VIERDE HOOFDSTUK.

De hut van Oom Tom was een gebouwtje van boomstammen en planken dicht bij "het huis" gelijk de neger de woning van zijnen meester noemt. Voor deze hut lag een tuintje, waar elken zomer aardbeziën, frambozen en allerlei vruchten en groenten, zorgvuldig gekweekt, welig groeiden. De geheele voorgevel was met eene groote roode bignonia en een wilden rozestruik begroeid, die zich zoodanig door elkander strengelden, dat er bijna niets van de ruwe houtsblokken te zien was. Hier vonden in den zomer ook verschillende eenjarige bloemplanten een hoekje, om hare pracht te laten schitteren, en waren de blijdschap en trots van Tante Chloe's hart.

Laten wij de woning binnentreden. In "het huis" is het avondmaal reeds voorbij, en Tante Chloe, die als eerste keukenmeid het oppertoezicht over de bereiding daarvan heeft gehad, heeft aan de mindere keukenbedienden het wasschen en wegruimen van borden en schotels overgelaten, en is naar hare eigene lieve woning gekomen, om wat voor "haar ouden man" klaar te maken. Dus is zij het zonder twijfel, die gij daar bij het vuur ziet, terwijl zij met oplettende belangstelling het oog houdt op zekere sissende dingen in een braadpan, en somtijds met ernstige bedachtzaamheid het deksel van een ketel oplicht, waaruit een geurige damp opstijgt, die ontwijfelbaar iets bijzonder lekkers aankondigt. Zij heeft een rond zwart gezicht, zoo glanzig, dat het iemand op de gedachte brengt, of het ook met eiwit mocht bestreken zijn, gelijk haar eigen theebanket. Geheel dat ronde gezicht straalt van genoegen en tevredenheid onder haren welgesteven geruiten tulband, maar vertoont ook, dit moeten wij bekennen, een zweempje van die bewustheid van eigenwaarde, welke de beste keukenmeid van den geheelen omtrek voegt, waarvoor Tante Chloe algemeen erkend wordt.

Zij was zeker eene keukenmeid tot in het diepst van hare ziel. Geen kuiken, kalkoen of eend was er op het pleintje bij de schuur of hij keek ernstig en begon aan zijn einde te denken, als hij haar zag naderen, en zeker speelden hare zinnen ook altijd zoozeer op plukken, vullen en braden, dat haar gezicht een nadenkenden vogel moest beangstigen. Hare koeken en koekjes van allerlei soort waren een verheven mysterie voor alle minder ervarene baksters; en zij lachte dat zij schudde, met een mengeling van spotterij en hoogmoed, als zij vertelde van de vruchtelooze pogingen, die deze en gene harer mededingsters hadden gedaan om hare hoogte te bereiken.

De komst van gasten in huis en het beschikken van een diner of souper, "in staatsie", deed al haar ijver en geestkracht ontwaken, en geen gezicht was haar aangenamer dan een hoop reiskoffers onder de veranda opgestapeld, want dit deed haar nieuwe drukte en nieuwe zegepralen te gemoet zien.

Juist op het oogenblik echter kijkt Tante Chloe in de braadpan, en aan die streelende bezigheid zullen wij haar laten, tot wij onze schilderij van hare woning hebben voltooid.

In een hoek stond een bed, netjes met een sneeuwwitte sprei bedekt, en daarnaast lag een stuk tapijt van aanmerkelijke grootte. Op dit tapijt grondde Tante Chloe hare aanspraken op eene fatsoenlijke manier van leven, daar het ontegenzeggelijk iets voornaams was; en dit tapijt en het bed waarbij het lag, ja eigenlijk die geheele hoek werden in zekere eere gehouden, en zooveel mogelijk beveiligd voor strooptochten en aanvallen van het kleine goed. Die hoek was zooveel als staatsiekamer van het huis. In een anderen hoek stond een bed, dat er minder deftig uitzag en blijkbaar totgebruikbestemd was. De muur tegenover den schoorsteen was met eenige zeer schitterende bijbelsche prenten versierd, en ook met een portret van generaal Washington, geteekend en gekleurd op een manier, waarover die heer zich zeker zelf zou verbaasd hebben, als hij het ooit had kunnen zien.

Op eene ruwe bank in dezen hoek zaten eenige jongens met wollige kroeskoppen, glinsterende zwarte oogen en ronde blinkende wangen, bezig met het opzicht over de eerste loopmanoeuvres van het kleinste kind, die, gelijk doorgaans daarmede het geval is, bestonden in zich even op te richten, een oogenblik op zijne voeten te balanceeren en dan weder om te tuimelen—terwijl elke mislukking als een buitengemeen kunststuk werd toegejuicht.

Eene tafel, eenigszins wankelend op hare pooten, was voor het vuur geschoven en met een tafellaken bedekt, waarop kopjes en schoteltjes met schitterende kleuren en andere voorteekenen van een naderenden maaltijd stonden. Aan deze tafel was Oom Tom gezeten, Mr. Shelby's meest vertrouwde dienaar, wien wij, daar hij de held van ons verhaal zal zijn, met de getrouwheid eener daguerreotype voor onze lezers moeten afteekenen. Hij was een rijzig en forsch gebouwd man met eene breede borst en een glanzig zwart gezicht, welks echt Afrikaansche trekken gekenmerkt werden door eene uitdrukking van ernst en degelijk gezond verstand, met veel goedhartigheid en zachtaardigheid vereenigd. Geheel zijn voorkomen had iets deftigs, alsof het hem niet aan gevoel van eigenwaarde ontbrak; maar deze deftigheid ging met eene vertrouwelijke en nederige eenvoudigheid gepaard.

Hij had op dat oogenblik al zijn aandacht gevestigd op eene lei, die voor hem lag, waarop hij zorgvuldig en langzaam eenige letters poogde na te trekken, in welke bezigheid hij geholpen werd door jongeheer George, een vluggen, schranderen knaap van dertien jaren, die de waardigheid zijner betrekking van onderwijzer ten volle scheen te gevoelen.

"Niet zoo, Oom Tom; niet naar dien kant," zeide hij driftig, toen Oom Tom met stijve vingers den staart van eenegnaar den verkeerden kant omhaalde. "Dat wordt eeneq, ziet ge wel?"

"O, zoo wordt het?" zeide Oom Tom, met eerbiedige bewondering toekijkende, terwijl zijn jonge meester, tot zijne onderrichting, vlug eene ontelbare rij van g's en q's krabbelde. Daarop nam hij het grifje weder tusschen zijne groote grove vingers en hervatte met geduld zijne taak.

"Hoe gemakkelijk doen blanke menschen altijd iets!" zeide Tante Chloe, even ophoudende, terwijl zij een rooster met een stukje spek aan eene vork insmeerde, en haar jonge meester met zekere trotschheid aanziende.

"Zooals hij schrijven kan! En lezen ook! En dan 's avonds hier te komen en ons zijne lessen te leeren. Het is waarlijk om er pleizier in te hebben."

"Maar, Tante Chloe, ik krijg een geweldigen honger," zeide George. "Is de koek in de ketel niet haast klaar?"

"Haast, jongeheer George," antwoordde Tante Chloe, het deksel oplichtende en eens kijkende. "Hij bruint al mooi—heerlijk bruin. Vertrouw dat maar aan mij. Mevrouw liet Sally laatst eens probeeren om een koek te maken, om haar te laten leeren, zeide zij. Och loop heen, Mevrouw," zei ik. "Het gaat mij waarlijk aan het hart, om dat goede eten zoo te zien bederven! De koek is alles aan één kant gerezen—geen fatsoen aan, niet meer dan mijn schoen. Loop heen."

Met deze laatste uitdrukking van minachting voor Sally's onbedrevenheid, nam Chloe het deksel van den ketel en ontblootte zoo een heerlijk gebakken koek, waarvoor geen stadspasteibakker zich had behoeven te schamen. Daar deze koek blijkbaar de hoofdzaak van het onthaal moest wezen, begon Tante Chloe nu met drukte de tafel gereed te maken.

"Hier gij, Mozes en Peter, uit den weg, gij, negers! Weg, Polly, liefje, maatje zal haar kleintje zoo meteen wat geven. Nu, jongeheer George, neem nu die boeken maar weg en ga bij mijn ouden man zitten, dan zal ik de saucijzen opdoen, en zult ge in minder dan een oogenblik het eerste baksel geroosterde koekjes op uw bord hebben."

"Zij wilde hebben dat ik in huis zou eten," zeide George, "maar ik wist mijn weetje te wel, om dat te doen, Tante Chloe!"

"Ja, dat deedt ge zeker," zeide zij, hem eenige snikheete koekjes op zijn bord schuivende. "Gij weet wel dat uwe oude tante het beste voor u bewaart. Dat weet gij wel—loop heen!"

Daarmede gaf zij George schertsende een duwtje met haar vinger en keerde zich toen met vernieuwden ijver weder naar den rooster.

"Nu aan den ketelkoek," zeide George, toen de geroosterde koekjes nagenoeg op waren, en meteen zwaaide hij een groot mes over het bedoelde gebak.

"Halt, jongeheer George!" zeide Tante Chloe zeer ernstig en hield tegelijk zijn arm vast. "Woudt ge hem met dat groote zware mes gaan snijden? Gij zoudt hem geheel in elkaar drukken en al het mooi van het rijzen bederven. Hier heb ik een oud dun mes, dat ik er met opzet scherp voor houd. Daar, ziet ge, dat gaat er door, zoo licht als een veertje. Eet nu maar,—ge zult niet licht iets krijgen dat lekkerder is."

"Tom Lincoln zegt," zeide George, met een vollen mond sprekende, "dat hunne Jenny beter keukenmeid is dan gij."

"Die Lincolns hebben niet veel te beduiden," zeide Tante Chloe verachtelijk; "ik meen naast ons huis. De lieden zijn fatsoenlijk genoeg, op eene soort van eenvoudige manier, maar om iets met staatsie op te maken, daar hebben zij geen begrip van. Zet jongeheer Lincoln—nu eens naast jongeheer Shelby—och och! En Mevrouw Lincoln—kan zij zoo de kamer inkomen als mijne mevrouw—met zulk eene soort van staatsie, weet ge? Och loop heen—praat me niet van de Lincolns."

"Wel, ik heb u toch hooren zeggen," hervatte George, "dat Jenny eene goede keukenmeid was."

"Dat heb ik ook gezegd en dat mag ik zeggen. Een goeden, eenvoudigen pot kan Jenny koken, en hare korenkoekjes zijn wel niet extra, maar zij schikken,—zij schikken. Maar, och, kom eens hooger, en wat kan zij dan? Zij kan taarten maken,—zeker dat doet zij; maar wat voor soort van korst? Kan ze het echte brosse deeg maken, dat zoo luchtig is als schuim en in den mond wegsmelt? Ik ben daar eens naar toe geweest, toen Miss Mary zou gaan trouwen, en Jenny liet me de bruiloftstaarten zien. Jenny en ik zijn goede vriendinnen, weet ge? Ik zei niets; maar loop heen, jongeheer George! Wel ik zou er geene week van kunnen slapen, als ik zulk een baksel taarten gemaakt had. Neen, ze konden er volstrekt niet door."

"En Jenny zal al gedacht hebben, dat ze heel lekker waren," zeideGeorge.

"Of ze dat dacht? Zij was immers zoo onnoozel om ze nog te laten zien. Gij ziet, daar ligt het aan; Jenny weet het niet. Och, de familie beduidt niets; men kan niet verwachten dat zij het weet. Het is hare schuld niet. O jongeheer George, gij kent nog niet half het voorrecht van uwe familie en uwe opvoeding." En tante Chloe slaakte een zucht, en liet van aandoening het wit harer oogen zien.

"O zeker Tante Chloe, ik begrijp al mijne taart- en koek-voorrechten," zeide George. "Vraag Tom Lincoln maar, of ik er hem niet mee plaag, zoo dikwijls ik hem zie."

Tante Chloe liet zich op haren stoel zakken, en lachte over deze geestigheid van haren jongen meester tot haar de tranen over de zwarte blinkende wangen rolden. Nu en dan hield zij even op, om George schertsend een klap of stoot te geven, en hem te commandeeren om weg te loopen, en te zeggen, dat hij zeker nog eens haar dood zou zijn: tusschen welke akelige voorspellingen zij telkens weder in eene nieuwe vlaag van lachen uitbarstte, elk harder en langer dan de vorige, totdat George werkelijk begon te denken dat hij een gevaarlijk geestige jongen was, en moest oppassen om niet zóó grappig te zijn als hij wel kon.

"Ei zoo, hebt gij er Tom over gesproken? Och, wat doen die jongens niet al. Wel heb ik ooit! Een paardenvlieg zou er om moeten lachen."

"Ja," zeide George, "ik zei: Tom, gij moest Tante Chloe's taarten eens zien; dat is rechte taart."

"Jammer dat Tom het niet kon," zeide Tante Chloe, op wier menschlievend hart de ongelukkige onkunde van Tom een diepen indruk scheen te maken. "Gij moet hem hier eens ten eten vragen, jongeheer George," vervolgde zij, "dat zou lief van u zijn. Gij weet wel, jongeheer George, gij moogt u boven niemand verheffen op uwe voorrechten, omdat al onze voorrechten ons gegeven zijn. Dat moeten wij altijd onthouden," zeide Tante Chloe met een zeer ernstig gezicht.

"Wel, ik zal Tom aanstaande week eens hier vragen," zeide George; "en doe dan uw best, Tante Chloe, dan zullen wij hem eens laten opkijken. He! zullen we hem niet zoo laten eten, dat hij het in geen veertien dagen te boven komt?"

"Ja, ja, zeker," zeide Tante Chloe opgetogen. "Gij zult eens zien! O! als ik nog aan sommige van onze diners denk! Heugt u nog die groote keukenpastei, die ik maakte, toen wij generaal Knox ten eten hadden? Ik en mevrouw kregen toen haast ruzie over de korst. Wat de dames somtijds in het hoofd krijgen weet ik niet; maar juist als iemand het machtig druk en veel te verantwoorden heeft, nemen zij den tijd waar om in den weg te loopen en overal tusschen te willen komen. Nu wilde Mevrouw mij dit zóó laten doen en dat zóó, en eindelijk werd ik vrijpostig en zeide: nu, Mevrouw, zie eens naar die mooie witte handen van u met lange vingers, en overal schitterende van ringen gelijk mijne witte leliën als de dauw er op ligt; en zie dan naar mijne groote zwarte stomperige handen. Denkt ge nu niet dat de Heer mij moet bedoeld hebben om taartenkorst te maken, en u om in de voorkamer te blijven? Ja, zoo vrijpostig was ik, jongeheer George!"

"En wat zei moeder toen?" vroeg George.

"Wat zij zeide? Wel, zij lachte met hare oogen, die mooie groote oogen, die zij heeft; en toen zeide ze: "Wel, Tante Chloe, ik denk dat gij eenigszins gelijk hebt." Dat zei ze en ging naar de voorkamer. Zij had mij een gat in het hoofd moeten slaan, omdat ik zoo onbeschaamd was; maar zoo is het—met dames in de keuken kan ik niets uitrichten."

"Nu, gij hebt het toch goed gemaakt met dat diner. Ik weet nog wel dat iedereen dat zeide."

"Heb ik niet? En was ik niet achter de deur van de eetzaal dienzelfden dag; en zag ik den generaal niet driemaal zijn bord geven, om nog meer van diezelfde taart; en zeide hij niet: "Gij moet eene ongemeene keukenmeid hebben, Mevrouw Shelby?" O! ik dacht dat ik barsten zou!"

"En de generaal weet wat koken is," vervolgde Tante Chloe, zich trotsch oprichtende. "Heel fatsoenlijk man, die generaal! Hij komt van eene der eerste familiën in Oud-Virginië! Hij heeft er verstand van, zoo goed als ik—die generaal. Weet ge, elke taart heeft haar eisch, jongeheer George; maar het is niet iedereen, die weet wat er de eisch van is. Maar de generaal weet het; dat hoorde ik aan wat hij er van zeide. Ja, hij weet er den eisch van."

Thans was de jongeheer George zoover gekomen, als zelfs een jongen (in buitengewone gevallen) komen kan, zoover namelijk, dat hij inderdaad geen brok meer kon eten; en had dus den tijd om op den hoop wollige kroeskoppen en glinsterende oogen te letten, die in den anderen hoek zijn bedrijf hongerig gadesloegen.

"Hier, gij, Mozes en Peter," zeide hij, milde stukken voor hen afbrekende. "Gij lust ook wel wat, niet waar? Kom, Tante Chloe, bak nog wat koekjes voor hen."

George en Tom kozen nu een gemakkelijk plaatsje in het hoekje van den haard, terwijl Tante Chloe, na een goeden stapel koekjes te hebben gebakken, haar kleintje op haren schoot nam, en aan het werk ging om beurtelings haar eigen mond en dien van het wichtje te vullen, en aan hare twee jongens uit te deelen, die hunne portie liefst schenen op te eten, terwijl zij onder de tafel over den grond rolden en elkander krieuwelden of het schootkindje bij de beenen trokken.

"O, loopt heen, zal je!" zeide de moeder, nu en dan in den blinde een schop onder de tafel gevende, als de beweging al te erg werd. "Kunt ge u niet ordentelijk houden als er blanke menschen bij ons komen? Houdt op daarmee, zal je? Pas op, ik zal je een knoopsgat lager maken, als de jongeheer George weg is."

Wat dit verschrikkelijke dreigement eigenlijk beteekende, is moeielijk te raden; maar de geduchte onduidelijkheid er van scheen toch zeer weinig indruk op de aangesproken kleine zondaars te maken.

"Och," zeide Oom Tom, "zij zijn zoo vol pret, dat zij zich niet goed kunnen houden."

Nu kwamen de jongens onder de tafel vandaan en begonnen met welbestroopte gezichten, het kleine zusje te zoenen.

"Loopt heen!" zeide de moeder, hunne kroeskoppen wegduwende. "Ge zult allen aan elkander blijven plakken en nooit weer van elkaar loskomen. Loopt naar de bron en gaat uw gezicht wasschen!"

Zij bekrachtigde hare vermaning met een klap, die geducht klonk, maar toch de jongens slechts des te harder scheen te doen lachen, terwijl zij over elkander de deur uittuimelden, om hunne pret buiten uit te gieren.

"Hebt gij ooit zulke lastige jongens gezien?" zeide Tante Chloe, maar met zeker welbehagen naar het scheen, nam vervolgens een ouden handdoek, voor zulke dringende gevallen bewaard, schonk het water uit den gebarsten trekpot daarop, en begon de stroop van het kleine gezichtje af te wrijven. Nadat zij het kind gepoetst had tot het blonk, zette zij het Tom op zijne knie, terwijl zij de tafel ging opruimen. Het wichtje gebruikte dien tijd om Tom bij zijn neus te trekken, in zijn gezicht te krabben, en de dikke handjes in zijn wollig haar te verwarren, waarin het vooral vermaak scheen te hebben.

"Is het niet een nest van een meid?" zeide Tom, haar op armslengte van zich afhoudende, om haar eens geheel te overzien; en toen opstaande, zette hij de kleine op zijn breeden schouder en begon met haar te springen en te dansen, terwijl George met zijn zakdoek naar haar sloeg, en Mozes en Peter, die teruggekomen waren, haar als beren aanbromden, tot Tante Chloe verklaarde dat haar hoofd spleet van het leven. Daar echter volgens haar eigen zeggen, hetzelfde ongeluk dagelijks plaats had, deed deze verklaring de vroolijkheid niet verminderen, totdat iedereen zich zelven tot bedaren had gedanst, gesprongen en geschreeuwd.

"Wel, nu hoop ik dat gij gedaan hebt," zeide Tante Chloe, die in eene soort van pakkist, welke zij onder het bed weghaalde, nog een bed had opgemaakt. "Komt aan, Mozes en Peter, maakt dat gij er in komt, want er is eene meeting van avond."

"O moeder, dat willen wij niet. Wij wilden liever opblijven. De meeting is zoo aardig."

"Och, Tante Chloe, schuif het weer weg en laat hen maar opblijven," zeide George, de kist alreeds een duw gevende.

Tante Chloe, aldus een schijn van ordelievendheid bewaard hebbende, scheen blijde dat zij het ding weder weg kon schuiven en zeide, terwijl zij dit deed: "Wel, misschien zal het hun nog wel goed doen."

Men trad nu in ernstig overleg, om aanstalten voor de bijeenkomst te maken.

"Hoe wij het nu met stoelen zullen maken, verklaar ik niet te weten," zeide Tante Chloe.

Daar echter de bijeenkomst sedert onheuglijken tijd wekelijks bij Oom Tom gehouden was, zonder dat men meer stoelen had gehad, scheen men te mogen hopen, dat de zaak zich nu ook wel zou schikken.

"Oude Oom Peter heeft verleden week twee pooten van dien ouden stoel afgewrongen," merkte Mozes aan.

"Loop heen! Ik geloof zeker, dat gij ze er afgebroken hebt," zeide zijne moeder.

"O, hij kan nog wel staan, als hij maar vlak tegen den muur wordt gezet."

"Dan moet Oom Peter er niet op gaan zitten, omdat hij altijd hobbelt als hij aan het zingen komt," zeide Peter. "Laatst hobbelde hij bijna de geheele kamer door."

"Toe! laat hij er dan op zitten", viel Mozes er op in. "He! dan begint hij: "Komt, heiligen en zondaars!" en dan tuimelt hij omver."

Mozes bootste den neusklank des ouden mans zeer getrouw na en liet zich op den grond vallen, om een voorbeeld van de verwachte grap te geven.

"Kom, wees ordentelijk!" zeide Tante Chloe. "Schaamt gij u niet?"

De jongeheer George lachte echter met den kleinen zwarten deugniet mede, en verklaarde volmondig dat Mozes een "platje" was, zoodat de moederlijke vermaning weinig baatte.

"Wel, oude man," zeide Tante Chloe, "dan moeten wij de vaatjes maar weer nemen."

Er werden twee ledige vaten binnengerold, en nadat deze met steenen waren vastgezet, legde men er planken dwars overheen. Met dezen toestel, benevens het omkeeren van eenige tobben en emmers, en het plaatsen der wrakke stoelen, waren de toebereidselen voltooid.

"De jongeheer George is zulk een heerlijk lezer," zeide Tante Chloe nu. "Zeker zal hij wel willen blijven om voor ons te lezen; dat zou zooveel stichtelijker zijn."

George gaf bereidwillig zijne toestemming, want een jongen is altijd gereed voor iets dat hem tot een persoon van gewicht maakt.

Weldra werd het vertrek gevuld met eene zeer gemengde vergadering van den grijzen patriarch van tachtig jaren tot het jonge meisje en den knaap van vijftien. Men had een onschuldig praatje over allerlei onderwerpen, zooals: waar oude Tante Sally haar nieuwen rooden hoofddoek had gekregen, en aan wie Mevrouw Lizzy haar mousselinen japon zou geven, als zij haar nieuwe zijden had laten maken en hoe de jongeheer Shelby een bruin veulen zou koopen, dat de staatsie van het huishouden zou vergrooten. Eenige aanwezigen behoorden tot familiën in de nabijheid en brachten eenige belangrijke berichten mede aangaande het zeggen en doen in huis en op het goed, die even vaardig rondgingen als dezelfde soort van kleine munt in hoogere kringen doet.

Na een poosje begon het zingen, tot blijkbaar genoegen van alle aanwezigen. Zelfs de leelijke gewoonte om door den neus te zingen, kon den indruk der inderdaad fraaie stemmen en der tegelijk wilde en levendige melodiën niet bederven. De woorden waren somtijds de gewone welbekende liederen, die in de kerken in het rond gezongen werden, maar hadden ook somtijds een meer dwependen toon en waren bij veldpredicatiën gehoord en aangeleerd.

Het koor van een dier liederen luidde als volgt en werd met bijzondere kracht en stichting gezongen:

"Sterven op het slagveld,Sterven op het slagveld,Heerlijkheid in mijne ziel."

In een ander geliefkoosd lied werden dikwijls de woorden herhaald:

"'k Ga nu naar de heerlijkheid:Gaat gij met mij mee?Ziet gij d'engelen niet wenkenNaar de heilige stee?Ziet gij niet de gouden muren,Waar de dag zal duren?"

Er waren nog andere, waarin gedurig melding werd gemaakt van den "oever des Jordaans", "de velden Kanaäns", en het "nieuwe Jeruzalem", want het hartstochtelijke gemoed des negers schept vooral behagen in levendige, schilderachtige voorstellingen en uitdrukkingen; en terwijl zij zongen, begonnen sommigen te lachen, anderen te schreien, en sommigen klapten in de handen, of drukten elkander met verrukking de hand, als hadden zij de overzijde der rivier reeds bereikt.

Verschillende vermaningen en verhalen van bevindingen volgden daarop, telkens weder met zingen afgewisseld. Eene oude vrouw, die al lang niet meer werken kon, maar als eene soort van kroniek van het verledene werd geëerd, stond op, en op haar stok leunende zeide zij:

"Wel, kinderen, wel, ik ben machtig blijde, u allen nog eens te zien en te hooren, omdat ik niet weet wanneer ik naar de heerlijkheid zal gegaan zijn; maar ik heb mij geheel klaargemaakt, kinderen; het is alsof ik mijn pakje al gemaakt had en mijn hoed op, zoo wachtende tot de postwagen langs komt en mij medeneemt naar huis. Somtijds in den nacht, denk ik dat ik de wielen al hoor ratelen; en al dien tijd zie ik uit. Weest ook maar gereed, want ik zeg u allen, kinderen," en daarbij stampte zij met haar stok op den vloer, "dat die heerlijkheid een machtig ding is! Het is een machtig ding, kinderen—gij weet er nog niets van—het is wonderbaar!"

En de oude vrouw zette zich weder neder, overstelpt van aandoening en met een stroom van tranen, terwijl de geheele kring aanhief:

"O Kanaän, schoon Kanaän,Ik ga naar 't land van Kanaän!"

De jongeheer George las daarna op verzoek de laatste hoofdstukken der Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn de beloften nu!"—"Hoor dat nu eens!"—"Denk daar eens aan!"—"Zal dat alles zeker komen?"

George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid, waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was."

Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien, zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten.

Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn.

De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap.

"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen."

Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze, als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid, welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam.

"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande.

"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!"

"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij voorkomt," zeide de handelaar.

"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten in welke soort van handen hij komt."

"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar.

"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoorddeShelby trotsch.

"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen, daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben."

Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in eenzaamheid zijne sigaar rooken.

Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien, welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende, zeide zij losweg:

"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij ons aan tafel hebt gebracht?"

"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende.

"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?"

"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik laatst naar Natchez was."

"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen alsof hij thuis was?"

"Wel, ik had hem gevraagd—ik had eene rekening met hem te sluiten," zeide Shelby.

"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende.

"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby opziende.

"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat zij hem een bod had hooren doen naar heur kind—dat onnoozele gansje!"

"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende dat hij dien het onderste boven hield.

"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed als ooit."

"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel."

"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn, dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten verkoopen."

"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen."

"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te verkoopen."

"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man—die van kind af uw trouwe dienaar is geweest? O Shelby—en gij hebt hem nog zijne vrijheid beloofd—gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby op een toon tusschen smart en verontwaardiging.

"Welnu,—daar gij alles weten moet—het is zoo. Ik heb toegestemd om Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle dagen doet."

"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan verkoopen moet?"

"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen—dat is het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter zou bevallen."

"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit.

"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor."

"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou, als het van hem gevergd werd."

"Dat weet ik—dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij anders niet helpen."

"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht—zoo getrouw getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen—om mijn plicht aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie, tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen; en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken—over haren plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken, voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en haar kind verkoopen?—verkoopen misschien tot zeker verderf voor lichaam en ziel!"

"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily—waarlijk het spijt mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld—en de prijs van deze twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?"

Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en slaakte een kermenden zucht.

"Dat is Gods vloek op de slavernij!—een bitter, diep vervloekt ding!—een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden—ik dacht dat ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!"

"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist."

"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet, dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en goed heb gehouden—nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben."

"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden," zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel, verleden Zondag?"

"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet stuiten—kunnen het evenmin genezen als wij—maar het verdedigen!—dat streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet veel waarde aan die preek hebt gehecht."

"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat de omstandigheden veroorloofden."

"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde," vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb."

"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen, Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen."

"Is hij dan zoo hardvochtig?"

"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder gevoel—een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk kwaad te willen doen."

"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en van Eliza's kind!"

"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl zij buiten 't gezicht is."

"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan gevoelen. En Eliza—daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons overkomen moet?"

Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets daarvan konden vermoeden.

De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het gesprokene gemist.

Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek, huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw, die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs, bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping, waar haar meesteres sliep.

Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind, met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach als een zonnestraal over het geheele gezichtje.

"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar uwe moeder zal u nog redden."

Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood:

"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar—denk toch niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden—gij zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al uwe goedheid."

Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en haar doek omsloeg.

"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje en mutsje naar het bed kwam.

Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was.

"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen, zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan."

Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten.

Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst om haren hals vastklemde.

De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek, terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte.

De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren.

"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook en krabt aan de deur. Wat op de wereld—! Ik zal de deur maar gaan opendoen."

Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde oogen der vluchteling.

"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek, of wat is u overkomen?"

"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester heeft het verkocht."

"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende.

"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed, en dat die man vandaag bezit van u zou nemen."

Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden, zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën.

"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester hem verkoopen zou?"

"Hij heeft niets gedaan—daar is het niet om. Meester wilde niet verkoopen, en Mevrouw—zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon—dat hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had, en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of allen—zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet; maar Mevrouw—o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd, dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel, en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven, want ik kan het niet laten."

"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken."

Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond, en zeide:

"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders," vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd gereed gevonden—en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe, en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme…."

Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op den grond—zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw, als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart!

"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"—zij keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan, en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk der hemelen weder te zien."

"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij moet niet met mij meeloopen, het goede beest."

Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden, en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop zij stil heen.


Back to IndexNext