd.
Kleine Harry, thans een frisch opgegroeide, schrandere knaap, was op een goede school besteld, waar hij snelle vorderingen in allerlei kundigheden maakte.
De brave leeraar van het station te Amhertsberg, waar George het eerst was aangekomen, stelde zooveel belang in het verhaal van Madame De Thoux en Cassy, dat hij aan het verlangen der eerste gehoor gaf, om haar naar Montreal te vergezellen en haar in hare nasporingen aldaar behulpzaam te zijn, terwijl zij al de kosten der reis zou dragen.
Het tooneel wordt nu verplaatst naar eene kleine nette woning in eene buitenwijk van Montreal, en de tijd is avond. Een vroolijk vuur brandt aan den haard, eene theetafel met een sneeuwwit kleed bedekt, staat gereed voor den avondmaaltijd. In een hoek van het vertrek staat een tafel met een groen kleed, en daarop een schrijflessenaartje met pennen en papier, en aan den wand is een plank met welgekozen boeken.
Die hoek was George's studeerkamer. Dezelfde zucht naar kennis, die hem ter sluiks de veelgewenschte lees- en schrijfkunst had doen leeren, onder al den arbeid en de tegenheden van zijn vroeger leven, spoorde hem nu aan om al zijn ledigen tijd aan de vermeerdering zijner kundigheden te wijden.
Op het oogenblik zit hij aan tafel en maakt aanteekeningen uit een boek dat hij gelezen heeft.
"Kom, George," zegt Eliza, "ge zijt den geheelen dag uit geweest. Leg nu dat boek toch neer, en laten wij wat praten terwijl ik thee zet, kom!"
En de kleine Eliza helpt haar door naar haren vader te waggelen en eene poging te doen om hem het boek uit de hand te trekken en zich zelve in plaats daarvan op zijne knie te zetten.
"O, gij kleine heks," zegt George toegevende, gelijk een man in zulke omstandigheden altijd doen moet.
"Goed zoo," roept Eliza, terwijl zij het brood begint te snijden.
Zij ziet er een weinigje ouder uit, hare gestalte is wat meer gezet, heur haren zijn wat stemmiger opgemaakt dan voorheen, maar blijkbaar is zij zoo gelukkig en tevreden als eene vrouw maar behoeft te zijn.
"Wel Harry, mijn jongen, hoe zijt ge vandaag met die som klaargekomen?" zegt George, terwijl hij zijne hand op het hoofd van zijn zoontje legt.
Harry heeft zijne lange krullen verloren; maar hij kan nooit die oogen verliezen, en dat hooge edele voorhoofd, waarnaar een blos van zegevierende blijdschap opstijgt, terwijl hij antwoordde: "Ik heb haar gemaakt, heel en al zelf vader;niemandheeft mij geholpen."
"Goed zoo!" zegt zijn vader. "Help u zelven maar, jongen. Gij hebt beter kans dan uwe vader ooit gehad heeft."
Op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt en Eliza gaat opendoen. Haar verheugd: "Wel heden—zijt gij daar?" roept haar man; en de goede zendeling van Amhertsberg wordt verwelkomd. Hij heeft twee vrouwen bij zich en Eliza verzoekt dezen om te gaan zitten.
Om nu de waarheid te zeggen, had de goede zendeling een klein programma vastgesteld, volgens hetwelk de zaak zich moest ontwikkelen; en onderweg had hij allen zeer ernstig en bedachtzaam vermaand, om niets te laten blijken behalve volgens vroegere afspraak.
Hoe stond de goede man dus versteld, toen, juist nadat hij de dames gewenkt had om plaats te nemen, en terwijl hij zijn zakdoek uithaalde om zijn mond af te vegen, opdat hij naar behooren zijne inleidingsrede zou kunnen voordragen, Madame De Thoux het geheele plan in duigen wierp, door hare armen om George's hals te slaan en alles in eens uit te brengen, met den uitroep: "O, George, kent ge mij niet? Ik ben uwe zuster Emily!"
Cassy was met meer bedaardheid gaan zitten, en zou hare rol zeer goed gespeeld hebben, zoo niet de kleine Eliza eensklaps voor haar was verschenen in dezelfde gedaante, zelfs met de volmaakste gelijkenis in elke krul, die hare dochter had, toen zij deze voor het laatst had gezien. Het kleine ding keek naar haar op; en Cassy sloot haar in hare armen, drukte haar aan hare borst, en zeide wat zij op het oogenblik inderdaad geloofde: "Lieveling, ik ben uwe moeder!"
Het was inderdaad eene moeilijke zaak om in behoorlijke orde af te doen; maar eindelijk gelukte het den goeden zendeling toch om iedereen stil te krijgen en de redevoering uit te spreken, waarmede hij voornemens was te beginnen en waarmede hij nu toch zooveel indruk maakte, dat geheel zijn gehoor zat te snikken op eene manier, die elken redenaar, uit ouden of nieuwen tijd, moest tevreden stellen.
Zij knielden te zamen, en de goede man bad—want er zijn sommige aandoeningen, zoo woelig en onstuimig, dat zij alleen rust kunnen vinden door in den boezem van de Almachtige Liefde te worden uitgestort; en toen opstaande, omhelsden de pas gevonden betrekkingen elkander met een heilig vertrouwen op Hem, die hen door zulke angsten en gevaren, langs zulke zonderlinge wegen, bij elkander had gebracht.
Het aanteekenboekje van een zendeling onder de vluchtelingen in Canada bevat waarheid, veel vreemder dan verdichting. Hoe kan het anders wezen, waar een stelsel heerscht; dat familiën rondslingert en hare leden verstrooit, gelijk de wind de herfstbladeren rondslingert en verstrooit? Die kusten van toevlucht vereenigen dikwijls weder, gelijk de kusten van de eeuwigheid, in blijde gemeenschap, harten, die elkander jarenlang als verloren betreurd hebben en aandoenlijk boven alle beschrijving is het ernstige verlangen, waarmede elk nieuw aankomende onder hen ontvangen wordt, of hij misschien ook tijding medebrengt van moeder, zuster, vrouw of kind, nog in den nacht der slavernij voor het gezicht verborgen.
Heldendaden worden hier verricht, stouter dan in romans voorkomen, wanneer de vluchteling, gevaar en dood tartende, zich weder tusschen de verschrikkingen en gevaren van dat donkere land begeeft, om eene zuster, moeder of vrouw daaruit te verlossen.
Een jonkman, van wien een zendeling ons verhaald heeft, tweemaal opgevangen en tweemaal met schandelijke slagen voor zijne heldhaftigheid gestraft, was wederom ontsnapt; en in eenen brief, dien wij hoorden voorlezen, zegt hij zijnen vrienden dat hij voor de derde maal teruggaat, om eindelijk als het mogelijk is zijne zuster mede te brengen. Mijn goede heer, is deze man een held of een misdadiger? Zoudt gij niet evenveel voor uwe zuster doen? En gij kunt hem laken?
Doch om weder tot onze vrienden terug te keeren, die toen wij hen verlieten bezig waren met zich de oogen af te vegen en zich te herstellen van eene al te groote en plotselinge blijdschap—zij zijn nu om de gezellige tafel gezeten, en schijnen reeds lang met elkander eigen te zijn; behalve dat Cassy, die de kleine Eliza op haren schoot heeft, haar nu en dan vastklemt op eene manier welke het kind verbaast, en hardnekkig weigert zich den mond zoo vol koek te laten stoppen als de kleine verlangt, zeggende hetgeen het meisje tamelijk bevreemdt, dat zij wat beters heeft dan koek en geen eten noodig heeft.
En inderdaad, in twee of drie dagen had er zulk een verandering met Cassy plaats gehad, dat onze lezers haar nauwelijks zouden herkennen. De wanhopige, akelige uitdrukking harer trekken had voor eene geheel andere plaats gemaakt, die niets dan zoet vertrouwen aanduidde. Zij scheen op eens geheel eigen in de familie te worden, en de kleinen in haar hart op te nemen, als iets waarnaar zij lang had gewacht. Haar liefde scheen zelfs rijkelijker en natuurlijker voor de kleine Eliza op te wellen, dan voor hare eigene dochter, want het meisje was het volmaakte beeld van het kind dat zij eens verloren had. De kleine was een bloemenband tusschen moeder en dochter, waardoor kennismaking en genegenheid werden aangeknoopt. Eliza's kalme, onwankelbare godsvrucht, door de gedurige lezing van het heilige woord bestuurd, maakte haar tot eene geschikte leidsvrouw voor den geslingerden en vermoeiden geest harer moeder. Cassy zwichtte terstond en met geheel hare ziel voor allen goeden invloed, en werd eene vrome en liefderijke christinne.
Na een paar dagen sprak Madame De Thoux met haren broeder meer in het bijzonder over hare aangelegenheden. De dood van haren echtgenoot had haar in het bezit van een aanzienlijk vermogen gelaten, dat zij grootmoedig aanbood met haren broeder te deelen. Toen zij George vroeg op welke wijze zij haar geld het best voor hem besteden kon, antwoordde hij:
"Geef mij eene opvoeding Emily. Dat is altijd het verlangen van mijn hart geweest. Dan kan ik al het overige doen."
Na rijp beraad werd er besloten, dat de geheele familie zich voor eenige jaren naar Frankrijk zou begeven, en daarheen vertrokken zij dan ook, Emmeline met zich nemende.
De bevalligheid van dit meisje wekte de genegenheid van den eersten stuurman op het schip, waarmede zij de reis deden, en kort nadat zij in de haven kwamen werd zij zijne vrouw.
George bleef vier jaren aan eene Fransche universiteit, en daar hij met onvermoeiden ijver arbeidde, was hij na verloop van dien tijd meester van even grondige als uitgebreide kundigheden.
De staatkundige onlusten in Frankrijk bewogen de familie om wederom eene schuilplaats in Amerika te zoeken.
George's begrippen en inzichten, na het volbrengen zijner studiën, zullen het best kunnen worden opgemaakt uit een brief aan een zijner vrienden.
"Ik ben eenigszins besluiteloos wat mijne toekomstige loopbaan betreft. Het is waar, gelijk gij mij gezegd hebt, ik zou in de kringen der blanken in dit land kunnen verkeeren; mijne tint van kleur is zoo gering, en die van mijne vrouw en kinderen nauwelijks merkbaar. Nu ja, ik zou misschien geduld worden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik verlang dit niet.
"Ik gevoel mij niet aan het geslacht van mijnen vader, maar aan dat mijner moeder gehecht. Voor hem was ik niet meer dan een geliefkoosde hond of een fraai paard; voor mijne arme, ongelukkige moeder was ik een kind, en hoewel ik haar na de wreede verkooping die ons scheidde nooit heb wedergezien tot zij stierf, weet ik toch dat zij mij altijd teeder liefhad. Ik weet dat aan mijn eigen hart. Wanneer ik aan haar lijden denk, aan wat ik zelf vroeger geleden heb, aan wat mijne heldhaftige vrouw heeft doorstaan en doorworsteld, aan mijne zuster die te New-Orleans op de slavenmarkt werd verkocht—hoewel ik geen onchristelijk gevoel hoop te koesteren, zal het wel bij mij te verschoonen zijn, als ik zeg dat ik niet verlang voor een Amerikaan door te gaan, of mij met hen gelijk te stellen.
"Het is met den verdrukten Afrikaan, dat ik mij verbroederen wil; en als ik iets wenschte, zou het zijn dat ik twee tinten donkerder was, in plaats van eene tint lichter.
"Het smachtende verlangen mijner ziel is eene Afrikaansche nationaliteit. Ik wensch een volk, dat een zichtbaar afzonderlijk eigen bestaan heeft; en waar zal ik dat zoeken? Niet op Haïti; want op Haïti had men niets om mede te beginnen. Een stroom kan niet boven zijne bron rijzen. Het geslacht, dat het karakter der Haïtianen vormde, was een versleten en verwijfd geslacht, en natuurlijk zal het eeuwen lang duren, eer het eens daaraan onderworpen geslacht zich tot iets verheft.
"Waar zal ik dan zoeken? Op de kusten van Afrika zie ik eene republiek, eene republiek gevormd uit uitgelezen mannen, die zich veelal door geestkracht en eigen ontwikkeling persoonlijk boven den staat van slavernij hebben verheven. Nadat zij een voorbereidenden toestand van zwakheid heeft doorleefd, is deze republiek eindelijk eene erkende natie op het aangezicht des aardrijks geworden—door Engeland en Frankrijk beide erkend. Daar verlang ik heen te gaan en een vaderland te vinden.
"Ik weet wel dat ik u allen tegen mij zal hebben, maar eer gij vonnis velt, hoor mij aan. Gedurende mijn verblijf in Frankrijk heb ik met vurige belangstelling de geschiedenis van mijn volk in Amerika nagegaan. Ik heb op de worsteling tusschen abolitionisten en colonisationisten gelet, en als verwijderd toeschouwer ben ik op gedachten gekomen die mij als deelnemer aan dien kamp nooit hadden kunnen invallen.
"Ik geef toe dat dit Liberia tot allerlei oogmerken gebruikt mag zijn en door de list onzer onderdrukkers tegen ons is aangewend. Zonder twijfel kan het plan, op eene onverschoonlijke manier, gebezigd zijn als een middel om onze emancipatie te verdagen. Maar voor mij is de vraag: is er niet een God boven alle menschelijke plannen en aanslagen? Kan Hij hunne oogmerken niet hebben verijdeld en daardoor een volk voor ons hebben gesticht?
"In dezen tijd wordt een volk in éénen dag geboren. Een volk, dat thans ontstaat, heeft de oplossing van al de groote vraagstukken, die met republikeinsche staatsinstelling en beschaving in verband staan, uitgewerkt vóór zich; het behoeft niet te ontdekken, maar alleen toe te passen. Laten wij dan met al onze macht handen aan het werk slaan en zien wat wij met deze nieuwe onderneming kunnen doen, en het geheele, heerlijke vasteland van Afrika ligt voor ons en onze kinderen open. Ons volk zal den stroom der beschaving en des Christendoms langs zijne kusten voortstuwen en daar machtige republieken vestigen, die met de snelheid van den tropischen plantengroei vastwortelende, voor alle eeuwen zullen blijven bestaan.
"Zegt gij dat ik mijne ongelukkige broederen, die nog in slavernij verkeeren, verlaat? Ik geloof van neen. Als ik hen een uur, een oogenblik van mijn leven vergeet, zoo moge God mij vergeten! Maar wat kan ik hier voor hen doen? Kan ik hunne ketenen verbreken? Neen, als individu kan ik dat niet; maar laat ik heengaan en een deel worden van een volk, dat eene stem zal hebben in den raad der volken, en dan kunnen wij spreken. Een volk bezit het recht om zich te doen hooren en de zaak van zijnen stam te vertegenwoordigen, dat een enkel persoon niet bezit.
"Indien Europa ooit een groote raad van vrije volken wordt, gelijk ik van God vertrouw dat het worden zal—indien de lijfeigenschap en alle onrechtvaardige en drukkende maatschappelijke ongelijkheden afgeschaft worden, en indien zij, gelijk Frankrijk en Engeland gedaan hebben, ons volksbestaan erkennen—dan zullen wij ons op het groote congres der volken beroepen en daarin de zaak van onzen verdrukten stam vertegenwoordigen; en het kan niet anders of het vrije, verlichte Amerika zal dan verlangen om de vlek van zijn wapenschild uit te delgen, welke het voor de volken onteert en zoowel voor de verdrukkers als de verdrukten een vloek is.
"Doch gij zult mij zeggen, dat onze stam evenveel recht heeft om zich met de Amerikaansche republiek te vereenzelvigen als de Ier, de Duitscher, de Zweed. Toegestemd, dat heeft hij. Wij behoorden vrijheid te hebben om ons met anderen gelijk te stellen en te vermengen—om ons door persoonlijke waarde hooger te verheffen, zonder eenig aanzien van stam en kleur; en zij, die ons dat recht ontzeggen, verzaken de beginselen van menschelijke gelijkheid die zij belijden. Wij behoorden in het bijzonder dit hier te mogen doen. Wij hebben meer recht dan gewone menschen—wij hebben als verongelijkte stam aanspraak op vergoeding. Maar ik verlang dit niet; ik verlang een eigen vaderland en volk. Ik denk dat de Afrikaansche stam eigenaardigheden bezit, die nog in het licht der beschaving en des Christendoms ontwikkeld moeten worden, en welke, indien zij niet naar de eigenaardigheden der Anglo-Saksers gelijken, misschien kunnen blijken van nog hoogeren zedelijken rang te zijn.
"Aan den Anglo-Saksischen stam is de bestemming der wereld toevertrouwd gedurende haar aanvankelijk tijdperk van worsteling en strijd. Voor die roeping waren de stugge, onbuigzame, krachtige eigenschappen van dien stam uitmuntend geschikt; maar als christen verwacht ik de komst van een ander tijdperk. Ik vertrouw dat wij op de grens daarvan staan; en de woelingen, die tegenwoordig de volken beroeren, zijn naar ik hoop slechts de voorboden van een tijd van algemeenen vrede en broederschap.
"Ik vertrouw dat de ontwikkeling van Afrika wezenlijk eene christelijke zal zijn. Indien geen heerschende en gebiedende stam, zijn de negers ten minste een liefderijke, grootmoedige, vergevensgezinde stam. Zij worden geroepen, terwijl zij zich in den vurigen oven van onrecht en onderdrukking bevinden, zij moeten dus wel hunne harten te vaster hechten aan die verheven leer van liefde en vergevensgezindheid, waardoor zij alleen kunnen overwinnen, en welke het hunne roeping is over het vasteland van Afrika te verbreiden.
"Op mij zelven, beken ik, ben ik zwak daartoe; de helft van het bloed in mijne aderen is het heete en haastige Saksische; maar ik heb eene welsprekende predikster van het Evangelie altijd bij mij, in mijne beminnelijke vrouw. Wanneer ik afdwaal, wijst haar zachtere geest mij terecht en houdt mij de christelijke roeping en bestemming van onzen stam voor oogen. Als een christelijk patriot, als een leeraar des Christendoms, ga ik naar mijn vaderland—mijn uitverkoren, mijn heerlijk Afrika—en daarop pas ik in mijn hart somtijds de heilrijke woorden toe der profetie:
"In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige heerlijkheid, tot eene vreugde van geslachte tot geslachte!"
"Gij zult mij een enthousiast noemen; gij zult mij zeggen dat ik niet wel overwogen heb wat ik onderneem. Maar ik heb het overwogen en de kosten berekend. Ik ga naar Liberia, niet als naar een romantisch Elysium, maar als naar een veld van arbeid. Ik ben van plan met geest en lichaam te werken—zwaar te werken; te werken tegen allerlei moeielijkheden en ontmoedigende bezwaren in; en te werken tot ik sterf. Dat is het waarom ik er heenga, en daarin ben ik volkomen zeker, dat ik niet teleurgesteld zal worden. "Wat gij ook van mijn besluit denken moogt, verban mij niet uit uw vertrouwen, en denk dat ik in al wat ik doe, handel met een hart, dat geheel aan mijn volk is toegewijd.
"George Harris."
Eenige weken later scheepte George zich met zijne vrouw en kinderen, zuster en moeder naar Afrika in. Indien wij ons niet bedriegen, zal de wereld nog daar van hem hooren.
Van de andere personen in ons verhaal hebben wij niets bijzonders te melden, behalve een enkel woord, aangaande Miss Ophelia en Topsy en een afscheids-hoofdstuk dat wij aan George Shelby zullen wijden.
Miss Ophelia nam Topsy mede naar Vermont, tot groote verwondering van die deftige beraadslagende macht, die een Nieuw-Engelschman onder den naam van "our folks" erkent. Our folks meenden in het eerst, dat dit eene zeer zonderlinge en onnoodige vermeerdering van het stille en geregelde huishouden was; maar Ophelia was zoo standvastig in hare gemoedelijke pogingen om haar plicht jegens hare élève te vervullen, dat het kind spoedig bij de familie en de buurt in de gunst kwam. Toen zij bijna volwassen was, werd Topsy op haar eigen verzoek gedoopt en lid der christelijke kerk in hare woonplaats; en zij toonde zooveel verstand, werkzaamheid, ijver en verlangen om in de wereld goed te doen, dat zij eindelijk werd aanbevolen en aangenomen als zendelinge naar een der stations in Afrika, en wij hebben gehoord dat dezelfde rusteloosheid en schranderheid, die haar als kind zoo onuitputtelijk in kuren maakten, thans heilzaam worden aangewend tot het onderwijs van kinderen in haar eigen land.
P.S.—Het zal sommige moeders genoegen doen nog te vernemen, dat de nasporingen door Madame De Thoux bewerkstelligd, onlangs zijn bekroond met de ontdekking van Cassy's zoon. Reeds als jongeling krachtig van karakter en ondernemend van aard, was hij eenige jaren vóór zijne moeder ontsnapt en door de vrienden der onderdrukten in het Noorden opgenomen en opgevoed. Hij zal spoedig zijn familie naar Afrika volgen.
George Shelby had zijne moeder slechts met een enkelen regel den dag gemeld, waarop zij hem tehuis kon verwachten. Hij had het hart niet om over het sterven van zijnen ouden vriend te schrijven. Hij had dit verscheidene malen beproefd, en telkens had hij, bijna stikkende van aandoening, het papier verscheurd, zijne oogen afgeveegd en de vrije lucht gezocht om tot bedaren te komen.
Er heerschte eene vroolijke drukte in de woning der Shelby's op den dag, dat men de aankomst van den jongen meester verwachtte.
Mevrouw Shelby zat in de nette voorkamer, waaruit een vroolijk houtvuur de kilheid van den herfstavond verdreef. Er stond eene tafel met zilverwerk en geslepen glas bedekt, hetwelk onze oude vriendin Chloe nog bezig was te schikken.
In nieuw glanzig sits gekleed, met een schoon wit voorschoot, en een hoogen, welgesteven tulband, terwijl haar blinkend zwart gezicht van genoegen gloeide, bleef zij, met noodelooze oplettendheid, nog het een en ander op de tafel verschikken, alleen om een voorwendsel te hebben om nog wat met hare meesteres te praten.
"O, of hem dat ook bevallen zal!" zeide zij. "Daar—ik zet zijn bord net waar hij het zoo graag heeft—naast het vuur. Meester George houdt altijd van een warm plaatsje. Och, loop heen! Waarom heeft Sally den besten trekpot niet uitgezet—den kleinen nieuwen, dien meester George met Kerstmis voor mevrouw heeft gekocht? Ik zal hem nog krijgen. En mevrouw heeft van meester George gehoord?" voegde zij er vragend bij.
"Ja, Chloe; maar een enkelen regel alleen om te zeggen, dat hij van avond tehuis zou zijn als hij kon—anders niet."
"Hij heeft niets van mijnen goeden man gezegd, zou ik denken?" zeideChloe, nog met theegoed futselende.
"Neen, dat heeft hij niet. Hij heeft van niets geschreven, Chloe, dan alleen dat hij alles verhalen zou als hij tehuis kwam."
"Geheel en al meester George! Hij is er altijd zoo op gesteld om alles zelf te vertellen. Daar heb ik bij meester George altijd op gelet. Ik voor mij begrijp het ook niet, hoe blanke menschen zooveel kunnen schrijven als zij gewoonlijk doen; het schrijven is zulk een langzaam ongemakkelijk werk."
Mevrouw Shelby glimlachte.
"Ik denk haast dat mijn goede man de jongens en de kleine meid niet meer zal kennen. Och, zij is nu al een groote meid, en goed is zij ook en schrander, dat is Polly. Zij is nu naar huis en past op den koek. Ik heb hetzelfde fatsoen gemaakt, waar mijn goede man zooveel van hield, en dat ik hem nog gaf op den ochtend toen hij weg moest. Och, och, wat was ik dien ochtend van streek!"
Mevrouw Shelby zuchtte op dit gezegde en voelde zich het hart beklemd. Sedert het ontvangen van George's brief was zij aanhoudend ongerust geweest dat er achter den sluier van stilzwijgen, dien hij niet had willen oplichten, iets verborgen mocht zijn.
"Mevrouw heeft immers die briefjes wel?" zeide Chloe met zekere bezorgdheid.
"Ja, Chloe."
"Omdat ik mijn goeden man zoo graag de eigenste briefjes wilde laten zien, die de banketbakker mij gegeven heeft.—"En Chloe," zeide hij, "ik wou dat ge nog langer kondt blijven."—"Dank je, meester," zeide ik: "dat zou ik wel, maar mijn goede man komt naar huis, en mevrouw kan het niet langer zonder mij stellen." Dat is net wat ik hem gezegd heb. Een heel aardig man was die Mijnheer Jones."
Chloe had er stijfhoofdig op aangedrongen, dat dezelfde banknoten, waarmede haar loon betaald was, bewaard zouden worden, om ze haren man als bewijzen van knapheid te laten zien, en Mevrouw Shelby had zich gewillig naar den inval geschikt.
"Hij zal Polly niet kennen—dat zal mijn goede man niet. Och, het is vijf jaren geleden, dat zij hem weggehaald hebben. Zij was toen nog zoo klein—zij kon pas even staan. Ik weet nog wel hoe hij placht te lachen, als zij zoo omrolde als zij wilde loopen. Och, och!"
Nu hoorde men het geratel van wielen.
"Meester George!" zeide Tante Chloe, zich naar het venster haastende.
Mevrouw Shelby ging naar de voordeur en werd door haren zoon in de armen gesloten; Chloe stond met angstig verlangen in de duisternis te turen.
"Och, arme Tante Chloe!" zeide George medelijdend naar haar toekomende, en hare zwarte hand tusschen beide de zijne vattende. "Ik had geheel mijn vermogen willen geven om hem mede te brengen; maar hij is naar een beter land gegaan."
Mevrouw Shelby liet eene hartstochtelijke uitroep hooren, maar Chloe zeide niets.
Men ging naar de kamer. Het geld waarop Chloe zoo trotsch was geweest, lag nog op tafel.
"Daar," zeide zij, het opnemende en met eene bevende hand aan hare meesteres toereikende; "ik wil het nooit weer zien of er van hooren. Het is net zooals ik dacht dat het wezen zou: verkocht en vermoord op die oude plantages."
Chloe keerde zich om en ging trotsch de kamer uit. Mevrouw Shelby volgde haar stil, nam haar bij de hand, trok haar zacht weder terug en zette haar naast zich op een stoel.
"Mijn arme, goede Chloe!" zeide zij.
Chloe liet haar hoofd op den schouder harer meesteres zinken en snikte:
"O, Mevrouw, verschoon mij. Mijn hart is gebroken—dat is het al."
"Dat weet ik," zeide Mevrouw Shelby met tranen op de wangen, "en ik kan het niet genezen; maar dat kan Jezus doen. Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hunne wonden."
Een tijdlang heerschte er stilte en schreiden allen met elkander. Eindelijk zette George zich naast de treurende vrouw, nam haar bij de hand en verhaalde met aandoenlijke eenvoudigheid het zegevierende sterven van haren man en de laatste boodschappen, die zijne liefde hem had opgedragen.
Omtrent een maand later werden al de bedienden en arbeiders op het goed bijeengeroepen in de groote voorzaal, die het geheele huis doorliep, om iets aan te hooren, dat hun jonge meester hun te zeggen had.
Tot aller verwondering kwam hij met een bundel papieren in de hand—vrijbrieven voor allen die op het goed waren, welke hij een voor een voorlas, en onder het schreien, het snikken en de vreugdekreten der aanwezigen overgaf.
Velen echter drongen zich om hem heen en baden hem ernstig om hen niet weg te zenden, terwijl zij met angstige gezichten hunne vrijbrieven wilden teruggeven.
"Wij willen niet vrijer wezen dan wij zijn. Wij hebben al wat wij verlangen, wij willen de oude plaats niet verlaten; wij willen niet van meester en mevrouw en de anderen af."
"Goede vrienden," zeide George, zoodra hij stilte kon bekomen, "het is niet noodig dat ge mij verlaat. Het goed heeft evenveel handen noodig om het te bewerken, als te voren. In huis hebben wij evenveel bedienden noodig als vroeger. Maar nu zijt gij vrije mannen en vrije vrouwen.Ikzal u loon voor uw werk betalen, gelijk wij zullen overeenkomen. Het goede hiervan is, dat gij, als ik mocht sterven, of in schulden geraken—dat gebeurlijke dingen zijn—nu niet kunt aangeslagen en verkocht worden. Ik denk het goed aan te houden en u te leeren—waartoe gij misschien eenigen tijd zult noodig hebben—hoe gij de rechten, die ik u als vrije mannen en vrouwen gegeven heb, moet gebruiken. Ik verwacht dat gij braaf zult zijn en gewillig om te leeren, en ik hoop in God, dat ik getrouw zal zijn en gewillig om u te onderrichten. En nu, mijne vrienden, ziet omhoog en dank God voor den zegen der vrijheid!"
Een hoogbejaard negerpatriarch, die op het goed grijs en blind geworden was, hief nu zijne bevende hand op en zeide: "Laten wij den Heere onzen dank brengen!" Allen knielden, en een treffender Te Deum steeg nooit ten hemel, schoon het niet door orgelklank, klokgelui en geschutgebulder werd vergezeld, dan thans uit dat oude oprechte hart werd opgezonden.
Toen zij opgestaan waren, hief een ander een Methodistisch lied aan, waarvan het refrein was:
"'t Jubeljaar is nu gekomen,—Losgekochten, gaat naar huis."
"Nog iets," zeide George, toen dit lied gezongen was. "Gij allen herinnert u onzen goeden Oom Tom wel?"
Daarop liet hij een kort verhaal van zijn sterven volgen, en nadat hij zijn liefderijken afscheidsgroet aan allen had overgebracht, besloot hij:
"Het was op zijn graf, mijne vrienden, dat ik mij voor God voornam, dat ik nooit weder een slaaf in eigendom wilde houden, als het mogelijk was hem vrij te maken; dat niemand door mij ooit gevaar zou loopen om van huis en vrienden gescheiden te worden, en op eene eenzame plantage te sterven, gelijk hij gestorven is. Denkt dus, als gij u in uwe vrijheid verheugt, dat gij alles aan dien goeden, ouden man te danken hebt, en vergeldt het met goedheid en vriendelijkheid voor zijne vrouw en kinderen. Denkt aan uwe vrijheid, zoo dikwijls gij de hut van Oom Tom ziet; en laat die Negerhut een gedenkteeken zijn, dat u allen moet herinneren om zijne voetstappen te volgen, en zoo eerlijk, zoo getrouw en zoo Christelijk te zijn als hij geweest is."