Het leven verloopt voor ons allen bij dagen, een voor een; en zoo verliep het ook voor onzen vriend Tom, totdat twee jaren voorbij waren. Hoewel gescheiden van alles wat zijne ziel dierbaar was, en hoewel dikwijls smachtende naar hetgeen buiten zijn bereik lag, voelde hij zich toch nooit geheel ongelukkig; want zoo rijk is de harp van het menschelijk gevoel besnaard, dat alleen een slag, die al de snaren doet springen, de harmonie kan bederven; en wanneer men terugziet op de dagen, die in het geheugen dagen van ontbering en beproeving schijnen te zijn, kan men zich herinneren dat ieder uur, terwijl het voorbijvlood, eenige verlichting en afleiding medebracht; zoodat wij, schoon niet geheel gelukkig, toch ook niet geheel ongelukkig waren.
Tom las in zijn eenig leesboek van iemand, "die geleerd had vergenoegd te zijn in hetgeen hij was." Dit kwam hem eene goede en verstandige les voor, en strookte zeer wel met de kalme gemoedsstemming, welke hem door het lezen van hetzelfde boek eigen was geworden.
Zijn brief naar huis werd, gelijk in het vorige hoofdstuk reeds is aangeduid, weldra beantwoord door een van Jongeheer George, met een ronde schooljongenshand geschreven, die men, gelijk Tom zeide, "haast aan het einde van de kamer kon lezen." Dit geschrift bevatte onderscheidene heugelijke berichten, waarmede onze lezer reeds bekend is. Het vermeldde hoe Tante Chloe aan een banketbakker te Louisville was verhuurd, waar zij, door hare bekwaamheid in het maken van pasteien, verbazende sommen gelds verdiende, die, gelijk Tom mede vernam, bewaard zouden worden om hem los te koopen. Mozes en Peter waren welvarend, en het kleintje liep het geheele huis door, onder de hoede van Sally en al de anderen in het algemeen.
Toms hut was voor het oogenblik gesloten, maar George weidde breed uit over de vergrootingen en versieringen, die er aan gemaakt zouden worden als Tom terugkwam.
De overige inhoud van den brief gaf een lijst van George's schoolwerk, vermeldde ook de namen van vier nieuwe veulens, die men sedert Toms vertrek had gehad, en voegde in denzelfden volzin daarbij, dat vader en moeder welvoeren. De stijl van dien brief was kort en krachtig; maar Tom hield hem voor een meesterstuk van schrijfkunst. Hij werd het lezen, herlezen en bekijken niet moede, en hield er zelfs met Eva raad over, of het niet goed zou zijn hem in een lijst te zetten en op zijn kamertje op te hangen. Alleen de moeielijkheid om het zoo te schikken, dat men beide zijden van het blad tegelijk kon zien, verhinderde de uitvoering van dit voornemen.
De vriendschap tusschen Tom en Eva groeide met het kind. Het zou moeielijk te zeggen zijn, welke plaats zij in het weeke, liefderijke hart van haren getrouwen dienaar bekleedde. Hij had haar lief als een broos, stoffelijk schepseltje, en vereerde haar toch bijna als iets hemelsch en goddelijks. Hij beschouwde haar, gelijk de Italiaansche matroos het afbeeldsel van het Christuskind beschouwt, met eene mengeling van eerbied en teederheid; en aan hare innemend bevallige grilletjes te voldoen en die duizend eenvoudige behoeften te vervullen, welke de kindsheid gelijk een veelkleurigen regenboog omgeven, was Toms grootste vermaak. Op de markt des morgens had hij altijd het oog op de bloemenkraampjes, om mooie ruikertjes voor haar uit te zoeken, en de fraaiste perzik of sinaasappel stak hij in zijnen zak, om aan haar te geven als hij terugkwam; want het gezicht, dat hem het meest behaagde, was haar bevallig kopje, dat aan het hek in de verte naar hem uitkeek, en niets hoorde hij zoo gaarne als hare kinderlijke vraag: "Wel, Oom Tom, wat hebt ge vandaag voor mij?"
Niet minder ijverig was Eva op hare beurt in het bewijzen van vriendelijke diensten. Hoewel maar een kind, kon zij uitmuntend lezen; haar muzikaal gehoor, hare vlugge verbeeldingskracht en haar instinctmatig gevoel voor al wat grootsch en edel was, maakte haar tot zulk eene voorlezeres van den Bijbel, als Tom nog nooit gehoord had. In het begin las zij om haren nederigen vriend te behagen, maar spoedig hechtte haar eigen ernstig gemoed zich aan het verhevene boek, en kreeg zij dit lief, omdat het een vreemd, krachtig verlangen, en donkere maar diepe gewaarwordingen bij haar opwekte, waaraan kinderen van een teergevoelig en tevens hartstochtelijk karakter zich gaarne overgeven.
De gedeelten, die haar het meest behaagden, waren de Openbaring en de Profeten—gedeelten, welker duistere, vreemde beeldspraak en vurige taal een des te dieperen indruk op haar maakten, omdat zij vruchteloos naar de beteekenis daarvan vroeg. Zij en haar eenvoudige vriend, het jonge kind en het oude, stonden in dit opzicht met elkander gelijk. Al wat zij wisten was, dat er gesproken werd van eene heerlijkheid die geopenbaard zou worden—iets wonderbaars, dat nog komen moest, en waarin hunne ziel zich verheugde, zonder dat zij wisten waarom. En schoon het in de natuurkundige wetenschappen zoo niet wezen mag, in de zedelijke wetenschap is datgene wat men niet begrijpt niet altijd nutteloos, want de ziel ontwaakt als een schroomvallig vreemdeling tusschen twee duistere eeuwigheden—het eeuwige verledene en de eeuwige toekomst. Het licht beschijnt slechts eene kleine ruimte om haar heen: zij moet dus naar het onbekende verlangen, en de stemmen en schaduwachtige gedaanten, die uit de wolk-kolom der inspiratie tot haar komen, vinden in haar eigen hopende verwachtingen een weerklank en een antwoord. De geheimzinnige beelden zijn zoovele juweelen, als talismans met onbekende hiëroglyphen beschreven; zij verbergt ze in haren boezem en verwacht ze eens te zullen lezen, als zij achter den sluier zal gekomen zijn.
Op dezen tijd van ons verhaal was het geheele huishouden van St.-Clare naar de villa aan het meer Pontchartrain verhuisd. De zomerhitte had allen die in staat waren, om de benauwde, ongezonde stad te verlaten, daaruit verdreven, om de oevers van het meer en den koelen zeewind te gaan opzoeken.
De villa van St.-Clare was een gebouw in den Oostindischen trant, door lichte veranda's van bamboes omgeven, en aan alle kanten op tuinen en plantsoenen uitziende. De gewone huiskamer kwam op een tuin uit, vol van geurige en sierlijke planten en bloemen der keerkringsgewesten, tusschen welke slingerende paden tot aan den oever van het meer voortliepen, welks zilveren waterspiegel, in den zonneschijn rijzende of dalende, een tafereel aanbiedt, dat nooit een uur lang hetzelfde blijft en met ieder uur schooner schijnt te worden.
De zon ging nu onder, met dien vurigen gouden glans, welke den hemel tot eene enkele glorie en het water tot een anderen hemel maakt. Het geheele meer was met rozeroode en gouden strepen gekleurd, behalve waar witgevleugelde scheepjes als zoovele geesten heen en weder gleden, en kleine fonkelende sterren door den glans heenflikkerden.
Tom en Eva zaten op eene met mos begroeide bank, in een priëeltje aan het eind van den tuin. Het was Zondagavond, en Eva's Bijbel lag open op hare knieën. Zij las: "En ik zag een glazen zee, met vuur gemengd."
"Tom," zeide Eva, eensklaps ophoudende en naar het meer wijzende, "daar is het."
"Wat, Miss Eva?"
"Ziet gij niet?—Daar!" antwoordde het kind naar het heldere water wijzende, waarin de gouden gloed der lucht zich afspiegelde. "Daar is eene glazen zee met vuur gemengd."
"Dat is wel waar, Miss Eva," zeide Tom, en zong daarop:
"O, had ik maar de vleuglen van den morgen;Dan vloog ik heen naar Kanaäns schoone kust,Dan zouden heerlijke engelen mij dragenNaar 't Nieuw-Jeruzalem der heilige rust."
"Waar denkt gij dat het Nieuw-Jeruzalem is, Oom Tom?" vroeg Eva.
"O, daarboven in de wolken, Miss Eva."
"Dan denk ik dat ik het zie," zeide Eva. "Zie, daar in de wolken! Zij gelijken naar groote poorten van paarlen; en gij kunt er doorheen zien—ver, heel ver is alles goud. Tom, zing nog eens van de zalige geestenschaar."
En Tom zong nu uit een welbekend Methodistenlied:
"Ik hoor een zaalge geestenschaarDie blijde zegeliedren galmen;Zij zijn in vlekloos wit gekleedEn dragen overwinningspalmen."
Tom twijfelde aan dit alles niet, en het verwonderde hem ook niet het minste; als Eva hem gezegd had dat zij in den hemel was geweest, zou hij het zeer waarschijnlijk hebben gevonden.
"Zij komen somtijds bij mij in mijnen slaap, die geesten," zeide Eva, en zong toen zacht bij zich zelve, terwijl hare oogen eene vreemde droomerige uitdrukking aannamen:
"Zij zijn in vlekloos wit gekleedEn dragen overwinningspalmen."
"Oom Tom, ik ga daarnaar toe," zeide zij vervolgens.
"Waar naar toe, Miss Eva?"
Het kind stond op en wees met haar handje naar den Hemel. Het gloeiende avondrood verleende haar gouden lokken en blozende wangen een bovenaardschen glans, en hare oogen staarden ernstig naar boven.
"Ik ga daarheen," zeide zij, "naar de zalige geesten, Tom.Ik ga binnenkort."
Het oude trouwe hart voelde eensklaps eene stekende pijn. Tom bedacht zich, hoe dikwijls hij er in de laatste zes maanden op had gelet, dat Eva's handjes smaller geleken, en hare kleur nog helderder en haar adem korter scheen te worden; en dat zij, als zij in den tuin liep en speelde, gelijk zij voorheen urenlang doen kon, spoedig moede werd. Hij had Miss Ophelia dikwijls van een kuch hooren spreken, die al hare huismiddelen niet konden wegnemen; en zelfs op dit oogenblik gloeiden de wangen en de hand van het kind als van koortshitte; en toch was de gedachte, welke Eva's woorden opwekten, hem nog nooit ingevallen dan op dit oogenblik.
Is er ooit zulk een kind geweest als Eva? Ja, zeker zijn er zoo geweest; maar hunne namen staan alle op de grafsteenen, en hunne lieve lachjes, hunne hemelsche oogen en hunne vreemde manieren en uitdrukkingen zijn onder de begraven schatten van smachtende harten. In hoevele familiën hoort men de legende, dat al de goedheid en bevalligheid der nog levenden niets beteekenen bij de buitengemeene gaven van een of eene, dieniet meer is. Het is alsof de hemel eene uitgelezen schaar van engelen had, wier post het was voor een korten tijd hier te vertoeven, en het eigenlievend menschelijk hart te lokken en te winnen, om het met zich opwaarts te voeren bij hunne vlucht hemelwaarts. Als gij dat hemelsche licht in kinderoogen ziet—als het zieltje zich openbaart in woorden, liefelijker en wijzer dan de gewone woorden van kinderen—hoop dan niet dat kind te behouden; want het draagt het zegel des hemels, en wat het uit de oogen straalt, is het licht der onsterfelijkheid.
Zoo is het met u, beminde Eva, vreugde van uw huis. Gij gaat heen, en zij die u het teerste liefhebben weten het niet.
Het gesprek tusschen Tom en Eva werd gestoord door een haastig roepen van Miss Ophelia.
"Eva—Eva!—Maar kind, er valt zulk een dauw; gij moet niet buiten blijven."
Eva en Tom haastten zich naar binnen.
Ophelia was reeds jaren en wel bedreven in de kunst van kinderen verzorgen. Zij was uit Nieuw-Engeland, en kende maar al te wel de eerste voetstappen dier stille, verraderlijke kwaal, die zoovelen van de schoonsten en beminnelijksten wegsleept, en haar slachtoffer onherroepelijk aan den dood wijdt, vóórdat er nog eene enkele levensdraad gebroken schijnt.
Zij had acht gegeven op het droge kuchje en de dagelijks helderder wordende kleur der wangen; de glans der oogen en de opgewonden vroolijkheid, die een gevolg der koorts was, konden haar niet bedriegen.
Zij poogde hare bekommering aan St. Clare mede te deelen; maar hij beantwoordde hare vrees met een wrevelig ongeduld, zeer ongelijk aan zijne gewone onverschillige goedaardigheid.
"Laat mij toch geen ravengekras hooren, Nicht. Dat kan ik niet uitstaan," zeide hij eens. "Ziet gij niet dat het kind maar groeit? Kinderen worden altijd wat zwak, als zij sterk groeien."
"Maar zij heeft die kuch toch."
"Och, maal niet over die kuch. Die heeft niets te beduiden. Zij zal misschien wat koude gevat hebben."
"Nu, het was juist op die manier dat het met Eliza Jane begon, en met Helena Sanders."
"Houd toch op met die spookachtige bakersprookjes. Gij oude dames, wordt zoo wijs, dat een kind niet meer kan hoesten of niezen, of gij ziet den dood vooruit. Pas maar op het kind, houd haar buiten de avondlucht, laat zij zich niet te moe maken met spelen, en het zal wel schikken."
Zoo sprak St. Clare, maar hij was toch onrustig geworden. Hij bespiedde Eva dag en nacht met zekeren koortsachtigen angst, gelijk men kon opmaken uit zijne dikwijls herhaalde aanmerkingen, "dat het kind volmaakt wel was—dat die kuch niets beteekende—dat het haar een weinigje in de keel scheelde, gelijk zoo dikwijls bij kinderen gebeurde." Maar hij bleef meer bij haar dan gewoonlijk, hij liet haar meer met zich mederijden, en bracht telkens recepten mede naar huis van versterkende middelen, "niet," zeide hij, "omdat het kind zoo iets noodig had, maar het zou haar toch geen kwaad doen."
Wat hem het meest beangstigde, was de dagelijks toenemende rijpheid van Eva's gedachten en gemoed. Terwijl zij nog al de onnoozele aanvalligheid der kindsheid behield, liet zij zich toch dikwijls, als ware het onwillekeurig, woorden ontvallen van zulk een diepzinnige beteekenis, van zulk eene vreemde, bovenaardsche wijsheid, dat zij naar eene ingeving geleken. Wanneer dit gebeurde, voelde St. Clare een plotselingen schrik en sloot hij haar in zijne armen, alsof die teedere omarming haar kon redden; en dan rees er in zijn hart een woest oproerig besluit op om haar vast te houden en nooit los te laten.
De geheele ziel van het kind scheen zich thans in werken van liefde en goedheid te verdiepen. Altijd was zij vriendelijk en weldadig geweest; maar thans had zij eene aandoenlijke, vrouwelijke bedachtzaamheid over zich, die iedereen opmerkte. Zij speelde nog gaarne met Topsy en andere slavenkinderen, maar scheen thans veeleer eene toeschouwster dan eene deelgenoote van hun spel. Zij kon wel een half uur lang om de grappige kuren van Topsy zitten lachen; en dan scheen er eene schaduw over haar gezichtje te komen, werden hare oogen beneveld, en zwierven hare gedachten ver weg.
"Mama," zeide zij eens plotseling tegen hare moeder, "waarom leeren wij onzen bedienden niet lezen?"
"Welk eene vraag, kind! Dat doet men nooit."
"Waarom doet men dat niet?" zeide Eva.
"Omdat het lezen hun tot niets dient. Het leert hun niet beter werken en zij behoeven niets anders te doen."
"Maar zij behoorden toch den Bijbel te lezen, Mama, om Gods wil te leeren."
"O, alles wat zij daarvan noodig hebben, wordt hun wel voorgelezen."
"Ik zou denken, Mama, dat de Bijbel voor iedereen is, om zelf te lezen. Zij hebben dat heel dikwijls noodig, als er niemand is om hun voor te lezen."
"Eva, ge zijt een wonderlijk kind," zeide hare moeder.
"Nicht Ophelia heeft Topsy leeren lezen," vervolgde Eva.
"Ja, en gij ziet hoeveel goed het haar doet. Topsy is de ergste die ik ooit gezien heb."
"En daar is Mammy. Zij houdt zooveel van den Bijbel en wenschte wel dat zij lezen kon. En wat zal zij doen, als ik haar niet meer kan voorlezen?"
Marie was juist bezig met in eene lade te zoeken, toen zij antwoordde:
"Wel natuurlijk, Eva, door den tijd zult gij aan andere dingen te denken hebben, dan om den Bijbel aan al de bedienden voor te lezen. Niet dat dit ook niet heel goed is; ik heb het zelve wel gedaan toen ik nog gezond was. Maar als gij u moet kleeden en naar gezelschappen gaan, zult gij er geen tijd meer voor hebben. Zie hier, deze juweelen zal ik u geven als gij naar een bal gaat. Ik heb ze zelve gedragen op mijn eerste bal; en ik kan u zeggen, Eva, ik heb sensatie gemaakt."
Eva bezichtigde het juweelendoosje en nam er een diamanten halsketting uit. Hare groote peinzende oogen bleven op dit sieraad gevestigd, maar hare gedachten waren elders.
"Wat kijkt gij ernstig, kind!" zeide Marie.
"Dat is wel veel geld waard, Mama?"
"Zeker is het dat. Vader had het uit Frankrijk laten komen. Het is een klein fortuin waard."
"Ik wenschte dat ik het had," zeide Eva, "en er mee doen mocht wat ik wilde."
"Wat zoudt gij er dan mee doen?"
"Het verkoopen, en eene plaats koopen in de vrije staten, en al ons volk daarheen brengen, en meesters betalen om ze te leeren lezen en schrijven."
"Dus eene soort van kostschool opzetten? Zoudt gij hun ook niet leeren piano spelen en op fluweel schilderen?"
"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden," antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele anderen; en ik houd het voor verkeerd."
"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij hoofdpijn krijgen."
Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy geregeld les in het lezen.
Tegen dezen tijd kwam St. Clare's broeder Alfred, met zijnen oudsten zoon, een knaap van twaalf jaren, eenige dagen bij de familie aan het meer doorbrengen.
Niets kon vreemder en schooner zijn dan het gezicht dezer tweelingbroeders. De natuur had in plaats van een volkomen gelijkenis tusschen hen te bedoelen, hen in bijna alle opzichten contrasten gemaakt, en toch scheen een geheimzinnige band hen in nauwere vriendschap dan gewoonlijk te verbinden.
Zij plachten arm in arm de paden en lanen van den tuin op en neer te wandelen.—Augustine met zijne blauwe oogen en goudblonde lokken, zijne tengere, buigzame gestalte en levendige trekken; Alfred, met zijn donker uitzicht, zijn trotschen Romeinschen gelaatsvorm, zijne forsch gebouwde leden en deftige houding. Zij hekelden altijd elkanders gevoelens en gedrag, en toch waren zij daarom niet minder op elkanders gezelschap gesteld; juist hunne tegenstrijdigheid scheen hen te vereenigen.
Henrique, de oudste zoon van Alfred, was een frissche, gezonde knaap, vol geest en leven, die van het eerste oogenblik der kennismaking af geheel door de teedere aanvalligheid van zijn nichtje Evangeline betooverd scheen.
Eva had een spierwit hitje, haar lieveling, zoo gemakkelijk van beweging als eene wieg, en zoo zachtaardig als zijne jonge meesteres, en dit hitje werd nu door Tom voor de achter-veranda gebracht, terwijl een kleine mulat van ongeveer dertien jaren met een Arabisch paardje aankwam, dat kort geleden zeer duur voor Henrique was gekocht.
Henrique was op dit nieuwe eigendom zoo trotsch als een knaap maar wezen kan; en toen hij zijnen kleinen rijknecht de teugels uit de hand had genomen, bezichtigde hij zijn paardje nog eens zorgvuldig en daarbij betrok zijn gezicht.
"Wat is dat, Dodo, gij luie rekel? Gij hebt mijn paard van morgen niet gepoetst."
"Ja wel, meester," antwoordde Dodo onderdanig. "Hij heeft dat stof zoo pas gekregen."
"Houd den bek, rekel," zeide Henrique, driftig zijne karwats opheffende. "Hoe durft ge nog een woord spreken?"
De knaap was een fraaie mulat, van dezelfde grootte als Henrique, met heldere oogen en krullend haar, dat om een hoog en trotsch voorhoofd zwierde. Hij had blank bloed in de aderen, gelijk men zien kon aan den snel opkomenden blos, waarmede hij haastig het woord wilde nemen.
"Meester Henrique," begon hij.
Henrique gaf hem met de karwats een slag in het gezicht, greep hem bij een arm, duwde hem zoo op de knieën en sloeg hem, tot hij zelf buiten adem was.
"Daar onbeschaamde rekel. Nu zult gij wel leeren niet tegen te spreken als ik iets zeg. Breng het paard terug en maak het schoon. Ik zal u wel manieren leeren."
"Jongeheer," zeide Tom nu, "ik geloof dat hij voornemens was te zeggen dat het paard met geweld wilde gaan rollen, toen hij het uit den stal haalde; het is zoo vol vuur—en zoo heeft het dat vuil gekregen. Ik heb gezien dat het schoongemaakt werd."
"Houd den mond tot men u vraagt om te spreken," antwoordde Henrique, zich omkeerende en de stoep opgaande naar Eva, die in haar rijkleedje stond te wachten.
"Lieve Nicht, het spijt mij dat die domme jongen u noodzaakt om te wachten," zeide hij. "Laten wij hier op deze bank gaan zitten tot mijn paard komt. Wat scheelt u, Nichtje? Ge ziet zoo ernstig."
"Hoe kondt ge zoo wreed en slecht wezen voor dien armen Dodo?" zeideEva.
"Wreed en slecht?" herhaalde de knaap met ongeveinsde verwondering. "Wat meent gij toch, lieve Eva?"
"Ik wil niet dat ge mij lieve Eva noemt, als gij zoo doet," zeide Eva.
"Lieve Nicht, gij kent Dodo nog niet. Dat is de eenige manier om met hem te recht te komen, zoo vol leugens en uitvluchten is hij. De eenige manier is: hem terstond te stuiten—hem geen mond te laten opendoen; en dat is ook de manier van papa."
"Maar Oom Tom zeide dat het een ongeluk was, en hij zegt nooit iets dat niet waar is."
"Hij is dan wel een ongewone neger," antwoordde Henrique. "Dodo liegt zoo hard als hij maar spreken kan."
"Gij dwingt hem door angst om u te bedriegen, als gij hem zoo behandelt."
"Maar, Eva gij hebt waarlijk zooveel zin in Dodo, dat ik jaloersch zal worden."
"Gij hebt hem geslagen, en dat verdiende hij niet."
"Welnu, dan kan dat doorgaan voor een keer dat hij slaag verdient en niet krijgt. Eenige meppen zijn op Dodo nooit verloren. Hij verdient altijd wat, dat kan ik u zeggen. Maar ik zal hem niet weder slaan waar gij bij zijt, als u dat onaangenaam is."
Eva was niet tevreden, maar achtte het vruchteloos haren neef haar gevoel te willen doen begrijpen.
Dodo kwam spoedig met het paard terug.
"Zoo, Dodo, nu hebt gij het tamelijk wel gemaakt," zeide zijn jonge meester, met wat meer vriendelijkheid dan gewoonlijk. "Kom, houd nu het paard van Miss Eva, terwijl ik haar in den zadel help."
Dodo plaatste zich nu bij Eva's hitje. Zijn gezicht was betrokken en zijne oogen zagen er uit alsof hij geschreid had.
Henrique, die reeds grootsch was op zijne bedrevenheid in alle punten van galanterie, hielp zijn nichtje vlug in den zadel, nam de teugels over en gaf ze haar in de hand. Eva echter boog zich naar den anderen kant van het paard, waar Dodo stond, en toen hij de teugels losliet, zeide zij: "Zoo, Dodo, goede jongen, nu bedank ik u."
Dodo keek met verbazing op naar het lieve jeugdige gezichtje; het bloed steeg hem naar de wangen en de tranen kwamen hem in de oogen.
"Hier, Dodo!" zeide Henrique gebiedend.
Dodo sprong toe en hield het paard, terwijl zijn meester opsteeg.
"Daar hebt gij wat om klontjes voor te koopen, Dodo," zeideHenrique. "Ga nu maar heen."
Henrique reed naast Eva de laan af en Dodo bleef de twee kinderen staan nazien. Een had hem geld gegeven, en een had hem gegeven wat hij veel liever had—een vriendelijk woord, vriendelijk gesproken. Dodo was nog maar eenige maanden van zijne moeder geweest. Zijn meester had hem in een slavenmagazijn gekocht, om met zijn mooi gezicht bij het mooie paardje te passen: en hij werd nu door zijnen jongen meester getemd en afgericht.
Dit geheele tooneel was door de broeders St. Clare uit een ander gedeelte van den tuin aangezien.
Toen Henrique den kleinen mulat sloeg, kreeg Augustine eene hoogere kleur, maar hij zeide slechts met zijne gewone, spottende onverschilligheid: "Dit zullen wij zeker eene republikeinsche opvoeding moeten noemen, niet waar, Alfred?"
"Henrique is een duivel van een jongen, als zijn bloed heet wordt," antwoordde Alfred even onverschillig.
"Gij zult dit zeker eene leerrijke oefening voor hem achten?" hervatteAugustine droogjes.
"Al deed ik dat niet, dan kon ik dat toch niet veranderen. Henrique is ontembaar als hij driftig wordt. Zijne moeder en ik hebben er al lang van afgezien om hem hierin tegen te gaan. Maar Dodo kan het wel velen—slagen zullen hem niet deren."
"En dit is zeker de manier om Henrique het begin van den republikeinschen catechismus te leeren: "Alle menschen worden vrij en gelijk geboren?"
"Och," zeide Alfred, "dat is een van Tom Jeffersons staaltjes van Fransche kwakzalverij. Het is belachelijk, dat zulke dingen nog tegenwoordig onder ons rondloopen."
"Dat vind ik ook," zeide Augustine met veel nadruk.
"Omdat," vervolgde Alfred, "iedereen duidelijk genoeg zien kan, dat alle menschennietvrij ennietgelijk geboren worden. Wat mij betreft, ik houd van dat republikeinsche gezwets de grootste helft voor klinkklaren onzin. Het zijn de kundigen, de beschaafden, de gegoeden, die gelijke rechten behooren te hebben, en niet hetcanaille."
"Als gij hetcanaillemaar in die meening kunt houden," zeideAugustine. "Eens in Frankrijk heeft het zijne beurt genomen."
"Natuurlijk, het moet ten onder gehouden worden, stelselmatig en standvastig zooals ik doen zou," antwoordde Alfred, zijn voet vastplantende, alsof hij op iemand trapte.
"Het is een leelijk geval, als het er eens bovenop komt," zeideAugustine, "zooals op St. Domingo, bij voorbeeld."
"O!" antwoordde Alfred, "daarop zullen wij hier wel passen. Wij moeten maar al dat gepraat over opvoeding en zedenverbetering tegengaan, dat tegenwoordig in zwang komt; de lagere klasse moet geene opvoeding hebben."
"Daar is geen bidden meer tegen," antwoordde Augustine; "opgevoed zullen de negers worden en wij hebben alleen te zeggen hoe. Ons stelsel is hen in barbaarschheid en verdierlijking op te voeden. Wij breken alle banden die hen aan de menschelijkheid hechten en maken hen tot wilde dieren; als zij eens de overhand krijgen, zullen wij dat ondervinden."
"Zij zullen nimmer de overhand krijgen," zeide Alfred.
"Goed zoo," antwoordde Augustine. "Maak maar stoom, schroef de veiligheidsklep dicht, ga er op zitten, en zie waar gij belanden zult."
"Welnu," zeide Alfred, "datzullenwij zien. Ik ben niet bang om op de veiligheidsklep te zitten, als de ketels maar sterk zijn, en de machinerie goed werkt."
"De adellijke heeren in den tijd van Lodewijk XIV dachten eveneens, en Pius IX denkt tegenwoordig nog zoo, en op een fraaien ochtend zult gij allen in de lucht tegen elkander zien vliegen, als de ketels springen."
"De tijd zal het leeren," zeide Alfred lachende.
"Ik zeg u," hervatte Augustine, "als er iets is dat zich in onzen tijd met de kracht eener goddelijke wet openbaart, dan is het, dat de massa's zich zullen verheffen en de laagste klassen de hoogste worden."
"Dat is weer van uw rood republikeinschen bombast, Augustine! Waarom zijt ge geen reizend volksredenaar geworden? Daar zoudt gij heerlijk voor zijn. Nu, ik hoop dat ik dood zal wezen, eer dat duizendjarige rijk van uwe smerige massa's begint."
"Smerig of niet smerig, zij zullen u overheerschen, als haar tijd komt; en zij zullen juist zulke heerschers zijn als gij ze maakt. De Fransche edelen verkozen het volksans culottete hebben, en zij hebbensans culotte-heerschers gehad naar hartelust. De bevolking van Haïti…"
"Och kom, Augustine! alsof wij al niet genoeg hadden gehad van dat verachtelijke en verfoeielijke Haïti! De Franschen van Haïti waren geene Anglo-Saksers; waren zij dat geweest, dan zou het anders zijn gegaan. De Anglo-Saksers zijn de heerschende stam op de wereld en zullen dat blijven."
"Welnu, er zit tegenwoordig al vrij wat Anglo-Saksisch bloed in onze slaven," hervatte Augustine. "Er zijn er velen onder, die maar juist genoeg van het Afrikaansche hebben, om zekere tropische warmte en drift aan onze bedachtzame standvastigheid te geven. Als hier ooit het San-Domingo-uur slaat, zal het Anglo-Saksisch bloed voorgaan. Zonen van blanke vaders, wien al ons trotsch gevoel van eigenwaarde in de aderen brandt, zullen zich niet altijd laten verkoopen en verhandelen. Zij zullen oprijzen, en het geslacht hunner moeder met hen doen oprijzen."
"Dwaasheid!—Onzin!"
"Er is een oud boek," hervatte Augustine, "dat zegt: 'Gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn: zij aten en dronken, zij plantten en bouwden en wisten het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam.'"
"Over het geheel, Augustine, denk ik inderdaad dat gij talenten genoeg hebt voor een volksredenaar," zeide Alfred lachende. "Wees voor ons maar niet bang. Zalig zijn de bezitters. Wij hebben de macht. Dit onderworpen ras," vervolgde hij, met den voet stampende, "is onder en zal onder blijven. Wij zijn wel mans genoeg om met ons eigen buskruit om te gaan."
"Zonen, opgevoed gelijk uwen Henrique, zullen de beste bewaarders van uwe kruitmagazijnen wezen," zeide Augustine, "zoo koel en beraden als zij zijn. Het spreekwoord zegt: 'Die zich zelven niet kan regeeren, kan geene anderen regeeren.'"
"Dat is wel iets bedenkelijks," zeide Alfred peinzende. "Het is niet te ontkennen, dat het onder ons stelsel zeer moeielijk is kinderen op te leiden. Het geeft hunne hartstochten, die in ons klimaat vurig genoeg zijn, veel te veel vrijheid. Ik heb moeite met Henrique. De knaap is goedhartig en edelmoedig; maar als hij driftig wordt, is hij onhandelbaar. Ik geloof dat ik hem voor zijne verdere opvoeding naar het Noorden zal zenden, waar de gehoorzaamheid nog meer in de mode is, en hij meer met gelijken en minder met onderhoorigen zal omgaan."
"Daar de opleiding van kinderen eene hoofdzaak voor het geheele menschdom is," zeide Augustine, "zou ik het wel van eenig gewicht achten, dat ons stelsel in dit opzicht niet deugt."
"In sommige opzichten niet," antwoordde Alfred, "maar in andere wederom wel. Het maakt de jongens manhaftig en dapper; en de ondeugden van het vernederde geslacht strekken juist om hen in de tegenovergestelde deugden te bevestigen. Ik geloof, bij voorbeeld, dat Henrique een fijner gevoel voor het schoone der waarheidsliefde heeft, omdat hij ziet dat logen en bedrog de algemeene kenteekenen der slavernij zijn."
"Zeker een christelijk begrip van de zaak," zeide Augustine.
"Christelijk of niet, het is waar," antwoordde Alfred, "en het is omtrent even christelijk als de meeste andere dingen in de wereld."
"Wel mogelijk," zeide Augustine.
"Och, het praten helpt niet, Augustine. Ik geloof dat wij dat alles wel vijfhonderd malen met elkander zijn rond geweest. Wat zegt ge van een spelletje triktrak?"
De twee broeders gingen de stoep op en zaten weldra aan een tafeltje met het bord tusschen hen in. Terwijl zij de schijven schikten, zeide Alfred: "Ik moet u toch nog zeggen, Augustine, wanneer ik dacht zooals gij, zou ik iets doen."
"Dat geloof ik wel—gij zijt van de soort die iets doet—maar wat?"
"Wel, uw eigen bedienden wat beter opvoeden, tot een proefje," zeideAlfred met een half spottende glimlach.
"Gij zoudt evengoed den berg Etna plat op hen kunnen neerzetten en hun gelasten om daaronder op te staan, als mij zeggen mijne bedienden tot iets beters op te voeden, terwijl de geheele massa der maatschappij hen neerdrukt. Een enkel man kan niets doen tegen den invloed eener maatschappij. De opvoeding, zal zij iets beteekenen, moet de zaak van den staat zijn; of er moeten zich ten minste genoeg vereenigen om ze tot eene gemeenschappelijke zaak te maken."
"Gij speelt het eerst," zeide Alfred, en weldra waren de broeders in hun spel verdiept en spraken over niets anders, totdat men dichtbij weder hoefslagen hoorde.
"Daar komen de kinderen aan," zeide Augustine, opstaande. "Zie eens,Alfred, hebt gij ooit iets schooners gezien?"
En waarlijk, het was een schoon tafereeltje. Henrique met zijn vroolijk gezicht, zijne donkere glanzige krullen en gloeiende wangen, boog zich onder het rijden lachende naar zijn nichtje over. Eva droeg een blauw rijkleedje en een mutsje van dezelfde kleur. De beweging had hare wangen een hoogen blos gegeven, die hare buitengemeen heldere blankheid nog meer deed uitkomen.
"Waarlijk, eene schitterende kleine schoone!" zeide Alfred. "Ik voorzeg u, Augustine, dat zij eens harten zal breken."
"Dat zal zij!—Maar al te waar!—God weet het, ik vrees er voor!" zeide Augustine, met plotseling opwellende bitterheid, en snelde toe om haar van het paard te helpen.
"Eva, mijn liefje, zijt gij niet al te moe geworden?" zeide hij, haar in zijne armen sluitende.
"Neen, Papa," antwoordde het kind; maar hare korte hijgende ademhaling maakte hem toch ongerust.
"Waarom hebt ge zoo hard gereden, liefje? Gij weet toch dat het niet goed voor u is."
"Ik voelde mij zoo wel, Papa, en vond het zóó pleizierig, dat ik dat vergat."
St. Clare droeg haar in zijne armen naar de voorkamer en legde haar op de sofa.
"Henrique, gij moet met Eva zeer voorzichtig zijn," zeide hij: "gij moet niet zoo hard met haar rijden."
"Ik zal op haar passen," antwoordde Henrique, zette zich bij de sofa neer en nam zijn nichtje bij de hand.
Eva bevond zich spoedig veel beter. Haar vader en oom gingen hun spel vervolgen en de twee kinderen bleven alleen.
"Weet gij wel, Eva," zeide Henrique, "het spijt mij zoo, dat papa nog maar twee dagen hier blijft, en ik u dan niet meer zien zal voor ik weet niet hoelang. Als ik bij u bleef, zou ik mijn best doen om goed te zijn en niet hard voor Dodo, en dat alles. Ik wil Dodo niet kwaad behandelen; maar weet ge, ik ben zoo driftig. En toch ben ik eigenlijk niet kwaad voor hem. Ik geef hem dikwijls een fooitje, en gij ziet dat hij goed gekleed is. Ik denk dat Dodo het over het geheel tamelijk wel heeft."
"Zoudt gij denken dat gij het tamelijk wel hadt, als er geen schepsel bij u was om u lief te hebben?"
"Ik! Wel natuurlijk niet!"
"En gij hebt Dodo afgenomen van al de vrienden die hij ooit had, en nu is er geen schepsel om hem lief te hebben. Op die manier kan niemand goed zijn."
"Ja, dat kan ik toch niet helpen of veranderen, zoover ik weet. Ik kan zijne moeder niet koopen, en ik kan hem toch zelf niet gaan liefhebben."
"Waarom kunt gij dat niet?" zeide Eva.
"Dodo liefhebben! Maar, Eva, dat kunt gij toch niet van mij willen. Ik mag van hem houden; maar liefhebben doet men zijne bedienden niet."
"Ik wel—waarlijk."
"Dat is raar."
"Zegt de Bijbel niet dat wij alle menschen moeten liefhebben?"
"O, de Bijbel! Zeker, die zegt veel zulke dingen; maar niemand denkt er toch ooit aan om ze te doen. Gij weet wel, Eva, niemand doet dat."
Eva sprak niet; hare oogen bleven een poos strak en peinzend.
"Hoe dat zij, lieve Neef," zeide zij eindelijk, "heb dien armen Dodo toch lief en wees goed voor hem, om mijnentwil."
"Ik zou om uwentwil alles kunnen liefhebben, lief Nichtje; want ik houd u waarlijk voor het liefste meisje dat ik ooit gezien heb."
Henrique sprak met een ernst, die een blos op zijne wangen bracht; en Eva ontving die betuiging met volmaakte eenvoudigheid, zonder dat haar gezichtje een spoor van eenige aandoening verried, en zeide slechts: "O, ik ben blij, dat gij nu zoo denkt, lieve Henrique. Ik hoop dat gij het altijd onthouden zult."
De schel van het diner maakte een einde aan het gesprek.
Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven, en nu werd de dokter geroepen.
Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden.
Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering overEva te doen ontwaken, maar vruchteloos.
"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt rond en speelt."
"Maar zij heeft een hoest."
"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och, Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden."
"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig."
"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid."
"En des nachts zweet zij zoo."
"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet."
Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan.
Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden.
"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet niet zoo terstond het ergste denken."
"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet."
"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was."
"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is, ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te voren al droeg."
"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is,datheb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf; de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen."
"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien, doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerustkonwezen als gij en anderen."
En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat zij haar zooveel droefheid veroorzaakte.
In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering, door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest, dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden.
Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in het sterven.
In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende, alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging.
Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen die zij zou achterlaten—het meest aan haren vader; want hoewel zij dit nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht, welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief.
Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind, en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te maken—een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid harer krachten.
"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven."
"Waarom, Miss Eva?"
"Omdat ik dat ook gevoeld heb."
"Wat is dat, Miss Eva?—Dat begrijp ik niet."
"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder, en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde—was dat niet schrikkelijk?—en nog heel dikwijls op andere tijden, heb ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven, Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op zijne hand leggende.
Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij, de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af.
"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken des Heeren op haar voorhoofd."
"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven leven—er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo dikwijls gezegd—en nu komt het uit—dat zien wij nu—allen—dat lieve, kleine, gezegende lam!"
Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar, toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken, gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de koorts, die in hare aderen brandde.
St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde, maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna wat hij haar wilde zeggen.
"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?"
"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen, eer ik zwakker word."
St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste.
Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde:
"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En Eva snikte.
"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje voor u gekocht."
"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven niet. Ik ben niet beter—dat weet ik heel wel; en ik ga heen binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig—ik ben niet zwaarmoedig. Als het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik wil gaarne gaan—ik verlang om te gaan."
"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken."
"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn—alleen om mijne vrienden zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar willen zijn—maar ik zou u toch niet willen verlaten—het breekt mij het hart bijna."
"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?"
"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren."
"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed genoeg hebben?"
"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet men en kan men doen?" En Eva huiverde.
"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit zulke histories heb laten hooren."
"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik behoor zulke dingen te weten—ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij te maken?"
"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over, ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen."
"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend, en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon."
"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind, spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb."
"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O, doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa, dat zulke dingen gedurig gebeuren."
"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat gij maar verlangt."
"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben zoodra…." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij: "zoodra ik hier vandaan ben."
"Ja, liefje, ik wil alles doen—al wat gij maar vragen kunt."
"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende, "hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!"
"Waarheen liefje?"
"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en vreedzaam—allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij.
St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg.
"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam.
"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader.
De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn leven voor hem op—de gebeden en gezangen zijner moeder—zijne eigene kinderlijke zucht en streven naar het goede—en tusschen die dagen en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje; en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep.