NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Men hoort dikwijls van de droefheid der negerslaven over het verlies van een goeden meester; en maar al te veel reden hebben zij om bedroefd daarover te zijn, want geen schepsel op Gods aarde kan ongelukkiger en hulpeloozer achterblijven dan een slaaf in zulke omstandigheden.

Het kind, dat zijn vader heeft verloren, heeft nog de bescherming van nabestaanden of die der wet; het is iets en kan iets doen—het heeft eene positie en erkende rechten; de slaaf heeft niets daarvan. De wet houdt hem in alle opzichten voor zoo geheel zonder eigen rechten als eene baal koopwaren. De eenig mogelijke erkenning der verlangens en behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem ten deel valt, heeft hij aan de oppermachtige willekeur van zijnen meester te danken. Dit weet iedereen en de slaaf het best van allen, en hij gevoelt dus, dat hij tien kansen heeft, om een grillig en tiranniek meester te vinden, tegen eene om een goedaardig en menschlievend heer te bekomen. Daarom is het, dat de rouwklacht over een goed meester zoo luid en lang is, en wezen mag.

Toen St. Clare den adem uitblies, werden al zijne onderhoorigen door verbijsterden schrik overstelpt. Hij was zoo in een oogenblik in den bloei en de kracht zijner jeugd neergeveld! Elke kamer en galerij van het huis weergalmde van het snikken en gillen der wanhoop.

Marie, wier zenuwgestel door hare weekelijke levenswijs geheel was ondermijnd, had niets om haar bij dien schok te ondersteunen. Toen haar echtgenoot den laatsten snik gaf, kreeg zij flauwte op flauwte, en hij, met wien zij door den heiligen huwelijksband was verbonden, was voor altijd van haar gescheiden, zonder dat het zelfs mogelijk was geweest een afscheidswoord te spreken.

Ophelia was met haar eigenaardige geestkracht en zelfbeheersching tot het laatste toe bij haren neef gebleven—geheel oog, geheel oor, geheel oplettendheid om het weinige te doen, dat er nog gedaan kon worden,—en had met geheel haar hart ingestemd in het teedere en vurige gebed, dat door den armen slaaf voor de ziel van zijnen stervenden meester werd opgezonden.

Toen men hem schikte voor zijne laatste rust, vond men op zijne borst een eenvoudig medaillon, dat met eene veer opensprong. Daarin was het miniatuur-portretje eener vrouw van edele schoonheid, en aan de achterzijde onder glas een lok donker haar. Zij plaatsten het weder op de levenlooze borst—stof bij stof—die treurige overblijfselen van vroegere droomen, die het nu koude hart eens zoo warm hadden doen kloppen.

Toms geheele ziel was met gedachten aan de eeuwigheid vervuld, en terwijl hij aan dat levenlooze stof de laatste diensten bewees, dacht hij niet eens aan den plotselingen slag, die hem in hopelooze slavernij had gelaten. Hij voelde zich gerust over zijnen meester; want in dat uur, toen hij zijn gebed in den boezem van zijnen Vader had uitgestort, had hij in zich zelven een antwoord voelen opwellen, dat zijn gemoed bevredigde. In de diepte van zijn eigen liefderijk hart had hij iets van de volheid der goddelijke liefde kunnen bevatten, want een oud orakel had aldus geschreven: "Hij die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem." Tom hoopte en vertrouwde, en was gerust.

De begrafenis liep af met al haar praal van zwart en krip, van gebeden en strakke gezichten; en de koude, troebele golven van het dagelijksch leven rolden weder voort, en toen kwam de altijd weder opnieuw gehoorde vraag op: "Wat moet er nu gedaan worden?"

Deze vraag kwam bij Marie op toen zij, in een los ochtendgewaad gekleed, en door angstige bedienden omringd, in een grooten leuningstoel opzat, en stalen en rouwgoed bezichtigde. Zij kwam ook bij Ophelia op, die aan haar tehuis in het Noorden begon te denken. Zij kwam ook met stille ontzetting bij de slaven op, die maar al te wel het gevoellooze grillige karakter van hunne meesteres kenden, in wier handen zij gelaten waren. Allen wisten zeer wel, dat de zachtheid, waarmede zij behandeld waren, niet van hunne meesteres, maar van hunnen meester afkomstig was; en dat er, nu hij niet meer leefde, niets meer was om hen te beschermen tegen alle tirannieke kwellingen, die een gemoed dat door verdriet verbitterd was zou kunnen uitdenken.

Het was omtrent veertien dagen na de begrafenis, toen Ophelia, in hare kamer bezig, zacht aan hare deur hoorde kloppen. Zij opende die en daar stond Rosa, de fraaie jonge quadrone, van wie wij vroeger meermalen gesproken hebben, met loshangende haren en oogen, gezwollen van het schreien.

"O, Miss Phelia!" zeide zij, op hare knieën vallende en den zoom van haar kleed vattende, "ga toch voor mij naar Miss Marie! Spreek toch voor mij! Zij wil mij zenden om gegeeseld te worden—zie hier!" En zij gaf Ophelia een papier over.

Het was eene order, met Maries fijne Italiaansche hand geschreven, aan den meester van het "geesel-etablissement", om aan de brengster vijftien zweepslagen te geven.

"Wat hebt gij dan gedaan?" zeide Ophelia.

"Gij weet wel, Miss Phelia, ik heb zulk een driftig humeur, en dat is heel slecht van mij. Ik paste Miss Marie een kleedje, en zij gaf mij een klap in het gezicht, en toen sprak ik vóór ik dacht en was brutaal; en zij zeide dat zij mij wel klein zou krijgen, en mij voor eens en altijd leeren dat ik niet meer zooveel verbeelding moest hebben als voorheen; en toen schreef zij dit en zei dat ik het brengen moet. Ik had liever dat zij mij ineens doodsloeg."

Ophelia stond zich met het papier in de hand te bedenken.

"Gij ziet het wel, Miss Phelia," hervatte Rosa, "ik zou niet zooveel om het slaan geven, als Miss Marie of gij het deedt; maar, naar een man gezonden te worden—en zulk een afschuwelijk man—en de schande daarvan, Miss Phelia!"

Ophelia wist wel dat het een algemeen gebruik was, vrouwen en meisjes naar de geeselhuizen te zenden, onder de handen der gemeenste kerels—laaghartig genoeg om zoo iets tot hun beroep te maken—om daar eene schandelijke ontblooting en tuchtiging te ondergaan. Zij had dit vroeger wel geweten, maar het zich nog nooit recht voorgesteld, vóórdat zij de tengere gestalte van Rosa stuipachtig zag rillen van angst. Al haar edel vrouwelijk bloed, het krachtige, vrije bloed van Nieuw-Engeland, steeg haar naar de wangen en klopte onstuimig in haar verontwaardigd hart; maar met hare gewone voorzichtigheid en zelfbeheersching bedwong zij zich, en het papier in hare hand samenknijpende, zeide zij tegen Rosa slechts: "Ga hier zitten, kind, terwijl ik naar uwe meesteres ga."

"Schandelijk! barbaarsch! verfoeielijk!" zeide zij bij zich zelve, terwijl zij naar de voorkamer ging.

Zij vond Marie in haren leuningstoel zitten. Mammy was bezig met haar het haar te kammen en Jane, die vóór haar op den grond zat met hare voeten te wrijven.

"Hoe bevindt ge u vandaag?" zeide Ophelia.

Een zware zucht met dichtgeknepen oogen was het eerste antwoord, en daarop zeide Marie: "Och, ik weet het niet, Nicht. Ik denk haast dat ik zoo wel ben, als ik ooit wezen zal." En zij veegde hare oogen af met een zakdoek, die een zwarten rand had van een duim breed.

"Ik kwam," zeide Ophelia met een droog kuchje, gelijk meestal tot inleiding van een netelig onderwerp moet dienen, "ik kwam om eens met u over die arme Rosa te spreken."

Marie opende nu hare oogen wijd genoeg, en er kwam een blos op hare vale wangen, toen zij met scherpheid antwoordde:

"Wel, wat is er met haar?"

"Zij heeft veel spijt over hare fout."

"Zoo, heeft zij dat? Zij zal nog wel meer spijt hebben, eer ik met haar heb afgedaan. Ik heb de onbeschaamdheid van dat kind lang genoeg verdragen, en nu zal ik haar vernederen—ik zal haar in het stof doen kruipen."

"Maar zoudt gij haar niet op eene andere manier kunnen straffen, die minder schandelijk was?"

"Ik bedoelde haar schande aan te doen; dat is juist wat ik wil. Zij is altijd grootsch geweest op hare mooiheid en fijnheid en hare damesachtige manieren, tot zij vergeten heeft wat zij is; en ik zal haar eene les geven, die haar wel van hare verbeelding genezen zal, naar ik denk."

"Maar, Nicht, bedenk dat als gij de kieschheid en schaamte bij een jong meisje verdooft, zij spoedig tot alle slechtheid in staat moet worden."

"Kieschheid!" zeide Marie, met eenen schamperen lach; "een mooi woord voor zulken als zij! Ik zal haar leeren dat zij met al hare airs niet beter is dan de vuilste slet die langs de straat loopt. Zij zal zich bij mij geene airs geven."

"Gij zult bij God verantwoordelijk zijn voor zulk eene wreedheid," zeide Ophelia.

"Wreedheid! Ik zou wel eens willen weten, waar gij die wreedheid vindt. Ik heb eene order geschreven voor maar vijftien slagen, en hem nog gezegd om ze licht te geven. Ik denk toch dat daarin geene wreedheid steekt."

"Geene wreedheid!" zeide Ophelia. "Ik ben zeker, dat ieder meisje veel liever in eens dood zou willen zijn."

"Zoo zou het iemand met uw gevoel kunnen voorkomen; maar al die schepsels worden er aan gewoon, en het is de eenige manier waarop er orde onder kan worden gehouden. Als zij eens denken dat zij airs van kieschheid en dat alles kunnen geven, nemen zij een loopje met u, gelijk mijne bedienden altijd gedaan hebben. Ik ben nu begonnen met hun anders te leeren, en ik zal hun spoedig allen doen begrijpen, dat ik den een evengoed zal zenden om gegeeseld te worden als den ander, als zij niet oppassen," zeide Marie, gebiedend om zich heenziende.

Jane liet haar hoofd hangen en kromp ineen toen zij dit hoorde, want zij voelde dat het bijzonder op haar gemunt was. Miss Ophelia bleef een oogenblik zitten, alsof zij een of ander ontploffend mengsel had ingenomen en op het punt was om te bersten. Toen bedenkende hoe geheel nutteloos een woordenstrijd met iemand van zulk een karakter was, kneep zij hare lippen vaster dicht, stond op en ging de kamer uit.

Het was hard, weder naar Rosa te moeten gaan om haar te zeggen, dat zij toch niets voor haar doen kon. Kort daarop kwam een der slaven zeggen dat zijne meesteres hem gelast had, Rosa naar het geeselhuis te brengen en in weerwil van haar smeeken en schreien, werd zij daarheen gesleept.

Eenige dagen later stond Tom peinzend onder eene der galerijen, toen Adolf bij hem kwam, die sedert den dood van zijnen meester zeer mismoedig en bedrukt geweest was. Adolf wist wel dat zijne meesteres altijd een hekel aan hem had gehad, maar zoolang zijn meester leefde, had hij zich daar weinig om bekommerd. Nu deze gestorven was, was hij geen dag zonder angst geweest, daar hij niet wist wat hem den volgenden kon overkomen. Marie had reeds verscheidene malen haar procureur geraadpleegd, en na overleg met St. Clare's broeder had men besloten om het huis en al de bedienden te verkoopen, behalve die haar persoonlijk eigendom waren. Deze laatsten wilde zij medenemen en zich weder naar de plantage van haren vader begeven.

"Weet gij wel, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolf.

"Hoe hebt gij dat gehoord?" zeide Tom.

"Ik had mij achter de gordijnen verscholen, toen mevrouw met den procureur sprak. Over eenige dagen zullen wij allen naar de publieke verkooping gezonden worden."

"De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom met een zwaren zucht, zijne armen over elkander heenslaande.

"Wij zullen nooit weder zulk een meester krijgen," zeide Adolf benauwd. "Maar ik wil liever verkocht worden, dan afwachten hoe het onder mevrouw met mij gaan zal."

Tom keerde zich om. Zijn hart was vol. De hoop op vrijheid, de gedachte aan zijne vrouw en kinderen rezen op voor zijn geduldige ziel, gelijk voor den zeeman, die bijna in de haven schipbreuk lijdt, eene verschijning oprijst van den kerktoren en de bekende daken van het dorp zijner geboorte, die hij over de toppen der donkere golven slechts even ontwaart, om ze een laatst vaarwel toe te roepen. Hij klemde zijne armen vast over zijne borst, bedwong zijne tranen en poogde te bidden. De arme, onnoozele man had zulk een zonderling onverklaarbaar vooroordeel ten gunste der vrijheid, dat het bidden hem zeer moeilijk viel; en hoe meer hij zeide: "Uw wil geschiede!" des te oproeriger werd het in zijn gemoed.

Hij zocht Miss Ophelia op, die hem sedert Eva's dood altijd met bijzondere achting en vriendelijkheid had behandeld.

"Miss Phelia," zeide hij, "Mijnheer St. Clare had mij mijne vrijheid beloofd. Hij zeide mij dat hij begonnen was met de papieren gereed te maken; en als nu Miss Phelia zoo goed wilde zijn om er met mevrouw over te spreken, zou zij er misschien wel mede willen laten voortgaan, daar het toch Mijnheer St. Clare's verlangen was."

"Ik zal voor u spreken, Tom, en mijn best doen," zeide Ophelia, "maar als het van Mevrouw St. Clare afhangt, kan ik niet veel voor u hopen. Evenwel, ik zal het beproeven."

Dit gebeurde eenige dagen na het voorgevallene met Rosa, terwijl Miss Ophelia reeds bezig was met toebereidselen, om naar het Noorden terug te keeren.

Ernstig bij zich zelven nadenkende, begreep zij dat zij misschien bij haar vorig gesprek met Marie te haastig was geweest en met te veel warmte gesproken had, en besloot zij thans haar ijver te matigen en zoo geduldig te zijn als haar maar mogelijk was. Zoo nam dus de goede ziel haar breiwerk mede en ging naar de kamer van Marie, met het voornemen om zich zoo aangenaam te maken als zij maar kon, en tevens over de zaak van Tom te onderhandelen met al de diplomatische behendigheid, die haar ten dienste stond.

Zij vond Marie zoo lang als zij was op eene sofa liggen, met een elleboog op de kussens leunende, terwijl Jane, die voor haar naar eenige winkels was geweest, haar stalen van dunne zwarte stoffen vertoonde.

"Dat zou goed zijn," zeide Marie, er een uitkiezende, "maar ik weet niet zeker of het wel eigenlijk voor rouw kan dienen."

"O ja, Mevrouw," zeide Jane. "Mevrouw Derbennon heeft hetzelfde gedragen, toen de generaal verleden zomer gestorven was, en het kleedt overheerlijk."

"Wat denkt gij er van?" zeide Marie tot Ophelia.

"Dat zal van het gebruik afhangen, denk ik," antwoordde Ophelia, "en daarover kunt gij zeker beter oordeelen dan ik."

"De zaak is," zeide Marie, "dat ik geene enkele japon in de wereld heb die ik dragen kan; en daar ik aanstaande week het huishouden opbreek en vertrek, moet ik tot het een of ander besluiten."

"Gaat gij spoedig?"

"Ja, St. Clare's broeder heeft geschreven, en hij en de procureur denken dat het best zal zijn, de bedienden en de meubelen publiek te laten verkoopen, en het huis en het landgoed in handen van onzen procureur te laten."

"Dan is er nog iets, waarover ik u spreken wilde," zeide Ophelia. "St. Clare had Tom zijne vrijheid beloofd, en was begonnen met de vereischte wettige formaliteiten. Ik hoop dat gij uw invloed zult aanwenden, om die zaak te doen in orde brengen."

"Dat ben ik volstrekt niet voornemens," antwoordde Marie scherp. "Tom is een van de kostbaarste bedienden, en dat zou dus eene aanmerkelijke schade voor de nalatenschap zijn. Bovendien, wat heeft hij met vrijheid noodig? Hij heeft het veel beter zooals hij nu is."

"Maar hij verlangt er zeer naar, en zijn meester had ze hem beloofd," zeide Ophelia.

"Ik wil wel gelooven dat hij ze verlangt," zeide Marie. "Dat doen zij allen, alleen omdat zij altijd onvergenoegd zijn en alles verlangen wat zij niet hebben. Ik benpar principealtijd tegen het emancipeeren. Houd een neger onder het opzicht van een meester en hij maakt het wel genoeg en gedraagt zich ordelijk; maar laat hen vrij, en zij worden lui en willen niet werken, raken aan den drank, en worden allen gemeene deugnieten. Ik heb dat honderden malen gezien. Het is niet eens eene gunst voor hen, hen vrij te laten."

"Maar Tom is zoo bedaard, vlijtig en godsdienstig."

"O, daar behoeft gij mij niet van te spreken. Ik heb er honderden gezien, evenals hij. Hij zal zich heel wel gedragen zoolang hij onder opzicht is, dat is alles."

"Maar bedenk dan ook," zeide Ophelia, "als gij hem te koop laat zetten, is er kans dat hij een slecht meester krijgt."

"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang."

"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf, en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen."

Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken.

"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn gevoel—en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen worden—en daar ik een man had die mij juist beviel—en het is zoo zelden dat mij iets bevalt—dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo onbedacht voor den geest—terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!"

En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer.

Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste, dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde en aandrong om hem te hulp te komen.

Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen, naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar, die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had.

Een slavenmagazijn! Misschien maken sommigen mijner lezers zich eene allerakeligste voorstelling van zulk eene plaats. Zij verbeelden zich een vuil donker hol, een schrikkelijken Tartarus, "informis ingens, cui lumen adeptus." Maar neen, onnoozele vriend, in deze dagen heeft men de kunst geleerd om met overleg en fatsoen te zondigen, zoodat men de oogen en het gevoel eener beschaafde maatschappij niet beleedigt. De menschelijke koopwaar is hoog in prijs aan de markt, en wordt daarom wel gevoed en wel schoongehouden, opgepast en verzorgd, opdat zij vet, krachtig en in goeden staat ten verkoop kome. Een slavenmagazijn te Nieuw-Orleans is een huis, voor het uiterlijke niet veel verschillende van andere huizen, dat net onderhouden wordt, en waar gij dagelijks buiten de deur onder een soort van afdak, eene rij mannen en vrouwen kunt zien staan, als stalen van de waar die binnen te koop is.

Dan zult gij beleefd verzocht worden, om binnen te komen en te examineeren, en dit doende zult gij een overvloed vinden van echtgenooten en vrouwen, broeders en zusters, vaders, moeders en kleine kinderen, "te koop afzonderlijk of bij partijen, gelijk gegadigden zullen verlangen," en die onsterfelijke zielen, eens door den Zoon Gods met bloed en angst gekocht, toen de aarde beefde en de rotsen scheurden en de graven geopend werden, kunnen verkocht, verpand en voor specerijen of droge waren verruild worden, naarmate het zoo in den handel te pas, of den kooper gelegen komt.

Het was een paar dagen na het gesprek tusschen Marie en Ophelia, dat Tom, Adolf en nog een half dozijn anderen uit de nalatenschap van St. Clare aan de zorgen van Mr. Skeggs, houder van het depôt in de straat, werden overgegeven, om de verkooping van den volgenden dag daar af te wachten.

Tom had een vrij grooten koffer vol kleeren bij zich, gelijk de meeste anderen insgelijks hadden. Zij werden voor den nacht in een lang vertrek gebracht, waar nog vele andere mannen van allerlei ouderdom, grootte en tinten van kleur verzameld waren en waar men het schaterende gelach eener gedachtenlooze vroolijkheid hoorde.

"Ha, ha, ha, dat is goed! Toe maar, jongens, toe maar," zeide Mr. Skeggs, de magazijnhouder. "Mijn volk is altijd zoo vroolijk! Sambo is aan den gang, zie ik," voegde hij er bij, goedkeurend het woord richtende tot een zwaarlijvigen neger, die de ruwe potsen maakte, welke het gelach veroorzaakten dat Tom gehoord had.

Tom was, gelijk men wel denken kan, niet gestemd om in het vermaak te deelen. Hij zette dus zijn koffer zoover mogelijk van de luidruchtige groep, ging er op zitten en liet zijn hoofd tegen den muur leunen. De handelaren in menschelijke koopwaar maken er opzettelijk hun werk van om eene luidruchtige vroolijkheid onder hunne negers te bevorderen, als een middel om het nadenken te smoren en hen voor hunnen toestand ongevoelig te maken. De geheele behandeling welke den neger ten deel valt, van dat hij op de markt in het Noorden wordt verkocht totdat hij in het Zuiden komt, wordt er stelselmatig op aangelegd om hem te verharden, gedachteloos te doen worden en te verdierlijken. De slavenhandelaar verzamelt zijn troep in Virginia of Kentucky, en brengt dien dan naar eene geschikte, gezonde plaats, om zijne negers te mesten. Hier worden zij dagelijks volop gevoed; en daar sommigen wel tot kniezen geneigd zijn, wordt er gewoonlijk eene viool op na gehouden, en laat men hen alle dagen dansen; en hij die niet vroolijk wil zijn—in wiens ziel de gedachten aan vrouw of kinderen te sterk zijn om hem te doen lachen en springen—wordt voor een kwaardaardigen en gevaarlijken kerel gehouden, en is blootgesteld aan al het kwaad, dat het ongenoegen van een gevoelloos mensch, die aan niemand verantwoordelijk is, hem kan aandoen. Levendigheid, vlugheid en vroolijkheid van uitzicht, vooral in het bijzijn van toeschouwers, worden hun gedurig opgedrongen, zoowel door de hoop om daardoor een goed meester te krijgen, als door de vrees voor alles wat de handelaar hun kan aandoen, wanneer zij onverkoopbaar blijken te zijn.

"Wat voert die neger daar uit?" zeide Sambo, naar Tom toekomende, nadat Mr. Skeggs was heengegaan. Sambo was een echte zwarte, van reusachtige grootte, zeer levendig en vlug van tong, en vol streken en kuren.

"Wat doet gij daar?" zeide Sambo, Tom schertsend een stoot in de zijde gevende. "Aan het mediteeren, he?"

"Ik moet morgen op de verkooping verkocht worden," gaf Tom zeer bedaard ten antwoord.

"Op de verkooping verkocht? Ha, ha! Jongens, is dat geen pret? Ik wou dat ik ook dien weg op moest! Zegt, zou ik ze niet laten lachen? Maar hoe is dat? Moet die heele troep morgen gaan?" zeide Sambo, en leide zijne hand vrijpostig op Adolfs schouder.

"Wees zoo goed om van me af te blijven," zeide Adolf barsch en richtte zich met groote minachting rechtop.

"Kijkt, jongens, dat is een van die blanke negers, eene soort van roomkleurtje, en geparfumeerd!" zeide Sambo, nog dichter bij Adolf komende en zijn neus ophalende. "Hij zou goed voor een tabakswinkel zijn. Men kon hem gebruiken om de snuif te parfumeeren. Hij zou den winkel aan eene goede klandizie helpen—zou hij niet?"

"Blijf van mij af, zeg ik!" riep Adolf woedend uit.

"Och, wat zijn wij kleinzeerig, wij blanke negers! Kijkt ons nu eens aan." En Sambo bootste op eene koddige manier Adolfs houding en manieren na. "Wat een air en gratie! Wij zijn in goede familie geweest, zou ik denken."

"Ja," antwoordde Adolf, "ik had een meester, die u allen had kunnen koopen voor oude lorren."

"Denk eens aan," zeide Sambo. "Zulkegentlemenals wij zijn!"

"Ik behoorde aan de familie St. Clare," zeide Adolf trotsch.

"Wel, wel, deedt ge dat? Ik laat mij hangen, als zij niet gelukkig zijn dat zij u eens te zien krijgen. Ik denk dat zij u met een partijtje gebarsten trekpotten en zulke dingen zullen verkoopen," zeide Sambo, met een tergende grijns.

Adolf, woedend over dien schimp, vloog als razend op zijnen vijand aan, en sloeg vloekende naar alle kanten om zich heen, terwijl de anderen lachten en joelden, en het rumoer deed daardoor den oppasser binnenkomen.

"Wat nu, jongens! Orde, orde!" riep hij en zwaaide met een lange zweep. Allen namen naar verschillende kanten de vlucht, behalve Sambo, die op de gunst, welke Mr. Skeggs hem als bevoorrecht grappenmaker bewees, vertrouwende, staan bleef, en slechts met een koddige grijns dook, als de meester een slag naar hem deed.

"O, meester, wij zijn het niet.—Wij zijn altijd ordentelijk.—Het zijn de nieuwelingen.—Zij maken het lastig; het is alsof zij gedurig ruzie met ons zoeken."

Daarop keerde Mr. Skeggs zich naar Tom en Adolf, deelde, zonder veel te vragen, eenige schoppen en trappen uit; gaf een algemeen bevel om goede jongens te zijn en te gaan slapen, en ging weder heen.

Terwijl dit in de slaapzaal der mannen plaats had, is de lezer misschien wel nieuwsgierig geweest, om eens in het aangrenzende vertrek te kijken, dat voor de vrouwen was bestemd.

In allerlei houdingen op de vloer uitgestrekt, kon hij daar eene menigte gedaanten zien, van alle tinten van kleur, van het zuiverste zwart af tot geheel blank, en van alle jaren, van de kindsheid tot den grijzen ouderdom, die nu liggen te slapen. Hier is een bevallig meisje van tien jaren, wier moeder gisteren werd verkocht en dat zich nu in slaap heeft geschreid, zonder dat iemand er op lette. Daar eene oude afgewerkte negerin, wier magere armen en vereelte vingers van harden arbeid spreken, wachtende om morgen, als afgekeurde waar, verkocht te worden voor wat zij nog gelden kan. Veertig of vijftig anderen, met het hoofd op allerlei manieren in dekens of kleederen gewikkeld, liggen om deze heen. Maar in een hoek, van de anderen afgezonderd, zitten twee vrouwen, wier voorkomen meer dan gewoonlijk de aandacht trekt.

Eene van deze is een fatsoenlijk gekleede mulattin, van tusschen de veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en innemende trekken. Zij heeft een hoogen tulband op het hoofd, van een rooden madrassen doek van de eerste kwaliteit gemaakt en hare kleeding past haar zeer net en is van goede stof, aanduidende dat zij door zorgvuldige handen zoo is uitgerust. Naast haar, dicht tegen haar aangedrongen zit een meisje van vijftien jaren, hare dochter. Zij is eene quadrone, gelijk men aan hare blanke kleur kan zien, hoewel hare gelijkenis met hare moeder toch zeer duidelijk is. Zij heeft dezelfde donkere oogen met lange wimpers, en haar krullend haar is fraai bruin van kleur. Zij is ook zeer net gekleed, en hare witte, fijne handjes verraden weinig gemeenzaamheid met slaafschen arbeid. Deze twee moeten morgen verkocht worden, tegelijk met de bedienden van St. Clare, en de heer, aan wien zij toebehooren en aan wien het geld dat zij opbrengen, moet worden overgezonden, is lid eener Christelijke kerk te New-York, die het geld zal aannemen, en daarna het sacrament van zijnen en haren Heer ontvangen, zonder er meer aan te denken.

Deze twee, die wij Suze en Emmeline zullen noemen, waren lijfbedienden van een zachtaardige en godvruchtige dame te Nieuw-Orleans geweest, door wie zij zorgvuldig onderwezen en godsdienstig opgeleid waren. Zij hadden leeren lezen en schrijven, waren geoefend in de godsdienstige waarheden van het Christendom, en haar lot was zoo gelukkig geweest, als het in haren staat wezen kon. Doch de eenige zoon harer eigenares had het beheer over het vermogen zijner moeder, en door zijne zorgeloosheid en buitensporigheid had hij dit met schulden bezwaard en daarna bankroet gemaakt. Een der voornaamste crediteuren was de zeer geachte B. en Comp. te New-York, B. en Comp. schreven aan hunnen procureur te New-Orleans, die den boedel had aangeslagen, (waarvan deze twee slavinnen en een troepje plantage-arbeiders het kostbaarste gedeelte uitmaakten) en die dit naar New-York had bericht. Daar broeder B., gelijk wij zeiden, een Christelijk man en burger van een vrijen staat was, voelde hij in deze omstandigheden eenige ongerustheid. Hij dreef niet gaarne handel in slaven en menschelijke zielen—natuurlijk niet; maar het was om dertig duizend dollars te doen, en dit was toch wat te veel geld, om voor zijne beginselen op te offeren; na zich dus wel bedacht te hebben, en raad te hebben gevraagd aan lieden, die hij wist dat hem een raad naar zijnen zin zouden geven, schreef broeder B. aan zijnen procureur, dat hij de zaak moest behandelen gelijk hem het beste voorkwam, en hem het bedrag maar overmaken.

Daags nadat die brief te New-Orleans aankwam, werden Suze en Emmeline in beslag genomen en naar het depôt gebracht, om daar de algemeene verkooping af te wachten. Terwijl zij nu in het maanlicht, dat door het getraliede venster sluipt, schemerachtig zichtbaar zijn, kunnen wij naar haar gesprek luisteren. Beiden schreiden, maar stil, opdat de eene het niet van de andere hooren zal.

"Moeder, leg uw hoofd nu in mijnen schoot en zie of gij niet wat slapen kunt," zeide het meisje, haar best doende om kalm te schijnen.

"Ik heb geen lust om te slapen, Em. Ik zou niet kunnen. Het is misschien de laatste nacht, dat wij bij elkander zijn."

"O, moeder, spreek zoo niet. Misschien zullen wij te zamen verkocht worden, wie weet het?"

"Als het iemand anders zaak was, zou ik ook zoo spreken, Em," antwoordde de moeder; "maar ik ben zoo bang om u te verliezen, dat ik niets anders zie dan het gevaar."

"Waarom, moeder? De man zeide, dat wij er beide knap uitzagen." Suze herinnerde zich nu de woorden en de blikken van dien man; en werd bijna flauw van angst, toen zij bedacht hoe hij Emmeline's handen had bekeken en hare krullende lokken opgelicht, en gezegd dat zij "puike waar" was. Suze was christelijk opgebracht, gewoon om dagelijks in den Bijbel te lezen, en gruwde er evenzeer van, dat haar kind tot een leven van schande zou verkocht worden, als eenige andere christelijke moeder had kunnen doen; maar zij had geene hoop, geene bescherming.

"Moeder, ik denk dat het wel goed zou voldoen, als gij eene plaats als keukenmeid kondt krijgen en ik als kamermeid of naaister bij eene familie. Ik geloof dat zeker. Laten wij er beiden maar zoo frisch en vroolijk uitzien als wij kunnen, en alles zeggen wat wij kunnen doen, dan zal dat misschien wel gaan," zeide Emmeline.

"Gij moet morgen al uw haar achterwaarts kammen, gladweg," zeide Suze.

"Waarom moeder? Ik zie er dan lang zoo goed niet uit."

"Ja, maar gij zult dan beter verkocht worden."

"Ik begrijp niet waarom," zeide het meisje.

"Fatsoenlijke familiën zullen u liever willen koopen, als gij eenvoudig en stemmig zijt, dan als gij uw best doet om u mooi te maken. Ik ken de manieren van die menschen beter dan gij," zeide Suze.

"Welnu, moeder, dan zal ik het zoo doen."

"En Emmeline, als wij elkander na den dag van morgen nooit mochten wederzien—als ik ergens op eene plantage word verkocht, en gij dan ergens anders—onthoud dan altijd hoe gij zijt opgebracht en alles wat mevrouw u gezegd heeft. Neem uw Bijbel mede en uw gezangboek, en als gij den Heere getrouw zijt, zal Hij u getrouw zijn."

Zoo spreekt de arme ziel, in angstige bekommering; want zij weet dat morgen ieder man, hoe laag en verdierlijkt, hoe goddeloos en onbarmhartig ook, als hij maar genoeg geld voor haar te betalen heeft, de eigenaar harer dochter kan worden, met lichaam en ziel; en hoe zal het kind dan getrouw blijven? Zij denkt aan dat alles, terwijl zij hare dochter in hare armen sluit, en wenscht dat zij niet zoo welgemaakt en bevallig was. Het schijnt bijna een verzwaring van haar lot, als zij bedenkt hoe rein en godvruchtig, hoe ver boven den gewonen staat zij is opgebracht. Zij heeft geene andere toevlucht dan het gebed; en vele zulke gebeden aan God zijn uit die nette, ordelijke en hoogst fatsoenlijke slavengevangenissen opgegaan—gebeden, die God niet vergeten heeft, gelijk een dag der toekomst toonen zal, want er staat geschreven: "Zoo wie een van deze kleinen ergert, het waar hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gehangen en hij in de diepte der zee geworpen ware."

De zachte, ernstige, stille maneschijn ziet strak naar binnen en teekent de bouten der getraliede vensters op de slapende gedaanten. Moeder en dochter zingen te zamen een wild en droevig treurlied, onder de slaven als lijkzang in gebruik:

"O, waar is schreiende Mary?O, waar is schreiende Mary?Gegaan naar 't schoone land,Zij is dood en naar den hemel;Zij is dood en naar den hemel;Gegaan naar 't schoone land."

Deze woorden, door liefelijke en treurige stemmen gezongen, naar eene melodie, welke het zuchten der aardsche wanhoop naar de hemelsche hoop scheen uit te drukken, klonken met aandoenlijke galmen door de gevangenis, terwijl het eene vers het andere volgde.

O, waar zijn Paul en Silas?O, waar zijn Paul en Silas?Gegaan naar 't schoone land.Dood zijn ze en in den hemel;Dood zijn ze en in den hemel;Gegaan naar 't schoone land.

Zingt maar voort, arme zielen! De nacht is kort en de morgen zal u voor altijd scheiden.

Maar nu is het morgen en iedereen is in beweging; en de brave Mr. Skeggs heeft het zeer druk, want eene partij goederen moet voor de verkooping worden gereedgemaakt. Het toilet wordt oplettend nagezien; er wordt algemeen bevel gegeven, dat iedereen zijn beste gezicht moet voordoen en vlug en vroolijk zijn; en nu staan allen in een kring voor de laatste inspectie, eer zij naar de "Bourse" afmarcheeren.

Mr. Skeggs met zijne hoed van palmbladeren op het hoofd en eene sigaar in den mond, gaat rond, om de laatste hand aan zijne waren te leggen.

"Wat is dat," zeide hij, voor Suze en Emmeline staan blijvende. "Waar zijn uwe krullen, meid?"

Het meisje zag beschroomd hare moeder aan, die met de gevatheid harer klasse antwoordde:

"Ik zeide haar gisteren, dat zij heur haren netjes en glad moest opmaken en ze niet zoo in krullen laten rondzwieren; dat staat fatsoenlijk."

"Larie!" zeide de man kortaf, en zich naar het meisje keerende, vervolgde hij: "Loop terstond heen, en maak uw haar in krullen—maar mooi!" En daarmede zwaaide hij met zijn rotting. "En maak dat ge gauw terug zijt ook. Ga gij haar maar helpen," voegde hij er bij, zich weder naar de moeder keerende. "Die krullen kunnen wel honderd dollars verschil in haren prijs uitmaken."

Onder een prachtigen koepel wandelden mannen van alle natiën heen en weder over den marmeren vloer. In het rond van den ruimen kring waren kleine tribunes, ten gebruike van sprekers en verkoopinghouders. Op twee daarvan, tegenover elkander, stonden thans welsprekende heeren, die in een mengeling van Engelsch en Fransch hunne verschillende waren opvijzelden, om bieders uit te lokken. Een derde tribune, er tusschen-in, was nog onbezet en omringd door eene groep, die stond te wachten tot de verkooping begon. Hier kunnen wij Tom, Adolf en andere bedienden van St. Clare herkennen; en hier wachten ook Suze en Emmeline angstig op hare beurt. Verschillende toeschouwers, met of zonder voornemen om te koopen, verzamelden zich om de groep, bekeken, betastten en bepraatten de verschillende eigenschappen en het voorkomen der tentoongestelden, met dezelfde vrijheid als een troep jockeys over een paard spreekt.

"Holla daar, Alf, hoe komt gij hier," zeide een jong, pronkerig gekleed heertje, een ander van dienzelfden stempel, die Adolf door een lorgnet stond te bekijken, op den schouder kloppende.

"Wel, ik had een lijfknecht noodig. En daar ik hoorde dat de troep van St. Clare verkocht zou worden, dacht ik…"

"Ik ben wel wijzer dan om iets van St. Clare te koopen. Allemaal verwende negers. Zoo onbeschaamd als de duivel," zeide de ander.

"Daar ben ik niet bang voor," hernam de eerste. "Als ik ze maar heb, zal ik ze hunne airs spoedig afleeren; ze zullen gauw ondervinden dat zij met eene andere soort van meester te doen hebben, dan met Monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik zal dien kerel koopen. Ik heb zin in zijn voorkomen."

"Gij zult ondervinden dat het u geld zal kosten, hem zoo te houden. Hij is verduiveld extravagant."

"Ja, maar mylord zal ondervinden, dat hij bij mij niet extravagant kan zijn. Laat hij maar eenige malen naar decalaboozezijn geweest, en goed van laken gehad hebben. Ik sta er u voor in, dat hij bij mij wel tot andere gedachten zal komen. Ik zal hem bekeeren, geheel en al, dat zult ge zien. Ik koop hem, daar blijf ik bij."

Tom had onder de menigte personen die hem omringden angstig uitgezien naar een, wien hij zijn meester zou willen noemen; en als gij, Mijnheer, ooit in de noodzakelijkheid mocht komen, om onder tweehonderd mannen er een uit te zoeken, die uw eigenaar en willekeurig beschikker van uw lot moest worden, zoudt gij u misschien kunnen verbeelden, evenals Tom toen deed, hoe weinig er zouden zijn, aan wie gij u maar eenigszins gerust zoudt overgeven. Tom zag een overvloed van mannen:—groote, zwaarlijvige, grove mannen—kleine, pieperige, uitgedroogde mannen; en allerlei soort van botte, alledaagsche mannen, die hun medemensch oprapen, gelijk men papiersnippers opraapt, en even onverschillig in het vuur of in eene mand werpen, naarmate het hun gelegen komt; maar hij zag hier geen enkelen St. Clare.

Kort vóórdat de verkooping begon, zag hij een kort, breed, grof gespierd man, met een geruit hemd, dat op de borst ver openhing, en met eene beslijkte versleten broek, zich met de ellebogen door het gedrang werken, gelijk iemand, die niemand ontziet die hem in den weg is. Zoo kwam hij naar de groep en begon deze systematisch te examineeren. Zoodra Tom dien man zag aankomen, voelde hij een onwillekeurig angstig afgrijzen voor hem, dat nog toenam toen hij dichterbij kwam. Hoewel kort, was hij blijkbaar van reusachtige lichaamskracht. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijne groote, lichtgrijze oogen met hunne ruige, vlaskleurige wenkbrauwen, en geheel zijn stroef, gerimpeld, door de zon verbrand gezicht waren zeker niet innemend; zijn groote, grove mond werd zichtbaar uitgerekt door eene groote pruim tabak, waarvan hij het sap nu en dan met buitengemeene kracht en ongegeneerdheid uitspoot; zijne handen waren onevenredig groot, behaard, bruin gebrand door de zon, zeer morsig en met lange nagels, in een zeer vuilen toestand, voorzien. Deze man examineerde den troep met bijzondere vrijpostigheid. Hij greep Tom bij de kin en trok zijn mond open, om zijne tanden te bezichtigen; liet hem zijne mouw opstroopen, om zijne spieren te toonen; liet hem zich omkeeren, stappen en springen, om te zien of er niets aan zijne beenen scheelde.

"Waar zijt ge opgebracht?" vroeg hij na dit onderzoek kortaf.

"In Kentucky, meester," antwoordde Tom, rondziende als ware het naar verlossing.

"Wat hebt gij daar gedaan?"

"Ik had het opzicht over mijns meesters hoeve," antwoordde Tom.

"Nog al waarschijnlijk," zeide de andere kortaf en ging verder.

Voor Adolf bleef hij slechts een oogenblik staan, spuwde een klad tabakssap over zijne glimmend gepoetste laarzen en keerde zich met een verachtelijk "Hm!" van hem af. Voor Suze en Emmeline bleef hij wederom staan. Hij stak zijne grove vuile hand uit en trok het meisje naar zich toe; streek die hand over haren hals en borst, betastte hare armen, bekeek hare tanden en stiet haar toen weder naar hare moeder, wier geduldig gezicht echter toonde, wat zij bij elke beweging van den afschuwelijken vreemdeling uitstond.

Het meisje was verschrikt en begon te schreien.

"Houd op daarmede, gij heks," zeide de verkooper; "geen gebalk hier; de verkooping zal beginnen."

En de verkooping begon.

Adolf werd voor eene aanzienlijke som toegeslagen aan den jongen heer, die te voren zijn voornemen had te kennen gegeven om hem te koopen. De andere bedienden vielen verschillende bieders ten deel.

"Kom op nu, jongen, hoort ge niet?" zeide de verkooper tegen Tom.

Tom stapte op het blok en zag angstig om zich heen. Alles scheen ondereengemengd tot een verward, onduidelijk rumoer; het gekakel van den verkooper, die in het Engelsch en Fransch zijne hoedanigheden opvijzelde, en het snelle kruisvuur der bieders, insgelijks in het Fransch en Engelsch, en bijna in een oogenblik, naar het hem voorkwam, viel de hamerslag bij de laatste lettergreep van het woord dollars, toen de verkooper zijn prijs noemde. Tom was toegeslagen. Hij had een meester.

Hij werd van het blok geduwd. De korte man met het ronde hoofd greep hem ruw bij den schouder, duwde hem aan een kant en zeide met een grove, gebiedende stem: "Blijf daar staan."

Tom hoorde en zag bijna niets meer; doch het bieden ging maar voort—ratelende en klaterende, nu in het Fransch dan in het Engelsch. Wederom valt de hamer. Suze is verkocht. Zij stapt van het blok, blijft staan, ziet angstig verlangend om; hare dochter strekt de handen naar haar uit. Zij ziet vol zielsangst den man aan die haar gekocht heeft—een fatsoenlijk man van middelbare jaren, met een goedaardig gezicht.

"O meester, wees toch zoo goed en koop mijne dochter ook."

"Ik zou wel willen, maar ik vrees dat zij te hoog zal gaan," antwoordde hij met een blik van smartelijke belangstelling naar het jeugdige meisje, dat nu op het blok staat en verschrikt en angstig om zich heenziet.

Het bloed stijgt gloeiend in hare anders bleeke wangen, hare oogen hebben een koortsigen glans, en hare moeder slaakt een kermenden zucht, daar zij ziet dat zij schooner is, dan zij haar nog ooit gezien heeft. De verkooper neemt zijn voordeel waar, houdt eene woordenrijke lofrede in het Fransch en Engelsch, en het bieden begint nu met buitengemeene drift.

"Ik wil alles doen wat maar redelijk is," zegt de heer met het goedaardige gezicht en biedt mede; maar weldra loopt de prijs te hoog voor zijne beurs. Hij zwijgt; de verkooper wordt warmer; maar het bieden verflauwt toch langzamerhand. Het blijft nu nog maar aan den gang tusschen een oud aristocratisch burger en onzen kennis met het ronde hoofd. De burger biedt nog eenige malen en ziet zijn mededinger daarbij verachtelijk aan; maar de man met het ronde hoofd wint het van hem in hardnekkigheid en geheime zwaarte van beurs; en de strijd duurt nog maar een oogenblik; de hamer valt—hij heeft het meisje met lichaam en ziel, als God haar niet bijstaat.

Haar meester is Mr. Legree, eigenaar eener katoenplantage aan de Roode rivier. Zij wordt naar de plek geduwd, waar Tom en nog twee andere mannen staan, en wordt schreiende weggebracht.

De goedaardige heer vindt het erg, maar het is iets dat alle dagen gebeurt. Men ziet meisjes en moeders bij die verkoopingen altijd schreien. Er is niets aan te doen, enz., en hij gaat met zijn nieuw-koopje naar een anderen kant heen.

Twee dagen later zond de procureur der christelijke firma B. en Comp. te New-York deze het geld over. Op den rug van den wissel, dien deze heeren ontvingen, mochten zij wel deze woorden schrijven van den grooten Betaalmeester, met wien zij eens hunne rekening zullen moeten sluiten: "Hij vergeet het geroep der ellendigen niet."


Back to IndexNext