Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa, tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks van dutjes had gedaan.
Ophelia, die na eenig zoeken een kleinemeetingvan methodisten in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot gezelschap daarheen gereden.
"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene hartkwaal heb."
"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn."
"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie; "en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en zulk een vreemd gevoel."
"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene hartkwaal is."
"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit."
"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu, doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide St. Clare. "Ik had het niet gedacht."
"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is," zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd, hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had."
Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten.
Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf.
Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing, tot den een of ander gericht.
"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeideSt. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden."
Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de schuldige met zich medetrekkende.
"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen."
"Wat is de zaak?" zeide Augustine.
"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren; en wat heeft zij nu gedaan;—afgeloerd waar ik mijne sleutels berg, mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien."
"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar laten geeselen, dat ze niet meer staan kon."
"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen."
"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed als ik.'
Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon; maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich dadelijk veel minder warm.
"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen," zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon, en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was."
"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind roepende.
Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en hare gewone koddige dartelheid.
"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen.
"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit."
"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon."
"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen goed doen.—Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een neger—anders niets."
"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last niet langer hebben."
"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare.
"Welke vraag?"
"Wel, als uw Evangelie geen kracht genoeg heeft om één heidensch kind te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn."
Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit vertrekje dat Eva met Topsy verdween.
"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien."
Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde konden gezien worden—Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in al hare trekken en tranen in de oogen.
"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van wien gij houdt, Topsy?"
"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo, anders niet," antwoordde Topsy.
"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?"
"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva."
"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen broeder of zuster gehad, of tante, of…."
"Neen, niets van dat—heb nooit iemand of iets gehad."
"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan zoudt ge…."
"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden, dan zou ik mijn best doen."
"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. MissOphelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart."
Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon was ongeloof aan te duiden.
"Denkt gij dat niet," zeide Eva.
"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet schelen." En Topsy begon te fluiten.
"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos dat ik bij u zal wezen."
De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje, over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek, afdalende om een zondaar te redden.
"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom Tom van zingt."
"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen schelen."
Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen.
"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven, moeten wij willen doen wat Christus deed—hen tot ons roepen enonze handen op hen leggen."
"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia, "en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte; maar ik dacht dat zij het niet wist."
"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten, die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo."
"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zijzijnmij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat gevoel bedwingen?"
"Eva doet het toch, naar het schijnt."
"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij zou mij nog wel eene les kunnen geven."
"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare.
"Ween niet om hen, wie de sluier des grafsIn 's levens morgenstond heeft voor ons oog verborgen."
Eva's slaapkamer was een ruim vertrek, dat, gelijk al de andere kamers van het huis, op de breede veranda uitkwam. Aan de eene zijde grensde het aan de kamer van haren vader en moeder, aan de andere aan die, welke Miss Ophelia in gebruik had. St.-Clare had zijn eigen smaak gevolgd in het meubileeren van dit vertrek in een trant, welke volkomen met het karakter van haar voor wie het bestemd was strookte. De vensters waren met gordijnen van rozerood en wit neteldoek behangen; de vloer was bedekt met eene mat, die men van Parijs had laten komen, naar een patroon van zijne eigene teekening, dat in het rond een rand van rozeknoppen en bladeren, en in het midden een perk geheel ontloken rozen had. Het ledikant, de stoelen en de sofa's waren van bamboes in bijzonder sierlijke patronen gevlochten. Aan het hoofdeinde van het ledikant was eene albasten console, waarop een schoon gebeeldhouwde engel, met saamgevouwen vleugelen stond, die een mirtekrans ophield; van dien krans hingen de lichte gordijnen van rooskleurig met zilver gestreept gaas af, welke die beschutting gaven, welke in dat klimaat een onmisbaar vereischte voor elke slaapplaats is. Op de sierlijke sofa's van bamboes lagen kussens van rooskleurig damast, en daaroverheen hingen, door beelden opgehouden, dergelijke gordijnen als die van het ledikant. Eene fraaie, insgelijks van bamboes gevlochten tafel stond midden in het vertrek, en daarop een wit marmeren vaas, in den vorm eener lelie met knoppen, altijd met bloemen gevuld. Op deze tafel lagen Eva's boeken en snuisterijen, en stond ook een sierlijke albasten inktkoker, dien haar vader haar had gegeven, toen hij zag dat zij moeite deed om te leeren schrijven. Er was eene stookplaats in het vertrek, en op den schoorsteenmantel stond eene uitmuntend gebeeldhouwde kleine groep, Jezus de kinderen zegenende, tusschen twee marmeren vazen, welke Tom zorgde elken morgen van versche bloemruikers te voorzien. Eenige uitmuntende schilderijen van kinderen, in verschillende houdingen, verfraaiden de wanden. Kortom, het oog kon zich nergens heenwenden, zonder de beelden van kindsheid, schoonheid en zielevrede te ontmoeten. Die twee oogjes openden zich nooit voor het morgenlicht, zonder iets te zien dat het hartje streelde en het veredelende gedachten moest inboezemen.
De bedriegelijke kracht, welke Eva eene poos had ondersteund, verdween spoedig weder; al zeldzamer en zeldzamer hoorde men haar lichten tred onder de veranda, en als men haar zocht, vond men haar gewoonlijk op eene sofa voor het open venster liggen, met de oogen op de kabbelende golfjes van het meer gevestigd.
Het was eens op een namiddag, terwijl zij zoo lag—met haren Bijbel half open bij haar, en de dunne doorschijnende vingertjes lusteloos tusschen de bladen—dat zij de stem harer moeder, schel en driftig onder de veranda hoorde.
"O, gij ondeugend nest, wat hebt gij nu weer uitgevoerd? Bloemen geplukt, he?" En Eva hoorde den klank van een harden klap.
"Och, Mevrouw, zij zijn voor Miss Eva," hoorde zij eene stem zeggen, welke zij voor die van Topsy herkende.
"Voor Miss Eva? Een mooi verzinsel! Denkt gij dat zij bloemen van u noodig heeft, gij logenachtig ding? Maak dat gij weg komt."
In een oogenblik was Eva op en naar de veranda.
"O, neen, Mama, ik zou de bloemen gaarne hebben. Geef ze mij toch. Ik verlang er naar."
"Maar, Eva, uwe kamer is vol."
"Ik kan er nooit te veel hebben," antwoordde Eva. "Topsy, breng ze mij hier."
Topsy, die met een hangend hoofd druilend was blijven staan, kwam nu en bood hare bloemen aan. Zij deed dit met eene schroomvalligheid en bedeesdheid, zeer verschillende van de zonderlinge koddige onbeschaamdheid en levendigheid, die haar anders eigen waren.
"Het is een mooi bouquetje!" zeide Eva, het beziende.
Het was zeker buitengemeen genoeg—een enkele schitterende roode geranium en eene enkele witte japonica, met hare glanzige bladeren. Het was blijkbaar zoo gekozen door een oog dat gevoel had voor het contrast van kleuren, en elk blaadje was met zorg geschikt.
Topsy scheen zeer in haren schik toen Eva zeide: "Topsy, gij kunt heel aardig bloemen schikken. Hier in dit vaasje heb ik er nog geen. Ik wou dat gij er alle dagen een ruikertje voor kondt maken."
"Welk een wonderlijke inval!" zeide Marie. "Wat in de wereld wilt ge toch daarmede doen?"
"Och niets, Mama; maar gij wilt immers wel hebben dat Topsy dit doet, niet waar?"
"Natuurlijk, alles wat u genoegen kan geven, liefje. Topsy, gij hoort wat uwe jonge meesteres zegt; pas op dat gij er voor zorgt."
Topsy neeg even en keek voor zich neer; en toen zij zich omkeerde, zag Eva een traan over hare zwarte wang rollen.
"Ziet ge, Mama, ik wist wel dat die arme Topsy iets voor mij wilde doen," zeide Eva tegen hare moeder.
"Och kom, gekheid! Het is maar alleen omdat zij gaarne kwaad doet. Zij weet dat zij geen bloemen mag plukken, en daarom doet zij het—anders is het niet. Maar als gij er pleizier in hebt dat zij ze plukt, laat het dan zoo zijn.
"Mama, ik geloof dat Topsy anders is dan zij placht te wezen. Zij wil nu haar best doen om een goed meisje te worden."
"Zij zal lang haar best moeten doen eer haar dat gelukt," zeide Marie met een onverschilligen lach.
"Maar gij weet ook wel, Mama, die arme Topsy heeft altijd alles tegen zich gehad."
"Toch zeker niet sedert zij hier is. Men heeft haar onderricht en voor haar gepreekt, en alles gedaan wat iemand op de wereld doen kon; en zij is even ondeugend en zal dat altijd blijven; van dat schepsel kunt gij nooit iets maken."
"Maar, Mama, het maakt zulk een groot verschil, of iemand opgebracht is zooals ik geworden ben, met zooveel vrienden en zooveel dingen om mij tevreden en goed te maken, of opgebracht te worden zooals zij altijd geworden is tot zij hier kwam."
"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Marie. "He, wat is het warm!" "Mama, gij gelooft toch wel, doet gij niet, dat Topsy een engel zou kunnen worden, zoowel als een van ons, als zij christen werd?"
"Topsy! Welk een gekke inval! Niemand dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben. Maar ik denk toch dat het zou kunnen zijn."
"Maar, Mama, is dan God haar Vader niet, evengoed als de onze? IsJezus haar Zaligmaker niet?"
"Nu ja, dat zal wel wezen. Ik geloof ook dat God alle menschen geschapen heeft," zeide Marie. "Waar is mijn flacon?"
"Het is zoo jammer—o zoo jammer!" zeide Eva, naar het meer in de verte turende en half bij zich zelve sprekende.
"Wat is jammer?" zeide Marie.
"Wel, dat iemand die een heerlijke engel zou kunnen zijn, en met engelen leven, in het verderf zou zinken, en niemand die ongelukkige helpen zou?"
"Ja, dat kunnen wij toch niet helpen, en het gaat niet zich daarover te kwellen, Eva. Ik weet niet wat er aan te doen is. Wij moeten maar dankbaar zijn voor onze eigene voorrechten."
"Dat kan ik haast niet wezen," antwoordde Eva, "zoo bedroefd word ik, als ik aan die arme menschen denk die er geene hebben."
"Dat is toch vreemd," zeide Marie; "ik weet wel dat mijn godsdienst mij dankbaar maakt voor mijne voorrechten."
"Mama," zeide Eva op eens, "ik wou wat van mijn haar hebben afgeknipt—veel afgeknipt."
"Waarom?" vroeg Marie.
"Ik wou het aan mijne vrienden geven, Mama, terwijl ik nog in staat ben om het zelve te geven. Wilt gij tante niet vragen om eens hier te komen en het voor mij af te knippen?"
Marie verhief hare stem en riep Ophelia uit de andere kamer.
Toen deze binnenkwam, rees Eva half overeind, schudde hare lange krullen los, en zeide bijna schertsende: "Kom, Tante, scheer het schaapje!"
"Wat is dat?" zeide St.-Clare, die juist binnenkwam met eenige vruchten, die hij voor haar was gaan halen.
"Papa, ik wilde tante wat van mijn haar laten afsnijden. Ik heb te veel, en het maakt mijn hoofd heet. En bovendien wilde ik er wat van weggeven."
Ophelia kwam met eene schaar.
"Pas op dat gij het niet ontsiert," zeide St.-Clare. "Knip van onderen weg, waar het niet te zien zal zijn. Ik ben grootsch op Eva's krullen."
"O, Papa!" zeide Eva treurig.
"Ja zeker, en ik wil ze mooi hebben gehouden, tegen den tijd dat ik u medeneem naar de plantage van uwen oom, om neef Henrique te bezoeken," zeide St.-Clare op een vroolijken toon.
"Ik zal nooit daarheen gaan; ik ga naar een beter land. O, geloof mij toch! Ziet ge niet, Papa, dat ik elken dag zwakker word?"
"Waarom dringt gij mij zoo om iets te gelooven, dat mij zoo verdrietig zou zijn, Eva?" zeide haar vader.
"Alleen omdat het waar is, Papa; en als gij het nu gelooven wilt, zult gij er misschien even kalm onder worden als ik."
St.-Clare kneep zijne lippen dicht en bleef somber staan toezien, terwijl de fraaie lange krullen van het hoofd zijner dochter werden afgeknipt, en een voor een in haren schoot gelegd. Zij nam ze op, zag ze ernstig aan, wond ze om hare dunne vingertjes, en keek tusschenbeide met angstige treurigheid naar haar vader op.
"Dat is het juist, waarvan ik een voorgevoel heb gehad," zeide Marie. "Dat is het, wat van dag tot dag aan mijne gezondheid heeft geknaagd en mij naar het graf brengt, hoewel niemand er op let. Ik heb dit al lang voorzien, en spoedig, St.-Clare, zult gij zien dat ik gelijk had."
"En dat zal u zeker een grooten troost geven," zeide St.-Clare droog en bitter.
Marie liet zich achterover op eene sofa zakken en bedekte haar gelaat met haren zakdoek.
Eva's helderblauwe oogen keerden zich ernstig starende van den een naar den ander. Het was de kalme, heldere blik eener ziel, reeds half van hare aardsche banden ontslagen; het was duidelijk dat zij verschil tusschen die twee zag en gevoelde.
Zij wenkte haar vader met haar handje. Hij kwam en zette zich bij haar neer.
"Papa, mijne kracht vermindert van dag tot dag, en ik weet dat ik moet heengaan. Er zijn nog eenige dingen, die ik zeggen en doen wilde en die ik niet verzuimen mag; en gij zijt zoo bang om mij een woord daarover te laten spreken. Maar het moet toch gebeuren, het kan niet uitgesteld worden. Wees toch gewillig dat ik nu spreek."
"Ik ben gewillig, mijn kind," zeide St.-Clare, met de eene hand zijne oogen bedekkende en met de andere Eva's handje vasthoudende.
"Dan wilde ik al onze lieden bij elkander zien. Er zijn eenige dingen die ik hun moet zeggen."
"Welnu dan," antwoordde St.-Clare, op een toon van doffe berusting.
Ophelia zond iemand heen, en weldra waren al de bedienden in de kamer bij elkander.
Eva zat in de kussens, rustende op de sofa; hare overgeblevene lokken zwierden los om haar gezichtje; hare gloeiende wangen vormden een pijnlijk contrast met de bleeke blankheid harer kleur en de magerheid harer trekken en leden; en hare groote, zielvolle oogen zagen iedereen ernstig aan.
Eene plotselinge ontroering beving al de bedienden. Dat gezichtje van bovenaardsche schoonheid, de lange afgeknipte haarlokken, het afgewende gelaat van den vader, het snikken der moeder, dat alles maakte een diepen indruk op het gevoel van zulke licht aandoenlijke menschen; en toen zij binnenkwamen zagen zij elkander aan, zuchtten en schudden het hoofd. Er volgde eene diepe stilte, gelijk bij eene begrafenis.
Eva beurde zich op en zag eene poos ernstig in het rond. Alle gezichten stonden droevig; vele der vrouwen verborgen het gezicht achter haar voorschoot.
"Ik heb u allen laten roepen, mijne vrienden," zeide Eva, "omdat ik u liefheb. Ik heb u allen lief, en ik heb iets te zeggen, dat ik wensch dat gij altijd onthouden zult. Ik ga u verlaten. Over nog eenige weken zult gij mij niet meer zien…"
Hier werd zij in de rede gevallen door eene uitbarsting van kermende zuchten, snikken en jammerklachten, die hare zwakke stem geheel verdoofden. Zij wachtte een oogenblik, en toen zeide zij op een toon die alles tot stilte bracht:
"Als ge mij liefhebt, moet ge mij zoo niet storen. Luistert naar wat ik zeg. Ik wilde over uwe zielen spreken. Vele van u, vrees ik, zijn zeer zorgeloos. Gij denkt alleen aan deze wereld. Ik wilde u doen bedenken en onthouden dat er een schoone wereld is, waar Jezus is. Ik ga daarheen, en gij kunt ook daarheen gaan; die wereld is voor u, zoowel als voor mij. Maar als gij daarheen wilt gaan, moet gij niet los, zorgeloos en gedachteloos leven; dan moet gij christenen zijn. Gij moet altijd onthouden, dat gij allen, een voor een, engelen kunt worden en voor eeuwig engelen zijn.—Als gij christenen wilt worden, zal Jezus u helpen. Gij moet tot Hem bidden; gij moet lezen…."
Hier bedacht zij zich, zag hen medelijdend aan en zeide treurig: "Ach, gij kunt niet lezen! Arme zielen!" En toen verborg zij haar gezichtje in de kussens en schreide, totdat de gesmoorde zuchten van hen, wie zij had aangesproken en die nu om haar heen op den grond knielden, haar opwekten.
"Dat is niets," zeide zij, zich weder oprichtende en door hare tranen heen helder glimlachende: "ik heb voor u gebeden, en ik weet dat Jezus u helpen zal, al kunt gij niet lezen. Doet allen uw best maar, bidt elken dag; vraagt Hem om u te helpen, en laat u uit den Bijbel voorlezen, zoo dikwijls gij kunt, dan denk ik dat ik u allen in den hemel zal zien."
"Amen!" was het antwoord, dat nu door Tom en Mammy en eenige anderen der oudsten, die tot de methodistische kerk behoorden, gepreveld werd. De jongeren en andere loszinnigen, thans geheel vermurwd, lagen met gebogen hoofd op de knieën te snikken.
"Ik weet," zeide Eva, "dat gij mij allen zeer liefhebt."
"Ja, o ja! Waarlijk doen wij dat! God zegene haar!" was het algemeene onwillekeurige antwoord.
"Ja, dat weet ik. Er is niemand onder u, die niet altijd heel goed voor mij geweest is; en ik wilde u iets geven, dat ge mij altijd gedenken moogt, als ge het ziet. Ik zal u ieder eene krul van mijn haar geven; en als ge die aanziet, denk dan dat ik u liefhad en naar den hemel ben gegaan, en dat ik zoo verlang u allen daar te zien."
Het is onmogelijk het tooneel te beschrijven dat nu volgde, terwijl allen zich met tranen en snikken om het kind verzamelden en uit hare hand het laatste teeken harer liefde ontvingen. Zij vielen op hunne knieën, zij snikten, baden en kusten den zoom van haar kleed; terwijl de oudsten een vloed van teedere benamingen uitstortten, met gebeden en zegenwenschen gemengd, op de wijze van hunnen hartstochtelijken stam.
Ophelia, beducht voor den invloed van al deze aandoeningen op de kleine lijderes, wenkte ieder die hare gift ontvangen had om uit de kamer te gaan.
Eindelijk waren allen vertrokken, behalve Tom en Mammy.
"Hier, Oom Tom," zeide Eva, "hier is een mooie voor u. O, ik ben zoo blij, Oom Tom, als ik denk dat ik u in den hemel zien zal, want dat zal ik zeker; en Mammy—lieve, goede, vriendelijke Mammy," zeide zij, teeder hare armpjes om hare oude oppasster slaande, "ik weet, dat gij daar ook wel zult zijn."
"O, Miss Eva, ik weet niet hoe ik zonder u leven zal!" riep de getrouwe oppasster uit. "Het is alsof alles op eens uit het huis wordt weggenomen," en Mammy gaf zich over aan hare hartstochtelijke smart.
Ophelia duwde haar en Tom zachtjes de kamer uit en dacht nu dat allen weg waren, maar toen zij zich omkeerde, stond Topsy daar nog.
"Waar zijt gij vandaan gekomen?" zeide zij bevreemd.
"Ik was nog hier," antwoordde Topsy, zich de tranen uit de oogen vegende. "O, Miss Eva, ik ben een slecht meisje geweest; maar wilt gij er mij niet ook eene geven?"
"Ja, arme Topsy, zeker wil ik. Daar—telkens als gij dat aanziet, denk dan dat ik u liefhad en wenschte dat gij een goed meisje waart."
"O, Miss Eva, ik doe mijn best," zeide Topsy ernstig; "maar och, het is zoo moeilijk om goed te zijn. Het lijkt dat ik er mij maar geheel niet aan gewennen kan."
"Jezus weet dat wel, Topsy. Hij heeft medelijden met u en Hij zal u helpen."
Topsy liet zich met haar voorschoot voor haar oogen, stil door Miss Ophelia de kamer uitbrengen, maar onder het heengaan verborg zij de kostbare krul aan hare borst.
Toen allen weg waren sloot Ophelia de deur. De brave vrouw had onder dit tooneel veel eigen tranen afgewischt, maar bekommering voor de gevolgen van zooveel aandoening voor de kleine lijderes had toch de overhand in haar gemoed.
St. Clare had al dien tijd met de hand voor de oogen gezeten, en toen allen heen waren bleef hij nog zitten.
"Papa!" zeide Eva, hare hand op de zijne leggende.
Hij maakte eene beweging van schrik en huiverde, maar gaf geen antwoord.
"Lieve Papa!" zeide Eva.
"Ik kan, ik kan het niet doorstaan!" zeide St. Clare opstaande. "De Almachtige heeft bitter, zeer bitter met mij gehandeld!" En bitter was waarlijk de nadruk, waarmede hij deze woorden uitsprak.
"Augustine, heeft God het recht niet om met Zijn eigendom te doen wat Hij wil?" zeide Ophelia.
"Misschien; maar dat maakt het niet lichter om te dragen," antwoordde St. Clare op een harden, drogen toon en zonder tranen, terwijl hij zich omkeerde.
"O, Papa, gij breekt mij het hart!" riep Eva uit en wierp zich opstaande in zijne armen. "Gij moet zoo niet denken, zoo niet voelen." En zij schreide en snikte met eene heftigheid, die allen zeer ongerust maakte en aan de gedachten van haren vader terstond eene andere richting gaf.
"Stil, Eva; stil, liefje! Ik heb verkeerd gedaan. Ik heb slecht gesproken. Ik wil alles denken—alles doen. Bedroef u maar zoo niet, snik maar zoo niet. Ik zal gelaten zijn; ik zal berusten. Ik beken mijne schuld met zoo te spreken."
Eva lag weldra afgemat maar rustig in de armen van haren vader, die haar troostte met alle teedere woordjes, welke hij maar bedenken kon.
Marie stond op en snelde naar hare eigene kamer, waar zij het hevig op de zenuwen kreeg.
"Gij hebt mij geene krul gegeven, Eva," zeide haar vader met een treurigen glimlach.
"Zij zijn allen voor u, Papa," antwoordde zij lachende, "voor u en mama; en gij moet er mijn lieve tante zooveel van geven als zij wil. Ik heb ze maar zelve aan onze arme lieden gegeven; omdat het, weet ge, Papa, zou kunnen vergeten worden, als ik er niet meer ben, en omdat ik hoopte dat het hun zou helpen onthouden…. Gij zijt een christen, niet waar, Papa?" zeide zij twijfelachtig.
"Waarom vraagt ge mij dat?"
"Ik weet het niet. Gij zijt zoo goed, dat ik niet zie hoe gij het niet zoudt wezen."
"Wat is het, Eva, een christen te zijn?"
"Christus boven alles lief te hebben," antwoordde Eva.
"Doet gij dat, Eva?"
"Zeker, dat doe ik."
"Gij hebt Hem toch nooit gezien." zeide St. Clare.
"Dat maakt geen verschil," antwoordde Eva. "Ik geloof in Hem, en over weinige dagen zal ik Hem zien." En haar gezichtje straalde van blijdschap.
St. Clare zei niets meer. Het was een gevoel, dat hij ook vroeger bij zijne moeder had ontwaard; maar in zijn binnenste was geene snaar, die daarmede in overeenstemming trilde.
Na dien tijd verminderde Eva snel. Er was geen twijfel meer aan den afloop; de teederste hoop kon zich niet meer verblinden. Hare fraaie kamer werd nu geheel en al een ziekenvertrek, en Ophelia nam nacht en dag den post van oppasster waar. Nooit hadden hare vrienden hare begaafdheden hooger gewaardeerd dan thans. Met zulke welgeoefende oogen en handen, zulk een bedrevenheid in alle zorgen en kunstgrepen, om zindelijkheid en gemak te bevorderen en alle onaangename omstandigheden eener ziekenkamer uit het oog te houden—met zulk een stipte oplettendheid voor den tijd, met zulk een helder, nooit verbijsterd hoofd, met zulk een getrouw geheugen voor alle voorschriften van den dokter—was zij thans alles voor hen. Zij, die de schouders hadden opgehaald over hare kleine zonderlingheden en stiptheid in beuzelingen, zoo strijdig met de achtelooze vrijheid der manieren van het Zuiden, erkenden thans dat zij juist diegene was die men noodig had.
Tom was veel in Eva's kamer. Het kind leed veel aan zenuwachtige rusteloosheid, en het verlichtte haar als zij gedragen werd. Het was Toms grootste blijdschap de tengere lijderes in zijne armen op een kussen te mogen dragen; nu de kamer op en neer, dan buiten onder de veranda; en des morgens, wanneer de frissche zeewind over het meer woei, wandelde hij somtijds met haar onder de oranjeboomen in den tuin, of zette hij zich op eene der oude bekende banken neer en zong hij voor haar hunne oude geliefde gezangen.
Haar vader deed dikwijls hetzelfde; maar hij was niet zoo forsch gespierd, en wanneer hij moede werd, zeide Eva meestal:
"O, Papa, laat Tom mij overnemen. De arme Tom heeft er zulk een genoegen in. Het is al wat hij nu doen kan, en hij doet zoo gaarne iets."
"Ik ook, Eva," zeide haar vader.
"O, Papa, gij kunt alles doen, en gij zijt alles voor mij. Gij leest voor mij—gij zit des nachts bij mij op—en Tom heeft alleen dit eene en zijn zingen; en gij weet wel, hij doet het gemakkelijker dan gij. Hij draagt mij zoo stevig!"
Het verlangen om iets te doen, was niet tot Tom beperkt. Alle bedienden in huis koesterden denzelfden wensch en deden op hunne manier wat zij konden.
Het hart der arme Mammy smachtte dikwijls naar hare lieveling; maar zij vond nacht of dag bijna geene gelegenheid, daar Marie verklaarde, dat zij in haren gemoedstoestand geen oogenblik rust kon vinden, en het natuurlijke gevolg daarvan was, dat zij niemand een oogenblik rust wilde laten. Twintigmaal in één nacht werd Mammy wakker geroepen, om hare voeten te wrijven, om haar hoofd te verkoelen, om haar zakdoek op te zoeken, om te zien welk gerucht er in Eva's kamer was, om het gordijn neer te laten dewijl het te licht, of op te halen omdat het te donker was; en over dag, wanneer zij verlangde eenig deel te kunnen nemen aan de oppassing harer lieveling, scheen Marie al hare schranderheid in te spannen, om haar elders in huis werk te geven en bezig te houden, zoodat zij slechts tersluiks en voor een oogenblik bij Eva kon zijn.
"Ik acht het mijn plicht tegenwoordig bijzonder op mij zelve te passen," zeide Marie, "zoo zwak als ik ben en met de geheele zorg voor dat lieve kind beladen."
"Inderdaad, lieve," antwoordde St. Clare. "Ik dacht dat onze nicht u daarvan onthief."
"Gij praat als een man, St. Clare—alsof eene moeder van de zorg voor een kind in dien staat kon ontheven worden; maar het is alles 't zelfde—niemand weet ooit wat ik gevoel. Ik kan die dingen zoo niet van mij afgooien, als gij doet."
St. Clare glimlachte. Gij moet hem verontschuldigen, hij kon het niet laten—en St. Clare kon nog glimlachen. Want zoo helder en vreedzaam was de afscheidsreis van dien kinderlijken geest—door zulke geurige, verkwikkelijke koeltjes werd het barkje naar de hemelsche kusten gevoerd—dat het bijna onmogelijk was zich te verbeelden, dat het de dood was die naderde. Het kind voelde geen pijn—alleen een kwijnende, stille zwakheid, die dagelijks maar bijna onmerkbaar toenam; en zij was zoo schoon, zoo liefderijk, zoo vertrouwelijk, zoo vergenoegd, dat men onmogelijk den streelenden invloed kon wederstaan van die atmosfeer van onschuld en vrede, die haar scheen te omringen. St. Clare vond zich door een vreemde kalmte bekropen. Het was geene hoop, deze was onmogelijk; het was geene onderwerping; het was slechts een kalm berusten in het tegenwoordige, hetwelk zoo schoon was, dat hij aan geene toekomst wilde denken. Het was gelijk die kalmte van den geest, die wij in de statig schoone herfstbosschen gevoelen, wanneer het geboomte een helderen koortsblos vertoont, en de laatste bloemen nog beneden bij de dijk staan, en wij ons des te meer daarin verheugen, omdat wij weten dat het alles spoedig zal voorbijgaan.
De vriend, die het meest van Eva's eigen gedachten en voorgevoelens wist, was haar getrouwe drager Tom. Tegen hem zeide zij alles, waarmede zij haar vader niet wilde verontrusten. Aan hem deelde zij die geheimzinnige waarschuwingen mede, welke de ziel ontvangt, wanneer de banden, die haar aan het stof boeien beginnen los te worden.
Tom wilde eindelijk niet meer in zijn slaapkamertje slapen, maar lag onder de veranda, om gereed te zijn zoo dikwijls hij geroepen werd.
"Oom Tom, hoe komt gij er bij, om zoo overal te gaan liggen slapen, evenals een hond?" zeide Ophelia. "Ik dacht dat gij een van de ordelijke soort waart en gaarne op eene christelijke manier in bed laagt."
"Dat doe ik ook, Miss Phelia. Dat doe ik ook, maar nu…"
"Wel, wat nu?"
"Wij moeten niet hard spreken; Mijnheer St. Clare wil er niet van hooren; Miss Phelia gij weet, er moet iemand waken voor den bruidegom."
"Wat meent gij, Tom?"
"Gij weet wel, de Schrift zegt: "Te middernacht geschiedde een geroep: Ziet de bruidegom komt." Dat is het nu wat ik elken nacht verwacht, Miss Phelia; want als dat gezegende kind in het koninkrijk binnengaat, zullen zij de poort zoo wijd opendoen, dat wij er allen kunnen inzien naar de heerlijkheid, Miss Phelia."
"Heeft Eva dan gezegd, dat zij zich van avond minder voelde dan anders?"
"Neen, maar zij zeide mij van morgen, dat Hij naderkwam; er zijn er, die dat aan het kind zeggen, Miss Phelia. Dat zijn de engelen—dat is het bazuingeschal voor den dageraad," zeide Tom, eenige woorden uit een zijner geliefde gezangen aanhalende.
Dit gesprek tusschen Miss Ophelia en Tom had tusschen tien en elf uur in den avond plaats, toen zij, nadat zij al hare beschikkingen voor den nacht gemaakt had, de buitendeur ging sluiten en Tom onder de veranda vond liggen.
Zij was niet zenuwachtig of lichtgeloovig; maar zijn tegelijk plechtige en hartelijke toon ontroerde haar toch. Eva was dien namiddag buitengewoon wel en opgeruimd geweest; zij had overeind in haar bed gezeten, en al hare kleine kostbaarheden nagezien, en gezegd aan wie zij wenschte dat zij gegeven werden; en haar uitzicht was levendiger en hare stem natuurlijker geweest, dan men in verscheidene weken had opgemerkt.
Maar te middernacht—dat vreemde, geheimzinnige uur, wanneer de sluier tusschen het broze tegenwoordige en de eeuwige toekomst dunner wordt, toen kwam de bode!
Er werd geluid in de kamer gehoord, eerst van iemand die snel heen en weder stapte. Het was Ophelia, die voorgenomen had den geheelen nacht op te blijven, en nu tegen middernacht had waargenomen wat ervaren ziekenoppassters "verandering" noemen. De buitendeur werd haastig geopend, en Tom, die waakte, was terstond op. "Ga den dokter halen, Tom. Verlies geen oogenblik," zeide Ophelia, en toen de kamer weder doorgaande, klopte zij aan de deur van St. Clare. "Neef," zeide zij, "ik wou dat gij eens kwaamt."
Die woorden vielen hem op het hart, gelijk aardkluiten op eene doodkist. Waarom deden zij dat? Hij was in een oogenblik op en in de kamer, en boog zich over Eva die nog sliep.
Wat zag hij, dat zijn hart bijna deed stilstaan? Waarom werd er geen woord tusschen die twee gesproken? Gij kunt het zeggen, die dezelfde uitdrukkingen hebt gezien op het gezicht dat u het dierbaarste was—die verandering, onbeschrijfelijk, hopeloos, onmiskenbaar, die schijnt aan te duiden, dat wat u zoo dierbaar is u niet langer toebehoort.
Geen akelige trek vertoonde zich echter in dat kinderlijke gezichtje—niets anders dan iets verhevens, iets goddelijks bijna—de afschaduwing der tegenwoordigheid van geestelijke wezens—de dageraad van het onsterfelijke leven in de kinderlijke ziel.
Zoo stonden zij haar aan te staren, zoo stil, dat zelfs het tikken van het horloge te hard scheen te zijn. Weldra kwam Tom terug met den dokter. Deze trad binnen, wierp een enkelen blik op het kind en bleef toen even stilstaan als de anderen.
"Wanneer heeft die verandering plaats gehad?" vroeg hij Ophelia fluisterend.
"Tegen middernacht," was het antwoord.
Marie, door de komst van den dokter opmerkzaam geworden, kwam haastig de kamer binnen.
"Augustine!—Nicht!—O!—Wat!" begon zij.
"St!" zeide St. Clare met een heesche stem. "Zij is stervende."
Mammy hoorde deze woorden en vloog heen om de bedienden te wekken. Weldra was het geheele huis in beweging—men zag lichten, hoorde voetstappen, angstige en betraande gezichten keken uit de veranda door de glasdeur in de kamer; maar St. Clare zag en hoorde niets—hij zag alleen die uitdrukking op het gezicht der kleine slaapster.
"O, als zij nog maar eens ontwaakte, nog maar eens sprak!" zeide hij, en over haar heen bukkende, sprak hij in haar oor: "Eva, liefje."
De groote, blauwe oogen openden zich—een glimlach vloog over haar gezichtje; zij poogde haar hoofd op te beuren en te spreken.
"Kent gij mij, Eva?"
"Lieve Papa," zeide het kind en sloeg met een laatste inspanning hare armpjes om zijnen hals.
Een oogenblik later zonken zij weder neer; en toen St. Clare zijn hoofd ophief, zag hij een doodsstuip over het gezichtje trekken—zij snakte naar adem en stak de handjes uit.
"O God, dat is schrikkelijk!" zeide hij zich omkeerende, en in zijne zielesmart nauwelijks wetende wat hij deed, klemde hij de hand van Tom in de zijne. "O, Tom, mijn jongen, het doet mij den dood!"
Tom hield de hand van zijnen meester vast, en terwijl de tranen over zijne zwarte wangen rolden, zag hij om hulp waarheen hij steeds gewoon was op te zien.
"Bid dat dit kort mag duren!" zeide St. Clare. "Het is eene marteling voor mijn hart."
"O, gezegend zij de Heere! Het is over—het is over, lieve meester," zeide Tom. "Zie haar maar aan."
Het kind lag hijgende op het kussen geheel afgemat, maar met de groote heldere oogen strak omhooggeslagen. En wat las men in die oogen, waarin altijd zooveel van dien hemel te zien was? De aarde was voorbij en alle aardsche smart; maar zoo plechtig, zoo geheimzinnig was de zegevierende blijdschap, die op dat gezichtje lag verspreid, dat zelfs de zuchten der droefheid daardoor bedwongen werden. De aanwezigen bleven stil voor zich uit staren.
"Eva," zeide St. Clare zacht.
Zij hoorde niet.
"O, Eva, zeg ons wat gij ziet! wat is het?" zeide haar vader.
Een heldere, heerlijke glimlach zweefde over haar gezichtje en zij antwoordde afgebroken: "O, liefde—blijdschap—vrede!" slaakte een enkelen zucht en ging uit den dood in in het leven over.
Vaarwel, dierbaar kind! De eeuwige poort is achter u gesloten; wij zullen uw lief gezichtje niet meer zien. Ach, wee hunner, die uw ingaan in den hemel hebben aanschouwd, als zij ontwaken en alleen de koude grauwe lucht van het dagelijksche leven vinden, en gij voor altijd heen zijt!